Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling)
| Code | Beschrijving huisvestingssysteem | Nummer systeembeschrijving | Emissiefactor per dierplaats | Emissiefactor per dierplaats | Emissiefactor per dierplaats |
|---|---|---|---|---|---|
| Code | Beschrijving huisvestingssysteem | Nummer systeembeschrijving | ammoniak (kg NH3/jaar) | geur (ouE/sec) | fijnstof (g PM10/jaar) |
| HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE | HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE | HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE | HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE | HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE | HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE |
| HA1 | Diercategorie melk- en kalfkoeien van 2 jaar en ouder (inclusief kalveren jonger dan 14 dagen) | ||||
| HA1.1 | Grupstal met drijfmest | OW 1993.09.V1 | 5,7 | – | 81 |
| HA1.2 | Ligboxenstal met hellende vloer en giergoot waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2027, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2027 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2027 niet is vervangen of uitgebreid | OW 1993.03.V1, OW 1993.04.V1, OW 1993.05.V1, OW 1993.06.V1, OW 1994.08.V1 | 10,2 | – | 148 |
| HA1.3 | Ligboxenstal met hellende vloer en spoelsysteem | OW 1994.03.V1 | 9,2 | – | 148 |
| HA1.4 | Ligboxenstal met hellende vloer en giergoot met spoelsysteem of roostervloer met spoelsysteem | OW 2001.28.V1 | 10,2 | – | 148 |
| HA1.5 | Ligboxenstal met dichte geprofileerde hellende vloer waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2027, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2027 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2027 niet is vervangen of uitgebreid | OW 2009.11.V1 | 11,0 | – | 148 |
| HA1.6 | Ligboxenstal met dichte hellende vloer met rubber toplaag waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2027, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2027 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2027 niet is vervangen of uitgebreid | OW 2009.22.V1 | 11,0 | – | 148 |
| HA1.7 | Ligboxenstal met sleufvloer waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2027, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2027 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2027 niet is vervangen of uitgebreid | OW 2010.14.V1, OW 2010.24.V1 | 11,8 | – | 148 |
| HA1.8 | Ligboxenstal met roostervloer met bolle rubber toplaag en afdichtflappen in roosterspleten waarvoor voor 12 april 2017 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2010.30.V1 | 6,0 | – | 148 |
| HA1.9 | Ligboxenstal met roostervloer met bolle rubber toplaag waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2027, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2027 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2027 niet is vervangen of uitgebreid | OW 2010.31.V1 | 7 | – | 148 |
| HA1.10 | Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven en regelmatige mestafstorten waarvoor voor 20 juli 2018 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2010.32.V1 | 11,8 | – | 148 |
| HA1.11 | Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven en regelmatige mestafstorten waarvoor voor 20 juli 2018 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2010.33.V1 | 12,2 | – | 148 |
| HA1.12 | Ligboxenstal met roostervloer met cassettes in de roosterspleten waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2027, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2027 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2027 niet is vervangen of uitgebreid | OW 2010.34.V1 | 7 | – | 148 |
| HA1.13 | Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven en regelmatige mestafstorten met afdichtflappen waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2027, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2027 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2027 niet is vervangen of uitgebreid | OW 2010.35.V1 | 7 | – | 148 |
| HA1.14 | Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven en regelmatige mestafstorten met afdichtkleppen waarvoor voor 20 juli 2018 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2010.36.V1 | 10,3 | – | 148 |
| HA1.15 | Ligboxenstal met V-vormige vloer met gietasfalt in combinatie met een gierafvoerbuis en met mestschuif waarvoor voor 20 juli 2018 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2012.01.V1 | 11,7 | – | 148 |
| HA1.16 | Mechanisch geventileerde stal met een chemisch luchtwassysteem waarvoor voor 20 juli 2018 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2012.02.V1 | 5,1 | – | 148 |
| HA1.17 | Ligboxenstal met V-vormige vloer van geprofileerde vloerelementen in combinatie met een gierafvoerbuis waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2027, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2027 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2027 niet is vervangen of uitgebreid | OW 2012.04.V1 | 8 | – | 148 |
| HA1.18 | Ligboxenstal met roostervloer met hellende groeven of hellend gelegd met afdichtkleppen in roosterspleten waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2027, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2027 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2027 niet is vervangen of uitgebreid | OW 2012.05.V1 | 11 | – | 148 |
| HA1.19 | Ligboxenstal met geprofileerde hellende vloer met perforaties waarvoor voor 6 mei 2020 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2012.08.V1 | 10,1 | – | 148 |
| HA1.20 | Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven en regelmatige mestafstorten met afdichtingen waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2030, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2030 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2030 niet is vervangen of uitgebreid | OW 2013.01.V1 | 7 | – | 148 |
| HA1.21 | Ligboxenstal met sleufvloer met in doorsteken, wachtruimte en doorlopen een roostervloer met bolle rubber toplaag en afdichtflappen in roosterspleten waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2027, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2027 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2027 niet is vervangen of uitgebreid | OW 2013.03.V1 | 11 | – | 148 |
| HA1.22 | Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven met urineafvoergat of met regelmatige mestafstorten met afdichtkleppen waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2030, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2030 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2030 niet is vervangen of uitgebreid | OW 2013.04.V1 | 6 | – | 148 |
| HA1.23 | Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven, aaneengesloten of met regelmatige mestafstorten met afdichtflappen waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2030, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2030 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2030 niet is vervangen of uitgebreid | OW 2013.05.V1 | 7 | – | 148 |
| HA1.24 | Ligboxenstal met vloer met geprofileerde rubber matten met hellend profiel en regelmatige mestafstorten met afdichtflappen waarvoor voor 6 mei 2020 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2013.06.V1 | 10,3 | – | 148 |
| HA1.25 | Ligboxenstal met hellende vloer met geprofileerde rubber matten en centrale giergoot waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2030, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2030 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2030 niet is vervangen of uitgebreid | OW 2013.07.V1 | 8 | – | 148 |
| HA1.26 | Ligboxenstal met roostervloer met hellende groeven of hellend gelegd met afdichtkleppen in roosterspleten en vernevelsysteem | OW 2014.02.V1 | 8 | – | 148 |
| HA1.27 | Ligboxenstal met roostervloer met rubber matten en composietnokken met hellend profiel en cassettes in roosterspleten waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2027, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2027 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2027 niet is vervangen of uitgebreid | OW 2015.05.V1 | 6 | – | 148 |
| HA1.28 | Ligboxenstal met geprofileerde hellende vloer met holtes voor gieropvang en -afvoer aan zijkant waarvoor voor 1 januari 2019 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2015.06.V1 | 9,9 | – | 148 |
| HA1.29 | Ligboxenstal met roostervloer met bolle rubber toplaag waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 1 januari 2030, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2030 en die is toegepast in een dierenverblijf dat na 1 januari 2030 niet is vervangen of uitgebreid | OW 2017.06.V1 | 8 | – | 148 |
| HA1.30 | Ligboxenstal met sleufvloer met geprofileerde rubber tegels waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2018.02.V1 | 8,1 | – | 148 |
| HA1.31 | Ligboxenstal met vlakke betonnen vloerplaten met sleuven, voorzien van profiel met 1% hellende groeven richting een centrale giergoot met giergaten en mestverwijdering waarvoor voor 1 december 2022 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2018.03.V1 | 9,1 | – | 148 |
| HA1.32 | Ligboxenstal met geprofileerde rubber oplegsleufvloer met hellende sleuven met gierafvoergaatjes waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2018.06.V1 | 7,1 | – | 148 |
| HA1.33 | Ligboxenstal met dichte geprofileerde vloer met rubbermatten en composietnokken met hellend profiel waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2018.07.V1 | 9,0 | – | 148 |
| HA1.34 | Ligboxenstal met vlakke vloer voorzien van rubberen sleufvloer, met vlakke langssleuven en geprofileerd rubber (hellende V-vorm), met groeven en nopjes tussen de langssleuven met vingermestschuif | OW 2019.01.V2 | 8 | – | 148 |
| HA1.35 | Ligboxenstal met urineopvangstation | OW 2021.05.V2 | 6 | – | 148 |
| HA1.36 | Ligboxenstal met een indrukbare drainerende loopvloer voorzien van een mestschuif, waarbij de urine en mest direct worden gescheiden en apart worden opgeslagen, waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 2 oktober 2024 of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 2 oktober 2024 | OW 2021.06.V1 | 6,4 | – | 148 |
| HA1.37 | Ligboxenstal voorzien van geprofileerde rubberen oplegmatten met ruitprofiel onder 2% afschot naar een centrale giergoot en frequente mestverwijdering met vaste mestschuif, waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 2 oktober 2024, of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 2 oktober 2024 | OW 2021.07.V1 | 8,9 | – | 148 |
| HA1.38 | Natuurlijk geventileerde ligboxenstal met een roostervloer voorzien van inlays met urineafvoergaatjes in de roosterspleten, frequent bevochtigen en schoonzuigen van de vloer door een mestverzamelrobot en een mechanische kelderluchtafzuiging met een chemisch luchtwassysteem (95% emissiereductie) | OW 2021.08.V2 | 3 | - | 148 |
| HA1.39 | Ligboxenstal met V-vormige vloer van geprofileerde vloerelementen in een helling van 3,5% in combinatie met een gierafvoerbuis, waarvoor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend voor 9 maart 2026 of, in het geval een vergunning niet vereist was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 9 maart 2026 | OW 2022.01.V1 | 6,2 | - | 148 |
| HA1.100 | Overige huisvestingssystemen | 13 | – | 148 | |
| HA2 | Diercategorie vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar, diercategorie fokstieren jonger dan 2 jaar | ||||
| HA2.100 | Overige huisvestingssystemen | 4,4 | – | 38 | |
| HA3 | Diercategorie vleeskalveren jonger dan 1 jaar | ||||
| HA3.1 | Stal met hellende roostervloer in combinatie met hellende schijnvloer onder roostervloer waarvoor voor 6 mei 2020 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2012.09.V1 | 2,5 | 35,6 | 33 |
| HA3.2 | Stal met volledige roostervloer voorzien van een bolle rubber toplaag en afdichtkleppen in de roosterspleten waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2018.04.V1 | 1,9 | 31,2 | 22 |
| HA3.100 | Overige huisvestingssystemen | 3,5 | 35,6 | 33 | |
| HA4 | Diercategorie zoogkoeien van 2 jaar en ouder (inclusief ongespeende kalveren) | ||||
| HA4.100 | Overige huisvestingssystemen | 4,1 | – | 86 | |
| HA5 | Diercategorie overig vleesvee vanaf spenen en jonger dan 2 jaar | ||||
| HA5.100 | Overige huisvestingssystemen | 5,3 | 35,6 | 170 | |
| HA6 | Diercategorie overig rundvee van 2 jaar en ouder | ||||
| HA6.100 | Overige huisvestingssystemen | 6,2 | – | 170 | |
| HOOFDCATEGORIE B: SCHAPEN | HOOFDCATEGORIE B: SCHAPEN | ||||
| HB1 | Diercategorie schapen van 1 jaar en ouder (inclusief lammeren) | ||||
| HB1.100 | Overige huisvestingssystemen (beweiden) | 0,7 | 7,8 | – | |
| HOOFDCATEGORIE C: GEITEN | HOOFDCATEGORIE C: GEITEN | ||||
| HC1 | Diercategorie geiten van 1 jaar en ouder | ||||
| HC1.100 | Overige huisvestingssystemen | 1,9 | 18,8 | 19 | |
| HC2 | Diercategorie geiten vanaf 61 dagen tot 1 jaar | ||||
| HC2.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,8 | 11,3 | 10 | |
| HC3 | Diercategorie geiten tot 61 dagen | ||||
| HC3.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,2 | 5,7 | 10 | |
| HOOFDCATEGORIE D: VARKENS | HOOFDCATEGORIE D: VARKENS | ||||
| HD1 | Diercategorie gespeende biggen minder dan 25 kg | ||||
| HD1.1 | Vlakke gecoate keldervloer met mestschuif | OW 1993.01.V1 | 0,20 | 5,4 | 56 |
| HD1.2 | Gedeeltelijk rooster met spoelgotensysteem | OW 1994.09.V1, OW 1997.01.V1 | 0,24 | 7,8 | 74 |
| HD1.3 | Mestopvang in en spoelen met aangezuurde vloeistof | ||||
| HD1.3.1 | Volledig rooster | OW 1996.05.V1 | 0,18 | 7,8 | 56 |
| HD1.3.2 | Gedeeltelijk rooster | OW 1996.05.V1 | 0,25 | 7,8 | 74 |
| HD1.4 | Mestband in mestkanaal met metalen driekantrooster | OW 1996.06.V1 | 0,23 | 5,4 | 74 |
| HD1.5 | Ondiepe mestkelders met water- en mestkanaal | ||||
| HD1.5.1 | Oppervlakte mestkanaal ten hoogste 0,13 m2 per dierplaats | OW 1996.01.V1 | 0,26 | 5,4 | 74 |
| HD1.5.2 | Oppervlakte mestkanaal ten hoogste 0,19 m2 per dierplaats | OW 2001.14.V1 | 0,33 | 7,8 | 74 |
| HD1.6 | Schuine putwand | ||||
| HD1.6.1 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,07 m2 per dierplaats, ongeacht groepsgrootte | OW 2001.13.V1 | 0,17 | 5,4 | 74 |
| HD1.6.2 | Emitterende mestoppervlakte 0,07–0,10 m2 per dierplaats in groepen tot 30 dieren | OW 2004.06.V1 | 0,21 | 5,4 | 74 |
| HD1.6.3 | Emitterende mestoppervlakte 0,07–0,10 m2 per dierplaats in groepen vanaf 30 dieren zonder spoelgoten | OW 2010.04.V1 | 0,18 | 5,4 | 74 |
| HD1.6.4 | Emitterende mestoppervlakte 0,07–0,10 m2 per dierplaats in groepen vanaf 30 dieren met spoelgoten | OW 1999.05.V1, OW 1999.06.V1 | 0,18 | 7,8 | 74 |
| HD1.7 | Gedeeltelijk rooster met verkleinde mestoppervlakte | OW 2001.16.V1 | 0,39 | 7,8 | 74 |
| HD1.8 | Mestopvang in water met mestafvoersysteem | OW 2006.07.V1 | 0,15 | 5,4 | 56 |
| HD1.9 | Volledig rooster met water- en mestkanaal | OW 2010.05.V1 | 0,20 | 5,4 | 56 |
| HD1.10 | Koeldeksysteem (150% koeloppervlakte) | OW 2010.12.V1 | 0,17 | 5,4 | 56 |
| HD1.11 | Hok met conditionering van de ligvloertemperatuur, mestkelders met water- en mestkanaal, voerbak en watervoorziening boven het waterkanaal, mestkanaal met metalen driekant roostervloer met mestspleet, beide kanalen voorzien van een pan met watervulsysteem, dagelijkse mestafvoer uit het mestkanaal en een emitterend mestoppervlakte van ten hoogste 0,062 m2per dierplaats waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2019.02.V1 | 0,21 | 5,4 | 56 |
| HD1.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,69 | 7,8 | 74 | |
| HD2 | Diercategorie kraamzeugen (inclusief biggen tot spenen) | ||||
| HD2.1 | Spoelgotensysteem, spoelen met dunne mest | OW 1993.12.V1, OW 1999.02.V1 | 3,3 | 27,9 | 160 |
| HD2.2 | Kunststof schijnvloer met schuif onder rooster | OW 1994.02.V1 | 3,7 | 27,9 | 160 |
| HD2.3 | Vlakke gecoate keldervloer met mestschuif | OW 1994.06.V1 | 4,0 | 27,9 | 160 |
| HD2.4 | Hellende gecoate keldervloer met giergoot en mestschuif | OW 1994.07.V1 | 3,1 | 27,9 | 160 |
| HD2.5 | Ondiepe mestkelders met mest- en waterkanaal | OW 1995.08.V1 | 4,0 | 27,9 | 160 |
| HD2.6 | Mestopvang in en spoelen met aangezuurde vloeistof | OW 1996.04.V1 | 3,1 | 27,9 | 160 |
| HD2.7 | Mestkanaal en hellende (schijn)vloer onder roostervloer | OW 2001.17.V1 | 5,0 | 27,9 | 160 |
| HD2.8 | Schuiven in mestgoot | 0W 2001.18.V1 | 2,5 | 27,9 | 160 |
| HD2.9 | Waterkanaal met afgescheiden mestkanaal of mestbak | OW 2004.07.V1 | 2,9 | 27,9 | 160 |
| HD2.10 | Mestpan | OW 2006.08.V1 | 2,9 | 27,9 | 160 |
| HD2.11 | Mestgoot met mestafvoersysteem | OW 2010.06.V1 | 3,2 | 27,9 | 160 |
| HD2.12 | Mestpan met water- en mestkanaal | OW 2010.07.V1 | 2,9 | 27,9 | 160 |
| HD2.13 | Mestpan met water- en mestkanaal en koelsysteem | OW 2018.01.V1 | 1,3 | 27,9 | 160 |
| HD2.14 | Koeldeksysteem (150% koeloppervlakte) | OW 2010.15.V1 | 2,4 | 27,9 | 160 |
| HD2.100 | Overige huisvestingssystemen | 8,3 | 27,9 | 160 | |
| HD3 | Diercategorie guste en dragende zeugen | ||||
| HD3.1 | Smalle ondiepe mestkanalen met metalen driekantrooster en rioleringssysteem (individuele huisvesting) | OW 1995.02.V1 | 2,4 | 18,7 | 175 |
| HD3.2 | Mestgoot met combinatierooster en frequente mestafvoer (individuele huisvesting) | OW 1995.05.V1 | 1,8 | 18,7 | 175 |
| HD3.3 | Spoelgotensysteem met dunne mest | ||||
| HD3.3.1 | Individuele huisvesting | OW 1995.07.V1 | 2,5 | 18,7 | 175 |
| HD3.3.2 | Groepshuisvesting | OW 1998.01.V1, OW 1999.03.V1 | 2,5 | 18,7 | 175 |
| HD3.4 | Mestopvang in en spoelen met aangezuurde vloeistof | ||||
| HD3.4.1 | Individuele huisvesting | OW 1996.03.V1 | 1,8 | 18,7 | 175 |
| HD3.4.2 | Groepshuisvesting | OW 1998.02.V1 | 1,8 | 18,7 | 175 |
| HD3.5 | Schuiven in mestgoot (individuele huisvesting) | OW 2001.19.V1 | 2,2 | 18,7 | 175 |
| HD3.6 | Mestband in mestkanaal met metalen driekantrooster | OW 2008.11.V1 | 2,2 | 18,7 | 175 |
| HD3.7 | Koeldeksysteem | ||||
| HD3.7.1 | 115% koeloppervlakte (individuele huisvesting) | OW 2010.16.V1 | 2,2 | 18,7 | 175 |
| HD3.7.2 | 135% koeloppervlakte (groepshuisvesting) | OW 2010.17.V1 | 2,2 | 18,7 | 175 |
| HD3.8 | Groepshuisvesting zonder strobed met voerligboxen of voerstations en schuine putwanden in mestkanaal | ||||
| HD3.8.1 | Met metalen driekantrooster | OW 2010.08.V1 | 2,3 | 18,7 | 175 |
| HD3.8.2 | Met anders dan metalen driekantrooster | OW 2006.09.V1 | 2,5 | 18,7 | 175 |
| HD3.9 | Rondloopstal met voerstation en strobed | OW 2010.09.V1 | 2,6 | 18,7 | 175 |
| HD3.10 | Hok met kelders met water- en mestkanaal, vloervoedering, mestkanaal met metalen driekant roostervloer met mestspleet, mest- en watergoot met schuine puntwanden, koelsysteem en watervul- en spoelsysteem in mestgoot, dagelijkse mestafvoer en een emitterend mestoppervlakte van ten hoogste 0,3 m2 per dierplaats waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2024 | OW 2019.03.V1 | 1,5 | 18,7 | 175 |
| HD3.100 | Overige huisvestingssystemen (groepshuisvesting) | 4,2 | 18,7 | 175 | |
| HD3.101 | Overige huisvestingssystemen (individuele huisvesting) | 4,2 | 18,7 | 175 | |
| HD4 | Diercategorie dekberen van 7 maanden en ouder | ||||
| HD4.100 | Overige huisvestingssystemen | 5,5 | 18,7 | 180 | |
| HD5 | Diercategorie vleesvarkens van 25 kg en meer, diercategorie opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden diercategorie opfokzeugen van 25 kg en meer | ||||
| HD5.1 | Scharrelvleesvarkens in beddenstal | OW 2001.30.V1 | 1,9 | 23,0 | 153 |
| HD5.2 | Gehele dierplaats onderkelderd zonder stankafsluiter | OW 2001.23.V1 | 4,5 | 23,0 | 153 |
| HD5.3 | Mestopvang in en spoelen met ammoniakarme vloeistof (inclusief aanzuren) | OW 1993.10.V1, OW 1993.11.V1, OW 1995.03.V1, OW 2001.24.V1 | 1,6 | 17,9 | 153 |
| HD5.4 | Metalen driekantrooster met mestopvang in met formaldehyde behandelde mestvloeistof | OW 1995.01.V1 | 1,0 | 17,9 | 153 |
| HD5.5 | Metalen driekantrooster met mestopvang in water | OW 1995.06.V1 | 1,3 | 17,9 | 153 |
| HD5.6 | Spoelgotensysteem met metalen driekantrooster | OW 1998.03.V1 | 1,2 | 23,0 | 153 |
| HD5.7 | Spoelgotensysteem met rooster | OW 1998.04.V1, OW 1999.04.V1 | 1,7 | 23,0 | 153 |
| HD5.8 | Water- en mestkanaal | OW 2001.03.v1 | 1,7 | 23,0 | 153 |
| HD5.9 | Mestkanaal met schuine putwand (en waterkanaal) | ||||
| HD5.9.1 | Met metalen driekantrooster op mestkanaal | ||||
| HD5.9.1.1 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,18 m2 per dierplaats met spoelgoten | OW 1997.04.V1 | 1,0 | 23,0 | 153 |
| HD5.9.1.2 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,18 m2 per dierplaats zonder spoelgoten | OW 2004.03.V1 | 1,0 | 17,9 | 153 |
| HD5.9.1.3 | Emitterende mestoppervlakte 0,18–0,27 m2 per dierplaats met spoelgoten | OW 1997.04.V1 | 1,4 | 23.0 | 153 |
| HD5.9.1.4 | Emitterende mestoppervlakte 0,18–0,27 m2 per dierplaats zonder spoelgoten | OW 2004.04.V1 | 1,4 | 17,9 | 153 |
| HD5.9.2 | Met anders dan metalen driekantrooster op mestkanaal | ||||
| HD5.9.2.1 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,18 m2 per dierplaats | OW 2004.05.V1 | 1,5 | 17,9 | 153 |
| HD5.9.2.2 | Emitterende mestoppervlakte 0,18–0,27 m2 per dierplaats | OW 2010.10.V1 | 1,9 | 23,0 | 153 |
| HD5.10 | Koeldeksysteem (200% koeloppervlakte) | ||||
| HD5.10.1 | Met metalen driekantrooster | ||||
| HD5.10.1.1 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,5 m2 per dierplaats | OW 2004.08.V1 | 1,2 | 17,9 | 153 |
| HD5.10.1.2 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,8 m2 per dierplaats | OW 2010.19.V1 | 1,5 | 17,9 | 153 |
| HD5.10.2 | Met anders dan metalen driekantrooster | ||||
| HD5.10.2.1 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,6 m2 per dierplaats | OW 2010.20.V1 | 1,6 | 17,9 | 153 |
| HD5.10.2.2 | Emitterende mestoppervlakte 0,6–0,8 m2 per dierplaats | OW 2001.01.V1 | 2,4 | 23,0 | 153 |
| HD5.11 | Koeldeksysteem (170% koeloppervlakte) met metalen driekantrooster | ||||
| HD5.11.1 | Emitterende mestoppervlakte mestkanaal groter dan 0,5 m2, maar ten hoogste 0,67 m2 per dierplaats | OW 2001.25.V1 | 1,7 | 23 | 153 |
| HD5.11.2 | Emitterende mestoppervlakte mestkanaal ten hoogste 0,5 m2 per dierplaats | OW 2019.05.V1 | 1,4 | 17,9 | 153 |
| HD5.12 | Bollevloerhok met betonnen morsrooster en metalen driekantrooster | ||||
| HD5.12.1 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,22 m2 per dierplaats | OW 2001.27.V1 | 1,4 | 17,9 | 153 |
| HD5.12.2 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,33 m2 per dierplaats | OW 2001.27.V1 | 2,0 | 23,0 | 153 |
| HD5.13 | Mestband in mestkanaal met metalen driekantrooster | OW 2008.11.V1 | 1,1 | 17,9 | 153 |
| HD5.14 | Hok met mestkelders met water- en mestkanaal, voerbak en watervoorziening boven het waterkanaal, mestkanaal met metalen driekant roostervloer, mestgoot met schuine putwanden, koelsysteem en watervul- en spoelsysteem, dagelijkse mestafvoer en een emitterende mestoppervlakte van ten hoogste 0,08 m2 per dierplaats waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2024 | OW 2019.04.V1 | 0,77 | 17,9 | 153 |
| HD5.100 | Overige huisvestingssystemen | 3,0 | 23,0 | 153 | |
| HOOFDCATEGORIE E: KIPPEN | HOOFDCATEGORIE E: KIPPEN | ||||
| HE1 | Diercategorie opfokhennen en -hanen van legkippen jonger dan 18 weken | ||||
| HE1.1 | Kooihuisvesting | ||||
| HE1.1.1 | Batterij met mestband | OW 1993.07.V1 | 0,020 | 0,18 | 2 |
| HE1.1.2 | Batterij met mestbandbeluchting | ||||
| HE1.1.2.1 | Beluchting 0,2 m3/uur per dierplaats | OW 1993.08.V1 | 0,020 | 0,18 | 2 |
| HE1.1.2.2 | Beluchting 0,4 m3/uur per dierplaats | OW 1997.03.V1 | 0,006 | 0,18 | 2 |
| HE1.1.3 | Batterij met mestbandbeluchting en bovenliggende droogtunnel | OW 1999.01.V1 | 0,010 | 0,18 | 2 |
| HE1.1.4 | Batterij met mestschuiven en centrale mestband | OW 1995.04.V1 | 0,011 | 0,18 | 2 |
| HE1.1.5 | Batterij met open mestopslag | OW 2001.04.V1 | 0,045 | 0,18 | 2 |
| HE1.1.6 | Batterij met mest- en luchtkanaal | OW 2001.05.V1 | 0,208 | 0,18 | 2 |
| HE1.1.7 | Koloniehuisvesting met mestbandbeluchting 0,7 m3/uur per dierplaats | OW 2009.10.V1 | 0,016 | 0,18 | 8 |
| HE1.2 | Grondhuisvesting | ||||
| HE1.2.1 | Strooiselvloer (eventueel met roostervloer) | OW 2001.06.V1 | 0,170 | 0,18 | 30 |
| HE1.2.2 | Warmteheaters en ventilatoren | OW 2009.14.V1 | 0,088 | 0,18 | 30 |
| HE1.2.3 | Verhoogde roostervloer met daarboven oplierbare en/of opklapbare roosters | OW 2015.03.V1 | 0,110 | 0,18 | 30 |
| HE1.2.4 | Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag | OW 2011.13.V1 | 0,088 | 0,18 | 30 |
| HE1.3 | Volièrehuisvesting | ||||
| HE1.3.1 | Ten minste 50% rooster met mestband | OW 2005.02.V1 | 0,050 | 0,18 | 23 |
| HE1.3.2 | 65–70% rooster en mestbandbeluchting 0,3 m3/uur per dierplaats | OW 2005.03.V1 | 0,030 | 0,18 | 23 |
| HE1.3.3 | 45–55% rooster en mestbandbeluchting | ||||
| HE1.3.3.1 | Beluchting 0,1 m3/uur per dierplaats | OW 2006.10.V1 | 0,030 | 0,18 | 23 |
| HE1.3.3.2 | Beluchting 0,3 m3/uur per dierplaats | OW 2006.10.V1 | 0,023 | 0,18 | 23 |
| HE1.3.4 | 30–35% rooster en mestbandbeluchting 0,4 m3/uur per dierplaats | OW 2006.11.V1 | 0,014 | 0,18 | 23 |
| HE1.3.5 | 55-60% rooster en mestbandbeluchting 0,4 m3/uur per dierplaats | OW 2006.12.V1 | 0,020 | 0,18 | 23 |
| HE1.100 | Overige huisvestingssystemen (niet-batterijhuisvesting) | 0,170 | 0,18 | 30 | |
| HE1.101 | Overige huisvestingssystemen (batterijhuisvesting) | 0,045 | 0,18 | 30 | |
| HE2 | Diercategorie legkippen van 18 weken en ouder, diercategorie ouderdieren van legkippen van 18 weken en ouder | ||||
| HE2.1 | Kooihuisvesting | ||||
| HE2.1.1 | Verrijkte kooien met mestbandbeluchting | OW 2005.11.V1 | 0,030 | 0,35 | 23 |
| HE2.1.2 | Koloniehuisvesting met mestbandbeluchting | OW 2009.10.V1 | 0,030 | 0,35 | 23 |
| HE2.2 | Grondhuisvesting | ||||
| HE2.2.1 | Circa 1/3 strooiselvloer en circa 2/3 roostervloer | OW 2001.09.V1 | 0,402 | 0,34 | 84 |
| HE2.2.2 | Met beluchting onder gedeeltelijk verhoogde roostervloer | OW 2010.21.V1 | 0,110 | 0,34 | 84 |
| HE2.2.3 | Met mestbeluchting via buizen onder beun | OW 2001.10.V1 | 0,125 | 0,34 | 84 |
| HE2.2.4 | Met enkele buis onder beun aan beide zijden van legnest | OW 2011.09.V1 | 0,150 | 0,34 | 84 |
| HE2.2.5 | Met mestbeluchting via verticale ventilatiekokers | OW 2011.10.V1 | 0,150 | 0,34 | 84 |
| HE2.2.6 | Twee verdiepingen met mestbanden onder roosters | OW 2004.11.V1 | 0,068 | 0,34 | 84 |
| HE2.2.7 | Met frequente mest- en strooiselverwijdering | OW 2004.12.V1 | 0,106 | 0,34 | 84 |
| HE2.3 | Volièrehuisvesting | ||||
| HE2.3.1 | Ten minste 50% rooster met mestband | OW 2004.09.V1 | 0,090 | 0,34 | 65 |
| HE2.3.2 | 45–55% roosters en mestbandbeluchting | ||||
| HE2.3.2.1 | Beluchting ten minste 0,2 m3/uur per dierplaats | OW 2004.10.V1 | 0,055 | 0,34 | 65 |
| HE2.3.2.2 | Beluchting ten minste 0,5 m3/uur per dierplaats | OW 2004.10.V1 | 0,042 | 0,34 | 65 |
| HE2.3.3 | 30–35% roosters en mestbandbeluchting 0,7 m3/uur per dierplaats | OW 2005.04.V1 | 0,025 | 0,34 | 65 |
| HE2.3.4 | 55–60% roosters en mestbandbeluchting 0,7 m3/uur per dierplaats | OW 2005.05.V1 | 0,037 | 0,34 | 65 |
| HE2.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,315 | 0,34 | 84 | |
| HE3 | Diercategorie ouderdieren van vleeskuikens in opfok jonger dan 19 weken | ||||
| HE3.1 | Mixluchtventilatie | OW 2005.10.V1 | 0,114 | 0,18 | 23 |
| HE3.2 | Warmteheaters en ventilatoren | OW 2009.14.V1 | 0,129 | 0,18 | 23 |
| HE3.3 | Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag | OW 2011.13.V1 | 0,129 | 0,18 | 23 |
| HE3.4 | Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmtewisselaar | OW 2010.13.V1 | 0,077 | 0,18 | 23 |
| HE3.5 | Buizenverwarming waarvoor voor 1 december 2022 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum en die is toegepast in een dierenverblijf dat nadien niet is vervangen of uitgebreid | OW 2017.01.V1 | 0,044 | 0,18 | 23 |
| HE3.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,250 | 0,18 | 23 | |
| HE4 | Diercategorie ouderdieren van vleeskuikens van 19 weken en ouder | ||||
| HE4.1 | Groepskooi met mestband en geforceerde mestdroging | OW 1995.09.V1, OW 1996.07.V1, OW 2009.23.V1 | 0,080 | 0,93 | 8 |
| HE4.2 | Volièrehuisvesting | ||||
| HE4.2.1 | Met geforceerde mestdroging | OW 2010.22.V1 | 0,170 | 0,93 | 43 |
| HE4.2.2 | Met geforceerde mest- en strooiseldroging | OW 2010.23.V1 | 0,130 | 0,93 | 43 |
| HE4.3 | Perfosysteem op gedeeltelijk verhoogde roostervloer | OW 1998.05.V1 | 0,230 | 0,93 | 43 |
| HE4.4 | Grondhuisvesting met mestbeluchting | ||||
| HE4.4.1 | Van bovenaf | OW 2004.13.V1 | 0,250 | 0,93 | 43 |
| HE4.4.2 | Met verticale slangen in mest | OW 2004.14.V1 | 0,435 | 0,93 | 43 |
| HE4.4.3 | Via buizen onder beun | OW 2010.03.V1 | 0,435 | 0,93 | 43 |
| HE4.4.4 | Via verticale ventilatiekokers | OW 2010.37.V1 | 0,435 | 0,93 | 43 |
| HE4.5 | Grondhuisvesting met mestbanden onder de roosters | OW 2007.10.V1 | 0,245 | 0,93 | 43 |
| HE4.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,580 | 0,93 | 43 | |
| HE5 | Diercategorie vleeskuikens | ||||
| HE5.1 | Zwevende vloer met strooiseldroging | OW 1993.02.V1, OW 1994.05.V1, OW 1996.02.V1, OW 1996.09.V1 | 0,004 | 0,33 | 22 |
| HE5.2 | Geperforeerde vloer met strooiseldroging | OW 1994.04.V1, OW 1996.08.V1 | 0,012 | 0,33 | 22 |
| HE5.3 | Etagesysteem met volledige roostervloer en mestbandbeluchting | OW 1997.02.V1 | 0,004 | 0,33 | 22 |
| HE5.4 | Grondhuisvesting met vloerverwarming en vloerkoeling | OW 2001.11.V1 | 0,038 | 0,33 | 22 |
| HE5.5 | Mixluchtventilatie | OW 2005.10.V1 | 0,031 | 0,33 | 22 |
| HE5.6 | Etagesysteem met mestband en strooiseldroging | OW 2006.13.V1 | 0,017 | 0,33 | 22 |
| HE5.7 | Warmteheaters en ventilatoren | OW 2009.14.V1 | 0,035 | 0,33 | 22 |
| HE5.8 | Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmtewisselaar | OW 2010.13.V1 | 0,021 | 0,33 | 22 |
| HE5.9 | Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmteheaters | OW 2011.13.V1 | 0,035 | 0,33 | 22 |
| HE5.10 | Buizenverwarming | OW 2017.01.V1 | |||
| HE5.10.1 | Huisvestingssysteem waarvoor voor 1 december 2022 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum en dat is toegepast in een dierenverblijf dat nadien niet is vervangen of uitgebreid | 0,012 | 0,33 | 22 | |
| HE5.10.2 | Huisvestingssysteem dat niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in rij HE5.10.1 | 0,021 | 0,33 | 22 | |
| HE5.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,068 | 0,33 | 22 | |
| HOOFDCATEGORIE F: PARELHOENDERS | HOOFDCATEGORIE F: PARELHOENDERS | ||||
| HF1 | Diercategorie vleesparelhoenders | ||||
| HF1.1 | Zwevende vloer met strooiseldroging | OW 1993.02.V1, OW 1994.05.V1, OW 1996.02.V1 OW 1996.09.V1 | 0,004 | 0,33 | 22 |
| HF1.2 | Geperforeerde vloer met strooiseldroging | OW 1994.04.V1, OW 1996.08.V1 | 0,012 | 0,33 | 22 |
| HF1.3 | Etagesysteem met volledige roostervloer en mestbandbeluchting | OW 1997.02.V1 | 0,004 | 0,33 | 22 |
| HF1.4 | Grondhuisvesting met vloerverwarming en vloerkoeling | OW 2001.11.V1 | 0,038 | 0,33 | 22 |
| HF1.5 | Mixluchtventilatie | OW 2005.10.V1 | 0,031 | 0,33 | 22 |
| HF1.6 | Etagesysteem met mestband en strooiseldroging | OW 2006.13.V1 | 0,017 | 0,33 | 22 |
| HF1.7 | Warmteheaters en ventilatoren | OW 2009.14.V1 | 0,035 | 0,33 | 22 |
| HF1.8 | Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met een warmtewisselaar | OW 2010.13.V1 | 0,021 | 0,33 | 22 |
| HF1.9 | Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag | OW 2011.13.V1 | 0,035 | 0,33 | 22 |
| HF1.10 | Buizenverwarming | OW 2017.01.V1 | |||
| HF1.10.1 | Huisvestingssysteem waarvoor voor 1 december 2022 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum en dat is toegepast in een dierenverblijf dat nadien niet is vervangen of uitgebreid | 0,012 | 0,33 | 22 | |
| HF1.10.2 | Huisvestingssysteem dat niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in rij HF1.10.1 | 0,021 | 0,33 | 22 | |
| HF1.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,068 | 0,33 | 22 | |
| HOOFDCATEGORIE G: KALKOENEN | HOOFDCATEGORIE G: KALKOENEN | ||||
| HG1 | Diercategorie ouderdieren van vleeskalkoenen jonger dan 6 weken | ||||
| HG1.1 | Verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren | OW 2009.14.V1 | 0,08 | 0,29 | 23 |
| HG1.2 | Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag | OW 2011.13.V1 | 0,08 | 0,29 | 23 |
| HG1.3 | Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmtewisselaar | OW 2010.13.V1 | 0,05 | 0,29 | 23 |
| HG1.4 | Buizenverwarming | OW 2017.01.V1 | |||
| HG1.4.1 | Huisvestingssysteem waarvoor voor 1 december 2022 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum en dat is toegepast in een dierenverblijf dat nadien niet is vervangen of uitgebreid | 0,03 | 0,29 | 23 | |
| HG1.4.2 | Huisvestingssysteem dat niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in rij HG1.4.1 | 0,05 | 0,29 | 23 | |
| HG1.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,15 | 0,29 | 23 | |
| HG2 | Diercategorie ouderdieren van vleeskalkoenen van 6 weken en ouder en jonger dan 30 weken | ||||
| HG2.1 | Verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren | OW 2009.14.V1 | 0,24 | 1,55 | 163 |
| HG2.2 | Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag | OW 2011.13.V1 | 0,24 | 1,55 | 163 |
| HG2.3 | Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmtewisselaar | OW 2010.13.V1 | 0,15 | 1,55 | 163 |
| HG2.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,47 | 1,55 | 163 | |
| HG3 | Diercategorie ouderdieren van vleeskalkoenen van 30 weken en ouder | ||||
| HG3.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,59 | 1,55 | 207 | |
| HG4 | Diercategorie vleeskalkoenen | ||||
| HG4.1 | Gedeeltelijk verhoogde strooiselvloer | OW 2001.12.V1 | 0,36 | 1,55 | 86 |
| HG4.2 | Mechanisch geventileerde stal met frequente strooiselverwijdering | OW 2005.07.V1 | 0,26 | 1,55 | 86 |
| HG4.3 | Verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren | OW 2009.14.V1 | 0,35 | 1,55 | 86 |
| HG4.4 | Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag | OW 2011.13.V1 | 0,35 | 1,55 | 86 |
| HG4.5 | Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmtewisselaar | OW 2010.13.V1 | 0,21 | 1,55 | 86 |
| HG4.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,68 | 1,55 | 86 | |
| HOOFDCATEGORIE H: EENDEN | HOOFDCATEGORIE H: EENDEN | ||||
| HH1 | Diercategorie ouderdieren van vleeseenden | ||||
| HH1.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,320 | 0,49 | 182 | |
| HH2 | Diercategorie vleeseenden | ||||
| HH2.1 | Binnen mesten | ||||
| HH2.1.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,210 | 0,49 | 84 | |
| HH2.2 | Buiten mesten (per afgeleverd dier) | 0,019 | 0,49 | – | |
| HOOFDCATEGORIE I: STRUISVOGELS | HOOFDCATEGORIE I: STRUISVOGELS | ||||
| HI1 | Diercategorie struisvogels jonger dan 4 maanden | ||||
| HI1.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,3 | – | – | |
| HI2 | Diercategorie struisvogels van 4 maanden en ouder en jonger dan 12 maanden | ||||
| HI2.100 | Overige huisvestingssystemen | 1,8 | – | – | |
| HI3 | Diercategorie struisvogels van 12 maanden en ouder | ||||
| HI3.100 | Overige huisvestingssystemen | 2,5 | – | – | |
| HOOFDCATEGORIE K: KONIJNEN | HOOFDCATEGORIE K: KONIJNEN | ||||
| HK1 | Diercategorie voedster | ||||
| HK1.1 | Mechanisch geventileerde stal met gescheiden afvoer van mest en urine | OW 2005.08.V1 | 0,77 | – | – |
| HK1.2 | Mechanisch geventileerde stal met gescheiden afvoer van mest en urine in een ‘deeppit’-systeem | OW 2024.01.V1 | 0,5 | – | – |
| HK1.100 | Overige huisvestingssystemen | 1,20 | – | - | |
| HK2 | Diercategorie vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd | ||||
| HK2.1 | Mechanisch geventileerde stal met gescheiden afvoer van mest en urine | OW 2005.09.V1 | 0,12 | – | – |
| HK2.2 | Mechanisch geventileerde stal met gescheiden afvoer van mest en urine in een ‘deeppit’-systeem | OW 2024.01.V1 | 0,12 | – | – |
| HK2.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,20 | – | – | |
| HOOFDCATEGORIE L: PAARDEN | HOOFDCATEGORIE L: PAARDEN | ||||
| HL1 | Diercategorie paarden van 3 jaar en ouder | ||||
| HL1.100 | Overige huisvestingssystemen | 5,0 | – | – | |
| HL2 | Diercategorie paarden jonger dan 3 jaar | ||||
| HL2.100 | Overige huisvestingssystemen | 2,1 | – | – | |
| HL3 | Diercategorie pony's van 3 jaar en ouder | ||||
| HL3.100 | Overige huisvestingssystemen | 3,1 | – | – | |
| HL4 | Diercategorie pony's jonger dan 3 jaar | ||||
| HL4.100 | Overige huisvestingssystemen | 1,3 | – | – |
ECoolingSystem = EC / QC;nd
Waarin:
Voor bepaling van de koudebehoefte wordt verwezen naar paragraaf 7.2.2 van de NTA8800.
9. Kanaalwerk ventilatie (ventilatiesysteem)
1. Verwarmingssysteem
Bijlage XII. bij de artikelen 5.21, eerste lid, en 5.22, eerste lid, van deze regeling (exameneisen inspectie airconditioningsystemen)
Voor bepaling van de koudebehoefte wordt verwezen naar paragraaf 7.2.2 van de NTA8800.
2.1. Hoeveelheid primaire energie (EC)
3.3. Netto warmtebehoefte voor warmtapwater (QW:nd)
Bijlage XIV. bij artikel 5.29 van deze regeling (maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met betrekking tot gebouwen)
Inhoudsopgave
| Onderdeel Code | Categorie Code | Categorie Omschrijving (onderwerp) |
|---|---|---|
| G | A | Energiebeheersysteem |
| G | B | Isolatie van de schil |
| G | C | Ruimteverwarming |
| G | D | Ruimteventilatie |
| G | E | Warm tapwater |
| G | F | Binnenverlichting |
| G | G | Buitenverlichting |
| G | H | Zonnepanelen |
Onderdeel 3 Gebouwen:
Categorie: Energiebeheersysteem
| Onderwerp | Energiebeheersysteem |
|---|---|
| Nummer maatregel | GA1 |
| Toe te passen maatregel | Pas een automatisch energieregistratie- en bewakingssysteem (EBS) met rapportagefunctie toe, waarbij gas- en warmte- (per uur) en elektragebruik (per kwartier) van het gebouw wordt geregistreerd. Voor het beheren van het gas-, elektriciteits- en warmtegebruik is een automatisch energieregistratie- en bewakingssysteem (EBS) met rapportagefunctie (voor inzicht in het energiegebruik per uur, dag, maand en jaar) een belangrijk middel. Door de geregistreerde data minimaal halfjaarlijks te controleren en instellingen zo nodig aan te passen, kan hiermee een optimale energiezuinige in- en afstelling van klimaatinstallaties worden geborgd. |
| Huidige situatie | Er is geen energieregistratie- en bewakingssysteem (EBS) met rapportagefunctie aanwezig, waarmee het gebruik van gas, warmte en elektriciteit wordt gemonitord. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Analyseer de gemonitorde data eenmaal aan het begin van het stookseizoen en eenmaal direct na het stookseizoen en stel de energiegebruikers zo optimaal mogelijk in. Wijs iemand aan die verantwoordelijk is voor het optimaliseren van de instellingen van de energiegebruikers. |
Categorie: Isolatie van de schil
| Onderwerp | Isolatie van de schil |
|---|---|
| Nummer maatregel | GB1 |
| Toe te passen maatregel | Isoleer spouwmuren van gebouwen.Door het aanbrengen van isolatie in spouwmuren wordt het warmteverlies in het stookseizoen beperkt. Voor het aanbrengen van spouwisolatie kunnen beperkingen van toepassing zijn door de aanwezigheid van bijvoorbeeld dampdichte lagen aan de buitenzijde, een waterdoorlatende buitenmuur of de aanwezigheid van niet verwijderbare vervuiling in de spouw. Win voor het aanbrengen van spouwisolatie eerst deskundig advies in over de mogelijkheden in uw situatie. |
| Huidige situatie | Er zijn ongeïsoleerde spouwmuren aanwezig met een spouwbreedte van ten minste 5 cm en het gebouw wordt verwarmd (tot ten minste 18 °C ). |
| Economische randvoorwaarden | Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: het aardgasgebruik is ten hoogste 170.000 m3 per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Er is geen steiger nodig voor het aanbrengen van de isolatie. Er is in het kader van de Wet natuurbescherming geen nieuw onderzoek naar nestelplaatsen van beschermde diersoorten (zoals vleermuizen) nodig. De maatregel is niet van toepassing in winkels en in andere gebouwen die slechts beperkt bijverwarmd hoeven te worden (bijvoorbeeld omdat er veel warmte vrijkomt van aanwezige processen en/of apparatuur) Indien het gebouw een monument is, wordt de monumentale status niet door de maatregel aangetast. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Verminder het warmteverlies via naden, kieren en andere openingen in muren en gevels. |
| Onderwerp | Isolatie van de schil |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GB2 |
| Toe te passen maatregel | Isoleer platte daken (bovenop de dakbedekking). Door het aanbrengen van isolatiemateriaal met een Rd-waarde van ten minste 2,1 m2K/W op ongeïsoleerde daken wordt het warmteverlies in het stookseizoen beperkt. Dit kan worden aangebracht bovenop de dakbedekking (omgekeerd dak). |
| Huidige situatie | Er zijn ongeïsoleerde daken aanwezig in verwarmde gebouwen (18 °C of hoger). |
| Economische randvoorwaarden | Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: het aardgasgebruik is ten hoogste 170.000 m3 per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Het dak heeft voldoende draagkracht voor het isolatiemateriaal en de benodigde ballast. Indien het gebouw een monument is, wordt de monumentale status niet door de maatregel aangetast. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer regelmatig de staat van de isolatie en herstel het materiaal bij eventuele schade. |
| Onderwerp | Isolatie van de schil |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GB3 |
| Toe te passen maatregel | Pas een automatisch sluitmechanisme toe bij overheaddeuren. Door het toepassen van een automatisch sluitmechanisme bij een overheaddeur sluit deze zodra iemand de deur is gepasseerd . Dit voorkomt warmteverlies, doordat de deur een kortere tijd openstaat. |
| Huidige situatie | Er is een overheaddeur aanwezig zonder automatisch sluitmechanisme die gemiddeld ten minste 1 uur per dag open staat. De ruimte wordt matig verwarmd (ten minste 15 °C). |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Verminder het warmteverlies via naden, kieren en andere openingen in muren en gevels. Stel de sensor goed in en zorg er daarbij voor dat de deur niet te snel (automatisch) open gaat. |
| Onderwerp | Isolatie van de schil |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GB4 |
| Toe te passen maatregel | Isoleer platte daken (onder de dakbedekking). Door het aanbrengen van isolatie met een Rd-waarde van ten minste 3,7 m2K/W op ongeïsoleerde daken wordt het warmteverlies in het stookseizoen beperkt. Breng de isolatie aan onder de dakbedekking en boven de dakconstructie (warm dak) op het moment dat de dakbedekking aan vervanging toe is. Doe dit zo nodig in combinatie met een dampremmende laag. |
| Huidige situatie | Er zijn ongeïsoleerde daken aanwezig in verwarmde gebouwen (18 °C of hoger). |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Indien het gebouw een monument is, wordt de monumentale status niet door de maatregel aangetast. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Niet van toepassing |
| Onderwerp | Isolatie van de schil |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GB5 |
| Toe te passen maatregel | Vervang in bestaande kozijnen en ramen het enkelglas door HR++ glas. Door in bestaande kozijnen en ramen het enkelglas door HR++ glas te vervangen wordt warmteverlies in het stookseizoen beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn kozijnen of ramen met enkelglas aanwezig in verwarmde gebouwen (ten minste 15 °C). |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | HR++ glas kan in het bestaande kozijn of raam worden geplaatst. Indien het gebouw een monument is, wordt de monumentale status niet door de maatregel aangetast. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Verminder het warmteverlies via naden, kieren en andere openingen in muren en gevels. |
| Onderwerp | Isolatie van de schil |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GB6 |
| Toe te passen maatregel | Vervang in bestaande kozijnen en ramen dubbelglas door HR++ glas. Door in bestaande kozijnen en ramen het dubbel glas door HR++ glas te vervangen wordt warmteverlies in het stookseizoen beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn kozijnen of ramen met dubbelglas aanwezig in verwarmde gebouwen (ten minste 18 °C). |
| Economische randvoorwaarden | Natuurlijk moment: het aardgasgebruik is ten hoogste 170.000 m3 per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | HR++ glas kan in het bestaande kozijn of raam worden geplaatst. Indien het gebouw een monument is, wordt de monumentale status niet door de maatregel aangetast. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Verminder het warmteverlies via naden, kieren en andere openingen in muren en gevels. |
| Onderwerp | Isolatie van de schil |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GB7 |
| Toe te passen maatregel | Gebruik opblaasbare luchtkussens bij een vrachtwagendocking. Door een afsluitvoorziening met opblaasbare luchtkussens te plaatsen bij een docking voor vrachtwagens wordt het warmteverlies beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn dockings voor vrachtwagens aanwezig met of zonder flappen en zonder opblaasbare luchtkussens. |
| Economische randvoorwaarden | Natuurlijk moment: de docking wordt gemiddeld genomen ten minste 10 u/wk gebruikt voor het laden en of lossen. |
| Technische randvoorwaarden | De ruimte wordt matig verwarmd (ten minste 15 °C). |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Verminder het warmteverlies via naden, kieren en andere openingen in muren en gevels. |
| Onderwerp | Isolatie van de schil |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GB8 |
| Toe te passen maatregel | Plaats een loopdeur in overheaddeuren. Door het plaatsen van overheaddeuren met een loopdeur voor personen wordt warmteverlies voorkomen, omdat de gehele deur dan minder vaak open gaat. |
| Huidige situatie | Er is een overheaddeur in een matig verwarmde ruimte (ten minste 15 °C) aanwezig zonder aparte loopdeur of naastgelegen deur en deze wordt gebruikt voor personentoegang. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | De ruimte wordt ten minste matig verwarmd (15°C of hoger). |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Verminder het warmteverlies via naden, kieren en andere openingen in muren en gevels. |
Categorie: Ruimteverwarming
| Onderwerp | Ruimteverwarming |
|---|---|
| Nummer maatregel | GC1 |
| Toe te passen maatregel | Pas een klokregeling toe en regel deze in. Pas voor het centrale verwarmingssysteem een klokregeling of klokthermostaat toe en regel deze zo in dat de werkelijke gebruikstijden zo nauw mogelijk worden gevolgd. Dit voorkomt energiegebruik buiten bedrijfstijd. |
| Huidige situatie | Er is een verwarmingssysteem aanwezig waarbij automatische regeling voor verlaging van de temperatuur in de nacht, het weekend en/of de vakanties ontbreekt. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer jaarlijks de klokinstellingen van het verwarmingssysteem en zorg dat deze nauw aansluiten bij de werkelijke gebruikstijden van het gebouw. Regel naast de gebruikelijke openingstijden van het pand ook de vakanties in. Voor deze controle kan gebruik worden gemaakt van de data uit het energiebeheersysteem. |
| Onderwerp | Ruimteverwarming |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GC2 |
| Toe te passen maatregel | Pas naast de bestaande verwarmingsketel een elektrische warmtepomp toe. Door naast de bestaande verwarmingsketel een elektrische lucht/water warmtepomp toe te passen kan een groot gedeelte van het jaar de warmte uit de buitenlucht en/of ventilatielucht worden onttrokken voor de warmteopwekking. De warmteopwekking is met gebruik van deze zogenoemde hybride warmtepomp efficiënter dan met een verwarmingsketel. |
| Huidige situatie | Er is een verwarmingsketel aanwezig met een vermogen van ten minste 70 kW en een afgiftesysteem via radiatoren, convectoren en/of vloerverwarming. Het gebouw wordt verwarmd tot ten minste 18 °C. Het gebouw voldoet aan de eisen uit het bouwbesluit van 1 oktober 1992. Vanaf dit moment hebben gebouwen dubbelglas en geldt voor de isolatie van vloer, gevel en dak een Rc-waarde van ten minste 2,5 m2K/W. |
| Economische randvoorwaarden | Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: het aardgasgebruik is ten hoogste 170.000 m3 per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | De bestaande elektriciteitsaansluiting heeft voldoende capaciteit en er is voldoende transportcapaciteit beschikbaar op het elektriciteitsnet. Er is voldoende ruimte beschikbaar voor het plaatsen van de warmtepomp. Indien het gebouw een monument is, wordt de monumentale status niet door de maatregel aangetast. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer jaarlijks de instelling van de stooklijn en het functioneren van de regeling. Controleer minimaal jaarlijks de effectieve en efficiënte werking van de warmtepomp. |
| Onderwerp | Ruimteverwarming |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GC3 |
| Toe te passen maatregel | Pas een weersafhankelijke regeling toe. Gebruik voor de aanvoertemperatuur van het verwarmingswater een automatische regeling op basis van de buitentemperatuur. Hierdoor kan de warmte uit het rookgas teruggewonnen worden en krijgt de verwarmingsketel een hogere efficiëntie. Ook zijn de verliezen in het distributiesysteem kleiner. |
| Huidige situatie | Er is een verwarmingsketel aanwezig in een verwamd gebouw (ten minste 18 °C) en de aanvoertemperatuur van het verwarmingswater wordt niet geregeld op basis van de buitentemperatuur. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Bij een gecombineerd opweksysteem voor verwarming en warm tapwater is het technisch mogelijk om het tapwater in een aparte groep tot ten minste 65 °C te verwarmen. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer jaarlijks de instelling van de stooklijn. |
| Onderwerp | Ruimteverwarming |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GC4 |
| Toe te passen maatregel | Isoleer de verwarmingsleidingen en appendages in niet of beperkt verwarmde ruimtes. Door het toepassen van buisisolatie met een Rd-waarde van ten minste 0,5 m2K/W om de verwarmingsleidingen en appendages wordt het warmteverlies in niet of beperkt verwarmde ruimtes, waaronder stookruimtes en vorstvrij gehouden ruimtes, beperkt. |
| Huidige situatie | Er ontbreekt isolatie om verwarmingsleidingen en appendages in niet of beperkt verwarmde ruimtes, waaronder stookruimtes en vorstvrij gehouden ruimtes. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer jaarlijks het isolatiemateriaal rond leidingen en appendages in niet of beperkt verwarmde ruimtes, waaronder stookruimtes en vorstvrij gehouden ruimtes. Zorg dat het isolatiemateriaal goed bevestigd is en herstel het materiaal bij eventuele schade. |
| Onderwerp | Ruimteverwarming |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GC5 |
| Toe te passen maatregel | Isoleer ventilatiekanalen in onverwarmde ruimtes. Door het toepassen van isolatiemateriaal met een Rd-waarde van ten minste 0,7 m2K/W om de ventilatiekanalen wordt het warmteverlies in onverwarmde ruimtes beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn ongeïsoleerde ventilatiekanalen in onverwarmde ruimtes (ten hoogste 14 °C in het stookseizoen) aanwezig. De ventilatiekanalen zijn aangesloten op een luchtbehandelingskast. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer jaarlijks het isolatiemateriaal rond de ventilatiekanalen, zorg dat het goed bevestigd is en herstel het materiaal bij eventuele schade. |
| Onderwerp | Ruimteverwarming |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GC6 |
| Toe te passen maatregel | Pas een individuele regeling van de temperatuur per ruimte toe. Door per ruimte een individuele (na)regeling van de temperatuur met een thermostatische radiatorkraan of andere temperatuurregeling toe te passen, hoeft deze niet onnodig te worden verwarmd. |
| Huidige situatie | Er zijn radiatoren of convectoren aanwezig in een verwarmde ruimte, maar de temperatuur van de ruimte is niet apart (na) te regelen met een lokale regeling of thermostatische radiatorkranen. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer regelmatig de instellingen van de individuele regeling en/of de stand van de themostatisch radiatorkranen. |
| Onderwerp | Ruimteverwarming |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GC7 |
| Toe te passen maatregel | Pas frequentiegeregelde circulatiepompen toe. Door toepassing van frequentiegeregelde circulatiepompen in het verwarmingssysteem kan het debiet worden aangepast aan de warmtevraag, waardoor de pomp efficienter werkt. Pas de frequentiegeregelde pompen toe op zowel bij de hoofdcirculatiepomp als bij de groepenpompen. |
| Huidige situatie | Er is een centraal verwarmingssysteem aanwezig waarbij de circulatiepompen niet zijn voorzien van een frequentieregeling. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Het verwarmingssysteem laat een variabel debiet toe. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer de instellingen van pompen en controleer of het afgiftesysteem nog goed werkt. |
| Onderwerp | Ruimteverwarming |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GC8 |
| Toe te passen maatregel | Vervang directgestookte gasheaters in bedrijfshallen door directgestookte HR-gasheaters. Door in bedrijfshallen een directgestookte conventionele gasheater te vervangen door een directgestookt hoog rendement (HR) toestel wordt energie bespaard. |
| Huidige situatie | De bedrijfshal wordt met een of meer directgestookte gasheaters matig verwarmd (ten minste 15 °C). |
| Economische randvoorwaarden | Natuurlijk moment: het aardgasgebruik is ten hoogste 1.000.000 m3 per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | In de ruimte is een rioolaansluiting aanwezig voor het aansluiten van de condensafvoer(en). |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer regelmatig de temperatuurinstellingen van de regeling en onderhoud de gasheater volgens leveranciersvoorschriften. |
Categorie: Ruimteventilatie
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)