Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling)
Li,rveh,c(v): de wielruwheid van de diverse spoorvoertuigcategorieën, volgens tabel 2.7.
De spoorstaafruwheid Lrtr van de meetlocatie wordt gemeten in 1/3-octaven volgens de procedures omschreven in NEN-EN-ISO 3095:2013. De spoorstaafruwheid wordt op representatieve locaties gemeten en in het model verwerkt. Deze meetlocaties zijn verdeeld over het gehele spoorweggedeelte dat in het model wordt opgenomen. De meetgegevens zijn onderdeel van de rapportage van het akoestisch onderzoek.
2.7. Overstand
3. Standaardrekenmethode
Het geluid van stilstaande treinen op spoorwegemplacementen waarvan het geluid wordt gereguleerd met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden wordt berekend als de aaneengesloten duur van de geluidemissie van de stilstaande trein ten minste een half uur bedraagt. Het geluid wordt berekend volgens de methode voor industrielawaai (bijlage IVh). De spectrale bijdrage van overstandgeluid op een rekenpunt wordt bepaald door de bijdragen van alle stilstaande treinen logaritmisch op te tellen.
3.1. Begrippen
3.3.8. Perrons
3.3.2. Bodemgesteldheid
Modelleer het deel van de spoorweg waarin zich een overweg bevindt met de betrokken bovenbouwconstructie en een hard bodemgebied.
3.3.7. Geluidsschermen en afschermende objecten
3.3.9. Kunstwerken
3.5.2. De bodemdemping DB
3.9. De niveaureductie ten gevolge van reflecties ∆LR
3.10. Het octaafbandspectrum van het equivalente geluidniveau
3.6. De schermwerking ∆LSW met de termen Sw en Sb uit de bodemdempingsformules 3.7a tot en met 3.7h
3.9. De niveaureductie ten gevolge van reflecties ∆LR
4. Meetmethoden
3.8. Bepaling spoorspecifieke geluidisolatie
3.8. Bepaling spoorspecifieke geluidisolatie
3.9. De niveaureductie ten gevolge van reflecties ∆LR
4.2.2. Geluidemissietoeslag
Voor de meetafstand en meethoogte wordt uitgegaan van een afstand die de invloed van de meteo-condities en bodemreflecties op de meetonzekerheid zo klein mogelijk maakt. De locatie moet zo worden gekozen dat er geen beïnvloeding is van andere of kruisende (spoor)wegen of gevelreflecties.
4.3. Meetmethode emissies en spoorconstructies trams
4.2.3. Splitsing in rolgeluidtoename en kunstwerkgeluid
4.3.4. Bepaling conditie tramspoor
4.2. Methode voor meting en modellering van stalen kunstwerken
5.3.1. Meetmethode
6.2. Begrippen
4.3.1. Indeling in een bestaande categorie, procedure A
en
5.2. Rekenregel CS,diff
6.1. Algemeen
5.3.1. Meetmethode
5.3.2. Akoestisch rapport
Het begrip rekeneenheid is hier geïntroduceerd om de bij de definitie van de verkeersintensiteit in het verleden vaak gehanteerde begrippen as- of draaistelintensiteit te vervangen. Dit is enerzijds gebeurd om de eenvoud te verhogen en anderzijds omdat de nu gehanteerde definitie de geluidemissie beter blijkt te beschrijven. Bij getrokken treinen worden de locomotief en de rijtuigen (bij personentreinen) of de wagens (bij goederentreinen) alle aangemerkt als eenheden. Bij treinstellen moeten alle samenstellende delen worden opgevat als eenheden. Het aantal assen of draaistellen per eenheid is bij de bepaling van de intensiteiten dus niet van belang.
Bijlage IVg. bij de artikelen 3.14, eerste lid, onder b en d, en 3.21, eerste lid, onder b van deze regeling (rekenmethode geluid op een geluidreferentiepunt)
1. Algemeen
6.4.2. Toeslag voor kunstwerken
Voor de gevallen waarin er kleine bronnen zijn die niet een hele sectorhoek omvatten, is een aanvullende bepaling opgenomen om de bijdrage van deze kleine bronnen mee te kunnen nemen. Daarbij ontstaat de mogelijkheid om de bijdrage te bepalen op korte lijnsegmentjes van een bronlijn.
2.1.1. Voor wegen
2.2. Verkeersgegevens
De overdrachtsverzwakking is de som van de demping door de bodem (DB), demping door de lucht (DL) en een correctieterm voor gemiddelde meteorologische omstandigheden (CM).
Het in paragraaf 3.7 opgenomen spoorverkeersspectrum ter bepaling van de spoorspecifieke absorptie is gebaseerd op de aanwezigheid van ten minste 50% goederenverkeer (meer laagfrequent geluid). Voor situaties met minder goederenverkeer is de feitelijke spoorstaafspecifieke absorptie meestal groter en zal het resultaat dat wordt verkregen door gebruik te maken van het opgegeven spectrum aan de veilige kant zitten.
6.6.1. Standaardmeetmethode
3.2. Rekenafstanden
De verkeersgegevens worden gekoppeld aan de geluidbronregisterlijnen.
Bijlage IVh. bij de artikelen 3.21, eerste lid, onder a, en 3.23, eerste lid, onder a en e, 6.6, eerste en tweede lid en 8.22, eerste en tweede lid, van deze regeling (meet- en rekenmethode geluid industrie)
2.1. Geluidbronregisterlijnen
2.1.1. Voor wegen
Tijdelijke snelheidsverlagingen vanwege bijvoorbeeld werkzaamheden worden niet meegenomen in berekeningen van de geluidproductie.
2.2.1. Algemeen
2.3.1. Voor wegen
∆LR,i = –10 lg [0,8 * (1 – (αi = 5 - 0,2) / 0,6)] voor 0,2 < αi = 5 < 0,8
1.2.1. Toepassingsgebied
Voor wegen en spoorwegen worden alleen rijlijnsegmenten of bronlijnsegmenten meegenomen die zijn gelegen binnen 1.000 m, gemeten in het horizontale 2D vlak, van het te beschouwen referentiepunt. Voor industrie wordt het gehele industrieterrein dat hoort bij het referentiepunt beschouwd en is er geen beperking in rekenafstand.
3.4. Afscherming
3.4. Afscherming
3.5. Bodemdemping
1.2.2. Toepassingsgebied methode II
2.1. Aspecten bij uitvoering van metingen
2.1.1. Stoorgeluid
1.2.2. Toepassingsgebied methode II
2.2.3. Stoorgeluidcorrectie
1.4. Samenvatting methode I en II
1.3.1. Vereiste meetnauwkeurigheid
2. Metingen en vaststellinggeluidvermogen
2.2.5. Methode I
2.1.4. Meting maximale geluidniveaus
2.2.1. Algemeen
Daarnaast wordt bij de bepaling van de maximale geluidniveaus uiteraard geen bedrijfstijdcorrectie toegepast bij niet-continu in bedrijf zijnde bronnen.
2.2.3. Stoorgeluidcorrectie
2.2.5.4. Bepaling gestandaardiseerd immissieniveau Li
2.2.7. Vaststelling binnengeluidniveau
2.2.6.1. Algemeen
2.2.5.5. Vaststelling gestandaardiseerd immissieniveau via meting op een alternatief punt
2.2.6. Methode II.1
2.2.7. Vaststelling binnengeluidniveau
2.3.3. Methode II
2.3.3.1. Geconcentreerde bronmethode (methode II.2)
2.3.3.2. Aangepaste meetvlakmethode (methode II.3)
2.3.3.3. Rondommethode (methode II.4)
2.3.3.4. Intensiteitsmetingen (methode II.5)
2.3.3.3. Rondommethode (methode II.4)
2.3.3.6. Uitstraling gebouwen (methode II.7)
3.1. Methode I
2.3.3.4. Intensiteitsmetingen (methode II.5)
2.3.3.4. Intensiteitsmetingen (methode II.5)
De intensiteitsmethode stelt in principe geen beperking aan de geluidbronnen, hoewel de toepassing bij zeer grote apparaten of industriecomplexen (te) ingewikkeld wordt.
3.2. Methode II: overdrachtsmodel (II.8)
3.2.1. Algemeen
Een speciale intensiteitsprobe en meetapparatuur is vereist (zie ISO 9614). Voor de verwerking van meetgegevens is een computer zeer gewenst.
3.1.2. Versterking door reflectie(s)
3.2. Methode II: overdrachtsmodel (II.8)
2.3.3.6. Uitstraling gebouwen (methode II.7)
LWi = geluidvermogen van wanddeel i.
3.2.1. Algemeen
3.2.1. Algemeen
3.2.2. Bronbeschrijving
3.1. Methode I
3.2.3.4. Dscherm
Op korte afstand van wanden, openingen en machinedelen moet hiermee rekening worden gehouden. De eenvoudigste vorm is isotrope afstraling. (Dit is de grondslag voor de benadering, die voor het geometrisch nabijheidsveld in paragraaf 2.3.3.2 is gegeven.)
3.2.3.6. Dterrein
3.2.3.5. Dveg
3.2.3.8. Dhuis
3.4. Methode II: Hybride methoden (II.10)
Het punt Q ligt altijd boven K en wel op een afstand Δh, die volgens onderstaande formule wordt berekend uit de horizontale afstand bron-scherm r1 en de horizontale afstand immissiepunt-scherm r2 volgens de formule:
3.4. Methode II: Hybride methoden (II.10)
3.4. Methode II: Hybride methoden (II.10)
4. Geluid van activiteiten
We onderscheiden:
4.1. Toepassingsbereik
4.3.1. Tonaal geluid
ri2 < 0,2 ri
3.2.3.7. Dbodem
4.1. Toepassingsbereik
4.3.2. Impulsachtig geluid
Db,mid
Bij kleinschalige industriële situaties is de fout, genoemd onder punt d, veelal te vermijden door het kiezen van een krachtige kunstbron. Als rond de kunstbron, als gevolg van veelvuldige reflecties, een diffuus veld optreedt (afgesloten ruimte, binnenplaats e.d.) zijn de fouten onder punt a en b ook goed te onderdrukken, zodat dan het gebruik van de substitutiemethode tot betrouwbare resultaten kan leiden.
4.4.2. Bepaling beoordelingsniveau LAr,LT
5.2. Te beschouwen bedrijfssituatie
De geluidemissie van één of een aantal individuele bronnen kan in een immissierelevante geluidvermogen voor het hele bronterrein worden omgerekend door de overdrachtsweg op het terrein in rekening te brengen (bijvoorbeeld met behulp van een isolatieberekening (paragraaf 2.3.3.6), Drefl, Dterrein en Dscherm (zie paragraaf 3.2.3). Deze berekende immissierelevante geluidvermogen kan worden gecontroleerd door het bepalen van het geluidvermogen van het hele terrein op basis van:
4. Geluid van activiteiten
4.1. Toepassingsbereik
5.4.3. Bepaling beoordelingsniveau Lden en Lnight
In geval van impulsachtig geluid wordt er op het gemeten of berekende langtijdgemiddeld deelgeluidsniveau vanwege de activiteit(en) een toeslag van 5 dB in rekening gebracht. De toeslag wordt toegepast voor dat deel van de beoordelingsperiode dat er sprake is van impulsachtig geluid.
4.4. Bepaling beoordelingsgrootheden
4.3.1. Tonaal geluid
4.3.4. Laagfrequent geluid
Wanneer op het beoordelingspunt binnen het totaal aanwezige geluidsniveau, vanwege een activiteit een geluid met duidelijk een tonaal of een impulsachtig karakter kan worden waargenomen, wordt op het langtijdgemiddeld deelgeluidsniveau van de betreffende bedrijfstoestand tijdens welke dit specifieke karakter optreedt een toeslag berekend van:
Als deze toeslag wordt toegepast, wordt voor deze bedrijfstoestand geen toeslag meer voor tonaal of impulsgeluid toegepast. De totale toeslag kan daarom niet groter zijn dan 10 dB.
5. Geluid van een industrieterrein
Het jaargemiddeld deelgeluidsniveau LAeqi,JM in dB(A) ten gevolge van een bepaalde bedrijfstoestand of geluidbron i wordt bepaald uit het A-gewogen gestandaardiseerde immissieniveau volgens de formule:
Bijlage IVi. bij de artikelen 3.28, onder a, 6.8, eerste lid, en 8.25, eerste en tweede lid, van deze regeling (meet- en rekenmethode geluid windturbines)
5.3. Bijzondere geluiden (tonaal karakter/impulsgeluid/muziekgeluid)
5.4.1. Bepaling jaargemiddeld deelgeluidniveau LAeqi,JM
5.4.2. Bepaling jaargemiddeld beoordelingsniveau LAr,JM
6.2. Isolatiewaarden
1 Dit materiaal wordt alleen nog aangetroffen in bestaande gebouwen en wordt niet me er toegepast bij nieuwbouw.
6.4. Nadere toelichting hoofdstuk 2
Naast de in tabel 6.1 en tabel 6.2 opgenomen isolatiewaarden van materialen en constructies kan verwezen worden naar de literatuur. In dit kader kunnen genoemd worden:
1.3.2. Windsnelheid op ashoogte
1.3.1. Geluidmetingen
6.5. Nadere toelichting hoofdstuk 3
1.3.3. Windsnelheid voor achtergrondgeluidcorrectie
Het geluid van activiteiten, niet zijnde het geluid van een industrieterrein, moet worden beoordeeld op basis van een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT). Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt vastgesteld op basis van een representatieve bedrijfssituatie (RBS) van een activiteit. Dit is de gangbaar maximale bedrijfssituatie van een activiteit. Alleen uitzonderlijke bedrijfssituaties die beperkt voorkomen kunnen bij de representatieve bedrijfssituatie buiten beschouwing worden gelaten. Voor de uitzonderlijke bedrijfssituaties (UBS) van een activiteit kan afzonderlijk het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) worden bepaald en worden getoetst aan (afwijkende) grenswaarden. Onder de Wet milieubeheer waren er onder andere incidentele bedrijfssituaties, regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie en evenementen. Al deze bedrijfssituaties vallen nu onder de uitzonderlijke bedrijfssituatie (UBS).
1.2. Apparatuur
6.7. Nadere toelichting hoofdstuk 5
1.1. Principe van de meting
De geluidmetingen worden verricht op betrekkelijk korte afstand van de turbine. Om verstoring met stromingsgeluid rond de microfoon en variërende bodemeffecten te voorkomen wordt de microfoon op een vlakke reflecterende plaat bevestigd, zodat er bij elke frequentie sprake is van drukverdubbeling en dus 6 dB toename van het geluidniveau.
1.2. Apparatuur
1.3.2. Windsnelheid op ashoogte
1.3.4. Windrichting, temperatuur en luchtdruk
1.4.1. Correctie windsnelheid op ashoogte
De windsnelheid op ashoogte wordt afgeleid van het opgewekte elektrisch vermogen en de vermogenscurve van de installatie. De vermogenscurve moet zijn vastgesteld volgens een gangbare en controleerbare richtlijn. De periodes waarover het gemiddelde vermogen wordt vastgesteld, hebben een duur van 1,0 minuut en vallen samen met die van de geluidmetingen.
1.3.3. Windsnelheid voor achtergrondgeluidcorrectie
2.3. De basisformules
1.4.2. Correctie voor stoorgeluid
2.4. De emissieterm LE
1.4.3. Bepalen windsnelheidsafhankelijk geluidvermogen
Met de meteocorrectieterm wordt het verschil tussen de gestandaardiseerde en de gemiddelde overdrachtssituatie in rekening gebracht. De hier gebruikte term wijkt, zoals al aangegeven, af van de in de HMRI-1999 gedefinieerde term als gevolg van het meenemen van de windrichtingstatistiek. De correctieterm is daarom afhankelijk van de richting van de ontvanger ten opzichte van de bron.
2.4.1. De berekening
2.4.3. Bepalen windsnelheidsverdeling
2.11. De bodemdemping Dbodem
Als er geen reflecterende objecten zijn, geldt: Drefl= 0 dB.
2.10. De term Dterrein
3.1. Symbolen
2.8.3. Berekening Dscherm
2.11.2. Aard van de bodem
De afstand tussen Q en T is de effectieve schermhoogte he. Als Q boven T ligt is he negatief.
Er worden drie situaties onderscheiden, die vervolgens worden behandeld:
Bijlage IVk. bij artikel 3.54 van de Omgevingsregeling (formulier verklaring kwaliteitsborger)
Bijlage VIb. bij artikel 4.12h van deze regeling (rustgewassen)
- –. Afrikaantjes (tagetes)
- –. Beemdlangbloem
- –. Blauwmaanzaad
- –. Bloemmengsel (randen)
- –. Boekweit
- –. Bruine bonen
- –. Korte (groente)teelten, vroeg geoogste gewassen of in voorkomend geval een combinatie van beide, gevolgd door een voor 1 september en na de oogst van de vorige teelt ingezaaid onbemest vanggewas (gewas overeenkomstig tabel 6 van bijlage A bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet) waarbij het vanggewas niet voor 1 februari wordt vernietigd
- –. Dahlia
- –. Droge erwten
- –. Engels raaigras
- –. Festulolium
- –. Gerst, winter-
- –. Gerst, zomer-
- –. Granen, overige
- –. Gras-klaver
- –. Grasland, blijvend
- –. Grasland, natuurlijk
- –. Grasland, tijdelijk
- –. Graszaad
- –. Graszoden
- –. Haver
- –. Italiaans raaigras
- –. Karwijzaad
- –. Klaver, rode
- –. Klaver, witte
- –. Kolen
- –. Koolzaad
- –. Koolzaad, winter- (inclusief boterzaad)
- –. Koolzaad, zomer- (inclusief boterzaad)
- –. Kruiden, zaadgewassen
- –. Lelie (eerste jaar van meerjarige teelt)
- –. Lijnzaad, niet van vezelvlas (olievlas)
- –. Lupinen, niet bittere
- –. Luzerne
- –. Miscanthus (olifantsgras)
- –. Narcis (eerste jaar van meerjarige teelt)
- –. Peterselie, productie-
- –. Pioen (eerste jaar van meerjarige teelt)
- –. Quinoa
- –. Raapzaad
- –. Raketblad (Solanum sisymbriifolium)
- –. Rietzwenkgras, anders dan voor industriegras
- –. Rietzwenkgras, industriegras
- –. Rode kool
- –. Witte kool
- –. Rogge, met uitzondering van snijrogge
- –. Roodzwenkgras
- –. Rustgewasmengsel, waarbij het mengsel voor ten minste twee derde bestaat uit een of meer rustgewassen uit deze bijlage
- –. Snijrogge
- –. Soedangras/sorghum
- –. Soja
- –. Spelt
- –. Spruitkool
- –. Tarwe, winter-
- –. Tarwe, zomer-
- –. Teelten voor zaaizaad en vermeerdering
- –. Timothee
- –. Triticale
- –. Tuinbonen
- –. Veldbeemdgras
- –. Veldbonen
- –. Vezelhennep
- –. Vezelvlas
- –. Vogelakkers
- –. Westerwolds raaigras
- –. Zonnekroon
Bijlage V. bij de artikelen 4.5, 4.6, 4.7, eerste en tweede lid, 6.14, vierde en vijfde lid, 7.124, tweede lid, 8.31, vierde en vijfde lid, en 9.3, derde lid, van deze regeling (huisvestingssystemen en emissiefactoren)
| Code | Beschrijving huisvestingssysteem | Nummer systeembeschrijving | Emissiefactor per dierplaats | Emissiefactor per dierplaats | Emissiefactor per dierplaats |
|---|---|---|---|---|---|
| Code | Beschrijving huisvestingssysteem | Nummer systeembeschrijving | ammoniak (kg NH3/jaar) | geur (ouE/sec) | fijnstof (g PM10/jaar) |
| HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE | HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE | HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE | HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE | HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE | HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE |
| HA1 | Diercategorie melk- en kalfkoeien van 2 jaar en ouder (inclusief kalveren jonger dan 14 dagen) | ||||
| HA1.1 | Grupstal met drijfmest | OW 1993.09.V1 | 5,7 | – | 81 |
| HA1.2 | Ligboxenstal met hellende vloer en giergoot | OW 1993.03.V1, OW 1993.04.V1, OW 1993.05.V1, OW 1993.06.V1, OW 1994.08.V1 | 10,2 | – | 148 |
| HA1.3 | Ligboxenstal met hellende vloer en spoelsysteem | OW 1994.03.V1 | 9,2 | – | 148 |
| HA1.4 | Ligboxenstal met hellende vloer en giergoot met spoelsysteem of roostervloer met spoelsysteem | OW 2001.28.V1 | 10,2 | – | 148 |
| HA1.5 | Ligboxenstal met dichte geprofileerde hellende vloer | OW 2009.11.V1 | 11,0 | – | 148 |
| HA1.6 | Ligboxenstal met dichte hellende vloer met rubber toplaag | OW 2009.22.V1 | 11,0 | – | 148 |
| HA1.7 | Ligboxenstal met sleufvloer | OW 2010.14.V1, OW 2010.24.V1 | 11,8 | – | 148 |
| HA1.8 | Ligboxenstal met roostervloer met bolle rubber toplaag en afdichtflappen in roosterspleten waarvoor voor 12 april 2017 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2010.30.V1 | 6,0 | – | 148 |
| HA1.9 | Ligboxenstal met roostervloer met bolle rubber toplaag | OW 2010.31.V1 | 7 | – | 148 |
| HA1.10 | Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven en regelmatige mestafstorten waarvoor voor 20 juli 2018 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2010.32.V1 | 11,8 | – | 148 |
| HA1.11 | Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven en regelmatige mestafstorten waarvoor voor 20 juli 2018 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2010.33.V1 | 12,2 | – | 148 |
| HA1.12 | Ligboxenstal met roostervloer met cassettes in de roosterspleten | OW 2010.34.V1 | 7 | – | 148 |
| HA1.13 | Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven en regelmatige mestafstorten met afdichtflappen | OW 2010.35.V1 | 7 | – | 148 |
| HA1.14 | Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven en regelmatige mestafstorten met afdichtkleppen waarvoor voor 20 juli 2018 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2010.36.V1 | 10,3 | – | 148 |
| HA1.15 | Ligboxenstal met V-vormige vloer met gietasfalt in combinatie met een gierafvoerbuis en met mestschuif waarvoor voor 20 juli 2018 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2012.01.V1 | 11,7 | – | 148 |
| HA1.16 | Mechanisch geventileerde stal met een chemisch luchtwassysteem waarvoor voor 20 juli 2018 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2012.02.V1 | 5,1 | – | 148 |
| HA1.17 | Ligboxenstal met V-vormige vloer van geprofileerde vloerelementen in combinatie met een gierafvoerbuis | OW 2012.04.V1 | 8 | – | 148 |
| HA1.18 | Ligboxenstal met roostervloer met hellende groeven of hellend gelegd met afdichtkleppen in roosterspleten | OW 2012.05.V1 | 11 | – | 148 |
| HA1.19 | Ligboxenstal met geprofileerde hellende vloer met perforaties waarvoor voor 6 mei 2020 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2012.08.V1 | 10,1 | – | 148 |
| HA1.20 | Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven en regelmatige mestafstorten met afdichtingen | OW 2013.01.V1 | 7 | – | 148 |
| HA1.21 | Ligboxenstal met sleufvloer met in doorsteken, wachtruimte en doorlopen een roostervloer met bolle rubber toplaag en afdichtflappen in roosterspleten | OW 2013.03.V1 | 11 | – | 148 |
| HA1.22 | Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven met urineafvoergat of met regelmatige mestafstorten met afdichtkleppen | OW 2013.04.V1 | 6 | – | 148 |
| HA1.23 | Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven, aaneengesloten of met regelmatige mestafstorten met afdichtflappen | OW 2013.05.V1 | 7 | – | 148 |
| HA1.24 | Ligboxenstal met vloer met geprofileerde rubber matten met hellend profiel en regelmatige mestafstorten met afdichtflappen waarvoor voor 6 mei 2020 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2013.06.V1 | 10,3 | – | 148 |
| HA1.25 | Ligboxenstal met hellende vloer met geprofileerde rubber matten en centrale giergoot | OW 2013.07.V1 | 8 | – | 148 |
| HA1.26 | Ligboxenstal met roostervloer met hellende groeven of hellend gelegd met afdichtkleppen in roosterspleten en vernevelsysteem | OW 2014.02.V1 | 8 | – | 148 |
| HA1.27 | Ligboxenstal met roostervloer met rubber matten en composietnokken met hellend profiel en cassettes in roosterspleten | OW 2015.05.V1 | 6 | – | 148 |
| HA1.28 | Ligboxenstal met geprofileerde hellende vloer met holtes voor gieropvang en -afvoer aan zijkant waarvoor voor 1 januari 2019 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2015.06.V1 | 9,9 | – | 148 |
| HA1.29 | Ligboxenstal met roostervloer met bolle rubber toplaag | OW 2017.06.V1 | 8 | – | 148 |
| HA1.30 | Ligboxenstal met sleufvloer met geprofileerde rubber tegels waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2018.02.V1 | 8,1 | – | 148 |
| HA1.31 | Ligboxenstal met vlakke betonnen vloerplaten met sleuven, voorzien van profiel met 1% hellende groeven richting een centrale giergoot met giergaten en mestverwijdering waarvoor voor 1 december 2022 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2018.03.V1 | 9,1 | – | 148 |
| HA1.32 | Ligboxenstal met geprofileerde rubber oplegsleufvloer met hellende sleuven met gierafvoergaatjes waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2018.06.V1 | 7,1 | – | 148 |
| HA1.33 | Ligboxenstal met dichte geprofileerde vloer met rubbermatten en composietnokken met hellend profiel waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2018.07.V1 | 9,0 | – | 148 |
| HA1.34 | Ligboxenstal met vlakke vloer met rubber sleufvloer, vlakke langssleuven en geprofileerd rubber (hellende V-vorm), groeven en nopjes tussen de langssleuven met vingermestschuif waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of waarvoor tussen 1 januari 2024 en 26 april 2024 een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend, of, als een vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 26 april 2024 | OW 2019.01.V1 | 8,3 | – | 148 |
| HA1.35 | Ligboxenstal met urineopvangstation waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of waarvoor tussen 1 januari 2024 en 2 juni 2024 een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend, of, als een vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 2 juni 2024 | OW 2021.05.V1 | 8,4 | – | 148 |
| HA1.36 | Ligboxenstal met een indrukbare drainerende loopvloer voorzien van een mestschuif, waarbij de urine en mest direct worden gescheiden en apart worden opgeslagen, waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of waarvoor tussen 1 januari 2024 en 2 oktober 2024 een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend, of, als een vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 2 oktober 2024 | OW 2021.06.V1 | 6,4 | – | 148 |
| HA1.37 | Ligboxenstal voorzien van geprofileerde rubberen oplegmatten met ruitprofiel onder 2% afschot naar een centrale giergoot en frequente mestverwijdering met vaste mestschuif, waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of waarvoor tussen 1 januari 2024 en 2 oktober 2024 een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend, of, als een vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 2 oktober 2024 | OW 2021.07.V1 | 8,9 | – | 148 |
| HA1.38 | Natuurlijk geventileerde ligboxenstal met een roostervloer voorzien van inlays met urineafvoergaatjes in de roosterspleten, frequent bevochtigen en schoonzuigen van de vloer door een mestverzamelrobot en een mechanische kelderluchtafzuiging met een chemisch luchtwassysteem (95% emissiereductie) | OW 2021.08.V1 | 3 | - | 148 |
| HA1.39 | Ligboxenstal met V-vormige vloer van geprofileerde vloerelementen in een helling van 3,5% in combinatie met een gierafvoerbuis, waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of waarvoor tussen 1 januari 2024 en 9 maart 2026 een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend, of, als een vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 9 maart 2026 | OW 2022.01.V1 | 6,2 | - | 148 |
| HA1.100 | Overige huisvestingssystemen | 13 | – | 148 | |
| HA2 | Diercategorie vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar, diercategorie fokstieren jonger dan 2 jaar | ||||
| HA2.100 | Overige huisvestingssystemen | 4,4 | – | 38 | |
| HA3 | Diercategorie vleeskalveren jonger dan 1 jaar | ||||
| HA3.1 | Stal met hellende roostervloer in combinatie met hellende schijnvloer onder roostervloer waarvoor voor 6 mei 2020 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2012.09.V1 | 2,5 | 35,6 | 33 |
| HA3.2 | Stal met volledige roostervloer voorzien van een bolle rubber toplaag en afdichtkleppen in de roosterspleten waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2018.04.V1 | 1,9 | 31,2 | 22 |
| HA3.100 | Overige huisvestingssystemen | 3,5 | 35,6 | 33 | |
| HA4 | Diercategorie zoogkoeien van 2 jaar en ouder (inclusief ongespeende kalveren) | ||||
| HA4.100 | Overige huisvestingssystemen | 4,1 | – | 86 | |
| HA5 | Diercategorie overig vleesvee vanaf spenen en jonger dan 2 jaar | ||||
| HA5.100 | Overige huisvestingssystemen | 5,3 | 35,6 | 170 | |
| HA6 | Diercategorie overig rundvee van 2 jaar en ouder | ||||
| HA6.100 | Overige huisvestingssystemen | 6,2 | – | 170 | |
| HOOFDCATEGORIE B: SCHAPEN | HOOFDCATEGORIE B: SCHAPEN | ||||
| HB1 | Diercategorie schapen van 1 jaar en ouder (inclusief lammeren) | ||||
| HB1.100 | Overige huisvestingssystemen (beweiden) | 0,7 | 7,8 | – | |
| HOOFDCATEGORIE C: GEITEN | HOOFDCATEGORIE C: GEITEN | ||||
| HC1 | Diercategorie geiten van 1 jaar en ouder | ||||
| HC1.100 | Overige huisvestingssystemen | 1,9 | 18,8 | 19 | |
| HC2 | Diercategorie geiten vanaf 61 dagen tot 1 jaar | ||||
| HC2.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,8 | 11,3 | 10 | |
| HC3 | Diercategorie geiten tot 61 dagen | ||||
| HC3.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,2 | 5,7 | 10 | |
| HOOFDCATEGORIE D: VARKENS | HOOFDCATEGORIE D: VARKENS | ||||
| HD1 | Diercategorie gespeende biggen minder dan 25 kg | ||||
| HD1.1 | Vlakke gecoate keldervloer met mestschuif | OW 1993.01.V1 | 0,20 | 5,4 | 56 |
| HD1.2 | Gedeeltelijk rooster met spoelgotensysteem | OW 1994.09.V1, OW 1997.01.V1 | 0,24 | 7,8 | 74 |
| HD1.3 | Mestopvang in en spoelen met aangezuurde vloeistof | ||||
| HD1.3.1 | Volledig rooster | OW 1996.05.V1 | 0,18 | 7,8 | 56 |
| HD1.3.2 | Gedeeltelijk rooster | OW 1996.05.V1 | 0,25 | 7,8 | 74 |
| HD1.4 | Mestband in mestkanaal met metalen driekantrooster | OW 1996.06.V1 | 0,23 | 5,4 | 74 |
| HD1.5 | Ondiepe mestkelders met water- en mestkanaal | ||||
| HD1.5.1 | Oppervlakte mestkanaal ten hoogste 0,13 m2 per dierplaats | OW 1996.01.V1 | 0,26 | 5,4 | 74 |
| HD1.5.2 | Oppervlakte mestkanaal ten hoogste 0,19 m2 per dierplaats | OW 2001.14.V1 | 0,33 | 7,8 | 74 |
| HD1.6 | Schuine putwand | ||||
| HD1.6.1 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,07 m2 per dierplaats, ongeacht groepsgrootte | OW 2001.13.V1 | 0,17 | 5,4 | 74 |
| HD1.6.2 | Emitterende mestoppervlakte 0,07–0,10 m2 per dierplaats in groepen tot 30 dieren | OW 2004.06.V1 | 0,21 | 5,4 | 74 |
| HD1.6.3 | Emitterende mestoppervlakte 0,07–0,10 m2 per dierplaats in groepen vanaf 30 dieren zonder spoelgoten | OW 2010.04.V1 | 0,18 | 5,4 | 74 |
| HD1.6.4 | Emitterende mestoppervlakte 0,07–0,10 m2 per dierplaats in groepen vanaf 30 dieren met spoelgoten | OW 1999.05.V1, OW 1999.06.V1 | 0,18 | 7,8 | 74 |
| HD1.7 | Gedeeltelijk rooster met verkleinde mestoppervlakte | OW 2001.16.V1 | 0,39 | 7,8 | 74 |
| HD1.8 | Mestopvang in water met mestafvoersysteem | OW 2006.07.V1 | 0,15 | 5,4 | 56 |
| HD1.9 | Volledig rooster met water- en mestkanaal | OW 2010.05.V1 | 0,20 | 5,4 | 56 |
| HD1.10 | Koeldeksysteem (150% koeloppervlakte) | OW 2010.12.V1 | 0,17 | 5,4 | 56 |
| HD1.11 | Hok met conditionering van de ligvloertemperatuur, mestkelders met water- en mestkanaal, voerbak en watervoorziening boven het waterkanaal, mestkanaal met metalen driekant roostervloer met mestspleet, beide kanalen voorzien van een pan met watervulsysteem, dagelijkse mestafvoer uit het mestkanaal en een emitterend mestoppervlakte van ten hoogste 0,062 m2per dierplaats waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum | OW 2019.02.V1 | 0,21 | 5,4 | 56 |
| HD1.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,69 | 7,8 | 74 | |
| HD2 | Diercategorie kraamzeugen (inclusief biggen tot spenen) | ||||
| HD2.1 | Spoelgotensysteem, spoelen met dunne mest | OW 1993.12.V1, OW 1999.02.V1 | 3,3 | 27,9 | 160 |
| HD2.2 | Kunststof schijnvloer met schuif onder rooster | OW 1994.02.V1 | 3,7 | 27,9 | 160 |
| HD2.3 | Vlakke gecoate keldervloer met mestschuif | OW 1994.06.V1 | 4,0 | 27,9 | 160 |
| HD2.4 | Hellende gecoate keldervloer met giergoot en mestschuif | OW 1994.07.V1 | 3,1 | 27,9 | 160 |
| HD2.5 | Ondiepe mestkelders met mest- en waterkanaal | OW 1995.08.V1 | 4,0 | 27,9 | 160 |
| HD2.6 | Mestopvang in en spoelen met aangezuurde vloeistof | OW 1996.04.V1 | 3,1 | 27,9 | 160 |
| HD2.7 | Mestkanaal en hellende (schijn)vloer onder roostervloer | OW 2001.17.V1 | 5,0 | 27,9 | 160 |
| HD2.8 | Schuiven in mestgoot | 0W 2001.18.V1 | 2,5 | 27,9 | 160 |
| HD2.9 | Waterkanaal met afgescheiden mestkanaal of mestbak | OW 2004.07.V1 | 2,9 | 27,9 | 160 |
| HD2.10 | Mestpan | OW 2006.08.V1 | 2,9 | 27,9 | 160 |
| HD2.11 | Mestgoot met mestafvoersysteem | OW 2010.06.V1 | 3,2 | 27,9 | 160 |
| HD2.12 | Mestpan met water- en mestkanaal | OW 2010.07.V1 | 2,9 | 27,9 | 160 |
| HD2.13 | Mestpan met water- en mestkanaal en koelsysteem | OW 2018.01.V1 | 1,3 | 27,9 | 160 |
| HD2.14 | Koeldeksysteem (150% koeloppervlakte) | OW 2010.15.V1 | 2,4 | 27,9 | 160 |
| HD2.100 | Overige huisvestingssystemen | 8,3 | 27,9 | 160 | |
| HD3 | Diercategorie guste en dragende zeugen | ||||
| HD3.1 | Smalle ondiepe mestkanalen met metalen driekantrooster en rioleringssysteem (individuele huisvesting) | OW 1995.02.V1 | 2,4 | 18,7 | 175 |
| HD3.2 | Mestgoot met combinatierooster en frequente mestafvoer (individuele huisvesting) | OW 1995.05.V1 | 1,8 | 18,7 | 175 |
| HD3.3 | Spoelgotensysteem met dunne mest | ||||
| HD3.3.1 | Individuele huisvesting | OW 1995.07.V1 | 2,5 | 18,7 | 175 |
| HD3.3.2 | Groepshuisvesting | OW 1998.01.V1, OW 1999.03.V1 | 2,5 | 18,7 | 175 |
| HD3.4 | Mestopvang in en spoelen met aangezuurde vloeistof | ||||
| HD3.4.1 | Individuele huisvesting | OW 1996.03.V1 | 1,8 | 18,7 | 175 |
| HD3.4.2 | Groepshuisvesting | OW 1998.02.V1 | 1,8 | 18,7 | 175 |
| HD3.5 | Schuiven in mestgoot (individuele huisvesting) | OW 2001.19.V1 | 2,2 | 18,7 | 175 |
| HD3.6 | Mestband in mestkanaal met metalen driekantrooster | OW 2008.11.V1 | 2,2 | 18,7 | 175 |
| HD3.7 | Koeldeksysteem | ||||
| HD3.7.1 | 115% koeloppervlakte (individuele huisvesting) | OW 2010.16.V1 | 2,2 | 18,7 | 175 |
| HD3.7.2 | 135% koeloppervlakte (groepshuisvesting) | OW 2010.17.V1 | 2,2 | 18,7 | 175 |
| HD3.8 | Groepshuisvesting zonder strobed met voerligboxen of voerstations en schuine putwanden in mestkanaal | ||||
| HD3.8.1 | Met metalen driekantrooster | OW 2010.08.V1 | 2,3 | 18,7 | 175 |
| HD3.8.2 | Met anders dan metalen driekantrooster | OW 2006.09.V1 | 2,5 | 18,7 | 175 |
| HD3.9 | Rondloopstal met voerstation en strobed | OW 2010.09.V1 | 2,6 | 18,7 | 175 |
| HD3.10 | Hok met kelders met water- en mestkanaal, vloervoedering, mestkanaal met metalen driekant roostervloer met mestspleet, mest- en watergoot met schuine puntwanden, koelsysteem en watervul- en spoelsysteem in mestgoot, dagelijkse mestafvoer en een emitterend mestoppervlakte van ten hoogste 0,3 m2 per dierplaats waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2024 | OW 2019.03.V1 | 1,5 | 18,7 | 175 |
| HD3.100 | Overige huisvestingssystemen (groepshuisvesting) | 4,2 | 18,7 | 175 | |
| HD3.101 | Overige huisvestingssystemen (individuele huisvesting) | 4,2 | 18,7 | 175 | |
| HD4 | Diercategorie dekberen van 7 maanden en ouder | ||||
| HD4.100 | Overige huisvestingssystemen | 5,5 | 18,7 | 180 | |
| HD5 | Diercategorie vleesvarkens van 25 kg en meer, diercategorie opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden diercategorie opfokzeugen van 25 kg en meer | ||||
| HD5.1 | Scharrelvleesvarkens in beddenstal | OW 2001.30.V1 | 1,9 | 23,0 | 153 |
| HD5.2 | Gehele dierplaats onderkelderd zonder stankafsluiter | OW 2001.23.V1 | 4,5 | 23,0 | 153 |
| HD5.3 | Mestopvang in en spoelen met ammoniakarme vloeistof (inclusief aanzuren) | OW 1993.10.V1, OW 1993.11.V1, OW 1995.03.V1, OW 2001.24.V1 | 1,6 | 17,9 | 153 |
| HD5.4 | Metalen driekantrooster met mestopvang in met formaldehyde behandelde mestvloeistof | OW 1995.01.V1 | 1,0 | 17,9 | 153 |
| HD5.5 | Metalen driekantrooster met mestopvang in water | OW 1995.06.V1 | 1,3 | 17,9 | 153 |
| HD5.6 | Spoelgotensysteem met metalen driekantrooster | OW 1998.03.V1 | 1,2 | 23,0 | 153 |
| HD5.7 | Spoelgotensysteem met rooster | OW 1998.04.V1, OW 1999.04.V1 | 1,7 | 23,0 | 153 |
| HD5.8 | Water- en mestkanaal | OW 2001.03.v1 | 1,7 | 23,0 | 153 |
| HD5.9 | Mestkanaal met schuine putwand (en waterkanaal) | ||||
| HD5.9.1 | Met metalen driekantrooster op mestkanaal | ||||
| HD5.9.1.1 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,18 m2 per dierplaats met spoelgoten | OW 1997.04.V1 | 1,0 | 23,0 | 153 |
| HD5.9.1.2 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,18 m2 per dierplaats zonder spoelgoten | OW 2004.03.V1 | 1,0 | 17,9 | 153 |
| HD5.9.1.3 | Emitterende mestoppervlakte 0,18–0,27 m2 per dierplaats met spoelgoten | OW 1997.04.V1 | 1,4 | 23.0 | 153 |
| HD5.9.1.4 | Emitterende mestoppervlakte 0,18–0,27 m2 per dierplaats zonder spoelgoten | OW 2004.04.V1 | 1,4 | 17,9 | 153 |
| HD5.9.2 | Met anders dan metalen driekantrooster op mestkanaal | ||||
| HD5.9.2.1 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,18 m2 per dierplaats | OW 2004.05.V1 | 1,5 | 17,9 | 153 |
| HD5.9.2.2 | Emitterende mestoppervlakte 0,18–0,27 m2 per dierplaats | OW 2010.10.V1 | 1,9 | 23,0 | 153 |
| HD5.10 | Koeldeksysteem (200% koeloppervlakte) | ||||
| HD5.10.1 | Met metalen driekantrooster | ||||
| HD5.10.1.1 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,5 m2 per dierplaats | OW 2004.08.V1 | 1,2 | 17,9 | 153 |
| HD5.10.1.2 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,8 m2 per dierplaats | OW 2010.19.V1 | 1,5 | 17,9 | 153 |
| HD5.10.2 | Met anders dan metalen driekantrooster | ||||
| HD5.10.2.1 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,6 m2 per dierplaats | OW 2010.20.V1 | 1,6 | 17,9 | 153 |
| HD5.10.2.2 | Emitterende mestoppervlakte 0,6–0,8 m2 per dierplaats | OW 2001.01.V1 | 2,4 | 23,0 | 153 |
| HD5.11 | Koeldeksysteem (170% koeloppervlakte) met metalen driekantrooster | ||||
| HD5.11.1 | Emitterende mestoppervlakte mestkanaal groter dan 0,5 m2, maar ten hoogste 0,67 m2 per dierplaats | OW 2001.25.V1 | 1,7 | 23 | 153 |
| HD5.11.2 | Emitterende mestoppervlakte mestkanaal ten hoogste 0,5 m2 per dierplaats | OW 2019.05.V1 | 1,4 | 17,9 | 153 |
| HD5.12 | Bollevloerhok met betonnen morsrooster en metalen driekantrooster | ||||
| HD5.12.1 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,22 m2 per dierplaats | OW 2001.27.V1 | 1,4 | 17,9 | 153 |
| HD5.12.2 | Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,33 m2 per dierplaats | OW 2001.27.V1 | 2,0 | 23,0 | 153 |
| HD5.13 | Mestband in mestkanaal met metalen driekantrooster | OW 2008.11.V1 | 1,1 | 17,9 | 153 |
| HD5.14 | Hok met mestkelders met water- en mestkanaal, voerbak en watervoorziening boven het waterkanaal, mestkanaal met metalen driekant roostervloer, mestgoot met schuine putwanden, koelsysteem en watervul- en spoelsysteem, dagelijkse mestafvoer en een emitterende mestoppervlakte van ten hoogste 0,08 m2 per dierplaats waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2024 | OW 2019.04.V1 | 0,77 | 17,9 | 153 |
| HD5.100 | Overige huisvestingssystemen | 3,0 | 23,0 | 153 | |
| HOOFDCATEGORIE E: KIPPEN | HOOFDCATEGORIE E: KIPPEN | ||||
| HE1 | Diercategorie opfokhennen en -hanen van legkippen jonger dan 18 weken | ||||
| HE1.1 | Kooihuisvesting | ||||
| HE1.1.1 | Batterij met mestband | OW 1993.07.V1 | 0,020 | 0,18 | 2 |
| HE1.1.2 | Batterij met mestbandbeluchting | ||||
| HE1.1.2.1 | Beluchting 0,2 m3/uur per dierplaats | OW 1993.08.V1 | 0,020 | 0,18 | 2 |
| HE1.1.2.2 | Beluchting 0,4 m3/uur per dierplaats | OW 1997.03.V1 | 0,006 | 0,18 | 2 |
| HE1.1.3 | Batterij met mestbandbeluchting en bovenliggende droogtunnel | OW 1999.01.V1 | 0,010 | 0,18 | 2 |
| HE1.1.4 | Batterij met mestschuiven en centrale mestband | OW 1995.04.V1 | 0,011 | 0,18 | 2 |
| HE1.1.5 | Batterij met open mestopslag | OW 2001.04.V1 | 0,045 | 0,18 | 2 |
| HE1.1.6 | Batterij met mest- en luchtkanaal | OW 2001.05.V1 | 0,208 | 0,18 | 2 |
| HE1.1.7 | Koloniehuisvesting met mestbandbeluchting 0,7 m3/uur per dierplaats | OW 2009.10.V1 | 0,016 | 0,18 | 8 |
| HE1.2 | Grondhuisvesting | ||||
| HE1.2.1 | Strooiselvloer (eventueel met roostervloer) | OW 2001.06.V1 | 0,170 | 0,18 | 30 |
| HE1.2.2 | Warmteheaters en ventilatoren | OW 2009.14.V1 | 0,088 | 0,18 | 30 |
| HE1.2.3 | Verhoogde roostervloer met daarboven oplierbare en/of opklapbare roosters | OW 2015.03.V1 | 0,110 | 0,18 | 30 |
| HE1.2.4 | Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag | OW 2011.13.V1 | 0,088 | 0,18 | 30 |
| HE1.3 | Volièrehuisvesting | ||||
| HE1.3.1 | Ten minste 50% rooster met mestband | OW 2005.02.V1 | 0,050 | 0,18 | 23 |
| HE1.3.2 | 65–70% rooster en mestbandbeluchting 0,3 m3/uur per dierplaats | OW 2005.03.V1 | 0,030 | 0,18 | 23 |
| HE1.3.3 | 45–55% rooster en mestbandbeluchting | ||||
| HE1.3.3.1 | Beluchting 0,1 m3/uur per dierplaats | OW 2006.10.V1 | 0,030 | 0,18 | 23 |
| HE1.3.3.2 | Beluchting 0,3 m3/uur per dierplaats | OW 2006.10.V1 | 0,023 | 0,18 | 23 |
| HE1.3.4 | 30–35% rooster en mestbandbeluchting 0,4 m3/uur per dierplaats | OW 2006.11.V1 | 0,014 | 0,18 | 23 |
| HE1.3.5 | 55-60% rooster en mestbandbeluchting 0,4 m3/uur per dierplaats | OW 2006.12.V1 | 0,020 | 0,18 | 23 |
| HE1.100 | Overige huisvestingssystemen (niet-batterijhuisvesting) | 0,170 | 0,18 | 30 | |
| HE1.101 | Overige huisvestingssystemen (batterijhuisvesting) | 0,045 | 0,18 | 30 | |
| HE2 | Diercategorie legkippen van 18 weken en ouder, diercategorie ouderdieren van legkippen van 18 weken en ouder | ||||
| HE2.1 | Kooihuisvesting | ||||
| HE2.1.1 | Verrijkte kooien met mestbandbeluchting | OW 2005.11.V1 | 0,030 | 0,35 | 23 |
| HE2.1.2 | Koloniehuisvesting met mestbandbeluchting | OW 2009.10.V1 | 0,030 | 0,35 | 23 |
| HE2.2 | Grondhuisvesting | ||||
| HE2.2.1 | Circa 1/3 strooiselvloer en circa 2/3 roostervloer | OW 2001.09.V1 | 0,402 | 0,34 | 84 |
| HE2.2.2 | Met beluchting onder gedeeltelijk verhoogde roostervloer | OW 2010.21.V1 | 0,110 | 0,34 | 84 |
| HE2.2.3 | Met mestbeluchting via buizen onder beun | OW 2001.10.V1 | 0,125 | 0,34 | 84 |
| HE2.2.4 | Met enkele buis onder beun aan beide zijden van legnest | OW 2011.09.V1 | 0,150 | 0,34 | 84 |
| HE2.2.5 | Met mestbeluchting via verticale ventilatiekokers | OW 2011.10.V1 | 0,150 | 0,34 | 84 |
| HE2.2.6 | Twee verdiepingen met mestbanden onder roosters | OW 2004.11.V1 | 0,068 | 0,34 | 84 |
| HE2.2.7 | Met frequente mest- en strooiselverwijdering | OW 2004.12.V1 | 0,106 | 0,34 | 84 |
| HE2.3 | Volièrehuisvesting | ||||
| HE2.3.1 | Ten minste 50% rooster met mestband | OW 2004.09.V1 | 0,090 | 0,34 | 65 |
| HE2.3.2 | 45–55% roosters en mestbandbeluchting | ||||
| HE2.3.2.1 | Beluchting ten minste 0,2 m3/uur per dierplaats | OW 2004.10.V1 | 0,055 | 0,34 | 65 |
| HE2.3.2.2 | Beluchting ten minste 0,5 m3/uur per dierplaats | OW 2004.10.V1 | 0,042 | 0,34 | 65 |
| HE2.3.3 | 30–35% roosters en mestbandbeluchting 0,7 m3/uur per dierplaats | OW 2005.04.V1 | 0,025 | 0,34 | 65 |
| HE2.3.4 | 55–60% roosters en mestbandbeluchting 0,7 m3/uur per dierplaats | OW 2005.05.V1 | 0,037 | 0,34 | 65 |
| HE2.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,315 | 0,34 | 84 | |
| HE3 | Diercategorie ouderdieren van vleeskuikens in opfok jonger dan 19 weken | ||||
| HE3.1 | Mixluchtventilatie | OW 2005.10.V1 | 0,114 | 0,18 | 23 |
| HE3.2 | Warmteheaters en ventilatoren | OW 2009.14.V1 | 0,129 | 0,18 | 23 |
| HE3.3 | Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag | OW 2011.13.V1 | 0,129 | 0,18 | 23 |
| HE3.4 | Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmtewisselaar | OW 2010.13.V1 | 0,077 | 0,18 | 23 |
| HE3.5 | Buizenverwarming waarvoor voor 1 december 2022 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum en die is toegepast in een dierenverblijf dat nadien niet is vervangen of uitgebreid | OW 2017.01.V1 | 0,044 | 0,18 | 23 |
| HE3.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,250 | 0,18 | 23 | |
| HE4 | Diercategorie ouderdieren van vleeskuikens van 19 weken en ouder | ||||
| HE4.1 | Groepskooi met mestband en geforceerde mestdroging | OW 1995.09.V1, OW 1996.07.V1, OW 2009.23.V1 | 0,080 | 0,93 | 8 |
| HE4.2 | Volièrehuisvesting | ||||
| HE4.2.1 | Met geforceerde mestdroging | OW 2010.22.V1 | 0,170 | 0,93 | 43 |
| HE4.2.2 | Met geforceerde mest- en strooiseldroging | OW 2010.23.V1 | 0,130 | 0,93 | 43 |
| HE4.3 | Perfosysteem op gedeeltelijk verhoogde roostervloer | OW 1998.05.V1 | 0,230 | 0,93 | 43 |
| HE4.4 | Grondhuisvesting met mestbeluchting | ||||
| HE4.4.1 | Van bovenaf | OW 2004.13.V1 | 0,250 | 0,93 | 43 |
| HE4.4.2 | Met verticale slangen in mest | OW 2004.14.V1 | 0,435 | 0,93 | 43 |
| HE4.4.3 | Via buizen onder beun | OW 2010.03.V1 | 0,435 | 0,93 | 43 |
| HE4.4.4 | Via verticale ventilatiekokers | OW 2010.37.V1 | 0,435 | 0,93 | 43 |
| HE4.5 | Grondhuisvesting met mestbanden onder de roosters | OW 2007.10.V1 | 0,245 | 0,93 | 43 |
| HE4.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,580 | 0,93 | 43 | |
| HE5 | Diercategorie vleeskuikens | ||||
| HE5.1 | Zwevende vloer met strooiseldroging | OW 1993.02.V1, OW 1994.05.V1, OW 1996.02.V1, OW 1996.09.V1 | 0,004 | 0,33 | 22 |
| HE5.2 | Geperforeerde vloer met strooiseldroging | OW 1994.04.V1, OW 1996.08.V1 | 0,012 | 0,33 | 22 |
| HE5.3 | Etagesysteem met volledige roostervloer en mestbandbeluchting | OW 1997.02.V1 | 0,004 | 0,33 | 22 |
| HE5.4 | Grondhuisvesting met vloerverwarming en vloerkoeling | OW 2001.11.V1 | 0,038 | 0,33 | 22 |
| HE5.5 | Mixluchtventilatie | OW 2005.10.V1 | 0,031 | 0,33 | 22 |
| HE5.6 | Etagesysteem met mestband en strooiseldroging | OW 2006.13.V1 | 0,017 | 0,33 | 22 |
| HE5.7 | Warmteheaters en ventilatoren | OW 2009.14.V1 | 0,035 | 0,33 | 22 |
| HE5.8 | Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmtewisselaar | OW 2010.13.V1 | 0,021 | 0,33 | 22 |
| HE5.9 | Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmteheaters | OW 2011.13.V1 | 0,035 | 0,33 | 22 |
| HE5.10 | Buizenverwarming | OW 2017.01.V1 | |||
| HE5.10.1 | Huisvestingssysteem waarvoor voor 1 december 2022 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum en dat is toegepast in een dierenverblijf dat nadien niet is vervangen of uitgebreid | 0,012 | 0,33 | 22 | |
| HE5.10.2 | Huisvestingssysteem dat niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in rij HE5.10.1 | 0,021 | 0,33 | 22 | |
| HE5.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,068 | 0,33 | 22 | |
| HOOFDCATEGORIE F: PARELHOENDERS | HOOFDCATEGORIE F: PARELHOENDERS | ||||
| HF1 | Diercategorie vleesparelhoenders | ||||
| HF1.1 | Zwevende vloer met strooiseldroging | OW 1993.02.V1, OW 1994.05.V1, OW 1996.02.V1 OW 1996.09.V1 | 0,004 | 0,33 | 22 |
| HF1.2 | Geperforeerde vloer met strooiseldroging | OW 1994.04.V1, OW 1996.08.V1 | 0,012 | 0,33 | 22 |
| HF1.3 | Etagesysteem met volledige roostervloer en mestbandbeluchting | OW 1997.02.V1 | 0,004 | 0,33 | 22 |
| HF1.4 | Grondhuisvesting met vloerverwarming en vloerkoeling | OW 2001.11.V1 | 0,038 | 0,33 | 22 |
| HF1.5 | Mixluchtventilatie | OW 2005.10.V1 | 0,031 | 0,33 | 22 |
| HF1.6 | Etagesysteem met mestband en strooiseldroging | OW 2006.13.V1 | 0,017 | 0,33 | 22 |
| HF1.7 | Warmteheaters en ventilatoren | OW 2009.14.V1 | 0,035 | 0,33 | 22 |
| HF1.8 | Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met een warmtewisselaar | OW 2010.13.V1 | 0,021 | 0,33 | 22 |
| HF1.9 | Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag | OW 2011.13.V1 | 0,035 | 0,33 | 22 |
| HF1.10 | Buizenverwarming | OW 2017.01.V1 | |||
| HF1.10.1 | Huisvestingssysteem waarvoor voor 1 december 2022 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum en dat is toegepast in een dierenverblijf dat nadien niet is vervangen of uitgebreid | 0,012 | 0,33 | 22 | |
| HF1.10.2 | Huisvestingssysteem dat niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in rij HF1.10.1 | 0,021 | 0,33 | 22 | |
| HF1.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,068 | 0,33 | 22 | |
| HOOFDCATEGORIE G: KALKOENEN | HOOFDCATEGORIE G: KALKOENEN | ||||
| HG1 | Diercategorie ouderdieren van vleeskalkoenen jonger dan 6 weken | ||||
| HG1.1 | Verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren | OW 2009.14.V1 | 0,08 | 0,29 | 23 |
| HG1.2 | Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag | OW 2011.13.V1 | 0,08 | 0,29 | 23 |
| HG1.3 | Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmtewisselaar | OW 2010.13.V1 | 0,05 | 0,29 | 23 |
| HG1.4 | Buizenverwarming | OW 2017.01.V1 | |||
| HG1.4.1 | Huisvestingssysteem waarvoor voor 1 december 2022 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum en dat is toegepast in een dierenverblijf dat nadien niet is vervangen of uitgebreid | 0,03 | 0,29 | 23 | |
| HG1.4.2 | Huisvestingssysteem dat niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in rij HG1.4.1 | 0,05 | 0,29 | 23 | |
| HG1.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,15 | 0,29 | 23 | |
| HG2 | Diercategorie ouderdieren van vleeskalkoenen van 6 weken en ouder en jonger dan 30 weken | ||||
| HG2.1 | Verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren | OW 2009.14.V1 | 0,24 | 1,55 | 163 |
| HG2.2 | Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag | OW 2011.13.V1 | 0,24 | 1,55 | 163 |
| HG2.3 | Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmtewisselaar | OW 2010.13.V1 | 0,15 | 1,55 | 163 |
| HG2.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,47 | 1,55 | 163 | |
| HG3 | Diercategorie ouderdieren van vleeskalkoenen van 30 weken en ouder | ||||
| HG3.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,59 | 1,55 | 207 | |
| HG4 | Diercategorie vleeskalkoenen | ||||
| HG4.1 | Gedeeltelijk verhoogde strooiselvloer | OW 2001.12.V1 | 0,36 | 1,55 | 86 |
| HG4.2 | Mechanisch geventileerde stal met frequente strooiselverwijdering | OW 2005.07.V1 | 0,26 | 1,55 | 86 |
| HG4.3 | Verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren | OW 2009.14.V1 | 0,35 | 1,55 | 86 |
| HG4.4 | Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag | OW 2011.13.V1 | 0,35 | 1,55 | 86 |
| HG4.5 | Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmtewisselaar | OW 2010.13.V1 | 0,21 | 1,55 | 86 |
| HG4.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,68 | 1,55 | 86 | |
| HOOFDCATEGORIE H: EENDEN | HOOFDCATEGORIE H: EENDEN | ||||
| HH1 | Diercategorie ouderdieren van vleeseenden | ||||
| HH1.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,320 | 0,49 | 182 | |
| HH2 | Diercategorie vleeseenden | ||||
| HH2.1 | Binnen mesten | ||||
| HH2.1.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,210 | 0,49 | 84 | |
| HH2.2 | Buiten mesten (per afgeleverd dier) | 0,019 | 0,49 | – | |
| HOOFDCATEGORIE I: STRUISVOGELS | HOOFDCATEGORIE I: STRUISVOGELS | ||||
| HI1 | Diercategorie struisvogels jonger dan 4 maanden | ||||
| HI1.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,3 | – | – | |
| HI2 | Diercategorie struisvogels van 4 maanden en ouder en jonger dan 12 maanden | ||||
| HI2.100 | Overige huisvestingssystemen | 1,8 | – | – | |
| HI3 | Diercategorie struisvogels van 12 maanden en ouder | ||||
| HI3.100 | Overige huisvestingssystemen | 2,5 | – | – | |
| HOOFDCATEGORIE K: KONIJNEN | HOOFDCATEGORIE K: KONIJNEN | ||||
| HK1 | Diercategorie voedster | ||||
| HK1.1 | Mechanisch geventileerde stal met gescheiden afvoer van mest en urine | OW 2005.08.V1 | 0,77 | – | – |
| HK1.100 | Overige huisvestingssystemen | 1,20 | – | - | |
| HK2 | Diercategorie vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd | ||||
| HK2.1 | Mechanisch geventileerde stal met gescheiden afvoer van mest en urine | OW 2005.09.V1 | 0,12 | – | – |
| HK2.100 | Overige huisvestingssystemen | 0,20 | – | – | |
| HOOFDCATEGORIE L: PAARDEN | HOOFDCATEGORIE L: PAARDEN | ||||
| HL1 | Diercategorie paarden van 3 jaar en ouder | ||||
| HL1.100 | Overige huisvestingssystemen | 5,0 | – | – | |
| HL2 | Diercategorie paarden jonger dan 3 jaar | ||||
| HL2.100 | Overige huisvestingssystemen | 2,1 | – | – | |
| HL3 | Diercategorie pony's van 3 jaar en ouder | ||||
| HL3.100 | Overige huisvestingssystemen | 3,1 | – | – | |
| HL4 | Diercategorie pony's jonger dan 3 jaar | ||||
| HL4.100 | Overige huisvestingssystemen | 1,3 | – | – |
3. Definities
Bijlage VIIb. bij artikel 4.30 van deze regeling (vergunningvrije gevallen voor uitzetten van dieren of eieren van dieren)
Categorie : Aandrijvingen
Bijlage VIId. bij artikel 4.33, eerste lid van deze regeling (soorten en pootringen die daarbij horen)
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)