Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling)
| Onderwerp | Warm tapwater |
|---|---|
| Nummer maatregel | GE1 |
| Toe te passen maatregel | Isoleer warmwaterleidingen en appendages. Met het aanbrengen van isolatie met een Rd-waarde van ten minste 0,5 m2K/W rondom de circulatieleidingen en appendages van het warme tapwater wordt warmteverlies tegengegaan. Isoleer alleen de circulatieleidingen. De uittapleidingen van het tapwater mogen vanwege de kans op legionella niet worden geïsoleerd. |
| Huidige situatie | Er zijn ongeïsoleerde circulatieleidingen en appendages voor transport van warm tapwater aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | De leidingen zijn goed bereikbaar. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer jaarlijks het isolatiemateriaal rond leidingen en appendages en herstel deze bij eventuele schade. |
| Onderwerp | Warm tapwater |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GE2 |
| Toe te passen maatregel | Gebruik waterbesparende douchekoppen. Door in douches waterbesparende douchekoppen toe te passen wordt er minder warm tapwater gebruikt. |
| Huidige situatie | De douches hebben geen waterbesparende douchekop. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij een gemiddeld gebruik van meer dan 6 douchebeurten per week. |
| Technische randvoorwaarden | Door toepassing van de waterbesparende douchekop komt het tapdebiet bij systemen zonder voorraadvat niet onder de tapdrempel van het tapwatertoestel. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer regelmatig de instellingen van het warmtapwatersysteem en voer regelmatig onderhoud uit aan kranen, kleppen en warmtapwaterinstallaties. |
| Onderwerp | Warm tapwater |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GE3 |
| Toe te passen maatregel | Vervang bij een indirect verwarmd voorraadvat de bestaande ketel door een HR-ketel. Door in een warm tapwatersysteem met een indirect verwarmd voorraadvat een hoogrendementsketel (HR) toe te passen in plaats van een verbeterd rendementsketel of conventionele ketel wordt het warm tapwater energiezuiniger opgewekt. |
| Huidige situatie | Er is een hoge tapwatervraag voor onder meer douchen en dit warm tapwater wordt opgewekt met een verbeterd rendement (VR) of conventionele ketel en opgeslagen in een buffervat. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer regelmatig de instellingen van het warmtapwatersysteem en voer regelmatig onderhoud uit aan kranen, kleppen en warmtapwaterinstallaties. |
Categorie: Binnenverlichting
| Onderwerp | Binnenverlichting |
|---|---|
| Nummer maatregel | GF1 |
| Toe te passen maatregel | Pas een regeling toe op de verlichting, zodat deze buiten gebruikstijden niet onnodig brandt. Door gebruik van een regeling wordt het onnodig branden van verlichting buiten gebruikstijden voorkomen. Er zijn diverse regelingen die hiervoor kunnen worden toegepast, zoals aanwezigheidsdetectie per ruimte, een tijdgestuurde veegschakeling, een centrale regeling met overwerktimers of een regelbord bij de ingang van het gebouw. |
| Huidige situatie | De verlichting brandt onnodig buiten gebruikstijden. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer dagelijks bij het verlaten van het pand of alle verlichting die uit kan ook is uitgezet. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF2 |
| Toe te passen maatregel | Vervang TL8-buizen door LED-buizen. Door het vervangen van TL-buizen (TL8) in de armaturen door LED-buizen wordt het energiegebruik beperkt. Het wisselen van de buizen door LED-buizen met een vergelijkbare lichtopbrengst en lichtkleur is voldoende. Soms moet ook de starter worden vervangen. |
| Huidige situatie | Armaturen met TL8-buizen, met of zonder starter zijn aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 1.600 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | De bestaande armaturen zijn geschikt voor toepassing van LED-buizen. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF3 |
| Toe te passen maatregel | Vervang TL5-fluorescentiebuizen door LED-buizen. Door het vervangen van TL5-buizen in de armaturen door LED-buizen wordt het energiegebruik beperkt. Het wisselen van de buizen door LED-buizen met een vergelijkbare lichtopbrengst en lichtkleur is voldoende. |
| Huidige situatie | Er zijn armaturen met TL5-buizen aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 6.100 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | De bestaande armaturen zijn geschikt voor de toepassing van LED-buizen. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF4 |
| Toe te passen maatregel | Vervang gloei-, halogeen- en spaarlampen door LED-lampen. Door gloei-, halogeen- en spaarlampen in de bestaande armaturen te vervangen door LED-lampen wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Armaturen met gloei-, halogeen- of spaarlampen zijn aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 600 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | De bestaande armaturen zijn geschikt voor LED-lampen, waardoor de lampen één-op-één vervangbaar zijn. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF5 |
| Toe te passen maatregel | Vervang gasontladingslampen door LED-lampen. Vervang gasontladingslampen in de armaturen door LED-lampen. Dit beperkt het energiegebruik. |
| Huidige situatie | Er zijn armaturen met één van de volgende gasontladingslampen aanwezig: kwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 1.000 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | De bestaande armaturen zijn geschikt voor LED-lampen, waardoor de lampen één-op-één vervangbaar zijn. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF6 |
| Toe te passen maatregel | Vervang montagebalken en lichtlijnen met TL8-buizen door LED-armaturen. Door bij montagebalken en lichtlijnen de armaturen met TL8-buizen te vervangen door LED-armaturen wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn montagebalken of lichtlijnen met TL8-armaturen aanwezig. Dit kunnen zowel opbouwarmaturen als zwevende armaturen zijn. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 3.100 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF7 |
| Toe te passen maatregel | Vervang plafondspots met spaarlampen door LED-spots. Door plafondspots met spaarlampen (CFL of PL) te vervangen door spots met LED-verlichting wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn plafondspots met spaarlampen (CFL of PL) aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 3.300 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF8 |
| Toe te passen maatregel | Vervang wandarmaturen met spaarlampen door LED-wandarmaturen. Door wandarmaturen met spaarlampen te vervangen door LED-wandarmaturen wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn wandarmaturen met spaarlampen aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 3.600 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF9 |
| Toe te passen maatregel | Vervang wandarmaturen met halogeenlampen door LED-wandarmaturen. Door wandarmaturen met halogeenlampen te vervangen door LED-wandarmaturen wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn wandarmaturen met halogeenlampen aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 1.100 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF10 |
| Toe te passen maatregel | Vervang spots met halogeenlampen door LED-spots. Door spots met halogeenlampen te vervangen door spots met LED-verlichting wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn spots met halogeenlampen aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 2.400 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF11 |
| Toe te passen maatregel | Vervang railspots met halogeenlampen door LED-railspots. Door railspotarmaturen met halogeenlampen te vervangen door LED-railspots wordt het energiegebruik beperkt. De bestaande spanningsrail/contactrail blijft bewaard. |
| Huidige situatie | Er zijn railspotarmaturen met halogeenlampen op een spannings/contactrail aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 3.200 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | De bestaande spanningsrail/contactrail is geschikt voor toepassing van de LED-railspots. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF12 |
| Toe te passen maatregel | Vervang railspots met gasontladingslampen door LED-railspots. Door railspots met gasontladingslampen te vervangen door LED-railspots wordt het energiegebruik beperkt. De bestaande spanningsrail/contactrail blijft bewaard. |
| Huidige situatie | Er zijn railspots met een van de volgende gasontladingslampen aanwezig: kwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 5.200 branduren per jaar. Natuurlijk moment: bij meer dan 2.000 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | De bestaande spanningsrail/contactrail is geschikt voor toepassing van de LED-railspots. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF13 |
| Toe te passen maatregel | Vervang pendelarmaturen en opbouwarmaturen met gasontladingslampen door LED-armaturen. Door pendelarmaturen en opbouwarmaturen ("high bay") met gasontladingslampen te vervangen door LED-armaturen wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn pendelarmaturen en opbouwarmaturen met één van de volgende gasontladingslampen aanwezig: kwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF14 |
| Toe te passen maatregel | Vervang ingebouwde plafondarmaturen met TL8-buizen door LED-armaturen. Door de ingebouwde plafondarmaturen met TL8-buizen te vervangen door LED-armaturen wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn ingebouwde plafondarmaturen met TL8-buizen, met of zonder starter aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF15 |
| Toe te passen maatregel | Vervang vluchtwegsignaleringsarmaturen met TL-buizen of spaarlampen door LED-armaturen. Door vluchtwegsignaleringsarmaturen met TL-buizen of spaarlampen te vervangen door vluchtwegsignaleringsarmaturen met LED-verlichting wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn vluchtwegsignaleringsarmaturen met TL-buizen of spaarlampen aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Niet van toepassing |
Categorie: Buitenverlichting
| Onderwerp | Buitenverlichting |
|---|---|
| Nummer maatregel | GG1 |
| Toe te passen maatregel | Vervang armaturen met TL8-buizen door LED-armaturen. Door ingebouwde en opgebouwde armaturen met TL8-buizen (die niet op een mast zitten) te vervangen door LED-armaturen wordt het energiegebruik verlaagd. |
| Huidige situatie | Er zijn armaturen met TL8-buizen voor buitenverlichting aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Buitenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GG2 |
| Toe te passen maatregel | Vervang wandarmaturen met halogeenlampen door LED-armaturen. Door wandarmaturen met halogeenlampen te vervangen door LED-armaturen, wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn wandarmaturen met halogeenlampen voor buitenverlichting aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Buitenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GG3 |
| Toe te passen maatregel | Vervang wandarmaturen met spaarlampen door LED-armaturen. Door wandarmaturen met spaarlampen te vervangen door LED-armaturen, wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn wandarmaturen met spaarlampen voor buitenverlichting aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Buitenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GG4 |
| Toe te passen maatregel | Vervang armaturen met gasontladingslampen door LED-armaturen. Door ingebouwde en opgebouwde armaturen (die niet op een mast zitten) met gasontladingslampen (Kwiklampenkwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI) door LED-armaturen te vervangen, wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn armaturen met gasontladingslampen (kwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI) voor buitenverlichting aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
Categorie: Zonnepanelen
| Onderwerp | Zonnepanelen |
|---|---|
| Nummer maatregel | GH1 |
| Toe te passen maatregel | Plaats zonnepanelen op het dak. Door de plaatsing van zonnepanelen wordt duurzame elektriciteit opgewekt. Daarmee wordt bespaard op de inkoop van elektriciteit via het elektriciteitsnet. |
| Huidige situatie | Er is ten minste 2.000 m2 aan geschikt dakoppervlak beschikbaar voor het plaatsen van minimaal 300 kWp aan zonnepanelen. Er is sprake van een grootverbruikaansluiting voor elektriciteit (meer dan 3x80 A). |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Het dak heeft voldoende vrije draagkracht voor de plaatsing van zonnepanelen en bijbehorende ballast. De bestaande elektriciteitsaansluiting heeft voldoende capaciteit en er is voldoende transportcapaciteit beschikbaar op het elektriciteitsnet. Het dak hoeft de komende 10 jaar niet te worden gerenoveerd. De verzekeraar gaat akkoord met plaatsen van de zonnepanelen zonder dat dit tot een significante prijsstijging van de verzekeringspremie leidt. Bij een installatie van 300 kWp kan alle opgewekte energie direct in het gebouw worden gebruikt. Indien het gebouw een monument is, wordt de monumentale status niet door de maatregel aangetast. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en ondeoud | Maak de zonnepanelen jaarlijks schoon. Controleer regelmatig of de verwachte productie gehaald wordt of laat dit monitoren. |
Bijlage XIVa. bij artikel 5.29, tweede lid, van deze regeling (maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met betrekking tot gebouwen specifiek voor de glastuinbouwsector)
Inspectielijst
Bijlage XII. bij de artikelen 5.21, eerste lid, en 5.22, eerste lid, van deze regeling (exameneisen inspectie airconditioningsystemen)
5.2. Gebruiksoppervlakte (Ag)
3. Distributiesysteem
Onderdeel 3 : Gebouwen
Als andere energiedragers worden gebruikt dan aardgas, elektriciteit of warmte, of bij energiedragers die in het productieproces beschikbaar komen, kan voor die andere energiedragers een specifieke marginale energieprijs worden bepaald. Deze is opgebouwd uit alle gebruiksafhankelijke kosten.
Bijlage XVa. behorende bij de artikelen 4.14a, tweede lid, en 5.30, tweede lid, van deze regeling (methoden voor de bepaling van de terugverdientijd en de berekening van de emissie van kooldioxide van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik voor de glastuinbouwsector)
Categorie : Ruimteverwarming
2.1. Het bepalen van het CO2-reducerend effect in standaardsituaties
2. Methode voor het bepalen van het CO2-reducerend effect
Bijlage XVb. behorende bij artikel 4.14aa van deze regeling (onderzoek naar maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)
1. Inleiding
5. Analyse van het energiegebruik (inclusief eigen energieproductie) (artikel 5.15b, tweede lid, onder e, onder 1, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
1. Inleiding
3. Energiegebruik milieubelastende activiteit (artikel 5.15b, tweede lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
5.2.1. Nadere onderbouwing van het energiegebruik
2. Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden (artikel 2.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving) en een onderbouwing van het onderzoek (artikel 5.15b, tweede lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
4. Overzicht getroffen maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik (artikel 5.15b, tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
Met een energiebeheersysteem of milieubeheersysteem als bedoeld in artikel 4.14aa, tweede lid, van de Omgevingsregeling of een van de keurmerken zoals opgenomen in tabel 1 van deze bijlage kan invulling worden geven aan dit onderdeel.
5.1. Beschrijving van energie- en procesmonitoring
5.2.1. Nadere onderbouwing van het energiegebruik
5.3. Opgave van onbenutte warmtestromen
5. Analyse van het energiegebruik (inclusief eigen energieproductie) (artikel 5.15b, tweede lid, onder e, onder 1, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
Er wordt vastgesteld waar isolatie moet worden verbeterd of aangebracht en daarbij wordt in kaart gebracht in hoeverre dat op een zelfstandig of op een natuurlijk moment kan gebeuren. Sommige maatregelen kunnen direct worden getroffen. Voor andere maatregelen kan het nodig zijn om te wachten tot een moment waarop een te isoleren procesdeel of leiding buiten bedrijf is. Denk bijvoorbeeld aan hete leidingen waarvan de isolatie moet worden hersteld.
5. Analyse van het energiegebruik (inclusief eigen energieproductie) (artikel 5.15b, tweede lid, onder e, onder 1, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
De analyse betreft:
5.1. Beschrijving van energie- en procesmonitoring
De analyse betreft:
Bijlage XVc. bij de artikelen 4.14b en 9.7 van deze regeling (kosteneffectiviteit)
6.6. Conclusie analyse productieapparatuur en -installaties
8. Basischeck structurele energiezorg (artikel 5.15b, tweede lid, onder e, onder 3, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
7. Inventarisatie kosteneffectieve maatregelen (artikel 5.15b, tweede lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
9. Overzicht van de maatregelen die nog niet zijn getroffen en het moment waarop die maatregelen alsnog worden getroffen (artikel 5.15b, tweede lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
Bijlage XVd. bij artikel 4.14c, tweede lid, van deze regeling (openbaarmaking gegevens energie-efficiëntie datacentra)
C. Berekening totale jaarlijkse emissiereductie
Standaardwaarden
Som bijkomende en eenmalige investeringen*: 30–250% van aanschaffingsprijs
1. Geïnstalleerde vermogen in kilowatt
Deze kernprestatie-indicator meet de vermogensvraag van de geïnstalleerde informatietechnologieapparatuur in de computerruimte van het rekencentrum of datacentrum in kilowatt. Het gaat hierbij om de som van het nominaal vermogen, in kW, van het netwerk of de netwerken, de servers en de opslagapparatuur die geïnstalleerd zijn in de computerruimte van het rekencentrum of datacentrum.
De totale vloeroppervlakte van het rekencentrum of datacentrum, bedoeld in artikel 3.235, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt gemeten en openbaar gemaakt in m2. Het gaat hierbij om de som van de vloeroppervlakte die wordt ingenomen door de computerruimte(n) van het rekencentrum of datacentrum en de vloeroppervlakte die wordt ingenomen door de apparatuur die nodig is voor de goede werking van het rekencentrum of datacentrum.
2. Vloeroppervlakte in vierkante meters
3.2. Informatie over redundantie:
C. Berekening totale jaarlijkse emissiereductie
3.1. Informatie over het type datacentrum
6.2. Gemiddelde restwarmtetemperatuur in graden Celsius
6.4. Koeldagen in graaddagen
7. Temperatuurinstelpunten
6.2. Gemiddelde restwarmtetemperatuur in graden Celsius
6. Restwarmtegebruik
Bijlage XVI. bij artikel 5.31c, vierde lid, van deze regeling (berekening oververhitting)
2. Vloeroppervlakte in vierkante meters
3.1. Informatie over het type datacentrum
Het totaal energiegebruik van informatietechnologieapparatuur wordt in kWh gemonitord, gemeten en openbaar gemaakt.
Als er geen sprake is van een systeem voor niet-onderbreekbare stroomvoorziening, bijvoorbeeld wanneer er gebruik gemaakt wordt van gelijkstroom, wordt de kernprestatie-indicator op een van de volgende manieren gemeten:
10.4. Uitgaande dataverkeer in exabytes
Warmte van de (toevoer)ventilatoren
Buitenklimaat
6.1. (Her)gebruikte restwarmte in kWh
6.2. Gemiddelde restwarmtetemperatuur in graden Celsius
9. De hoeveelheid in het rekencentrum of datacentrum opgeslagen en verwerkte data
8. Gebruik van hernieuwbare energie in kilowattuur
Infiltratie en ventilatie
Bijlage XVII. bij artikel 5.59 van deze regeling (bepaling geluid installaties warmte- en koudeopwekking)
Bouwkundige eigenschappen
Zomernachtventilatie
Er mag worden gerekend met zomernachtventilatie als de voorzieningen voldoen aan voorwaarden in NTA 8800. De capaciteit van de zomernachtventilatie is conform de berekende capaciteit in NTA 8800. De locatie van de zomernachtventilatievoorzieningen is conform vergunningaanvraag/-tekeningen; de spuicapaciteit mag alleen worden toegekend aan de ruimten met een toevoercomponent g voor zomernachtventilatie; de totale capaciteit van zomernacht-ventilatie wordt oppervlaktegewogen verdeeld over de ruimten met een toevoervoorziening. De spuitijd voor zomernachtventilatie is of tussen 22:00 uur en 6:00 uur of 24 uur per dag en vindt plaats als de binnentemperatuur hoger is dan 24 °C en de buitentemperatuur hoger is dan 13 °C. Als in NTA 8800 is gerekend met een automatische regeling op temperatuur, gaat de zomernacht-ventilatie uit wanneer de buitenluchttemperatuur hoger is dan de binnenluchttemperatuur.
Zomernachtventilatie
Zonwering
Minimale temperatuur
10.4. Uitgaande dataverkeer in exabytes
Minimale temperatuur
Buitenklimaat
Bijlage XVIII. bij artikel 5.53, eerste lid, van deze regeling (beeldmerk certificering werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties)
Bijlage XVIIIa. bij artikel 5.54 van deze regeling (risicomatrix)
2. Bedrijfstoestand waarbij wordt gemeten
Minimale temperatuur
2. Bedrijfstoestand waarbij wordt gemeten
Bijlage XVIIIb. bij de artikelen 6.6, derde lid, en 8.22, derde lid, van deze regeling (meet- en rekenmethode geluid binnenschietbanen)
2. Voorvragen risicomatrix
3. Uitgebreide risicomatrix
Interne warmtelast
2. Bedrijfstoestand waarbij wordt gemeten
Bijlage XVIIIc. bij de artikelen 6.9, eerste lid, en 8.26, eerste lid, van deze regeling (rekenmethode geluid civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen)
1. Inleiding
2. Definities en begrippen
2. Voorvragen risicomatrix
Vanwege het kortdurende karakter van het schietgeluid en mogelijke variaties in de niveaus van achtereenvolgende schoten, moeten per positie ten minste 5 schoten van elk representatief wapentype worden gemeten. Als voor de LAE waarden de standaarddeviatie van het energetisch gemiddelde (standaarddeviatie van de gemeten geluidniveaus gedeeld door √(N-1)) meer dan 1 dB bedraagt, dan moet het aantal schoten worden vergroot totdat de standaarddeviatie minder dan 1 dB bedraagt.
2.1. Schietgeluid
2.2. Akoestische grootheden
2.3. Meteorologische grootheden
2.9. Achtergronden bij de fysische modellering van schietgeluid
2.3. Meteorologische grootheden
2.4. Beoordelingsgrootheden
2.9. Achtergronden bij de fysische modellering van schietgeluid
2.5. Bodemparameters
3.2. Geluidbelasting
3.5. Salvo’s
3.3. Bepaling gemiddelde toeslag voor laagfrequente componenten
3.3. Bepaling gemiddelde toeslag voor laagfrequente componenten
3.1. Inleiding
4.1. Inleiding
4.4.2. Gegevensbestand voor bepaling bodemdemping
4.4.2. Gegevensbestand voor bepaling bodemdemping
4.5. Invoergrootheden rekenmethode
4.4. Toe te passen gegevensbestanden
4.5.1. Brongegevens
4.4.2. Gegevensbestand voor bepaling bodemdemping
4.5.4. Reflecterende objecten
4.5.5. Keuze van rekenpunten
4.5.4. Reflecterende objecten
4.5.4. Reflecterende objecten
4.5. Invoergrootheden rekenmethode
4.5.4. Reflecterende objecten
4.6.5. Afscherming
Voor de berekening van zmax,n wordt eerst voor elk meewindprofiel een hoogte zmax0,n berekend volgens de formule:
f abs fractie van het geluidpad waarvoor de bodem ‘absorberend’ of ‘zeer absorberend’ is;
max(x;y) is gelijk aan de grootste van zijn twee argumenten:
Bovenstaande formule geldt voor het neutrale profiel (profielnr. 11) en de tegenwindsituaties (profielnrs. 1 t/m 3, 8 t/m 10 en 19 t/m 21). Bij alle meewindsituaties (profielnrs. 4 t/m 7, 12 t/m 18 en 22 t/m 27) geldt formule 4.51 alleen voor de octaafbandmiddenfrequenties van 16 Hz tot 250 Hz. Boven 250 Hz geldt bij alle meewindsituaties:
De effectieve bronhoogte (van toepassing bij de bepaling van de bodemdemping) wordt bepaald op basis van het geselecteerde scherm uit de eerste groep, de effectieve hoogte van het rekenpunt wordt bepaald op basis van het geselecteerde scherm uit de tweede groep.
r 0 = 1 m
Als een object meer dan een reflectievlak heeft (zoals een scherm met enige hoeken), moet ieder vlak van het object als een mogelijk afzonderlijk reflecterend object worden beschouwd.
4.6.7. Spiegelreflecties
α hor = 4,5 een constante.
5. Beschrijving invoergegevens
5.1. Schietbaan
4.6.8. Diffuse reflectie
Een reflectie van kogelgeluid kan het rekenpunt alleen bereiken als het rekenpunt zich binnen het gebied bevindt dat door spiegeling van het kogelgeluid wordt bestreken. Dit is geïllustreerd in figuur 4.16.
5.3. Berekeningsresultaten
, waarbij n2 het gemiddeld aantal bomen per oppervlakte-eenheid is. De straal van de cilinders rcil is gelijk aan de gemiddelde straal van de bomen in de bosrand. Indicatieve waarden voor een gemiddeld bos zijn deff = 1,4 m en rcil = 0,1 m.
Net als bij spiegelreflecties wordt door een reflectiedemping Drefl rekening gehouden met het feit dat een virtuele bron zwakker is dan de echte bron. Het bronniveau LEb* van een virtuele bron (per octaafband) wordt bepaald met formule 4.55. De reflectiedemping D**refl voor diffuse reflecties wordt hierin bepaald volgens de formule:
De reflectiviteit per cilinder ρ wordt bepaald volgens de formule:
met
en
Bij de overdracht van een virtuele bron naar het rekenpunt treden de dempingen Dgeo, Dlucht, Dbodem en eventueel Dscherm op. De berekening van deze dempingen gaat op dezelfde manier als dit bij spiegelreflecties is beschreven.
Als de brongegevens niet direct uit metingen zijn bepaald, moet de reden hiervan worden opgegeven en moet worden vermeld hoe deze brongegevens zijn verkregen. Dit moet ook gebeuren als gebruik gemaakt is van de categorie-indeling voor wapen-munitiecombinaties van hand- en vuistvuurwapens. De procedure hiervoor staat beschreven in het eerder genoemde TNO-rapport.
Verzameling brongegevens
6. Methode voor de berekening van LEs,periode bij een geluidbelasting kleiner dan 50 dB(A)
Principe van de rekenmethode
Bijlage XVIIIe. bij de artikelen 6.13, derde lid, en 8.30, tweede en derde lid, van deze regeling (geuremissiefactoren zuiveringtechnische werken)
| Onderdeel | Percentage aanvoer via vrij verval riool | Percentage aanvoer via vrij verval riool | Percentage aanvoer via vrij verval riool | Percentage aanvoer via vrij verval riool | Eenheid |
|---|---|---|---|---|---|
| Onderdeel | 0–25% | 26–50% | 51–75% | 76–100% | 76–100% |
| Ontvangwerk (put, vijzels etc.) | 65 | 46,5 | 28 | 9,5 | ou/s per m2 |
| Roostergoedverwijdering | 65 | 46,5 | 28 | 9,5 | ou/s per m2 |
| Roostergoedcontainers | 65 | 46,5 | 28 | 9,5 | ou/s per m2 |
| Zandvanger: | |||||
| – oppervlakte | 7,5 | 7 | 6 | 5,5 | ou/s per m2 |
| – overstort | 135 | 48 | 17 | 6 | ou/s per m2 |
| Zandwasser | 135 | 48 | 17 | 6 | ou/s per m2 |
| Verdeelwerk | 135 | 48 | 17 | 6 | ou/s per m2 |
| Voorbezinktank: | |||||
| – oppervlakte | 8,5 | 7,5 | 7 | 6 | ou/s per m2 |
| – overstort | 18,5 | 16,5 | 15 | 13,5 | ou/s per m2 |
| Anaërobe tank | 5,5 | 5 | 4,6 | 4,2 | ou/s per m2 |
| Selector: | |||||
| – belucht | 6 | 5,5 | 5 | 4,5 | ou/s per m2 |
| – onbelucht | 5,5 | 5 | 4,6 | 4,2 | ou/s per m2 |
| Voordenitrificatietank | 2,2 | 1,9 | 1,7 | 1,6 | ou/s per m2 |
| Onderdeel | Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) | Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) | Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) | Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) | Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Onderdeel | <0,05 | 0,05–0,10 | 0,11–0,20 | 0,21–0,30 | >0,30 |
| Beluchtingstank | |||||
| – aërobe zone: | |||||
| * bellenbeluchting | 0,2 | 0,35 | 0,65 | 1,05 | 1,65 |
| * puntbeluchting | |||||
| met omkapping | 0,2 | 0,35 | 0,65 | 1,05 | 1,65 |
| * borstelbeluchting | |||||
| met omkapping | 0,2 | 0,35 | 0,65 | 1,05 | 1,65 |
| * puntbeluchting | |||||
| zonder omkapping | 0,2 | 0,35 | 0,65 | 1,05 | 1,65 |
| – anoxische zone: | |||||
| * bellenbeluchting | 0,18 | 0,32 | 0,6 | 0,95 | 1,5 |
| * borstelbeluchting | 0,18 | 0,32 | 0,6 | 0,95 | 1,5 |
| * puntbeluchting | 0,18 | 0,32 | 0,6 | 0,95 | 1,5 |
| Retourslibgemaal | 0,6 | 1,1 | 2,0 | 3,2 | 5 |
| Nabezinktank | |||||
| – invoerzone | 0,2 | 0,35 | 0,65 | 1,05 | 1,65 |
| – oppervlakte | 0,16 | 0,28 | 0,5 | 0,85 | 1,3 |
| Na-nitrificatie | 0,16 | 0,16 | 0,16 | 0,16 | 0,16 |
| Na-denitrificatie | 0,16 | 0,16 | 0,16 | 0,16 | 0,16 |
1 Voor de overstort van de nabezinktank wordt de emissie van geur niet apart berekend.
| Onderdeel | Slibkwaliteit | Slibkwaliteit | Slibkwaliteit | Slibkwaliteit | Eenheid |
|---|---|---|---|---|---|
| Onderdeel | vers | aëroob | anaëroob | gemengd | |
| Voorindikker | 8 | 3,95 | 8 | ou/s per m2 | |
| Naindikker | 3,05 | ou/s per m2 | |||
| Uitgegist slibbuffer | 3,05 | ou/s per m2 | |||
| Slibindiklagune | 4,05 | 1,75 | 4,35 | ou/s per m2 | |
| Filterpers | – | – | – | ||
| Zeefbandpers | 4,05 | 1,75 | 4,35 | ou/s per m2 | |
| Centrifuge | – | – | – | ||
| Afvoer en opslag | 4,05 | 1,75 | 4,35 | ou/s per m2 | |
| Fosfaatbezinktank | 3,95 | ou/s per m2 | |||
| Strippertank | 3,95 | ou/s per m2 | |||
| Slibindikker | 3,95 | ou/s per m2 | |||
| Flocculatietank | 3,95 | ou/s per m2 |
Bijlage XVIIIf. bij de artikelen 7.77 en 9.27 van deze regeling (bepalingen over het verbinden van voorschriften aan omgevingsvergunningen over het voorkomen van overschrijding standaardwaarden)
Afschermende of reflecterende objecten
Afschermende of reflecterende objecten
Verzameling brongegevens
2.1. Eisen aan de modellen
De brongegevens van wapens zijn over het algemeen sterk richtingsafhankelijk. Een voor-achter-verhouding van 15 dB voor lichte wapens is niet ongebruikelijk. De richtingsafhankelijkheid van de brongegevens is gedefinieerd in het vlak van de loop van het wapen. Als het wapen in de te modelleren situatie horizontaal wordt gehouden, kan deze richtingsafhankelijkheid rechtstreeks worden toegepast. Als echter met het wapen schuin naar boven wordt geschoten, dient de richtingsafhankelijkheid zoals die in het bronnenbestand staat te worden gecorrigeerd naar de richtingsafhankelijkheid in het horizontale vlak. De richtingsafhankelijkheid in het horizontale vlak is altijd gelijk of minder dan de richtingsafhankelijkheid in het vlak van het wapen. Als bijvoorbeeld in het extreme geval recht naar boven wordt geschoten, moet in alle richtingen de bronsterkte in de 90° emissierichting worden toegepast. Welke elevatiehoeken voor de verschillende typen schietbanen kunnen worden toegepast, staat beschreven in de Toelichting op toepassen van methoden voor meten en rekenen aan schietgeluid. Om de juiste emissierichting te bepalen, dient de volgende correctieformule te worden toegepast als niet horizontaal wordt geschoten:
Rapportage
1.2. Zware metalen
1.1. Organische parameters
1.3. Toetsing van de poriënwaterconcentratie aan de standaardwaarde
2.1. Eisen aan de modellen
Bijlage XVIIIg. bij artikel 7.77 van deze regeling (maximaal toelaatbare flux)
| Stof | Maximaal toelaatbare flux (in g/ha/j) |
|---|---|
| I Metalen | I Metalen |
| Antimoon | 0,39 |
| Arseen | 4,35 |
| Barium | 63 |
| Cadmium | 0,12 |
| Chroom | 15 |
| Kobalt | 3 |
| Koper | 5,4 |
| Kwik | 0,045 |
| Lood | 12,75 |
| Molybdeen | 1,5 |
| Nikkel | 5,25 |
| Zink | 21 |
| II Anorganische verbindingen | II Anorganische verbindingen |
| Cyaniden-vrij | 0,15 |
| Cyaniden-complex (pH<5)1 | 0,75 |
| Cyaniden-complex (pH >5)2 | 0,75 |
| Bromide | 3 |
| Chloride | 300 |
| Fluoride | 140 |
| III Aromatische verbindingen | III Aromatische verbindingen |
| Benzeen | 0,4 |
| Ethylbenzeen | 8 |
| Tolueen | 14 |
| Xylenen | 0,4 |
| Styreen (vinylbenzeen) | 12 |
| Fenol | 0,4 |
| Cresolen (som) | 0,4 |
| Catechol(o-dihydroxybenzeen) | 0,4 |
| Resorcinol(m-dihydroxybenzeen) | 0,4 |
| Hydrochinon(p-dihydroxybenzeen) | 0,4 |
| IV Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) | IV Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) |
| Naftaleen | 0,02 |
| Antraceen | 0,0014 |
| Fenantreen | 0,006 |
| Fluorantheen | 0,006 |
| Benzo(a)antraceen | 0,0002 |
| Chryseen | 0,006 |
| Benzo(a)pyreen | 0,001 |
| Benzo(ghi)peryleen | 0,0006 |
| Benzo(k)fluorantheen | 0,0008 |
| Indeno(1,2,3-cd)pyreen | 0,0008 |
| V Gechloreerde koolwaterstoffen | V Gechloreerde koolwaterstoffen |
| Vinylchloride | 0,02 |
| Dichloormethaan | 0,02 |
| 1,1-dichloorethaan | 14 |
| 1,2-dichloorethaan | 14 |
| 1,1-dichlooretheen | 0,02 |
| 1,2-dichlooretheen (cis en trans) | 0,02 |
| dichloorpropanen | 1,6 |
| trichloormethaan (chloroform) | 12 |
| 1,1,1-trichloorethaan | 0,02 |
| 1,1,2-trichloorethaan | 0,02 |
| trichlooretheen (Tri) | 48 |
| tetrachloormethaan (Tetra) | 0,02 |
| tetrachlooretheen (Per) | 0,02 |
| monochloorbenzeen | 14 |
| dichloorbenzenen | 6 |
| trichloorbenzenen | 0,02 |
| tetrachloorbenzenen | 0,02 |
| pentachloorbenzeen | 0,006 |
| hexachloorbenzeen | 0,00018 |
| monochloorfenolen (som) | 0,6 |
| dichloorfenolen | 0,4 |
| trichloorfenolen | 0,06 |
| tetrachloorfenolen | 0,02 |
| pentachloorfenol | 0,08 |
| polychloorbifenylen (som)3 | 0,02 |
| VI Bestrijdingsmiddelen | VI Bestrijdingsmiddelen |
| DDT/DDE/DDD4 | 0,000008 |
| Aldrin | 0,000018 |
| Dieldrin | 0,0002 |
| Endrin | 0,00008 |
| HCH-verbindingen5 | 0,1 |
| α-HCH | 0,066 |
| ß-HCH | 0,016 |
| γ-HCH | 0,018 |
| atrazine | 0,038 |
| carbaryl | 0,004 |
| carbofuran | 0,018 |
| chloordaan | 0,00004 |
| endosulfan | 0,0004 |
| heptachloor | 0,00001 |
| heptachloor-epoxide | 0,00001 |
| Maneb | 0,0001 |
| MCPA | 0,02 |
| organotinverbindingen | 0,0001 – 0,038 |
| VII Overige verontreinigingen | VII Overige verontreinigingen |
| cyclohexanon | 1 |
| Ftalaten (som)6 | 1 |
| minerale olie7 | 100 |
| pyridine | 1 |
| tetrahydrofuran | 1 |
| tetrahydrothiofeen | 1 |
1 Zuurgraad: pH (0,01 M CaCl2). Voor de bepaling van pH groter dan of gelijk aan 5 en pH kleiner dan 5 geldt het 90-percentiel van de gemeten waarden.
2 Zuurgraad: pH (0,01 M CaCl2). Voor de bepaling van pH groter dan of gelijk aan 5 en pH kleiner dan 5 geldt het 90-percentiel van de gemeten waarden.
3 Onder polychloorbifenylen (som) wordt verstaan: de som van PCB 28, 52, 101, 138, 153, 180. Onder de som valt PCB 118 niet.
4 Onder DDT/DDD/DDE wordt verstaan: de som van DDT, DDD en DDE.
5 Onder HCH-verbindingen wordt verstaan: som van α-HCH, ß-HCH, γ-HCH en δ-HCH
6 Onder de ftalaten wordt de som van alle ftalaten verstaan.
7 De definitie van minerale olie wordt beschreven in de Staatscourant 39, 2000. Als er sprake is van verontreiniging van mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie) dan wordt naast het alkaangehalte ook het gehalte van aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald.
Bijlage XIX. bij artikel 8.2 van deze regeling (dosis-effectrelaties voor actieplannen geluid)
2. De uit de stortplaats tredende flux (stoftransport) van verontreinigingen
2.3. Toetsing
2.2. Berekening
2.3. Toetsing
3.2. Toetsing
Rapportage
Verzameling brongegevens
2.1. Ischemische hartziekten (IHD)
Bijlage XIX. bij artikel 8.2 van deze regeling (dosis-effectrelaties voor actieplannen geluid)
Bijlage XX. bij de artikelen 8.12, eerste lid, onder a, 8.18, eerste lid, onder a, 12.52, eerste lid, onder a, en 12.55, eerste lid, onder a, van deze regeling (grootschalige concentratiegegevens, meteorologische gegevens en ruwheidskaart)
Grootschalige concentratiegegevens, grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens, meteorologische gegevens en gegevens over de terreinruwheid zijn te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuiling-berekenen
Bijlage XXI. bij de artikelen 8.12, eerste lid, onder b, en 12.52, eerste lid, onder b, van deze regeling (emissiefactoren voertuigen luchtkwaliteit)
2. De uit de stortplaats tredende flux (stoftransport) van verontreinigingen
3. Bepaling van schadelijke effecten
Bijlage XXII
[Vervallen]
Bijlage XX. bij de artikelen 8.12, eerste lid, onder a, 8.18, eerste lid, onder a, 12.52, eerste lid, onder a, en 12.55, eerste lid, onder a, van deze regeling (grootschalige concentratiegegevens, meteorologische gegevens en ruwheidskaart)
Grootschalige concentratiegegevens, grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens, meteorologische gegevens en gegevens over de terreinruwheid zijn te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuiling-berekenen
2.1. Eisen aan de modellen
3.2. Toetsing
Bijlage XIXa. bij de artikelen 8.10, onder c, 8.16, onder b, 12.50, onder c, en 12.53, onder b, van deze regeling (softwaremodellen luchtkwaliteit)
Bijlage XXV
[Vervallen]
Bijlage XXIV
[Vervallen]
Bijlage XXV
[Vervallen]
Bijlage XXII
[Vervallen]
Bijlage XIXa. bij de artikelen 8.10, onder c, 8.16, onder b, 12.50, onder c, en 12.53, onder b, van deze regeling (softwaremodellen luchtkwaliteit)
Bijlage XX. bij de artikelen 8.12, eerste lid, onder a, 8.18, eerste lid, onder a, 12.52, eerste lid, onder a, en 12.55, eerste lid, onder a, van deze regeling (grootschalige concentratiegegevens, meteorologische gegevens en ruwheidskaart)
Grootschalige concentratiegegevens, grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens, meteorologische gegevens en gegevens over de terreinruwheid zijn te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuiling-berekenen
Bijlage XXI. bij de artikelen 8.12, eerste lid, onder b, en 12.52, eerste lid, onder b, van deze regeling (emissiefactoren voertuigen luchtkwaliteit)
Inleiding
Buitenweg. Typisch buitenwegverkeer, een gemiddelde snelheid van ongeveer 60 km/u, gemiddeld ongeveer 0,2 stops per afgelegde kilometer.
B. Emissiefactoren voor snelwegen
Het gaat hierbij om de isolerende werking van de organische stofrijke minerale lagen en de werking van een geohydrologisch isolatiesysteem op de betreffende locatie.
Bijlage XXIII. bij de artikelen 8.13, 12.27 en 12.56 van deze regeling (zeezoutcorrectie)
Bijlage XXVII
[Vervallen]
Op het voorbehandelen van het inzendmonster is NEN-EN 16179 van toepassing.
1. Inleiding
5.2.3. Een overzicht van de te treffen voorzieningen
1.1. Wettelijk kader: systematiek monitoring en beoordeling primaire waterkeringen
7 Overige bepalingen
7.2 Omgaan met nieuwe kennis
1.3. Leeswijzer
De resultaten van de beoordeling legt de keringbeheerder van de primaire waterkering vast in de beoordelingsrapportage. Het bepalen van de impact van veranderingen is onderdeel van de taken die de keringbeheerder volgens de algemene zorgplicht heeft onder de Omgevingswet. Voor de invulling hiervan hebben de keringbeheerders en het Rijk afspraken gemaakt en vastgelegd in het Kader Zorgplicht primaire waterkeringen2Kader Zorgplicht Primaire Waterkeringen – iplo.nl. (hierna: Kader Zorgplicht).
2.2. De beoordeling van een dijktraject op hoofdlijnen
2.1. Planning van de beoordeling
2.2.1. Voorbereiding
1.3. Leeswijzer
2.2.1. Voorbereiding
2.2.3. Rapportage
3.4. Het opstellen van het plan van aanpak
Het rekenkundig bepalen van de overstromings- of faalkans van een dijktraject wordt de beoordeling genoemd. Om deze reden wordt naast het begrip ‘monitoring’ ook het begrip ‘beoordeling’ gebruikt, als het gaat om primaire waterkeringen. Deze beoordeling wordt ten minste eenmaal per twaalf jaar uitgevoerd volgens de regels die worden gesteld in de Omgevingsregeling en de bijlagen XXXIIA en XXXIIB bij die regeling. De beoordeling – of delen daarvan – wordt vaker uitgevoerd als de waargenomen veranderingen daartoe aanleiding geven.
3.3. Het selecteren van de relevante faalmechanismen
4.4. Selectie dominante faalpaden en aanpak nadere analyse
1.3. Leeswijzer
4.3. Het inrichten van een werkatelier
4. Uitvoering
2.1. Planning van de beoordeling
4.3. Het inrichten van een werkatelier
4.4. Selectie dominante faalpaden en aanpak nadere analyse
4.6. De bepaling van de overstromings- of faalkans
4.6. De bepaling van de overstromings- of faalkans
3.4. Het opstellen van het plan van aanpak
4.7. Het opstellen van het veiligheidsoordeel
4. Uitvoering
5.2.1. Het resultaat: de overstromings- of faalkans en het veiligheidsoordeel
5.3. Logboek
5.3. Logboek
6. Kwaliteitsborging
De relevante aspecten voor de kwaliteitsborging van de beoordeling zijn gebaseerd op de kwaliteitsdimensies8Greefhorst, D. (2018). Gegevenskwaliteit in de Omgevingswet – Een raamwerk voor gegevens en informatieproducten (https://www.noraonline.nl/images/noraonline/9/98/Gegevenskwaliteit_in_de_Omgevingswet_1.0.pdf). in tabel 6.1. De borging van de kwaliteitsdimensies vindt plaats op basis van de bij de kwaliteitsdimensies behorende indicatoren, beschreven in tabel 6.1. De keringbeheerder maakt in het plan van aanpak een onderbouwde keuze voor de te gebruiken kwaliteitsdimensies en beschrijft de wijze waarop deze worden bepaald.
6.3. Kennis en instrumenten
Vanwege de inhoudelijke kenmerken van de bepaling van de overstromingskans is kwantificering van de kwaliteitsindicatoren slechts zeer beperkt mogelijk. Ook is de bepaling van de waarde van de indicatoren context-afhankelijk, omdat de specifieke kenmerken van het dijktraject en de organisatiekenmerken van de beheerder mede bepalen hoe de kwaliteitsborging plaatsvindt.
6. Kwaliteitsborging
Bijlage XXXIIb. bij artikel 12.2c van deze regeling (randvoorwaarden beoordeling primaire waterkeringen)
Het moment van beoordelen van dijktrajecten met een voorlopig oordeel in LBO1 wordt opgenomen in de planning van de beoordeling, overeenkomstig de bepaling in paragraaf 2.1. Als de beoordeling plaatsvindt na 1 januari 2029, neemt de keringbeheerder de onderbouwing van deze keuze expliciet op in de planning.
Dit hoofdstuk beschrijft de onderdelen van de beoordelingsrapportage.
Inhoud
1.2 De Omgevingsregeling
1. Inleiding
6.2. Relevante aspecten: kwaliteitsdimensies
4 Analyse faalmechanismen
4.5 Indirecte mechanismen
7.4. Recent opgeleverde projecten
1.1. Wettelijk kader: systematiek monitoring en beoordeling primaire waterkeringen
1.3. Het Basisinstrumentarium
Naast de in de bijlagen bij de Omgevingsregeling opgenomen bepalingen, stelt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: minister) ook een Basisinstrumentarium11Basisinstrumentarium – Iplo.nl. beschikbaar ter ondersteuning van de keringbeheerder bij de uitvoering van de beoordeling. Het Basisinstrumentarium voor het beoordelen en ontwerpen van primaire waterkeringen bevat onder andere handleidingen, technische leidraden, databases en applicaties (software).
2. Duiding overstromings- of faalkansen
2.3. Peildatum
Bij de bepaling van de verwachte situatie wordt:
3.4. Bodemligging watersysteem
1.2. De Omgevingsregeling
2. Duiding overstromings- of faalkansen
3.5. Grenzen van het winterbed
2.3. Peildatum
4.1. Faalmechanisme
3.10. Diefdijk
3.12. Klimaat
4. Analyse faalmechanismen
4.2. Lijst van initiële mechanismen
Het (constructief) falen van een langs- en overgangsconstructies wordt als een specifiek mechanisme beschouwd.
4.5. Indirecte mechanismen
4.5. Indirecte mechanismen
3.9. Voorliggende waterkeringen
3.6. Vegetatie
5.1. Toepassing Basisinstrumentarium
Bijlage XXXIII. bij artikel 12.71b, onder a en b, van deze regeling (meet- en rekenmethode geluidbelasting)
4.2. Lijst van initiële mechanismen
5. Onderbouwing overstromings- of faalkans
5.3. Resultaat analyse dominante faalpaden
4.2. Lijst van initiële mechanismen
4.4. Technische innovaties
2.1.2. Kwaliteitskader
2.2.2. Referentieomstandigheden
5.3. Resultaat analyse dominante faalpaden
2.2.1a. Geluidsvermogensemissie
2.2.3. Rolgeluid
2.2.7. Emissiekentallen wegverkeer
2.1.2. Kwaliteitskader
2.2.4. Aandrijfgeluid
2.3. Spoorweglawaai
2.3.3. Aanvullende effecten
2.3.4. Emissies
2.3.2. Geluidsvermogensemissie
2.3.3. Aanvullende effecten
2.3.3. Aanvullende effecten
2.3.4. Emissies
2.4. Industrielawaai
2.5.3. Geometrische overwegingen
2.3.3. Aanvullende effecten
2.5.5. Berekeningsproces
2.5.6. Berekening van geluidsvoortplanting voor weg-, spoor-, industriebronnen
Met diffractie, raadpleeg de sectie over diffractie voor de definities van Ḡw en Ḡm.
Als aan deze twee voorwaarden is voldaan, wordt de bronkant door rand D van de waarneemkant gescheiden, worden twee afzonderlijke gemiddelde grondvlakken berekend en wordt Adif berekend zoals beschreven in de rest van deze paragraaf. Anders wordt voor dit pad geen demping door diffractie overwogen, wordt een gemeenschappelijk gemiddeld grondvlak voor het pad S -> R berekend en wordt Aground zonder diffractie (Adif = 0 dB) berekend. Deze regel geldt zowel in homogene als in gunstige omstandigheden.
Het volgende wordt berekend:
2: Waarneemkant
waarbij:
S de bron is;
R het waarneempunt is;
S' de spiegelbron is in verhouding tot het gemiddelde grondvlak aan de bronkant;
R' de spiegelontvanger is in verhouding tot het gemiddelde grondvlak aan de waarneemkant;
O het diffractiepunt is;
zs de equivalente hoogte is van de bron Sin verhouding tot het gemiddelde vlak aan de bronkant;
zo,s de equivalente hoogte is van het diffractiepunt Oin verhouding tot het gemiddelde grondvlak aan de bronkant;
zr de equivalente hoogte is van het waarneempunt Rin verhouding tot het gemiddelde vlak aan de waarneemkant;
zo,r de equivalente hoogte is van het diffractiepunt Oin verhouding tot het gemiddelde grondvlak aan de waarneemkant.
De onregelmatigheid van de grond tussen de bron en het diffractiepunt en tussen het diffractiepunt en het waarneempunt wordt in aanmerking genomen door middel van equivalente hoogten berekend in verhouding tot het gemiddelde grondvlak, eerst de bronkant en vervolgens de waarneemkant (twee gemiddelde grondvlakken), volgens de methode beschreven in de subsectie over aanmerkelijke hoogten boven de grond (figuur 2.5.a).
Voor zuivere diffractie, zonder grondeffecten, wordt de demping verkregen door:
λ de golflengte is op de nominale middenfrequentie van de frequentieband in kwestie;
δ het padverschil is tussen het gebogen pad en het rechtstreekse pad (zie de volgende subsectie over de berekening van het padverschil);
C″ een coëfficiënt is die wordt gebruikt om rekening te houden met meervoudige diffracties:
C″ = 1 voor een enkele diffractie.
Voor meervoudige diffractie, als e de totale afstand langs het pad is tussen het eerste en het laatste diffractiepunt (gebruik bij gunstige omstandigheden gebogen stralen) en als ehoger is dan 0,3 m (anders geldt C″ = 1), wordt deze coëfficiënt gedefinieerd door:
De waarden van Δdif worden vastgelegd:
Het padverschil δ wordt berekend in een verticaal vlak dat de bron en het waarneempunt bevat. Dit is een benadering met betrekking tot het beginsel van Fermat. De benadering blijft hier van toepassing (bronlijnen). Het padverschil δ wordt zoals in de volgende figuren berekend, op basis van de aangetroffen situaties.
Figuur 2.5.d, Berekening van het padverschil in homogene omstandigheden. O, O1, O2 en O3 zijn de diffractiepunten
Opmerking: voor elke configuratie wordt de uitdrukking van δ gegeven.
Figuur 2.5.e, Berekening van het padverschil in gunstige omstandigheden (enkele diffractie)
In gunstige omstandigheden hebben de drie gebogen geluidsstralen SO, OR en SR een identieke kromtestraal Γ, gedefinieerd door:
Waarbij d wordt gedefinieerd door de 3D-afstand tussen de bron en het waarneempunt van het opengevouwen pad.
De lengte van de kromming van een geluidsstraal MN wordt in gunstige omstandigheden aangeduid als
. Deze lengte is gelijk aan:
In beginsel dienen drie scenario's in aanmerking te worden genomen in de berekening van het padverschil in gunstige omstandigheden δF (zie figuur 2.5.e). In de praktijk volstaan twee vergelijkingen:
waarbij Ahet snijpunt van de rechte geluidstraal SRen het verlengde van het diffractie veroorzakende obstakel is.
Voor de meervoudige diffracties in gunstige omstandigheden:
Onder gunstige omstandigheden bestaat het voortplantingspad in het verticale voortplantingsvlak altijd uit segmenten van een cirkel waarvan de straal wordt verkregen door de 3D-afstand tussen de bron en het waarneempunt, dat wil zeggen alle segmenten van een voortplantingspad hebben dezelfde kromtestraal. Als de directe-boogverbinding tussen de bron en het waarneempunt is geblokkeerd, wordt het voortplantingspad gedefinieerd als de kortste convexe combinatie van bogen die alle obstakels omhult. Convex betekent in dit verband dat op elk diffractiepunt het uitgaande straalsegment naar beneden wordt afgebogen ten opzichte van het inkomende straalsegment.
In het scenario dat in figuur 2.5.f wordt afgebeeld is het padverschil:
De demping door diffractie, waarbij de grondeffecten aan de bronkant en waarneemkant in aanmerking worden genomen, wordt berekend op basis van de volgende algemene vergelijkingen:
waarbij:
waarbij:
In het bijzondere geval dat de bron onder het gemiddelde grondvlak ligt: ∆dif(S',R) = ∆dif(S,R) en ∆ground(S,O) = Aground(S,O).
waarbij:
De correctie G'path hoeft hier niet in aanmerking te worden genomen omdat de bron in kwestie het diffractiepunt is. Daarom wordt Gpath wel in de berekening van grondeffecten gebruikt, inclusief voor de ondergrensterm van de vergelijking die dan –3(1 – Gpath) wordt.
Vergelijking (2.5.21) kan worden gebruikt voor de berekening van de diffracties op verticale randen (laterale diffracties) in het geval van industrielawaai. In dit geval wordt Adif = ∆dif(S,R) weggenomen en blijft de term Aground behouden. Bovendien worden Aatm en Aground berekend op basis van de totale lengte van het voortplantingspad. Adiv wordt nog steeds berekend vanaf de rechtstreekse afstand d. De vergelijkingen (2.5.8) en (2.5.6) worden respectievelijk:
Laterale diffractie wordt alleen in aanmerking genomen in gevallen waarin aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Als aan al deze voorwaarden is voldaan, wordt naast het gebogen voortplantingspad in het verticale vlak met de bron en het waarneempunt rekening gehouden met ten hoogste twee lateraal gebogen voortplantingspaden. Het laterale vlak is gedefinieerd als het vlak dat loodrecht staat op het verticale vlak en ook de bron en het waarneempunt bevat. De snijvlakken met dit laterale vlak zijn opgebouwd uit alle obstakels die door de rechtstreekse straal van de bron naar het waarneempunt worden doorsneden. In het laterale vlak bepaalt de kortste convexe verbinding tussen de bron en het waarneempunt, bestaande uit rechtlijnige segmenten en die deze snijvlakken omvat, de verticale randen die in aanmerking worden genomen bij de constructie van het lateraal gebogen voortplantingspad.
Om de demping door het grondeffect voor een lateraal gebogen voortplantingspad te berekenen, wordt het gemiddelde grondvlak tussen de bron en het waarneempunt berekend, rekening houdend met het grondprofiel dat verticaal onder het voortplantingspad ligt. Als in de projectie op een horizontaal vlak een lateraal voortplantingspad de projectie van een gebouw doorsnijdt, wordt dit in aanmerking genomen in de berekening van Gpath (meestal met G = 0) en in de berekening van het gemiddelde grondvlak met de verticale hoogte van het gebouw.
De reflecties op verticale obstakels worden door middel van spiegelbronnen behandeld. Reflecties op gevels van gebouwen en geluidweringen worden dus op deze wijze behandeld.
Oppervlakken van objecten worden alleen als reflecterend beschouwd als ze minder dan 15° aflopen in verhouding tot de verticaal. Reflecties worden alleen in aanmerking genomen voor paden in het verticale voortplantingsvlak, dus niet voor lateraal gebogen paden. Voor de invallende en gereflecteerde paden, en in de veronderstelling dat het reflecterend oppervlak verticaal is, wordt het punt van reflectie (dat op het reflecterende object ligt) geconstrueerd met behulp van rechte lijnen onder homogene, en gebogen lijnen onder gunstige voortplantingscondities. De hoogte van het reflecterende object moet, gemeten door het punt van reflectie en gezien vanuit de richting van de invallende straal, ten minste 0,5 m bedragen. Na projectie op een horizontaal vlak moet de breedte van het reflecterend object, gemeten door het punt van reflectie en gezien vanuit de richting van de invallende straal, ten minste 0,5 m bedragen.
NB:reflecties op de grond worden hier niet behandeld. Deze worden bij de berekeningen van demping door de grens (grond, diffractie) in aanmerking genomen.
Als LWS het vermogensniveau van de bron Sis, en αrde absorptiecoëfficiënt van het oppervlak van het obstakel is zoals gedefinieerd door EN1793-1:2013, dan is het vermogensniveau van de spiegelbron S' gelijk aan:
waarbij 0 ≤ αr < 1
De hierboven beschreven voortplantingsdempingen worden dan op dit pad (spiegelbron, waarneempunt) als voor een rechtstreeks pad toegepast.
In het geometrische onderzoek van geluidspaden hangt het aandeel van de energie dat door een verticaal obstakel (muur, gebouw) wordt gereflecteerd af van de afstand van het punt waar de straal aankomt tot de bovenste rand van het obstakel. Dit verlies van akoestische energie wanneer de straal wordt gereflecteerd, wordt demping door retro-diffractie genoemd.
In het geval van mogelijk meerdere reflecties tussen twee verticale wanden wordt ten minste de eerste reflectie in aanmerking genomen.
Bij een open tunnelbak (zie bijvoorbeeld figuur 2.5.h) wordt de demping door retro-diffractie toegepast op elke reflectie op de steunmuren.
In deze afbeelding bereikt de geluidsstraal het waarneempunt ‘door achtereenvolgens door de steunmuren van de open tunnelbak te gaan’, die daarom met openingen kunnen worden vergeleken.
Bij de berekening van voortplanting door een opening is het geluidsveld op het waarneempunt de som van het directe veld en het door de randen van de opening gediffracteerde veld. Dit gediffracteerde veld zorgt voor de continuïteit van de overgang tussen het gebied met direct zicht en het schaduw gebied. Wanneer de straal de rand van de opening nadert, wordt het directe veld gedempt. De berekening is identiek aan die van de demping door een geluidscherm in het vrije gebied.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)