Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2017-09-01
State In force
Source BWB
artikelen 542
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
4.

Elk van beide partijen kent aan vaartuigen die de vlag voeren van de andere partij of worden geëxploiteerd door dienstverleners uit de andere partij, geen minder gunstige behandeling toe dan die welke zij aan haar eigen vaartuigen of aan die van een derde land toekennen indien deze laatste gunstiger is, voor, onder meer, de toegang tot havens, het gebruik van infrastructuur en havendiensten, het gebruik van hulpdiensten voor zeevervoer 33)Hulpdiensten voor zeevervoer omvatten behandeling van zeevracht, opslag, inklaring, diensten in verband met de opslag van containers, diensten van scheepsagenten, maritieme expediteursdiensten, verhuur van schepen met bemanning, onderhoud en reparatie van de vissersvaartuigen, duwen en slepen, en ondersteunende diensten in verband met zeevaart. , evenals de daarmee verband houdende vergoedingen en heffingen, douanediensten en de toewijzing van aanlegplaatsen en laad- en losinstallaties.

5.

De partijen passen het beginsel van onbeperkte toegang tot de internationale markten voor zeevervoer op commerciële en niet-discriminerende grondslag toe.

6.

Bij de toepassing van de beginselen van de leden 4 en 5 van dit artikel zullen de partijen na de inwerkingtreding van deze overeenkomst:

  • a. in toekomstige overeenkomsten met derde landen geen vrachtverdelingsregelingen opnemen met betrekking tot zeevervoersdiensten, met inbegrip van het vervoer van droge en vloeibare bulkladingen en het lijnverkeer, en dergelijke vrachtverdelingsregelingen beëindigen wanneer deze in eerdere bilaterale overeenkomsten voorkomen; en
  • b. alle administratieve, technische en andere maatregelen opheffen die een indirecte beperking zouden kunnen inhouden voor en een discriminerend effect zouden kunnen hebben op onderdanen of ondernemingen uit de andere partij bij het verlenen van diensten voor internationaal zeevervoer, en afzien van invoering ervan.
7.

Elk van beide partijen staat verleners van diensten voor internationaal zeevervoer uit de andere partij toe vestigingen te hebben op haar grondgebied, onder voorwaarden, wat vestiging en exploitatie betreft, die niet minder gunstig zijn dan die welke zij aan haar eigen dienstverleners of aan dienstverleners van derde landen toekent, indien deze laatsten betere voorwaarden genieten. Wat de activiteiten van die vestigingen betreft, staat elk van beide partijen in overeenstemming met afdeling 2 van dit hoofdstuk aan dienstverleners uit de andere partij, in overeenstemming met haar wet- en regelgeving, toe economische activiteiten te ontplooien zoals, doch niet uitsluitend:

  • a. het publiceren over, en het op de markt brengen en verkopen van zeevervoer en aanverwante diensten, van de prijsopgave tot de facturering, voor eigen rekening of voor rekening van andere verleners van diensten op het gebied van internationaal zeevervoer, door rechtstreeks contact met klanten;
  • b. het verschaffen van bedrijfsinformatie op enigerlei wijze, waaronder door middel van geautomatiseerde informatiesystemen en de elektronische uitwisseling van gegevens (onverminderd niet-discriminerende beperkingen betreffende telecommunicatie);
  • c. de voorbereiding van documentatie aangaande vervoer en douane en andere documenten betreffende de oorsprong en de kenmerken van hetgeen vervoerd wordt;
  • d. de organisatie van de afroep van schepen of het in ontvangst nemen van vracht voor hun eigen rekening of voor rekening van andere verleners van diensten van internationaal zeevervoer;
  • e. het sluiten van handelsovereenkomsten met in het betrokken land gevestigde scheepvaartondernemingen, met inbegrip van participaties in vennootschappen en het in dienst nemen van plaatselijk personeel of van personeel dat overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van deze overeenkomst in het buitenland is aangeworven;
  • f. de aankoop en het gebruik, voor eigen rekening of voor rekening van hun klanten (en de wederverkoop aan hun klanten) van alle vormen van vervoersdiensten, met inbegrip van vervoer over de binnenwateren, over de weg en per spoor, en hulpdiensten voor alle vormen van vervoer, die voor een geïntegreerde dienstverlening op vervoersgebied vereist zijn;
  • g. het in eigendom hebben van het materieel dat nodig is om economisch actief te zijn.
8.

Elk van beide partijen geeft verleners van diensten voor het internationale zeevervoer uit de andere partij op redelijke en niet-discriminerende voorwaarden toegang tot de volgende havendiensten: loodsen, sleepboothulp, bevoorrading met levensmiddelen, brandstof en water, ophalen en verwerken van afval, kapiteinsdiensten, navigatiehulp, diensten vanaf de wal die essentieel zijn voor het functioneren van een schip, waaronder communicatie, water- en elektriciteitsvoorziening, faciliteiten voor noodreparaties, verankering, aan- en afmeren.

9.

Elk van beide partijen staat verleners van diensten voor het internationale zeevervoer uit de andere partij toe, diensten voor internationaal zeevervoer waarbij uitvoering gedeeltelijk op zee plaatsvindt, verder landinwaarts op de binnenwateren van de andere partij te verlenen.

10.

Elk van beide partijen staat verleners van diensten voor internationaal zeevervoer uit de andere partij toe om, op niet-discriminerende grondslag en op tussen de betrokken ondernemingen overeengekomen voorwaarden, gebruik te maken van „feederdiensten” tussen de havens van Oekraïne of die van een van de lidstaten van de Europese Unie, die door in de eerstbedoelde partij geregistreerde verleners van diensten voor internationaal zeevervoer worden verleend.

11.

Deze overeenkomst laat de toepassing van de overeenkomsten op het gebied van zeevervoer die zijn gesloten tussen Oekraïne en de lidstaten van de Europese Unie, voor buiten het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallende aangelegenheden onverlet. Wanneer de bepalingen van deze overeenkomst ten aanzien van bepaalde aangelegenheden minder gunstig zijn dan die van bestaande overeenkomsten tussen de individuele lidstaten van de Europese Unie en Oekraïne, hebben de gunstigere bepalingen voorrang, onverminderd de verplichtingen van de EU-partij en met inachtneming van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De bepalingen van deze overeenkomst komen in de plaats van die van eerdere bilaterale overeenkomsten tussen de lidstaten van de Europese Unie en Oekraïne, wanneer laatstgenoemde bepalingen ofwel in strijd zijn met eerstgenoemde, behalve in het in de voorgaande zin bedoelde geval, ofwel identiek zijn. Bepalingen van bestaande bilaterale overeenkomsten die niet onder deze overeenkomst vallen, blijven van kracht.

Artikel 136. Vervoer over de weg, per spoor en over de binnenwateren
1.

Met het oog op een gecoördineerde ontwikkeling en een geleidelijke liberalisering van het vervoer tussen de partijen in overeenstemming met hun respectieve commerciële behoeften zullen de voorwaarden betreffende de wederzijdse toegang tot elkaars markten voor het vervoer over de weg, per spoor of over de binnenwateren worden vastgesteld in eventuele bijzondere overeenkomsten betreffende die verschillende vormen van vervoer.

2.

De partijen stellen voor het sluiten van de in lid 1 van dit artikel bedoelde overeenkomsten geen voorwaarden voor wederzijdse toegang tot de markt die een meer beperkende situatie tussen de partijen tot gevolg hebben dan de situatie op de dag die aan de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst voorafgaat.

3.

De bepalingen van bestaande bilaterale overeenkomsten die buiten het toepassingsgebied van de in lid 1 van dit artikel bedoelde eventuele toekomstige overeenkomsten vallen, blijven van toepassing.

Artikel 137. Luchtvervoer
1.

Met het oog op een gecoördineerde ontwikkeling en een geleidelijke liberalisering van het vervoer tussen de partijen in overeenstemming met hun respectieve commerciële behoeften, zullen de voorwaarden betreffende de wederzijdse toegang tot elkaars markten voor het luchtvervoer worden geregeld volgens de overeenkomst betreffende de gemeenschappelijke luchtvaartruimte tussen de EU en Oekraïne, hierna „CAA” genoemd.

2.

Voorafgaand aan de sluiting van de CAA zien de partijen af van maatregelen of handelingen welke een meer beperkende of discriminerende situatie tot gevolg hebben dan de situatie vóór de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

Artikel 138. Aanpassing van regelgeving

Oekraïne past zijn wetgeving, met inbegrip van zijn administratieve, technische en andere voorschriften, aan de op dat ogenblik op het gebied van het internationale zeevervoer bestaande wetgeving van de EU-partij aan, voor zover deze gericht is op de liberalisering en op de wederzijdse toegang tot de markten van de partijen alsmede het verkeer van reizigers en van goederen. Deze aanpassing vangt aan op de datum waarop de overeenkomst wordt ondertekend, en wordt geleidelijk tot alle in bijlage XVII bij deze overeenkomst bedoelde onderdelen van het EU-acquis uitgebreid.

AFDELING 6. ELEKTRONISCHE HANDEL

Artikel 139. Doel en beginselen
1.

De partijen erkennen dat de elektronische handel de handelsmogelijkheden in vele sectoren verruimt en komen overeen de ontwikkeling van hun onderlinge elektronische handelsverkeer te bevorderen, met name door samenwerking op het gebied van de problemen die elektronische handel in het kader van dit hoofdstuk met zich meebrengt.

2.

De partijen zijn het erover eens dat de ontwikkeling van de elektronische handel volledig in overeenstemming moet zijn met de strengste internationale normen inzake gegevensbescherming, teneinde ervoor te zorgen dat de gebruikers vertrouwen in de elektronische handel hebben.

3.

De partijen komen overeen dat elektronische transmissies worden beschouwd als dienstverlening in de zin van afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) van dit hoofdstuk, die niet aan douanerechten kan worden onderworpen.

Artikel 140. Regelgevingsaspecten van elektronische handel
1.

De partijen onderhouden een dialoog over regelgevingskwesties in verband met de elektronische handel, onder meer over:

  • a. de erkenning van aan het publiek afgegeven certificaten voor elektronische handtekeningen en bevordering van grensoverschrijdende certificeringsdiensten;
  • b. de aansprakelijkheid van intermediairs bij de doorgifte of opslag van informatie;
  • c. de behandeling van ongevraagde elektronische commerciële communicatie;
  • d. consumentenbescherming op het gebied van de elektronische handel;
  • e. andere kwesties die voor de ontwikkeling van de elektronische handel van belang zijn.
2.

Deze samenwerking kan geschieden in de vorm van een uitwisseling van informatie over de respectieve wetgeving van de partijen met betrekking tot deze kwesties en over de tenuitvoerlegging van die wetgeving.

AFDELING 7. UITZONDERINGEN

Artikel 141. Algemene uitzonderingen
1.

Onverminderd de algemene uitzonderingen van artikel 472 van deze overeenkomst zijn de bepalingen van dit hoofdstuk en van de bijlagen XVI-A, XVI-B, XVI-C, XVI-D, XVI-E, XVI-F en XVI-I bij deze overeenkomst onderworpen aan de uitzonderingen van dit artikel.

2.

Onder voorbehoud dat de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot een willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen bij soortgelijke omstandigheden, of een verkapte beperking van het recht van vestiging of van grensoverschrijdende dienstverlening vormen, wordt geen bepaling van dit hoofdstuk uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of toepassen door een van de partijen van maatregelen die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid of de openbare zeden of de handhaving van de openbare orde;
  • b. noodzakelijk zijn voor de bescherming van het leven en de gezondheid van mens, dier of plant;
  • c. betrekking hebben op de instandhouding van niet-duurzame natuurlijke hulpbronnen, mits die maatregelen met beperkingen voor interne investeerders of met beperkingen van het interne aanbod of verbruik van diensten gepaard gaan;
  • d. noodzakelijk zijn voor de bescherming van nationaal artistiek, historisch of archeologisch erfgoed;
  • e. noodzakelijk zijn voor de handhaving van wet- en regelgeving die niet strijdig zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk, met inbegrip van die welke betrekking hebben op:
  • i. het voorkómen van misleidende of frauduleuze praktijken of op middelen om de gevolgen van de niet-nakoming van contracten te compenseren;
  • ii. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en op de bescherming van de vertrouwelijke aard van persoonlijke dossiers en rekeningen;
  • iii. veiligheid;
  • f. strijdig zijn met artikel 88, lid 1, en artikel 94 van deze overeenkomst, mits het verschil in behandeling bedoeld is om directe belastingen op doeltreffende of billijke wijze te kunnen opleggen of innen ten aanzien van economische activiteiten, investeerders of dienstverleners uit de andere partij34)Maatregelen die bedoeld zijn om directe belastingen op billijke of doeltreffende wijze te kunnen opleggen en innen omvatten maatregelen die een partij op grond van zijn belastingstelsel neemt en die:i)van toepassing zijn op investeerders en dienstverleners die geen ingezetenen zijn, gezien het feit dat de fiscale verplichtingen van niet-ingezetenen worden vastgesteld op grond van belastbare feiten die hun oorsprong vinden of geschieden op het grondgebied van de partij; ofii)van toepassing zijn op niet-ingezetenen om ervoor te zorgen dat belastingen op het grondgebied van de partij kunnen worden opgelegd of geïnd; ofiii)van toepassing zijn op niet-ingezetenen of ingezetenen ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking, handhavingsbepalingen daaronder begrepen; ofiv)van toepassing zijn op gebruikers van diensten die op of vanaf het grondgebied van de andere partij worden verleend, om ervoor te zorgen dat door die gebruikers verschuldigde belastingen die hun bron op het grondgebied van de partij hebben, kunnen worden opgelegd of geïnd; ofv)een onderscheid maken tussen enerzijds investeerders en dienstverleners die belastingplichtig zijn ter zake van wereldwijd belastbare feiten, en anderzijds andere investeerders en dienstverleners, gezien het verschil in de aard van de heffingsgrondslag tussen hen; ofvi)inkomen, winst, voordeel, verlies, aftrek of krediet van ingezeten personen of filialen, dan wel tussen gelieerde personen of filialen van dezelfde persoon vaststellen, toewijzen of omslaan, om de belastinggrondslag van de partij te behouden.De belastingvoorwaarden of -concepten onder f) en in deze voetnoot worden vastgesteld volgens de belastingdefinities en -concepten, dan wel gelijkwaardige of soortgelijke definities en concepten van het interne recht van de partij die de maatregel neemt..
3.

De bepalingen van dit hoofdstuk en van de bijlagen XVI-A, XVI-B, XVI-C, XVI-D, XVI-E, XVI-F en XVI-I bij deze overeenkomst zijn niet van toepassing op de socialezekerheidsstelsels van de partijen of activiteiten op het grondgebied van de partijen die, al dan niet incidenteel, verband houden met de uitoefening van het overheidsgezag.

Artikel 142. Belastingmaatregelen

De meestbegunstigingsbehandeling die ingevolge dit hoofdstuk wordt toegekend, is niet van toepassing op de belastingbehandeling die de partijen geven of in de toekomst zullen geven op basis van overeenkomsten tussen hen ter voorkoming van dubbele belasting.

Artikel 143. Uitzonderingen met betrekking tot de veiligheid
1.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat:

  • a. een partij verplicht wordt gegevens te verstrekken, wanneer zij meent dat openbaarmaking van die gegevens in strijd is met haar wezenlijke veiligheidsbelangen; of
  • b. een partij belet wordt maatregelen te nemen die zij ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen nodig acht en die:
  • i. verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie of oorlogstuig;
  • ii. betrekking hebben op economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting als doel hebben;
  • iii. betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd; of
  • iv. in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen worden genomen; of
  • c. de partijen belet worden maatregelen te nemen tot uitvoering van de verplichtingen die zij op zich hebben genomen met het oog op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.

HOOFDSTUK 7. BETALINGS- EN KAPITAALVERKEER

Artikel 144. Lopende betalingen

De partijen verbinden zich ertoe overeenkomstig artikel VIII van de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds toe te staan dat alle betalingen en overboekingen op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen de partijen worden verricht in vrij converteerbare valuta, en geen beperkingen dienaangaande vast te stellen.

Artikel 145. Kapitaalverkeer
1.

Met betrekking tot de verrichtingen op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans waarborgen de partijen vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst het vrije verkeer van kapitaal met betrekking tot directe investeringen35)Met inbegrip van de verwerving van onroerend goed in verband met directe investeringen. welke in overeenstemming met de wetten van het gastland zijn, en investeringen in overeenstemming met hoofdstuk 6 (Vestiging, handel in diensten en elektronische handel) van titel IV van deze overeenkomst, alsook de liquidatie of de repatriëring van die investeringen en van alle opbrengsten daarvan.

2.

Wat de andere verrichtingen op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans betreft, waarborgen de partijen vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst en onverminderd de overige bepalingen van deze overeenkomst:

  • a. het vrije kapitaalverkeer inzake kredieten in verband met commerciële transacties of met het verlenen van diensten waaraan een ingezetene van een van de partijen deelneemt;
  • b. het vrije verkeer van kapitaal in verband met beleggingen, leningen en kredieten van de investeerders uit de andere partij.
3.

Oekraïne spant zich in te komen tot de liberalisering van verrichtingen op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans tot het niveau van de liberalisering in de EU-partij voorafgaand aan toekenning van een behandeling conform die welke binnen de interne markt gebruikelijk is voor financiële diensten in de zin van artikel 4, lid 3, van bijlage XVII bij deze overeenkomst. Een positieve beoordeling van de wetgeving van Oekraïne inzake het kapitaalverkeer, en van de tenuitvoerlegging en de voortgezette handhaving ervan in overeenstemming met de in artikel 4, lid 3, van bijlage XVII bij deze overeenkomst verankerde beginselen, is een conditio sine qua non voor elk besluit van het Handelscomité tot toekenning van behandeling conform de behandeling die binnen de interne markt gebruikelijk is, voor financiële diensten.

4.

Onverminderd hetgeen elders in deze overeenkomst is bepaald, stellen de partijen geen nieuwe beperkingen in op het kapitaalverkeer en op lopende betalingen tussen ingezetenen van de EU-partij en van Oekraïne en brengen zij in de bestaande regelingen geen verdere beperkingen aan.

Artikel 146. Vrijwaringsmaatregelen

Onverminderd hetgeen elders in deze overeenkomst is bepaald, kunnen de betrokken partijen, wanneer in uitzonderlijke omstandigheden betalingen of kapitaalbewegingen tussen de partijen ernstige moeilijkheden veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor het wisselkoersbeleid of het monetair beleid36)Met inbegrip van ernstige moeilijkheden met betrekking tot de betalingsbalans. in een of meer lidstaten van de Europese Unie of in Oekraïne, voor een periode van ten hoogste zes maanden strikt noodzakelijke vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van kapitaalbewegingen tussen de EU-partij en Oekraïne treffen. De partij die de vrijwaringsmaatregelen neemt, stelt de andere partij daarvan onmiddellijk in kennis en legt zo spoedig mogelijk een tijdschema voor de opheffing van deze maatregelen voor.

Artikel 147. Bepalingen inzake bevordering van het verkeer en verdere liberalisering
1.

De partijen plegen overleg teneinde hun onderlinge kapitaalverkeer te vergemakkelijken met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst.

2.

Gedurende de eerste vier jaar volgend op de inwerkingtreding van deze overeenkomst nemen de partijen maatregelen met het oog op de totstandbrenging van de voorwaarden die nodig zijn voor het verder geleidelijk toepasselijk maken van de voorschriften van de EU-partij op het vrije verkeer van kapitaal.

3.

Uiterlijk aan het eind van het vijfde jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst beoordeelt het Handelscomité de genomen maatregelen opnieuw en stelt het de modaliteiten voor verdere liberalisering vast.

HOOFDSTUK 8. OVERHEIDSOPDRACHTEN

Artikel 148. Doelstellingen

De partijen erkennen de bijdrage van transparante, niet-discriminerende, op concurrentie gebaseerde en openbare aanbestedingen aan een duurzame economische ontwikkeling en stellen zich een effectieve, wederzijdse en geleidelijke openstelling van hun respectieve markten voor overheidsopdrachten ten doel.

Dit hoofdstuk voorziet in wederzijdse toegang tot markten voor overheidsopdrachten op basis van het beginsel van nationale behandeling op nationaal, regionaal en lokaal niveau voor overheidsopdrachten en concessies in zowel de traditionele als in de nutssector. Het voorziet in de geleidelijke aanpassing van de wetgeving inzake overheidsopdrachten in Oekraïne aan het EU-acquis inzake overheidsopdrachten, en in een institutionele hervorming alsmede de inrichting van een doeltreffend systeem voor overheidsopdrachten op basis van de voor overheidsopdrachten in de EU-partij geldende beginselen, en de voorwaarden en definities van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, hierna „Richtlijn 2004/18/EG” genoemd, en van Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten, hierna „Richtlijn 2004/17/EG” genoemd.

Artikel 149. Toepassingsgebied
1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op werken, leveringen en diensten in de nutssector en op concessies voor werken en diensten.

2.

Dit hoofdstuk is van toepassing op aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten, hierna „aanbestedende diensten” genoemd, die voldoen aan de definities van het EU-acquis op het gebied van overheidsopdrachten. Het heeft tevens betrekking op publiekrechtelijke instellingen en openbare nutsbedrijven, zoals overheidsondernemingen die de desbetreffende activiteiten verrichten en particuliere ondernemingen die op basis van bijzondere en exclusieve rechten actief zijn in de nutssector.

3.

Dit hoofdstuk is van toepassing op contracten boven de drempelwaarde die is vastgesteld in bijlage XXI-P.

De berekening van de geraamde waarde van een overheidsopdracht wordt gebaseerd op het in totaal te betalen bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde. Bij het hanteren van deze drempelwaarden berekent Oekraïne deze waarden en rekent het deze om naar zijn nationale munteenheid, waarbij het gebruik maakt van de wisselkoers van zijn nationale bank.

Deze drempelwaarden worden om de twee jaar herzien, te beginnen in het eerste jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst, op basis van de gemiddelde dagwaarde van de euro, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, over de 24 maanden die eindigen op de laatste dag van augustus voorafgaand aan de herziening die per 1 januari in werking treedt. De aldus herziene drempelwaarden worden, indien nodig, naar beneden afgerond op het naaste veelvoud van 1 000 EUR. De herziening van de drempelwaarden wordt goedgekeurd door het Handelscomité, overeenkomstig de procedure die is omschreven in Titel VII (Institutionele, algemene en slotbepalingen) van deze overeenkomst.

Artikel 150. Institutionele achtergrond
1.

De partijen brengen een passend institutioneel kader tot stand, alsmede de mechanismen die nodig zijn voor de juiste werking van het systeem voor overheidsopdrachten en de implementatie van de desbetreffende beginselen, en handhaven deze.

2.

In het kader van de institutionele hervorming wijst Oekraïne in het bijzonder de volgende organen aan:

  • a. een centraal uitvoerend orgaan dat verantwoordelijk is voor het economisch beleid en belast is met het waarborgen van een coherent beleid op alle gebieden die met overheidsopdrachten verband houden. Een dergelijk orgaan bevordert en coördineert de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk en geeft richting aan het proces van aanpassing van de wetgeving;
  • b. een onpartijdig en onafhankelijk orgaan dat is belast met de beoordeling van besluiten van de aanbestedende diensten bij de plaatsing van opdrachten. In deze context wordt onder „onafhankelijk” verstaan dat dit orgaan een overheidsinstantie moet zijn dat los staat van alle aanbestedende diensten en marktpartijen. Tegen de besluiten van dit orgaan moet beroep in rechte kunnen worden ingesteld.
3.

De partijen waarborgen dat de besluiten van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de beoordeling van klachten, daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 151. Basisnormen voor de gunning van opdrachten
1.

Uiterlijk 6 maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst voldoen de partijen aan een serie basisnormen voor de gunning van alle opdrachten, zoals voorgeschreven door de leden 2 tot en met 15 van dit artikel. Deze basisnormen vloeien rechtstreeks voort uit de voorschriften en beginselen voor overheidsopdrachten als vervat in het EU-acquis voor overheidsopdrachten, met inbegrip van de beginselen van non-discriminatie, gelijke behandeling, transparantie en evenredigheid.

2.

De partijen waarborgen dat alle voorgenomen overheidsopdrachten op toereikende wijze in daartoe geëigende media worden bekendgemaakt:

  • a. opdat de markt wordt geopend voor mededinging, en
  • b. opdat belanghebbende marktdeelnemers passende toegang hebben tot informatie over de voorgenomen overheidsopdracht, voorafgaand aan de gunning ervan, en opdat zij hun belangstelling tot inschrijving voor de opdracht kenbaar kunnen maken.
3.

De bekendmaking zal passend zijn ten opzichte van het economisch belang van de opdracht voor marktdeelnemers.

4.

De bekendmaking omvat ten minste de wezenlijke details van de te plaatsen opdracht, de criteria voor selectie op kwaliteit, de gunningsmethode, de criteria voor gunning en elke andere aanvullende informatie die een marktdeelnemer redelijkerwijs nodig heeft om te besluiten of hij zijn interesse voor het verkrijgen van de opdracht kenbaar maakt.

5.

Alle opdrachten worden gegund aan de hand van transparante en onpartijdige gunningsprocedures die corruptiepraktijken voorkomen. De onpartijdigheid wordt in het bijzonder gewaarborgd door de niet-discriminerende omschrijving van de inhoud van het contract, gelijke toegang voor alle marktdeelnemers, passende termijnen en een transparante en objectieve benadering.

6.

Bij de omschrijving van de kenmerken van de gevraagde werken, leveringen of diensten gebruiken de aanbestedende diensten algemene omschrijvingen wat de prestaties en functies aangaat, alsmede internationale, Europese en nationale normen.

7.

De omschrijving van de kenmerken die zijn vereist voor een werk, levering of dienst mag niet verwijzen naar een bepaald fabricaat of een bepaalde herkomst, of een bepaald procedé, of naar een handelsmerk, octrooi, een type of bepaalde oorsprong of een bepaalde productie, tenzij een dergelijke verwijzing wordt gerechtvaardigd door de inhoud van het contract en vergezeld gaat van de woorden „of daaraan gelijkwaardig”. Bij voorkeur worden algemene omschrijvingen van de prestaties of functies gebruikt.

8.

Aanbestedende diensten leggen geen voorwaarden op die leiden tot directe of indirecte discriminatie van marktdeelnemers uit de andere partij, zoals het vereiste dat marktdeelnemers die belangstelling hebben voor de overeenkomst, in hetzelfde land, dezelfde regio of op hetzelfde grondgebied als de aanbestedende dienst gevestigd moeten zijn.

Onverminderd hetgeen hiervoor is bepaald, kan van de aanvrager aan wie een opdracht wordt gegund, in gevallen waarin de specifieke omstandigheden van het geval dit rechtvaardigen worden verlangd dat hij een bepaalde zakelijke infrastructuur vestigt op de plaats waar de prestaties plaatsvinden.

9.

De termijnen voor de indiening van blijken van belangstelling en van een offerte zijn lang genoeg om marktdeelnemers uit de andere partij in staat te stellen een zinvolle evaluatie te maken en hun offerte voor te bereiden.

10.

Alle deelnemers moeten vooraf kennis kunnen nemen van de toepasselijke voorschriften, de selectie- en de gunningscriteria. Deze voorschriften moeten voor alle deelnemers op dezelfde wijze worden toegepast.

11.

Aanbestedende diensten mogen een beperkt aantal inschrijvers verzoeken een offerte in te dienen, mits:

  • a. dit geschiedt op transparante en niet-discriminerende wijze; en
  • b. de selectie enkel op basis van objectieve criteria plaatsvindt, zoals ervaring van de inschrijvers in de desbetreffende sector, omvang en infrastructuur van hun onderneming en technische en professionele vaardigheden.

Wanneer een beperkt aantal inschrijvers wordt verzocht een offerte in te dienen, moet voldoende concurrentie worden gewaarborgd.

12.

Aanbestedende diensten kunnen de procedure van gunning via onderhandelingen alleen in bepaalde uitzonderlijke gevallen toepassen, wanneer de toepassing van die procedure de mededinging daadwerkelijk niet vervalst.

13.

Aanbestedende diensten mogen alleen gebruikmaken van kwalificatiesystemen wanneer de lijst van gekwalificeerde ondernemingen wordt opgesteld aan de hand van een transparante en open procedure die in voldoende mate is bekendgemaakt. Contracten die binnen het toepassingsgebied van dergelijke systemen vallen, worden eveneens op niet-discriminerende grondslag gegund.

14.

De partijen waarborgen dat contracten op transparante wijze worden gegund aan de inschrijver die de economisch meest voordelige offerte of de offerte met de laagste prijs heeft ingediend, op basis van de vooraf vastgestelde en meegedeelde aanbestedingscriteria en procedurele voorschriften. De eindbeslissingen moeten onverwijld aan alle inschrijvers worden meegedeeld. Indien een inschrijver aan wie de opdracht niet is gegund daarom verzoekt, moeten de redenen voldoende gedetailleerd worden verstrekt om tegen het desbetreffende besluit te kunnen opkomen.

15.

De partijen dragen er zorg voor dat eenieder die belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde opdracht en die door een beweerde schending schade heeft geleden of dreigt te lijden, recht heeft op daadwerkelijke onpartijdige rechtsbescherming tegen besluiten van de aanbestedende dienst in verband met de gunning van die opdracht. De besluiten tijdens en aan het einde van zo'n beroeps- of bezwaarprocedure worden openbaar gemaakt op een wijze die toereikend is om alle belanghebbende marktdeelnemers te informeren.

Artikel 152. Planning van aanpassing van wetgeving
1.

Vóór de aanvang van de aanpassing van wetgeving dient Oekraïne bij het Handelscomité een uitgebreid stappenplan voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk in, met tijdschema's en termijnen voor alle hervormingen in termen van aanpassing van wetgeving en institutionele capaciteitsopbouw. Dit stappenplan moet in overeenstemming zijn met de in bijlage XXI-A bij deze overeenkomst vermelde fasen en tijdschema's.

2.

Het stappenplan omvat alle aspecten van de hervorming en het algemene rechtskader voor de tenuitvoerlegging van activiteiten op het gebied van overheidsopdrachten, met name: aanpassing van wetgeving op het gebied van overheidsopdrachten, opdrachten in de nutssector, concessies voor werken en evaluatieprocedures, versterking van de administratieve capaciteit op alle niveaus, met inbegrip van beroepsinstanties en handhavingsmechanismen.

3.

Na een positief advies van het Handelscomité wordt dit stappenplan als referentiedocument voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk beschouwd. De Europese Unie doet al het mogelijk om Oekraïne bij de tenuitvoerlegging van dit stappenplan bij te staan.

Artikel 153. Aanpassing van wetgeving
1.

Oekraïne draagt er zorg voor dat zijn bestaande en toekomstige wetgeving inzake overheidsopdrachten geleidelijk in overeenstemming met het EU-acquis op dit gebied worden gebracht.

2.

Aanpassing van wetgeving geschiedt in opeenvolgende fasen als vermeld in de bijlagen XXI-A, XXI-B tot en met XXI-E, XXI-G, XXI-H, en XXI-J bij deze overeenkomst. In de bijlagen XXI-F en XXI-I bij deze overeenkomst worden niet-bindende elementen vermeld die niet in nationaal recht hoeven te worden omgezet; de bijlagen XXI-K tot en met N bij deze overeenkomst bevatten elementen van het EU-acquis die buiten het bereik van de aanpassing van wetgeving vallen. Bij dit proces wordt naar behoren rekening gehouden met de desbetreffende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en met de door de Europese Commissie vastgestelde uitvoeringsmaatregelen, alsmede met, indien nodig, wijzigingen van het EU-acquis die zich tussentijds voordoen. De tenuitvoerlegging van elke fase wordt geëvalueerd door het Handelscomité, en na een positieve beoordeling door dit comité gekoppeld aan wederzijdse verlening van markttoegang als uiteengezet in bijlage XXI-A bij deze overeenkomst. De Europese Commissie stelt Oekraïne onverwijld in kennis van wijzigingen van het EU-acquis. Zij verstrekt passend advies en passende technische bijstand met het oog op de implementatie van die wijzigingen.

3.

De partijen komen overeen dat het Handelscomité alleen tot de beoordeling van een volgende fase overgaat als de maatregelen ter implementatie van de voorgaande fase overeenkomstig de modaliteiten van lid 2 van dit artikel zijn uitgevoerd en goedgekeurd.

4.

De partijen waarborgen dat de aspecten en gebieden van overheidsopdrachten die niet onder dit artikel vallen, in overeenstemming zijn met de beginselen van transparantie, niet-discriminatie en gelijke behandeling, als uiteengezet in artikel 151 van deze overeenkomst.

Artikel 154. Markttoegang
1.

De partijen komen overeen dat zij hun respectieve markten geleidelijk en gelijktijdig daadwerkelijk en wederzijds zullen openstellen Tijdens het proces van aanpassing van wetgeving wordt de mate van de wederzijds verleende markttoegang gekoppeld aan de in dit proces geboekte vooruitgang, zoals voorgeschreven in bijlage XXI-A bij deze overeenkomst.

2.

Het besluit om over te gaan tot een volgende fase van marktopenstelling wordt genomen op basis van een beoordeling van de kwaliteit van de aangenomen wetgeving alsmede van de praktische tenuitvoerlegging ervan. Dergelijke beoordelingen worden op regelmatige basis door het Handelscomité gedaan.

3.

Voor zover een partij ingevolge bijlage XXI-A bij deze overeenkomst haar markt voor overheidsopdrachten voor de andere partij heeft opengesteld, verleent de EU-partij aan Oekraïense ondernemingen, ongeacht of deze in de EU-partij zijn gevestigd, toegang tot procedures voor de gunning van overheidsopdrachten overeenkomstig de EU-voorschriften voor overheidsopdrachten, en behandelt zij voornoemde ondernemingen niet minder gunstig dan ondernemingen uit de EU-partij. Oekraïne verleent aan ondernemingen uit de EU-partij, ongeacht of deze in Oekraïne zijn gevestigd, toegang tot procedures voor de gunning van overheidsopdrachten overeenkomstig de nationale voorschriften voor overheidsopdrachten, en behandelt voornoemde ondernemingen niet minder gunstig dan ondernemingen uit Oekraïne.

4.

Na de tenuitvoerlegging van de laatste fase van het proces van aanpassing van wetgeving onderzoeken de partijen of ook beneden de in artikel 149, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde drempelwaarden, wederzijds toegang tot de markt voor overheidsopdrachten kan worden verleend.

5.

Finland maakt een voorbehoud ten aanzien van Åland.

Artikel 155. Informatie
1.

De partijen waarborgen dat de aanbestedende diensten en de marktdeelnemers goed zijn geïnformeerd over procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, onder meer door bekendmaking van alle wetgeving en administratieve uitspraken ter zake.

2.

De partijen waarborgen dat de informatie over mogelijkheden wat overheidsopdrachten betreft, daadwerkelijk wordt verspreid.

Artikel 156. Samenwerking
1.

De partijen versterken hun samenwerking door de uitwisseling van ervaring en informatie over hun beste praktijken en regelgevingskaders.

2.

De EU-partij bevordert de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk, onder meer door technische bijstand in voorkomend geval. In overeenstemming met titel VI inzake samenwerking op financieel gebied (Samenwerking op financieel gebied en antifraudebepalingen) van deze overeenkomst, worden specifieke besluiten inzake financiële bijstand genomen door middel van de desbetreffende EU-mechanismen en -instrumenten voor het verlenen van financiële bijstand.

3.

Een indicatieve lijst van aangelegenheden ten aanzien waarvan kan worden samengewerkt, is opgenomen in bijlage XXI-O bij deze overeenkomst.

HOOFDSTUK 9. INTELLECTUELE EIGENDOM

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 157. Doelstellingen

De doelstellingen van dit hoofdstuk zijn:

  • a. het bevorderen van de productie en commercialisering van innovatieve en creatieve producten in de partijen; en
  • b. het bereiken van een adequaat en doeltreffend beschermings- en handhavingsniveau voor intellectuele-eigendomsrechten.
Artikel 158. Aard en toepassingsgebied van de verplichtingen
1.

De partijen waarborgen een adequate en doeltreffende tenuitvoerlegging van de internationale verdragen inzake intellectuele eigendom waarbij zij partij zijn, met inbegrip van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, die is opgenomen in bijlage 1C bij de WTO-overeenkomst, hierna de „TRIPs-overeenkomst” genoemd. De bepalingen van dit hoofdstuk vormen een aanvulling op en specificatie van de tussen de partijen geldende rechten en verplichtingen uit hoofde van de TRIPs-overeenkomst en andere internationale verdragen op het gebied van intellectuele eigendom.

2.

In het kader van deze overeenkomst omvatten intellectuele-eigendomsrechten het volgende: auteursrechten, met inbegrip van de auteursrechten op computerprogramma's en databanken, en naburige rechten, rechten in verband met octrooien, met inbegrip van octrooien voor biotechnologische uitvindingen, handelsmerken, handelsnamen voor zover deze in het betrokken interne recht als uitsluitende eigendomsrechten worden beschermd, tekeningen en modellen, schema's (topografieën) van geïntegreerde schakelingen, geografische aanduidingen, met inbegrip van benamingen van oorsprong, aanduidingen van herkomst, kwekersrechten, alsmede bescherming van niet openbaargemaakte informatie en bescherming tegen oneerlijke mededinging, als bedoeld in artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom (1967), hierna het „Verdrag van Parijs” genoemd.

Artikel 159. Overdracht van technologie
1.

De partijen komen overeen standpunten en informatie uit te wisselen over hun interne en internationale praktijk en beleid met betrekking tot de overdracht van technologie. Dit omvat in het bijzonder maatregelen om informatiestromen, zakelijke partnerschappen, de verlening van licenties en sublicenties op vrijwillige basis te vergemakkelijken. Er wordt bijzondere aandacht besteed aan de voorwaarden die nodig zijn voor het scheppen van een passend gunstig klimaat voor technologieoverdracht in de gastlanden, met inbegrip van kwesties als het desbetreffende juridische kader en de ontwikkeling van menselijk kapitaal.

2.

De partijen waarborgen dat de legitieme belangen van de houders van intellectuele-eigendomsrechten worden beschermd.

Artikel 160. Uitputting

Het staat de partijen vrij hun eigen regeling voor de uitputting van intellectuele-eigendomsrechten vast te stellen, met inachtneming van de TRIPs-overeenkomst.

AFDELING 2. NORMEN BETREFFENDE INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN

ONDERAFDELING 1. AUTEURSRECHT EN NABURIGE RECHTEN

Artikel 161. Geboden bescherming

De partijen leven de volgende bepalingen na:

Artikel 162. Duur van de rechten van de auteur
1.

Het auteursrecht op werken van letterkunde en kunst in de zin van artikel 2 van de Berner Conventie geldt gedurende het leven van de auteur en tot 70 jaar na zijn/haar dood, ongeacht op welk tijdstip het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt.

2.

In geval van een gemeenschappelijk auteursrecht op een zelfde werk wordt de in lid 1 vastgestelde termijn berekend vanaf de dag van overlijden van de langstlevende auteur.

3.

Voor anonieme of pseudonieme werken bedraagt de beschermingstermijn 70 jaar vanaf het tijdstip waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt. Indien evenwel het door de auteur aangenomen pseudoniem geen enkele twijfel aan zijn/haar identiteit laat of de auteur zijn/haar identiteit tijdens de in de eerste zin aangegeven termijn openbaart, geldt de in lid 1 vastgestelde termijn.

4.

Voor werken die in verschillende banden, delen, nummers of afleveringen gepubliceerd zijn en waarvoor de beschermingstermijn ingaat op het tijdstip waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt, loopt de beschermingstermijn voor elk onderdeel afzonderlijk.

5.

Voor werken waarvan de beschermingstermijn niet berekend is vanaf de dood van de auteur of auteurs en die niet binnen 70 jaar na hun totstandkoming op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk zijn gemaakt, vervalt de bescherming.

Artikel 163. Duur van de bescherming van cinematografische of audiovisuele werken
1.

De hoofdregisseur van een cinematografisch of audiovisueel werk wordt als de auteur of een van de auteurs beschouwd. Het staat de partijen vrij andere personen als coauteur aan te wijzen.

2.

De beschermingstermijn van een cinematografisch of audiovisueel werk bedraagt ten minste 70 jaar na de dood van de langstlevende van een groep van bepaalde personen, ongeacht of zij al dan niet als coauteur zijn aangewezen. Deze groep omvat ten minste de hoofdregisseur, de scenarioschrijver, de auteur van de dialogen en de componist van de muziek die specifiek voor gebruik in het cinematografische of audiovisuele werk is gemaakt.

Artikel 164. Duur van de naburige rechten
1.

De rechten van uitvoerende kunstenaars vervallen niet eerder dan 50 jaar na de datum van de uitvoering. Indien echter binnen deze termijn een vastlegging van de uitvoering op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten niet eerder dan 50 jaar na de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek.

2.

De rechten van producenten van fonogrammen vervallen niet eerder dan 50 jaar na de vastlegging. Indien het fonogram echter binnen deze termijn op geoorloofde wijze gepubliceerd is, vervallen de rechten niet eerder dan 50 jaar na de datum van die eerste publicatie. Indien binnen de in de eerste zin bedoelde termijn geen geoorloofde publicatie heeft plaatsgevonden en het fonogram tijdens deze termijn op geoorloofde wijze aan het publiek is medegedeeld, vervallen de rechten 50 jaar na de datum van de eerste geoorloofde mededeling aan het publiek.

3.

De rechten van producenten van de eerste vastlegging van een film vervallen niet eerder dan 50 jaar na de vastlegging. Indien de film echter binnen deze termijn op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten niet eerder dan 50 jaar na de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek. Onder „film” wordt verstaan een cinematografisch of audiovisueel werk of bewegende beelden, met of zonder geluid.

4.

De rechten van omroeporganisaties vervallen niet eerder dan 50 jaar na de eerste uitzending van een programma, ongeacht of deze uitzendingen al dan niet via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen.

Artikel 165. Bescherming van niet eerder gepubliceerde werken

Eenieder die na het verstrijken van de auteursrechtelijke bescherming een niet eerder gepubliceerd werk voor het eerst op geoorloofde wijze publiceert of op geoorloofde wijze aan het publiek meedeelt, geniet een bescherming die gelijkwaardig is met de vermogensrechten van de auteur. De beschermingstermijn van deze rechten bedraagt 25 jaar vanaf het tijdstip waarop het werk voor het eerst op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is.

Artikel 166. Kritische en wetenschappelijke publicaties

De partijen kunnen tevens kritische en wetenschappelijke publicaties van publiek domein geworden werken beschermen. De beschermingstermijn van die rechten bedraagt maximaal 30 jaar vanaf het tijdstip waarop de publicatie voor het eerst op geoorloofde wijze gepubliceerd is.

Artikel 167. Bescherming van foto's

Foto's die oorspronkelijk zijn in de zin dat zij een eigen schepping van de auteur zijn, worden overeenkomstig artikel 162 van deze overeenkomst beschermd. De partijen kunnen voorzien in de bescherming van andere foto's.

Artikel 168. Samenwerking bij het collectieve beheer van rechten

De partijen erkennen de noodzaak van afspraken tussen hun respectieve auteursrechtenorganisaties teneinde de toegang tot en de levering van inhoud tussen de grondgebieden van de partijen te vergemakkelijken en de wederzijdse overdracht van royalty's voor het gebruik van werken of ander beschermd materiaal van de partijen te waarborgen. De partijen erkennen dat hun respectieve auteursrechtenorganisaties een hoog niveau van rationalisatie en transparantie met betrekking tot de uitvoering van hun taken moeten bereiken.

Artikel 169. Recht met betrekking tot vastlegging
1.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vastlegging verstaan de opname van geluiden en beelden ,of van de weergave daarvan, door middel waarvan deze kunnen worden waargenomen, gereproduceerd of medegedeeld door middel van een toestel.

2.

De partijen verlenen uitvoerende kunstenaars het exclusieve recht hun vastgelegde uitvoeringen toe te staan of te verbieden.

3.

De partijen verlenen omroeporganisaties het uitsluitende recht om vastlegging van hun uitzendingen toe te staan of te verbieden, ongeacht of deze uitzendingen al dan niet via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen.

4.

Het in lid 2 bedoelde recht is niet van toepassing op kabelmaatschappijen voor het louter relayeren van uitzendingen van omroeporganisaties via de kabel.

Artikel 170. Uitzending en mededeling aan het publiek
1.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

  • a. „uitzending”: de draadloze transmissie van geluiden of van beelden en geluiden, dan wel de weergaven daarvan, voor ontvangst door het publiek, dergelijke transmissies via satelliet, en de transmissie van gecodeerde signalen wanneer de middelen voor decodering aan het publiek worden geleverd door of met toestemming van de omroeporganisatie;
  • b. „mededeling aan het publiek”: de overdracht aan het publiek door een medium anders dan door uitzending, van geluiden van een uitvoering of de op een fonogram vastgelegde geluiden of weergaven van geluiden. Voor de toepassing van lid 3 wordt onder mededeling aan het publiek ook verstaan het voor het publiek hoorbaar maken van de op een fonogram vastgelegde geluiden of weergaven van geluiden.
2.

De partijen verlenen uitvoerende kunstenaars het uitsluitende recht om draadloze uitzending en mededeling aan het publiek van hun uitvoeringen toe te staan of te verbieden, behalve wanneer de uitvoering zelf al een uitgezonden uitvoering is of gemaakt is op basis van een vastlegging.

3.

De partijen verlenen uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen recht op een enkele billijke vergoeding voor het gebruik van voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen of reproducties daarvan ten behoeve van draadloze uitzending of enigerlei mededeling aan het publiek, en waarborgen dat deze vergoeding wordt verdeeld tussen de desbetreffende uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen. Bij gebreke van overeenstemming tussen uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen kunnen de partijen bepalen volgens welke voorwaarden deze vergoeding tussen hen wordt verdeeld.

4.

De partijen bieden omroeporganisaties het uitsluitende recht de draadloze heruitzending van hun programma's, alsmede de mededeling aan het publiek van hun televisie-uitzendingen indien die mededeling geschiedt op plaatsen die tegen betaling van een entreeprijs voor het publiek toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.

Artikel 171. Distributierecht
1.

De partijen verlenen aan auteurs wat hun oorspronkelijke werk of kopieën daarvan betreft, het uitsluitende recht op distributie aan het publiek door verkoop of anderszins.

2.

De partijen verlenen het uitsluitende recht om de onder a) tot en met d) van dit lid genoemde zaken, met inbegrip van kopieën ervan, door verkoop of anderszins ter beschikking van het publiek te stellen, ten behoeve van:

  • a. uitvoerende kunstenaars, met betrekking tot vastleggingen van hun uitvoeringen;
  • b. producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen;
  • c. producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films;
  • d. omroeporganisaties, met betrekking tot vastleggingen van hun uitzendingen, als omschreven in artikel 169, lid 3, van deze overeenkomst.
Artikel 172. Beperkingen
1.

De partijen kunnen voorzien in beperkingen van de in de artikelen 169, 170 en 171 van deze overeenkomst bedoelde rechten met betrekking tot:

  • a. privégebruik;
  • b. gebruik van korte uittreksels in verband met de verslaggeving over actuele gebeurtenissen;
  • c. kortstondige vastlegging door een omroeporganisatie met behulp van haar eigen middelen en voor haar eigen uitzendingen;
  • d. gebruik uitsluitend ten behoeve van onderwijs of wetenschappelijk onderzoek.
2.

Onverminderd lid 1 kunnen de partijen ten aanzien van de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen, omroeporganisaties en producenten van de eerste vastleggingen van films, dezelfde beperkingen stellen als ten aanzien van de auteursrechtelijke bescherming van werken van letterkunde en kunst. Dwanglicenties mogen evenwel slechts worden toegekend in zoverre deze met het Verdrag van Rome verenigbaar zijn.

3.

De in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde beperkingen worden enkel toegepast in bepaalde bijzondere gevallen die niet in strijd zijn met een normale exploitatie van de inhoud van het werk en geen onredelijke inbreuk zijn op de rechtmatige belangen van de houder van het recht.

Artikel 173. Recht om te reproduceren

De partijen voorzien in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden, ten behoeve van:

  • a. auteurs, met betrekking tot hun werken;
  • b. uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen;
  • c. producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen;
  • d. producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films;
  • e. omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen al dan niet via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen.
Artikel 174. Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek
1.

De partijen voorzien in het uitsluitende recht van auteurs, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.

2.

De partijen voorzien in het uitsluitende recht, de beschikbaarstelling van werken voor het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang ertoe hebben, toe te staan of te verbieden, ten behoeve van:

  • a. uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen;
  • b. producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen;
  • c. producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films, en
  • d. omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen al dan niet via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen.
3.

Beide partijen zijn het erover eens dat de in de leden 1 en 2 bedoelde rechten niet worden uitgeput door enige handeling, bestaande in een mededeling aan het publiek of beschikbaarstelling ervan aan het publiek overeenkomstig dit artikel.

Artikel 175. Beperkingen en restricties
1.

De partijen voorzien erin dat tijdelijke reproductiehandelingen als bedoeld in artikel 173 van deze overeenkomst, die van voorbijgaande of incidentele aard zijn, en die een integraal en essentieel onderdeel vormen van een technisch procedé en die worden toegepast met als enig doel:

  • a. de doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon, of
  • b. een geoorloofd gebruik

van een werk of ander materiaal mogelijk te maken, en die geen zelfstandige economische waarde bezitten, van het in artikel 173 bedoelde reproductierecht zijn uitgezonderd.

2.

Wanneer de partijen voorzien in een beperking of restrictie op het reproductierecht als bedoeld in artikel 173, kunnen zij tegelijkertijd voorzien in een beperking of restrictie op het in artikel 171, lid 4, van deze overeenkomst bedoelde distributierecht, voor zover dit gezien het doel van de toegestane reproductie gerechtvaardigd is.

3.

De partijen kunnen alleen in beperkingen en restricties op de in de artikelen 173 en 174 van deze overeenkomst bedoelde rechten voorzien in bepaalde bijzondere gevallen die niet in strijd zijn met een normale exploitatie van het werk of ander materiaal en de rechtmatige belangen van de rechthebbenden niet op onredelijke wijze schaden.

Artikel 176. Bescherming van technische voorzieningen
1.

De partijen voorzien in een passende rechtsbescherming tegen het omzeilen van doeltreffende technische voorzieningen door een persoon die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij/zij aldus handelt.

2.

De partijen voorzien in een passende rechtsbescherming tegen de vervaardiging, invoer, distributie, verkoop, verhuur, reclame voor verkoop of verhuur, of het bezit voor commerciële doeleinden van inrichtingen, producten of onderdelen, of het verrichten van diensten die:

  • a. gestimuleerd, aangeprezen of in de handel gebracht worden om de bescherming te omzeilen van doeltreffende technische voorzieningen, of
  • b. slechts een commercieel beperkt doel of nut hebben, naast de omzeiling van de bescherming van doeltreffende technische voorzieningen, of
  • c. in het bijzonder ontworpen, geproduceerd of aangepast zijn met het doel de omzeiling van doeltreffende technische voorzieningen mogelijk of gemakkelijker te maken.
3.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder „technische voorzieningen” verstaan technologie, inrichtingen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van werken of ander materiaal, die niet zijn toegestaan door de houders van auteursrechten of van in de wetgeving van elk van beide partijen vastgelegde naburige rechten. Technische voorzieningen worden geacht „doeltreffend” te zijn indien het gebruik van een beschermd werk of ander beschermd materiaal wordt gecontroleerd door de houders van het recht door toepassing van een controle op de toegang of een beschermingsprocedé zoals encryptie, versluiering of een andere transformatie van het werk of ander materiaal of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming biedt.

4.

Wanneer de partijen voorzien in beperkingen op de in de artikelen 172 en 175 van deze overeenkomst bedoelde rechten, kunnen zij ook ervoor zorgen dat de houders van het recht aan een begunstigde van een beperking of restrictie de nodige middelen verschaffen om van die beperking of restrictie gebruik te kunnen maken, ingeval die begunstigde op rechtmatige wijze toegang heeft tot het beschermde werk of materiaal.

5.

De leden 1 en 2 van artikel 175 van deze overeenkomst gelden niet voor werken of ander materiaal die op grond van overeengekomen bepalingen op zodanige wijze voor het publiek beschikbaar zijn gesteld dat leden van het publiek daartoe toegang hebben op een door hen individueel gekozen plaats en tijd.

Artikel 177. Bescherming van informatie over het beheer van rechten
1.

De partijen voorzien in een passende rechtsbescherming tegen eenieder die opzettelijk op ongeoorloofde wijze een van de volgende handelingen verricht:

  • a. de verwijdering of wijziging van elektronische informatie betreffende het beheer van rechten,
  • b. de verspreiding, de invoer ter verspreiding, de uitzending, de mededeling aan het publiek of de beschikbaarstelling voor het publiek van werken of ander krachtens deze overeenkomst beschermd materiaal, waaruit op ongeoorloofde wijze elektronische informatie betreffende het beheer van rechten is verwijderd of waarin op ongeoorloofde wijze dergelijke informatie is gewijzigd,

en die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij zodoende aanzet tot een inbreuk op het auteursrecht of de in de wetgeving van de desbetreffende partij vastgestelde naburige rechten, dan wel een dergelijke inbreuk mogelijk maakt, vergemakkelijkt of verbergt.

2.

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder „informatie over het beheer van rechten” verstaan alle door de houders van een recht verstrekte informatie die dient ter identificatie van het werk of het andere materiaal bedoeld in onderafdeling 1, dan wel van de auteur of een andere houder van een recht, of informatie betreffende de voorwaarden voor het gebruik van het werk of het andere materiaal, alsook de cijfers of codes waarin die informatie vervat ligt.

Het eerste lid is van toepassing wanneer bestanddelen van deze informatie zijn verbonden met een kopie, of kenbaar worden bij de mededeling aan het publiek, van een werk of ander materiaal bedoeld in onderafdeling 1.

Artikel 178. Houders van een recht en voorwerp van het verhuur- en uitleenrecht
1.

De partijen moeten voorzien in het uitsluitende recht verhuur en uitlening toe te staan of te verbieden, ten behoeve van:

  • a. de auteur, met betrekking tot het origineel en kopieën van zijn/haar werk;
  • b. de uitvoerend kunstenaar, met betrekking tot vastleggingen van zijn/haar uitvoering;
  • c. de producent van fonogrammen, met betrekking tot zijn/haar fonogrammen, en
  • d. de producent van de eerste vastlegging van een film, met betrekking tot het origineel en de kopieën van zijn film.
2.

Verhuur- en uitleenrechten met betrekking tot bouwwerken en werken van toegepaste kunst vallen niet onder deze bepalingen.

3.

De partijen kunnen ten aanzien van openbare uitlening afwijken van het in lid 1 bedoelde uitsluitende recht, mits ten minste de auteurs een vergoeding krijgen voor deze uitlening. Met inachtneming van hun doelstellingen voor bevordering van culturele activiteiten, kunnen de partijen de hoogte van deze vergoeding vrij vaststellen.

4.

Wanneer de partijen het in dit artikel bedoelde uitsluitende uitleenrecht betreffende fonogrammen, films en computerprogramma's niet toepassen, voeren zij ten minste voor de auteurs een vergoeding in.

5.

De partijen kunnen bepaalde categorieën instellingen vrijstellen van betaling van de in de leden 3 en 4 bedoelde vergoeding.

Artikel 179. Niet voor afstand vatbaar recht op een billijke vergoeding
1.

Wanneer een auteur of een uitvoerend kunstenaar zijn/haar verhuurrecht betreffende een fonogram of betreffende het origineel dan wel een kopie van een film heeft overgedragen of afgestaan aan een fonogram- of filmproducent, behoudt hij het recht op een billijke vergoeding voor de verhuur.

2.

Het recht op een billijke vergoeding voor verhuur is niet vatbaar voor afstand door de auteurs of uitvoerende kunstenaars.

3.

Het beheer van het recht op een billijke vergoeding kan worden toevertrouwd aan maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging die auteurs of uitvoerende kunstenaars vertegenwoordigen.

4.

De partijen kunnen zelf beslissen of en in hoeverre het beheer van het recht op een billijke vergoeding door maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging verplicht kan worden gesteld, alsmede van wie deze vergoeding kan worden geëist of geïnd.

Artikel 180. Bescherming van computerprogramma's
1.

De partijen beschermen computerprogramma's auteursrechtelijk als werken van letterkunde in de zin van de Berner Conventie. Voor de toepassing van deze bepaling omvat de term „computerprogramma” ook het voorbereidend ontwerpmateriaal ervan.

2.

De bescherming overeenkomstig deze overeenkomst wordt verleend aan de uitdrukkingswijze, in welke vorm dan ook, van een computerprogramma. De ideeën en beginselen die aan enig element van een computerprogramma ten grondslag liggen, met inbegrip van de ideeën en beginselen die aan de interfaces daarvan ten grondslag liggen, worden krachtens deze overeenkomst niet auteursrechtelijk beschermd.

3.

Een computerprogramma wordt beschermd wanneer het oorspronkelijk is in die zin dat het een eigen schepping van de maker is. Om te bepalen of het programma voor bescherming in aanmerking komt, mogen geen andere criteria worden aangelegd.

Artikel 181. Auteurschap van computerprogramma's
1.

De auteur van een computerprogramma is de natuurlijke persoon of de groep van natuurlijke personen die het programma gemaakt heeft of, indien de wetgeving van de partijen zulks toestaat, de rechtspersoon die door de nationale wetgeving als houder van een recht wordt aangemerkt.

2.

Indien een computerprogramma door een groep van natuurlijke personen gezamenlijk gemaakt is, zijn deze personen gezamenlijk houder van de uitsluitende rechten.

3.

Wanneer de wetgeving van de partijen collectieve werken erkent, wordt degene die volgens de desbetreffende wetgeving geacht wordt het programma gemaakt te hebben, als de auteur ervan beschouwd.

4.

Indien een computerprogramma gemaakt is door een werknemer bij de uitoefening van zijn/haar taken of in opdracht van zijn/haar werkgever, is de werkgever bij uitsluiting bevoegd de economische rechten met betrekking tot het programma uit te oefenen, tenzij bij overeenkomst anders werd bepaald.

Artikel 182. Handelingen waarvoor toestemming nodig is in verband met computerprogramma's

Onverminderd de artikelen 183 en 184 van deze overeenkomst omvatten de uitsluitende rechten van de houders van een recht in de zin van artikel 181 het recht de volgende handelingen te verrichten of het verrichten daarvan toe te staan:

  • a. de permanente of tijdelijke reproductie van een deel of het geheel van een computerprogramma, ongeacht op welke wijze en in welke vorm. Voor zover deze reproductie van het programma noodzakelijk is voor het laden of in beeld brengen, of de uitvoering, transmissie of opslag van een computerprogramma, is voor deze handelingen toestemming van de houder van het recht vereist;
  • b. het vertalen, bewerken, arrangeren of anderszins veranderen van een programma, en de reproductie van het resultaat daarvan, onverminderd de rechten van degene die het programma verandert;
  • c. elke vorm van distributie, met inbegrip van het verhuren, van een oorspronkelijk computerprogramma of kopieën daarvan onder het publiek.
Artikel 183. Uitzonderingen voor handelingen waarvoor toestemming nodig is in verband met computerprogramma's
1.

Tenzij bij overeenkomst uitdrukkelijk anders bepaald is, is voor de in artikel 182, onder a) en b), van deze overeenkomst genoemde handelingen geen toestemming van de houder van een recht vereist wanneer deze handelingen voor de rechtmatige verkrijger noodzakelijk zijn om het computerprogramma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel, onder meer om fouten te verbeteren.

2.

Het maken van een reservekopie door een rechtmatige gebruiker van het programma kan niet bij overeenkomst worden verhinderd indien die kopie voor bovenbedoeld gebruik nodig is.

3.

De rechtmatige gebruiker van een kopie van een programma is gemachtigd om zonder toestemming van de houder van het recht de werking van het programma te observeren, te bestuderen en uit te testen, ten einde vast te stellen welke ideeën en beginselen aan een element van het programma ten grondslag liggen, indien hij dit doet bij het rechtmatig laden of in beeld brengen, de uitvoering, transmissie of opslag van het programma.

Artikel 184. Decompilatie
1.

Er is geen toestemming van de houder van het recht vereist indien de reproductie van de code en de vertaling van de codevorm in de zin van artikel 182, onder a) en b), onmisbaar zijn om de informatie te verkrijgen die nodig is om de interoperabiliteit van een onafhankelijk gecreëerd computerprogramma met andere programma's tot stand te brengen, op voorwaarde dat:

  • a. deze handelingen worden verricht door de licentiehouder of door een ander die het recht heeft om een kopie van het programma te gebruiken, of voor hun rekening door een daartoe gemachtigde persoon;
  • b. de gegevens die nodig zijn om de interoperabiliteit tot stand te brengen nog niet eerder snel en gemakkelijk beschikbaar zijn gesteld voor de onder a) van dit lid bedoelde personen, en
  • c. deze handelingen beperkt blijven tot die onderdelen van het oorspronkelijke programma die voor het tot stand brengen van interoperabiliteit noodzakelijk zijn.
2.

Het bepaalde in lid 1 biedt niet de mogelijkheid dat de op grond daarvan verkregen informatie:

  • a. voor een ander doel dan het tot stand brengen van de interoperabiliteit van het onafhankelijk gecreëerde programma wordt gebruikt;
  • b. aan derden wordt meegedeeld, tenzij dat noodzakelijk is met het oog op de interoperabiliteit van het onafhankelijk gecreëerde programma, of
  • c. wordt gebruikt voor de ontwikkeling, productie of het in de handel brengen van een qua uitdrukkingswijze in grote lijnen gelijk programma, of voor andere handelingen waarmee inbreuk op het auteursrecht wordt gemaakt.
3.

In overeenstemming met de bepalingen van de Berner Conventie mag dit artikel niet zodanig worden uitgelegd dat de toepassing ervan ongerechtvaardigd nadeel voor de rechtmatige belangen van de rechthebbende oplevert of het normale gebruik van het computerprogramma belemmert.

Artikel 185. Bescherming van databanken
1.

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder „databank” verstaan een verzameling van werken, gegevens, of andere zelfstandige elementen, systematisch of methodisch geordend, en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk.

2.

De bescherming van deze overeenkomst geldt niet voor computerprogramma's die worden gebruikt bij het opzetten of de werking van met elektronische middelen toegankelijke databanken.

Artikel 186. Voorwerp van bescherming
1.

Volgens onderafdeling 1 worden databanken die door de keuze of de rangschikking van de inhoud een eigen schepping van de maker vormen, als zodanig door het auteursrecht beschermd. Om te bepalen of zij voor bescherming in aanmerking komen, mogen geen andere criteria worden aangelegd.

2.

De auteursrechtelijke bescherming van databanken in onderafdeling 1 betreft niet de inhoud van die databanken en laat de bestaande rechten op die inhoud onverlet.

Artikel 187. Auteurschap van databanken
1.

De auteur van een databank is de natuurlijke persoon of de groep van natuurlijke personen die de databank heeft opgezet, of, indien toegestaan volgens de wetgeving van de partijen, de rechtspersoon die door de wetgeving als rechthebbende wordt aangemerkt.

2.

Indien collectieve werken door de wetgeving van de partijen worden erkend, is de auteursrechthebbende tevens houder van het vermogensrecht.

3.

Indien een databank door een groep van natuurlijke personen gezamenlijk is opgezet, zijn deze personen gezamenlijk houder van de uitsluitende rechten.

Artikel 188. Handelingen waarvoor toestemming nodig is

De auteur van een databank heeft, met betrekking tot de voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komende uitdrukkingsvorm van de databank, het uitsluitende recht de volgende handelingen te verrichten of toe te staan:

  • a. de permanente of tijdelijke reproductie, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;
  • b. de vertaling, bewerking, schikking en elke andere verandering;
  • c. elke vorm van openbare verspreiding van de databank of van kopieën daarvan;
  • d. elke mededeling, voorstelling of demonstratie voor het publiek;
  • e. elke reproductie, verspreiding, mededeling, voorstelling of demonstratie voor het publiek, van de resultaten van de onder b) vermelde handelingen.
Artikel 189. Uitzonderingen voor handelingen waarvoor toestemming nodig is met betrekking tot databanken
1.

De rechtmatige gebruiker van een databank of kopieën daarvan kan zonder toestemming van de auteur van de databank alle in artikel 188 van deze overeenkomst bedoelde handelingen verrichten die noodzakelijk zijn om toegang te krijgen tot en normaal gebruik te maken van de inhoud van de databank. Voor zover de rechtmatige gebruiker toestemming heeft om slechts een deel van de databank te gebruiken, geldt dit lid slechts voor dat deel.

2.

In de volgende gevallen kunnen de partijen de in artikel 188 bedoelde rechten beperken:

  • a. wanneer het een reproductie voor particuliere doeleinden van een niet-elektronische databank betreft;
  • b. wanneer het gebruik alleen ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek dient, met bronvermelding en voor zover door het niet-commerciële doel gerechtvaardigd;
  • c. wanneer het gebruik de openbare veiligheid betreft, of in het kader van een administratieve of gerechtelijke procedure plaatsvindt;
  • d. onverminderd het bepaalde onder a), b) en c), wanneer het gaat om andere, door elk van beide partijen traditioneel toegestane uitzonderingen op het auteursrecht.
3.

In overeenstemming met de Berner Conventie mag dit artikel niet zodanig worden uitgelegd dat de toepassing ervan ongerechtvaardigd nadeel voor de rechtmatige belangen van de houder van een recht oplevert of het normale gebruik van de databank belemmert.

Artikel 190. Volgrecht
1.

De partijen stellen ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk een volgrecht in, dat wordt omschreven als een onvervreemdbaar recht waarvan geen afstand kan worden gedaan, zelfs niet op voorhand, om telkens wanneer het kunstwerk na de eerste overdracht door de auteur wordt doorverkocht, een op de doorverkoopprijs berekend recht te ontvangen.

2.

Het in lid 1 bedoelde recht is van toepassing op elke doorverkoop waarbij actoren uit de professionele kunsthandel, zoals veilinghuizen, kunstgalerijen of andere kunsthandelaren, betrokken zijn als verkoper, koper, of tussenpersoon.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)