Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2017-09-01
State In force
Source BWB
artikelen 542
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Het doorgeven van informatie en het verschaffen van toegang in de zin van lid 1 van dit artikel omvatten de automatische, tussentijdse en tijdelijke opslag van de doorgegeven informatie, voor zover deze uitsluitend dient om de doorgifte in het communicatienetwerk te bewerkstelligen en niet langer duurt dan redelijkerwijs voor die doorgifte nodig is.

3.

Dit artikel belet niet dat een rechtbank of administratieve instantie in overeenstemming met het rechtsstelsel van elke partij kan verlangen dat de aanbieder van de dienst een inbreuk beëindigt of verhindert.

Artikel 246. Aansprakelijkheid van aanbieders van intermediaire diensten: „caching” (wijze van opslag)
1.

De partijen zorgen ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in het doorgeven in een communicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de aanbieder van de dienst niet aansprakelijk is voor de automatische, tussentijdse en tijdelijke opslag van die informatie, wanneer deze opslag enkel geschiedt om latere doorgifte van die informatie aan andere afnemers van de dienst op hun verzoek doeltreffender te maken, op voorwaarde dat de aanbieder van de dienst:

  • a. de informatie niet wijzigt;
  • b. de toegangsvoorwaarden voor de informatie in acht neemt;
  • c. de alom erkende en in de bedrijfstak gangbare regels betreffende de bijwerking van de informatie naleeft;
  • d. niets wijzigt aan het alom erkende en in de bedrijfstak gangbare rechtmatige gebruik van technologie voor het verkrijgen van gegevens over het gebruik van de informatie; en
  • e. prompt handelt om de door hem opgeslagen informatie te verwijderen of de toegang ertoe onmogelijk te maken, zodra hij er daadwerkelijk kennis van heeft dat de informatie verwijderd werd van de plaats waar zij zich oorspronkelijk in het net bevond of de toegang ertoe onmogelijk werd gemaakt, of dat een rechterlijke of administratieve autoriteit heeft gelast de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.
2.

Dit artikel belet niet dat een rechtbank of administratieve instantie in overeenstemming met het rechtsstelsel van elke partij kan verlangen dat de aanbieder van de dienst een inbreuk beëindigt of verhindert.

Artikel 247. Aansprakelijkheid van aanbieders van intermediaire diensten: „hosting”
1.

De partijen zorgen ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de aanbieder van de dienst niet aansprakelijk is voor de op verzoek van de afnemer van de dienst opgeslagen informatie, op voorwaarde dat de aanbieder van de dienst:

  • a. niet daadwerkelijk kennis heeft van onwettige activiteit of informatie en, wanneer het een schadevergoedingsvordering betreft, geen kennis heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteit of informatie duidelijk blijkt; of
  • b. zodra hij van het bovenbedoelde daadwerkelijk kennis heeft of besef krijgt, prompt handelt om de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.
2.

Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing wanneer de afnemer van de dienst op gezag of onder toezicht van de aanbieder van de dienst handelt.

3.

Dit artikel belet niet dat een rechtbank of administratieve instantie in overeenstemming met het rechtsstelsel van elke partij, kan verlangen dat de aanbieder van een dienst een inbreuk beëindigt of voorkomt, en evenmin dat een partij procedures kan vaststellen om informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.

Artikel 248. Geen algemene toezichtverplichting
1.

De partijen leggen de aanbieders van de in de artikelen 245, 246 en 247 van deze overeenkomst bedoelde diensten geen algemene verplichting op om toezicht te houden op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te gaan zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden.

2.

De partijen kunnen aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij verplichten om de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis te stellen van vermeende onwettige activiteiten of informatie van de afnemers van hun dienst, of verplichten om de bevoegde autoriteiten op hun verzoek informatie te verstrekken die kan dienen tot het achterhalen van afnemers van hun dienst waarmee zij een opslagovereenkomst hebben.

Artikel 249. Overgangsperiode

Oekraïne legt de in deze onderafdeling bedoelde verplichtingen binnen 18 maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst volledig ten uitvoer.

ONDERAFDELING 3. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 250. Maatregelen aan de grens
1.

Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder „goederen waarmee inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt gemaakt” verstaan:

  • a. „namaakgoederen”, namelijk:
  • i. goederen, met inbegrip van hun verpakking, waarop zonder toestemming een handelsmerk is aangebracht dat identiek is aan het naar behoren geregistreerde handelsmerk voor dergelijke goederen of daarvan niet wezenlijk kan worden onderscheiden, en die zodoende inbreuk maken op de rechten van de houder van het betrokken merk;
  • ii. beeldmerken (logo, etiket, sticker, prospectus, gebruiksaanwijzing of garantiebewijs), zelfs indien deze afzonderlijk worden aangeboden, waarvoor hetzelfde geldt als voor de onder i) bedoelde goederen;
  • iii. afzonderlijk aangeboden verpakkingen waarop merken van nagemaakte goederen zijn aangebracht en waarvoor hetzelfde geldt als voor de onder i) bedoelde goederen;
  • b. „door piraterij verkregen goederen”, namelijk goederen die kopieën zijn of bevatten die zijn vervaardigd zonder toestemming van hetzij de houder van een al dan niet overeenkomstig het interne recht geregistreerd auteursrecht of naburig recht dan wel recht inzake tekeningen of modellen, hetzij een naar behoren door de houder van het recht gemachtigd persoon in het productieland;
  • c. goederen die volgens het recht van de partij waar het verzoek om optreden van de douane wordt ingediend, inbreuk maken op:
  • i. een octrooi;
  • ii. een aanvullend beschermingscertificaat;
  • iii. een kwekersrecht;
  • iv. een tekening of model;
  • v. een geografische aanduiding.
2.

Tenzij in deze onderafdeling anders wordt bepaald, stellen de partijen procedures vast40)Er bestaat overeenstemming over het feit dat er geen verplichting bestaat om deze procedures toe te passen op de invoer van goederen die door de rechthebbende of met diens toestemming in een ander land in de handel worden gebracht. om een houder van een recht die geldige gronden heeft om te vermoeden dat goederen waarmee inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt gemaakt, worden ingevoerd, uitgevoerd of wederuitgevoerd, het douanegebied worden binnen- of uitgebracht, onder een schorsingsregeling worden gebracht, in een vrije zone worden gebracht of in een vrij entrepot worden geplaatst, in staat te stellen bij de bevoegde autoriteiten een schriftelijk verzoek in te dienen tot opschorting van het in het vrije verkeer brengen van deze goederen dan wel tot het vasthouden ervan door de douaneautoriteiten.

3.

De partijen zien erop toe dat wanneer de douaneautoriteiten in de loop van hun optreden en voordat door een houder van een recht een aanvraag is ingediend of deze is gehonoreerd, voldoende gronden hebben om te vermoeden dat goederen een inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, zij het in het vrije verkeer brengen van de goederen kunnen opschorten of de goederen kunnen vasthouden teneinde de houder van het recht in staat te stellen een aanvraag voor een optreden uit hoofde van het voorgaande lid in te dienen.

4.

Alle rechten of plichten die in het kader van afdeling 4 van deel III van de TRIPs-overeenkomst voor de importeur zijn vastgesteld, zijn ook van toepassing op de exporteur of op de bezitter van de goederen.

5.

De partijen werken samen met het oog op het verlenen van technische bijstand en op capaciteitsopbouw voor de tenuitvoerlegging van dit artikel.

6.

Oekraïne legt de in dit artikel bedoelde verplichting binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst volledig ten uitvoer.

Artikel 251. Gedragscodes en samenwerking op forensisch gebied

De partijen stimuleren:

  • a. de ontwikkeling door handels- of beroepsverenigingen of -organisaties van gedragscodes die ten doel hebben bij te dragen tot handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten;
  • b. de indiening bij de bevoegde autoriteiten van de partijen van ontwerpgedragscodes en van evaluaties van de toepassing van deze gedragscodes.
Artikel 252. Samenwerking
1.

De partijen komen overeen samen te werken ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de verbintenissen en verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk.

2.

Onverminderd het bepaalde in titel V (Economische en sectorale samenwerking) en in overeenstemming met het bepaalde in titel VI (Samenwerking op financieel gebied en antifraudebepalingen), strekt de samenwerking zich uit, maar is niet beperkt tot de volgende activiteiten:

  • a. uitwisseling van informatie over het rechtskader met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten en de regels om deze te beschermen en te handhaven; uitwisseling van ervaringen in de EU-partij en in Oekraïne met betrekking tot de vooruitgang op wetgevingsgebied;
  • b. uitwisseling van ervaringen in de EU-partij en in Oekraïne met betrekking tot de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;
  • c. uitwisseling van ervaringen in de EU-partij en in Oekraïne met betrekking tot de handhaving op centraal en subcentraal niveau door de douane, de politie en administratieve en gerechtelijke instanties; coördinatie ter voorkoming van de uitvoer van nagemaakte goederen, ook met andere landen;
  • d. capaciteitsopbouw; uitwisseling en opleiding van personeel;
  • e. bevordering en verspreiding van informatie over intellectuele-eigendomsrechten, onder meer in zakenkringen en het maatschappelijk middenveld; voorlichting van consumenten en houders van een recht;
  • f. uitbreiding van institutionele samenwerking, bijvoorbeeld tussen bureaus voor intellectuele eigendom;
  • g. actieve voorlichting aan en scholing van het grote publiek over het beleid inzake intellectuele eigendom: doeltreffende strategieën formuleren om te bepalen wat de belangrijkste doelgroepen zijn en communicatieprogramma's vormgeven ter vergroting van het bewustzijn van de consument en de media over de impact van inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van het gevaar voor gezondheid en veiligheid en het verband met de georganiseerde misdaad.
3.

Onverminderd de leden 1 en 2 van dit artikel en als aanvulling daarop komen de partijen overeen een effectieve dialoog over intellectuele-eigendomskwesties (IE-dialoog) in stand te houden, waarover verslag wordt uitgebracht aan het Handelscomité, en daar onderwerpen te behandelen die van belang zijn voor de bescherming en de handhaving van de onder dit hoofdstuk vallende intellectuele-eigendomsrechten, alsmede alle andere relevante onderwerpen.

HOOFDSTUK 10. MEDEDINGING

AFDELING 1. MEDEDINGING EN FUSIES

Artikel 253. Definities

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. „mededingingsautoriteit”:
  • a. voor de EU-partij: de Europese Commissie; en
  • b. voor Oekraïne: het comité tegen monopolievorming van Oekraïne;
    1. „mededingingswetgeving”:
  • b. voor Oekraïne, wet nr. 2210-III van 11 januari 2001 (met wijzigingen daarvan) en de uitvoeringsverordeningen en wijzigingen daarvan. Ingeval van strijdigheid tussen wet nr. 2210-III en een andere materiële mededingingsbepaling draagt Oekraïne er zorg voor dat eerstgenoemde voorrang heeft voor zover er sprake is van strijdigheid; en
  • c. alle wijzigingen van voornoemde instrumenten na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.
    1. Bijlage XXIII bevat toelichtingen op bepaalde andere in deze afdeling gebruikte uitdrukkingen.
Artikel 254. Beginselen

De partijen erkennen het belang van een vrije en onvervalste mededinging voor hun handelsbetrekkingen. Zij erkennen dat concurrentiebeperkende praktijken en transacties de goede werking van de markten kunnen verstoren en in het algemeen de voordelen van de liberalisering van het handelsverkeer ondergraven. Zij komen derhalve overeen dat de volgende praktijken en transacties, zoals neergelegd in hun respectieve mededingingswetgeving, onverenigbaar zijn met deze overeenkomst, voor zover zij de handel tussen de partijen ongunstig kunnen beïnvloeden:

  • a. overeenkomsten, onderling afgestemde praktijken en besluiten van ondernemersverenigingen, die tot doel of tot gevolg hebben dat de mededinging op het grondgebied van een van beide partijen wordt belemmerd, beperkt, vervalst of aanzienlijk wordt beperkt;
  • b. misbruik van machtspositie door een of meer ondernemingen, op het grondgebied van een van beide partijen, of
  • c. concentraties tussen ondernemingen die een monopolisering of een aanzienlijke beperking van de mededinging op de markt binnen het grondgebied van een van beide partijen tot gevolg hebben.
Artikel 255. Tenuitvoerlegging
1.

De EU-partij en Oekraïne handhaven mededingingswetgeving waarmee de in artikel 254, onder a), b) en c), bedoelde praktijken en transacties daadwerkelijk worden aangepakt.

2.

De partijen houden autoriteiten in stand die verantwoordelijk zijn voor en goed zijn uitgerust voor de daadwerkelijke handhaving van de in lid 1 van dit artikel bedoelde mededingingswetgeving.

3.

De partijen erkennen dat het belangrijk is dat hun respectieve mededingingswetgeving op transparante, tijdige en niet-discriminerende wijze wordt toegepast, met inachtneming van de beginselen van een behoorlijke rechtsgang en van het recht van verweer. Elk van beide partijen waarborgt met name dat:

  • a. een mededingingsautoriteit van een van de partijen, alvorens aan natuurlijke of rechtspersonen een sanctie of andere maatregel wegens schending van haar mededingingswetgeving op te leggen, aan die personen het recht toekent om binnen een redelijke, in de respectieve mededingingswetgeving van de partijen vast te leggen termijn te worden gehoord en bewijsmateriaal aan te dragen, nadat zij de voorlopige conclusies over het bestaan van de schending aan de betrokken natuurlijke of rechtspersonen heeft meegedeeld, en
  • b. een uit hoofde van het recht van die partij opgerichte rechtbank of andere onafhankelijke gerechtelijke instantie een dergelijke sanctie of maatregel anderszins oplegt of op verzoek van de betrokken persoon opnieuw beoordeelt.
4.

Op verzoek van een van de partijen verschaft de andere partij de verzoekende partij openbare informatie over haar activiteiten inzake de handhaving van de mededingingswetgeving voor zover deze betrekking hebben op haar verplichtingen uit hoofde van deze afdeling.

5.

De mededingingsautoriteit keurt een document goed waarin de beginselen worden uiteengezet die bij de oplegging van geldelijke sancties wegens schending van de mededingingswetgeving moeten worden gehanteerd, en publiceert dit document.

6.

De mededingingsautoriteit keurt een document goed waarin de beginselen worden uiteengezet die bij de beoordeling van horizontale concentraties worden gehanteerd, en publiceert dit document.

Artikel 256. Aanpassing van wetgeving en handhavingspraktijk

Oekraïne past zijn mededingingswetgeving en handhavingspraktijk aan het volgende gedeelte van het EU-acquis aan:

    1. Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag. Tijdschema: Artikel 30 van deze verordening wordt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst ten uitvoer gelegd.
    1. Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de „EU-concentratieverordening”). Tijdschema: Artikel 1 en artikel 5, leden 1 en 2, van deze verordening worden binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst ten uitvoer gelegd. Artikel 20 wordt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst ten uitvoer gelegd.
    1. Verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen. Tijdschema: De artikelen 1 tot en met 4, 6, 7 en 8 van deze verordening worden binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst ten uitvoer gelegd.
    1. Verordening (EG) nr. 772/2004 van de Commissie van 27 april 2004 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen overeenkomsten inzake technologieoverdracht. Tijdschema: De artikelen 1 tot en met 8 van deze verordening worden binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst ten uitvoer gelegd.
Artikel 257. Openbare ondernemingen en ondernemingen waaraan bijzondere of uitsluitende rechten zijn toegekend
1.

Ten aanzien van openbare ondernemingen en ondernemingen waaraan bijzondere of uitsluitende rechten zijn toegekend:

  • a. nemen en handhaven de partijen geen maatregelen die in strijd zijn met de beginselen van artikel 254 en artikel 258, lid 1, van deze overeenkomst; en
  • b. zien de partijen erop toe dat de in artikel 253, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde mededingingswetgeving van toepassing is op die ondernemingen,

voor zover de toepassing van de hierboven vermelde mededingingswetgeving en beginselen die ondernemingen niet belemmert in de wettelijke of feitelijke uitvoering van de aan hen opgedragen bijzondere taken.

2.

Lid 1 wordt niet aldus uitgelegd dat een partij hierdoor wordt verhinderd een openbare onderneming op te richten of in stand te houden, aan ondernemingen bijzondere of uitsluitende rechten toe te kennen of dergelijke rechten in stand te houden.

Artikel 258. Staatsmonopolies
1.

Elk van beide partijen past binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst commerciële staatsmonopolies zodanig aan dat wordt gewaarborgd dat er ten aanzien van de voorwaarden waaronder goederen worden ingekocht of in de handel worden gebracht, geen maatregelen bestaan die natuurlijke personen ten opzichte van rechtspersonen of rechtspersonen ten opzichte van natuurlijke personen uit de partijen discrimineren.

2.

Dit artikel doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de partijen op grond van titel IV, hoofdstuk 8 (Overheidsopdrachten) van deze Overeenkomst.

3.

Lid 1 wordt niet aldus uitgelegd dat een partij hierdoor wordt verhinderd een staatsmonopolie op te richten of in stand te houden.

Artikel 259. Uitwisseling van informatie en samenwerking bij de rechtshandhaving
1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking en coördinatie tussen hun respectieve mededingingsautoriteiten met het oog op het verder verbeteren van een doeltreffende handhaving van de mededingingswetgeving en het bereiken van de doelstellingen van deze overeenkomst door middel van de bevordering van mededinging en de inperking van concurrentieverstorende zakelijke activiteiten of transacties.

2.

Hiertoe kan de mededingingsautoriteit van een partij de mededingingsautoriteit van de andere partij in kennis stellen van haar bereidheid tot samenwerking ten aanzien van handhavingsactiviteiten. Deze samenwerking belet de partijen niet om onafhankelijke besluiten te nemen.

3.

Teneinde de daadwerkelijke toepassing van hun respectieve mededingingswetgeving te vergemakkelijken, kunnen de mededingingsautoriteiten van de partijen informatie uitwisselen, over wetgeving en handhavingsactiviteiten daaronder begrepen, binnen de grenzen van hun respectieve wetgeving en met inachtneming van hun wezenlijke belangen.

Artikel 260. Overleg
1.

Elk van beide partijen treedt op verzoek van de andere partij in overleg over bedenkingen van die andere partij, teneinde het wederzijdse begrip te bevorderen of specifieke aangelegenheden in verband met deze afdeling aan de orde te stellen. De verzoekende partij geeft aan in welk opzicht de aangelegenheid van invloed is op de handel tussen de partijen.

2.

Op verzoek van een partij bespreken de partijen terstond alle vraagstukken in verband met de interpretatie of de toepassing van deze afdeling.

3.

Ter vergemakkelijking van de bespreking van de aangelegenheid waarop het overleg betrekking heeft, streeft elk van beide partijen ernaar om de andere partij van relevante niet-vertrouwelijke informatie te voorzien, binnen de grenzen van hun respectieve wetgeving en met inachtneming van hun wezenlijke belangen.

Artikel 261

Geen van beide partijen kan een beroep doen op de beslechting van geschillen uit hoofde van hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel IV van deze overeenkomst voor kwesties die zich in het kader deze afdeling voordoen, behoudens wat artikel 256 van deze overeenkomst aangaat.

AFDELING 2. STAATSSTEUN

Artikel 262. Algemene beginselen
1.

Steun die Oekraïne of de lidstaten van de Europese Unie door aanwending van overheidsmiddelen verlenen, en die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of de productie van bepaalde goederen vervalst of dreigt te vervalsen, is onverenigbaar met de goede werking van deze overeenkomst voor zover daardoor de handel tussen de partijen ongunstig wordt beïnvloed.

2.

Het volgende wordt echter verenigbaar met de goede werking van deze overeenkomst geacht:

  • a. steun met een sociaal karakter die aan individuele consumenten wordt verleend, mits dit geschiedt zonder onderscheid wat de oorsprong van het betrokken product betreft;
  • b. steun ter compensatie van door natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen veroorzaakte schade.
3.

Voorts kan het volgende verenigbaar met de goede werking van deze overeenkomst worden geacht:

  • a. steun ter bevordering van de economische ontwikkeling van gebieden waar de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst;
  • b. steunmaatregelen om de uitvoering van een belangrijk project in het gemeenschappelijke Europese belang41)Voor de toepassing van deze bepaling omvat het gemeenschappelijke Europese belang het algemene belang van de partijen. te bevorderen of om een ernstige verstoring van de economie van een van de lidstaten van de Europese Unie of van Oekraïne te compenseren;
  • c. steun ter bevordering van de ontwikkeling van bepaalde economische activiteiten of van bepaalde economische gebieden waarvoor die steun de handelsvoorwaarden niet negatief beïnvloedt in strijd met de belangen van de partijen;
  • d. steun ter bevordering van de instandhouding van cultuur en erfgoed wanneer die steun de handelsvoorwaarden niet negatief beïnvloedt in strijd met de belangen van de partijen;
  • e. steun om doelstellingen te bereiken die zijn toegestaan ingevolge de horizontale groepsvrijstellingsverordeningen van de EU, en horizontale en sectorspecifieke staatssteun in overeenstemming met de daarin opgenomen voorwaarden;
  • f. steun voor investeringen om aan de dwingende normen van de in bijlage XXIX bij hoofdstuk 6 (Milieu) van titel V van deze overeenkomst vermelde EU-richtlijnen te voldoen, binnen de daarin voorziene termijn voor tenuitvoerlegging, wanneer fabrieken en uitrustingen moeten worden aangepast om aan de nieuwe vereisten te voldoen; deze steun kan worden goedgekeurd tot 40% bruto van de subsidiabele kosten.
4.

Ondernemingen die zijn belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang, of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, zijn onderworpen aan de regels van deze afdeling, voor zover de toepassing van die regels die ondernemingen niet belemmert in de wettelijke of feitelijke uitvoering van de hen opgedragen bijzondere taken. De ontwikkeling van de handel moet niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met de belangen van de partijen bij de overeenkomst.

Bijlage XXIII bevat toelichtingen op bepaalde in deze afdeling gebruikte uitdrukkingen.

Artikel 263. Transparantie
1.

Elk van beide partijen zorgt voor transparantie op het gebied van staatssteun. Daartoe stekt elk van beide partijen de andere partij jaarlijks in kennis van het totale bedrag aan staatssteun dat de handel tussen de partijen ongunstig kunnen beïnvloeden, de aard en de verdeling ervan over de verschillende sectoren. De respectieve kennisgevingen moeten informatie bevatten over het doel, de vorm, het bedrag of budget, de autoriteit die de staatssteun verleent en zo mogelijk de ontvanger van de staatssteun. Voor de toepassing van dit artikel behoeft steun onder de drempel van 200 000 EUR per onderneming gedurende een periode van drie jaar niet te worden aangemeld. De aanmelding wordt geacht te zijn geschied als de kennisgeving naar de andere partij is verzonden of als de desbetreffende informatie uiterlijk 31 december van het volgende kalenderjaar beschikbaar is gesteld op een openbaar toegankelijke internetsite.

2.

Op verzoek van een partij verstrekt de andere partij nadere informatie over staatssteunregelingen en over bijzondere individuele gevallen van staatssteun die de handel tussen de partijen ongunstig beïnvloeden. De partijen wisselen deze informatie uit met inachtneming van de beperkingen die voortvloeien uit het beroeps- of zakengeheim.

3.

De partijen waarborgen dat de financiële betrekkingen tussen de overheidsinstanties en de openbare bedrijven transparant zijn, zodat de volgende zaken duidelijk naar voren komen:

  • a. overheidsmiddelen die direct of indirect (bijvoorbeeld door tussenkomst van overheidsondernemingen of financiële instellingen) aan de betrokken openbare ondernemingen ter beschikking worden gesteld;
  • b. waarvoor deze overheidsmiddelen daadwerkelijk worden aangewend.
4.

De partijen dragen er voorts zorg voor dat de financiële en organisatorische structuur van bedrijven waaraan door Oekraïne of een lidstaat van de Europese Unie bijzondere of uitsluitende rechten zijn toegekend of die met het beheer van een dienst van algemeen economisch belang zijn belast, en die voor het verrichten van die openbare dienst in welke vorm dan ook compensatie ontvangen, juist worden weergegeven op aparte rekeningen, zodat de volgende zaken duidelijk tot uitdrukking komen:

  • a. de kosten en inkomsten die verband houden met de producten of diensten waarvoor aan een onderneming een bijzonder of uitsluitend recht is toegekend of alle diensten van algemeen economisch belang waarmee een onderneming is belast, alsmede, anderzijds, elk ander afzonderlijk product of elke andere afzonderlijke dienst ten aanzien waarvan de onderneming actief is;
  • b. alle aspecten van de methoden waarmee de kosten en inkomsten aan de verschillende activiteiten worden toegerekend of daarover worden verdeeld. Deze methoden moeten gebaseerd zijn op de boekhoudbeginselen oorzakelijk verband, objectiviteit, transparantie en samenhangendheid, in overeenstemming met internationaal erkende boekhoudkundige methoden zoals activity based costing, en op gegevens die voorwerp van een audit zijn geweest.
5.

Elk van beide partijen draagt er zorg voor dat dit artikel binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst wordt toegepast.

Artikel 264. Interpretatie

De partijen komen overeen dat zij artikel 262, artikel 263, lid 3, of artikel 263, lid 4, van deze overeenkomst zullen gebruiken als bronnen voor de interpretatie van de criteria die voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 106, 107 en 93 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met inbegrip van de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie alsmede de relevante afgeleide wetgeving, kaders, richtsnoeren en andere administratieve handelingen die in de Europese Unie gelding hebben.

Artikel 265. Verhouding tot WTO

Deze bepalingen laten het recht van de partijen onverlet om in overeenstemming met de desbetreffende WTO-bepalingen handelsmaatregelen toe te passen of andere passende maatregelen te treffen, dan wel een geschillenbeslechtingsprocedure in te leiden.

Artikel 266. Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op goederen en op diensten die zijn vermeld in bijlage XVI bij hoofdstuk 6 (Vestiging, handel in diensten en elektronische handel) van titel IV van deze overeenkomst, in overeenstemming met het wederzijds overeengekomen besluit inzake markttoegang, maar met uitzondering van subsidies voor producten waarop bijlage 1 bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw en andere onder die overeenkomst vallende subsidies van toepassing is.

Artikel 267. Intern systeem voor controle met betrekking tot staatssteun

Teneinde aan de verplichtingen van de artikelen 262 tot en met 266 van deze overeenkomst te voldoen:

    1. stelt Oekraïne in het bijzonder wetgeving ten aanzien van staatssteun vast, en stelt het een operationeel onafhankelijke autoriteit in waaraan de bevoegdheden worden verleend die nodig zijn om artikel 262 van deze overeenkomst binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst volledig toe te passen. Deze autoriteit zal onder meer bevoegd zijn om staatssteunregelingen en individuele toekenningen van staatssteun goed te keuren, in overeenstemming met de in de artikelen 262 en 264 van deze overeenkomst bedoelde criteria, en om terugvordering van staatssteun te gelasten indien deze onrechtmatig is verleend. Nieuwe steunmaatregelen van Oekraïne moeten binnen een jaar na de datum van instelling van de autoriteit in overeenstemming zijn met de artikelen 262 en 264 van deze overeenkomst;
    1. maakt Oekraïne binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een alomvattende inventaris op van vóór de instelling van de in lid 1 bedoelde autoriteit ingevoerde steunregelingen, en brengt het die regelingen binnen zeven jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst in overeenstemming met de in de artikelen 262 en 264 van deze overeenkomst bedoelde criteria;
  • 3.
  • b. Oekraïne verstrekt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst aan de Europese Commissie de cijfers over zijn bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking op NUTS II-niveau. De in lid 1 van dit artikel bedoelde autoriteit en de Europese Commissie evalueren vervolgens gezamenlijk welke regio's van Oekraïne in aanmerking komen en welke maximum steunintensiteit dienovereenkomstig moet worden vastgesteld, met het oog op het in kaart brengen van de regionale steun op basis van de desbetreffende EU-richtsnoeren.

HOOFDSTUK 11. HANDELSGERELATEERDE ENERGIE

Artikel 268. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 5 (Douane en handelsbevordering) van titel IV van deze overeenkomst wordt verstaan onder:

    1. „energiegoederen”: aardgas (GS-code 27.11), elektrische energie (GS-code 27.16) en ruwe olie (GS-code 27.09);
    1. „vaste infrastructuur”: transmissie- of distributienetwerk, installaties voor vloeibaar aardgas en opslaginstallatie zoals omschreven in Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit, hierna „Richtlijn 2003/54/EG” genoemd, en Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas, hierna „Richtlijn 2003/55/EG” genoemd;
    1. „ongeoorloofde toe-eigening”: welke activiteit dan ook bestaande in de wederrechtelijke toe-eigening van energiegoederen uit een vaste infrastructuur.
Artikel 269. Interne gereguleerde prijzen
1.

De prijs voor de levering van gas en elektriciteit voor industriële verbruikers wordt enkel door vraag en aanbod bepaald.

2.

In afwijking van lid 1 van dit artikel kunnen de partijen in het algemeen economisch belang42)Onder „algemeen economisch belang” moet hetzelfde worden begrepen als in artikel 106 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in het bijzonder als in de rechtspraak van de EU-partij. aan ondernemingen een verplichting opleggen met betrekking tot de prijs waartegen gas en elektriciteit worden geleverd, hierna „gereguleerde prijs” genoemd.

3.

De partijen dragen er zorg voor dat deze verplichting duidelijk wordt omschreven, en transparant, evenredig, niet-discriminerend, controleerbaar alsmede van tijdelijke aard is. Bij de toepassing van deze verplichting waarborgen de partijen eveneens dat andere ondernemingen gelijkelijk toegang tot de consumenten hebben.

4.

Voor zover de prijs waartegen gas en elektriciteit op de interne markt worden verkocht, gereguleerd is, waarborgt de desbetreffende partij dat de aan de berekening van de gereguleerde prijs ten grondslag liggende methodologie vóór de inwerkingtreding van de gereguleerde prijs wordt bekendgemaakt.

Artikel 270. Verbod van dubbele prijsstelling
1.

Onverminderd de mogelijkheid om in overeenstemming met artikel 269, leden 2 en 3, van deze overeenkomst interne gereguleerde prijzen op te leggen, treft noch handhaaft een van de partijen of een regelgevende autoriteit daarvan maatregelen die tot een hogere prijs voor de uitvoer van energiegoederen naar de andere partij leiden dan de prijzen die voor die goederen in rekening worden gebracht wanneer zij bestemd zijn voor intern gebruik.

2.

De partij van uitvoer levert op verzoek van de andere partij bewijsmateriaal aan waaruit blijkt dat een verschil in prijs tussen energiegoederen die op de interne markt worden verkocht en dezelfde goederen die voor de uitvoer zijn bestemd, niet het gevolg is van een ingevolge lid 1 van dit artikel verboden maatregel.

Artikel 271. Douanerechten en kwantitatieve beperkingen
1.

Douanerechten en kwantitatieve beperkingen bij in- en uitvoer van energiegoederen alsmede alle maatregelen van gelijke werking tussen de partijen zijn verboden. Dit verbod is ook van toepassing op douanerechten van fiscale aard.

2.

Lid 1 staat niet in de weg aan kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde of de openbare veiligheid, het leven en de gezondheid van personen, dieren of planten, of de bescherming van de industriële of commerciële eigendom. Deze beperkingen of maatregelen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie, noch een verkapte beperking van de handel tussen de partijen vormen.

Artikel 272. Doorvoer

De partijen nemen de maatregelen die nodig zijn voor de bevordering van de doorvoer, in overeenstemming met het beginsel van de vrijheid van doorvoer, en met de artikelen V.2, V.4 en V.5 van de GATT 1994 en de artikelen 7.1en 7.3 van het Energiehandvestverdrag van 1994, die in deze overeenkomst zijn opgenomen en daarvan integraal deel uitmaken.

Artikel 273. Vervoer

Wat het vervoer van elektriciteit en gas aangaat, en met name de toegang van derden tot vaste infrastructuur, passen de partijen hun wetgeving als bedoeld in bijlage XXVII bij deze overeenkomst en in het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap van 2005 aan, om te waarborgen dat de tarieven, die vóór de inwerkingtreding ervan bekend zijn gemaakt, de procedures voor capaciteitstoewijzing en alle overige voorwaarden objectief, redelijk en transparant zijn en niet discrimineren op grond van herkomst, eigendom of bestemming van de elektriciteit of het gas.

Artikel 274. Samenwerking op het gebied van infrastructuur

De partijen streven ernaar het gebruik van gastransmissie-infrastractuur en van gasopslaginstallaties te bevorderen, en plegen voor zover nodig overleg of coördineren met elkaar over ontwikkelingen op het gebied van de infrastructuur. De partijen werken samen in aangelegenheden die verband houden met de handel in aardgas, duurzaamheid en voorzieningszekerheid.

Teneinde de markten voor energiegoederen verder te integreren, houdt elk van beide partijen bij het opstellen van beleidsstukken over vraag- en aanbodscenario's, interconnecties, energiestrategieën en plannen voor de ontwikkeling van infrastructuur rekening met de energienetwerken en de capaciteiten van de andere partij.

Artikel 275. Ongeoorloofde toe-eigening van energiegoederen

Elk van beide partijen neemt alle maatregelen die nodig zijn om de ongeoorloofde toe-eigening van energiegoederen die over haar grondgebied al dan niet in transit worden vervoerd, te verbieden en aan te pakken.

Artikel 276. Onderbreking
1.

Elk van beide partijen waarborgt dat de exploitanten van de transmissiesystemen de maatregelen treffen die nodig zijn om:

  • a. het risico van onopzettelijke onderbreking, vermindering of stopzetting van de doorvoer en het vervoer te minimaliseren;
  • b. de normale doorvoer die of het normale vervoer dat onopzettelijk werd onderbroken, verminderd of stopgezet, zo spoedig mogelijk weer doorgang te laten vinden.
2.

Bij een geschil over een aangelegenheid waarbij de partijen, dan wel een of meer aan de zeggenschap of jurisdictie van een van de partijen onderworpen entiteiten, betrokken zijn, geldt dat een partij over het grondgebied waarvan energie wordt doorgevoerd of vervoerd, niet mag toestaan dat aan haar zeggenschap of jurisdictie onderworpen entiteiten -staatshandelsondernemingen daaronder begrepen- het bestaande vervoer of de bestaande doorvoer van energiegoederen onderbreken of verminderen, en aan haar jurisdictie onderworpen entiteiten evenmin opdragen zulks te doen, tenzij het contract of een andere contractuele regeling waarin die doorvoer of dat vervoer is geregeld, hiertoe bepalingen bevat en in het kader van het desbetreffende contract een geschillenbeslechtingsprocedure is afgerond.

3.

De partijen zijn het erover eens dat een partij niet op grond van dit artikel aansprakelijk zal worden gesteld voor een onderbreking of vermindering, wanneer zij de energiegoederen onmogelijk kan leveren, doorvoeren of vervoeren ten gevolge van handelingen die aan een derde land of aan een onder de zeggenschap of jurisdictie van een derde land vallende entiteit kunnen worden toegerekend.

Artikel 277. Regelgevende autoriteit voor elektriciteit en gas
1.

Een regelgevende autoriteit moet juridisch gescheiden zijn en onafhankelijk functioneren van alle openbare of particuliere entiteiten, en voldoende bevoegdheden hebben om een daadwerkelijke mededinging en een efficiënte werking van de markt te kunnen waarborgen.

2.

De besluiten die een regelgevende autoriteit neemt en de procedures die zij toepast, zijn onpartijdig ten aanzien van alle marktdeelnemers.

3.

Een door een beslissing van een regelgevende instantie getroffen marktdeelnemer kan beroep tegen die beslissing aantekenen bij een beroepsinstantie die onafhankelijk van de betrokken partijen is. Wanneer de beroepsinstantie geen rechterlijke instantie is, motiveert zij haar beslissing altijd schriftelijk en kunnen haar beslissingen tevens door een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke autoriteit worden getoetst. Beslissingen van beroepsinstanties worden daadwerkelijk ten uitvoer gelegd.

Artikel 278. Verhouding tot Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap
1.

Wanneer bepalingen van deze afdeling conflicteren met het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap van 2005 of met de EU-wetgeving die in het kader van dat Verdrag van toepassing is geworden, hebben het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap van 2005 of de desbetreffende EU-wetgeving voorrang voor zover er sprake is van een dergelijke strijdigheid.

2.

Bij de tenuitvoerlegging van deze afdeling wordt de voorkeur gegeven aan de vaststelling van wetgeving of andere handelingen die in overeenstemming zijn met het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap van 2005, of die gebaseerd zijn op de binnen de EU op deze sector toepasselijke wetgeving. Ingeval van een geschil met betrekking tot deze afdeling worden de wetgeving of andere handelingen die aan deze criteria voldoen, geacht met deze afdeling overeen te stemmen. Bij de beoordeling of de wetgeving of andere handelingen aan deze criteria voldoen, wordt acht geslagen op alle relevante besluiten die in het kader van artikel 91 van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap van 2005 zijn genomen.

3.

Geen van beide partijen zal de geschillenbeslechtingsbepalingen van deze overeenkomst gebruiken om een vermeende schending van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap aan de orde te stellen.

Artikel 279. Toegang tot en uitoefening van activiteiten op het gebied van prospectie, exploratie en productie van koolwaterstoffen
1.

Elke partij43)In dit artikel wordt onder „partij” verstaan: een lidstaat met verwijzing naar diens grondgebied of Oekraïne met verwijzing naar zijn grondgebied. is in overeenstemming met het internationale recht, het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982 daaronder begrepen, volledig soeverein ten aanzien van de koolwaterstoffen die zich binnen haar grondgebied alsmede archipel- en territoriale wateren bevinden, in aanvulling op de soevereine rechten om zich binnen haar exclusieve economische zone en het continentale plat bevindende koolwaterstoffen te exploreren en te exploiteren.

2.

Elk van beide partijen behoudt het recht te bepalen welke gebieden binnen haar grondgebied, archipel- en territoriale wateren, exclusieve economische zone en continentale plat opengesteld worden voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen.

3.

Wanneer een gebied wordt opengesteld voor die activiteiten, waarborgt elk van beide partijen dat entiteiten wat de toegang tot en de uitoefening van die activiteiten betreft, gelijkelijk worden behandeld.

4.

Elk van beide partijen kan van een entiteit waaraan een vergunning voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen is verleend, verlangen dat zij een tegenwaarde in geld of in de vorm van koolwaterstoffen betaalt. De modaliteiten van die betaling moeten zodanig worden vastgesteld dat hierdoor geen invloed op het beheerproces en de besluitvorming van entiteiten wordt uitgeoefend.

Artikel 280. Vergunningverlening en vergunningsvoorwaarden
1.

De partijen nemen de maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat vergunningen op grond waarvan een entiteit voor eigen rekening en risico het recht van prospectie, exploratie of productie van koolwaterstoffen in een geografisch gebied kan uitoefenen, worden verleend volgens een vooraf bekendgemaakte procedure, en zij nodigen potentiële belangstellenden door middel van een aankondiging uit om aanvragen voor een vergunning in te dienen.

2.

In deze aankondiging worden de soort vergunning, het desbetreffende geografische gebied of gedeelte ervan en de voorgestelde datum of uiterste datum waarop een vergunning kan worden verleend, gespecificeerd.

3.

De artikelen 104 en 105 van deze overeenkomst zijn van toepassing op de vergunningsvoorwaarden en de procedure voor de vergunningverlening.

HOOFDSTUK 12. TRANSPARANTIE

Artikel 281. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk:

    1. omvatten „maatregelen van algemene strekking” wetten, regelingen, procedures en administratieve beschikkingen van algemene aard, alsmede algemene handelingen, interpretaties of andere vereisten die gevolgen kunnen hebben voor onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden. Hieronder valt niet een besluit dat op een bepaalde persoon van toepassing is; en
    1. wordt onder „belanghebbende” verstaan: iedere natuurlijke of rechtspersoon op wie rechten of verplichtingen uit hoofde van maatregelen van algemene strekking in de zin van artikel 282 van deze overeenkomst van toepassing kunnen zijn.
Artikel 282. Doelstelling en toepassingsgebied
1.

De partijen zijn zich bewust van de impact die hun respectieve regelgeving op de handel tussen hen kan hebben, en stellen een doeltreffend en voorspelbaar regelgevingskader in voor marktdeelnemers, in het bijzonder voor kleine marktdeelnemers, die zaken doen op hun grondgebied, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de vereisten van rechtszekerheid en evenredigheid.

2.

De partijen bevestigen hun respectieve verbintenissen uit hoofde van de WTO-overeenkomst en leggen verduidelijkingen en verbeterde regelingen vast op het gebied van de transparantie, de raadpleging en een beter beheer van maatregelen van algemene strekking, voor zover deze gevolgen kunnen hebben voor onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden.

Artikel 283. Publicatie
1.

Elk van beide partijen zorgt ervoor dat maatregelen van algemene strekking:

  • a. aan belanghebbenden onverwijld worden bekendgemaakt of voor hen anderszins gemakkelijk en op niet-discriminerende wijze toegankelijk zijn via een officieel aangewezen medium en, wanneer dit haalbaar en mogelijk is, langs elektronische weg, zodat belanghebbenden en de andere partij zich ermee vertrouwd kunnen maken;
  • b. een toelichting bevatten ten aanzien van het doel en de motivering ervan; en
  • c. voldoende tijd tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding bieden, tenzij dit niet mogelijk is vanwege een noodsituatie.
2.

Elke partij:

  • a. streeft ernaar voorstellen tot vaststelling of wijziging van maatregelen van algemene strekking, met inbegrip van een toelichting ten aanzien van het doel en de motivering van het voorstel, voordien al te publiceren;
  • b. biedt belanghebbenden redelijke mogelijkheden en met name voldoende tijd om commentaar te leveren op de voorgestelde maatregelen; en
  • c. streeft ernaar rekening te houden met het commentaar op de voorgestelde maatregelen dat zij van de belanghebbenden ontvangt.
Artikel 284. Vragen en contactpunten
1.

Elk van beide partijen voert passende mechanismen in, of handhaaft deze, om vragen van belanghebbenden over voorgestelde of van kracht zijnde maatregelen van algemene strekking en over de wijze waarop deze maatregelen in het algemeen worden toegepast, te beantwoorden.

Teneinde de communicatie tussen de partijen over alle onder dit deel van de overeenkomst vallende aangelegenheden te vergemakkelijken, stelt elk van beide partijen met name een contactpunt in. Op verzoek van een van beide partijen geeft het contactpunt aan welke dienst of ambtenaar met het onderwerp is belast en verstrekt het de gevraagde hulp om de communicatie met de verzoekende partij te vergemakkelijken.

De vragen kunnen worden ingediend via dergelijke uit hoofde van deze overeenkomst mechanismen.

2.

De partijen erkennen dat een antwoord zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel niet definitief en juridisch bindend hoeft te zijn, maar alleen ter informatie wordt gegeven, tenzij in hun respectieve interne wet- en regelgeving anders wordt bepaald.

3.

Als de andere partij daarom verzoekt, verstrekt een partij onverwijld informatie en beantwoordt zij terstond vragen over een bestaande of voorgestelde maatregel van algemene strekking die volgens de verzoekende partij van invloed kan zijn op de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst, ongeacht of de verzoekende partij voordien van die maatregel in kennis is gesteld.

4.

Elk van beide partijen voert ten behoeve van belanghebbenden passende mechanismen in ter daadwerkelijke oplossing van problemen die zich voor belanghebbenden uit de andere partij kunnen voordoen wegens de toepassing van maatregelen van algemene strekking en administratieve procedures als bedoeld in artikel 285 van deze overeenkomst. Dergelijke mechanismen moeten gemakkelijk toegankelijk, tijdgebonden, op resultaat gericht en transparant zijn. Zij doen geen afbreuk aan beroeps- of toetsingsprocedures die de partijen invoeren of handhaven. Ook doen zij geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) en hoofdstuk 15 (Bemiddeling) van titel IV van deze overeenkomst.

Artikel 285. Administratieve procedures

Elk van beide partijen beheert alle in artikel 281 van deze overeenkomst bedoelde maatregelen van algemene strekking op consequente, onpartijdige en redelijke wijze. Hiertoe ziet elk van beide partijen erop toe dat zij in specifieke gevallen bij de toepassing van die maatregelen op bepaalde personen, goederen of diensten uit een andere partij:

  • a. ernaar streeft belanghebbenden uit de andere partij voor wie een procedure rechtstreeks gevolgen heeft, tijdig en in overeenstemming met haar procedures een kennisgeving te sturen over de inleiding van een procedure, met daarbij een beschrijving van de aard van de procedure, een verklaring over de juridische instantie waar de procedure is begonnen en een algemene beschrijving van aangelegenheden waarover geschil bestaat;
  • b. belanghebbenden een redelijke mogelijkheid biedt om feiten en argumenten tot staving van hun standpunten naar voren te brengen voordat tot een definitief administratief optreden wordt overgegaan, indien de tijd, de aard van de procedure en het openbaar belang dit toelaten; en
  • c. waarborgt dat haar procedures gebaseerd zijn op haar interne wetgeving en hiermee in overeenstemming zijn.
Artikel 286. Toetsing en beroep
1.

Elk van beide partijen voert rechtbanken of andere onafhankelijke gerechten, met inbegrip van quasi-rechterlijke of administratieve instanties, of procedures in of handhaaft deze, met het oog op een onverwijlde toetsing en, indien gerechtvaardigd, correctie van het administratieve optreden met betrekking tot gebieden waarop deze overeenkomst van toepassing is. Deze rechtbanken, overige gerechten en procedures zijn onpartijdig en onafhankelijk van de dienst of de autoriteit die belast is met de administratieve handhaving en hebben geen materieel belang bij de uitkomst van de aangelegenheid.

2.

Elk van beide partijen zorgt ervoor dat de procespartijen bij dergelijke rechtbanken, overige gerechten of procedures recht krijgen op:

  • a. een redelijke mogelijkheid om hun respectieve standpunten te ondersteunen of te verdedigen, en
  • b. een beslissing die is gebaseerd op bewijsmateriaal en ingediende stukken, of, indien de wet van een partij dat vereist, op het door de administratieve autoriteit samengestelde dossier.
3.

Elk van beide partijen zorgt ervoor dat, behoudens beroep of verdere toetsing overeenkomstig haar interne wetgeving, de betrokken beslissing ten uitvoer wordt gelegd door de dienst of de instantie die voor het administratieve optreden ter zake bevoegd is en dat die beslissing ook ten grondslag komt te liggen aan de praktijk van die dienst of instantie.

Artikel 287. Regelgevingskwaliteit en -efficiency en goed bestuur
1.

De partijen komen overeen samen te werken bij de bevordering van de kwaliteit en efficiency van de regelgeving, onder meer door de uitwisseling van informatie en van optimale praktijken over de bij hen doorgevoerde hervorming van de regelgeving en de effectbeoordeling ter zake.

2.

De partijen onderschrijven de beginselen van goed bestuurlijk gedrag en komen overeen samen te werken bij de bevordering daarvan, onder meer door uitwisseling van informatie en van optimale praktijken.

Artikel 288. Discriminatieverbod

Elk van beide partijen past op belanghebbenden van de andere partij normen inzake transparantie toe die niet minder gunstig zijn dan die welke gelden voor hun eigen belanghebbenden.

HOOFDSTUK 13. HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING

Artikel 289. Context en doelstellingen
1.

De partijen herinneren aan Agenda 21 over milieu en ontwikkeling van 1992, het Uitvoeringsplan van Johannesburg over duurzame ontwikkeling van 2002, de internationaal overeengekomen beleidsagenda's op het gebied van werkgelegenheids- en sociaal beleid, met name de agenda voor waardig werk van de Internationale Arbeidsorganisatie, hierna „ILO” genoemd, en de Ministeriële Verklaring van 2006 van de Economische en Sociale Raad van de VN over volledige werkgelegenheid en fatsoenlijk werk. De partijen herbevestigen hun verbintenis om de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze te bevorderen dat aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling wordt bijgedragen, en om erop toe te zien dat deze doelstelling wordt geïntegreerd in en tot uitdrukking komt op elk niveau van hun handelsbetrekkingen.

2.

Hiertoe erkennen de partijen dat het belangrijk is om ten volle rekening te houden met de economische, sociale en milieubelangen van niet alleen hun respectieve bevolking, maar ook van toekomstige generaties, en dragen zij er zorg voor dat beleidsmaatregelen met betrekking tot de economische ontwikkeling, het milieu- en het sociale beleid elkaar ondersteunen.

Artikel 290. Reglementeringsrecht
1.

Terwijl de partijen erkennen dat elk van hen het recht heeft zelf te bepalen tot welk niveau zij in overeenstemming met de hierop betrekking hebbende internationaal erkende beginselen en overeenkomsten regels vastlegt op het gebied van interne milieu- en werkgelegenheidsbescherming, en beleidsmaatregelen en prioriteiten met betrekking tot duurzame ontwikkeling, en haar relevante wetgeving dienovereenkomstig vast te stellen of te wijzigen, dragen zij er zorg voor dat hun respectieve wetgeving in een hoog beschermingsniveau voor milieu- en werkgelegenheidsbescherming voorziet en streven zij ernaar die wetgeving te blijven verbeteren.

2.

Om de doelstellingen van dit artikel te bereiken past Oekraïne haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen alsmede administratieve praktijken aan het EU-acquis aan.

Artikel 291. Multilaterale arbeidsnormen en -overeenkomsten
1.

De partijen erkennen volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen als cruciale elementen voor de handel in de context van globalisering. De partijen herbevestigen dat zij zich inspannen om de handelsontwikkeling zodanig te bevorderen dat deze leidt tot volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen, met inbegrip van mannen, vrouwen en jongeren.

2.

De partijen bevorderen en implementeren in hun wetten en praktijken de internationaal erkende fundamentele arbeidsnormen, te weten:

  • a. de vrijheid tot oprichting van vakverenigingen en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve onderhandelingen;
  • b. de uitbanning van alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid;
  • c. de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid; en
  • d. de uitbanning van discriminatie met betrekking tot werk en beroep.
3.

De partijen herbevestigen hun verbintenis om de fundamentele en prioritaire ILO-verdragen die zij hebben geratificeerd, en de Verklaring over de fundamentele rechten en principes met betrekking tot werk van de ILO uit 1998, daadwerkelijk ten uitvoer te leggen. De partijen overwegen eveneens ratificatie en tenuitvoerlegging van andere ILO-verdragen die door de ILO als actueel worden aangemerkt.

4.

De partijen benadrukken dat arbeidsnormen niet mogen worden gebruikt voor protectionistische handelsdoeleinden. Zij merken op dat hun comparatieve voordeel in geen geval ter discussie mag worden gesteld.

Artikel 292. Multilaterale milieuovereenkomsten
1.

De partijen erkennen de waarde van internationale governance en overeenkomsten op milieugebied als antwoord van de internationale gemeenschap op mondiale of regionale milieuproblemen.

2.

De partijen herbevestigen hun verbintenis om de multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij zijn daadwerkelijk in hun wetgeving en praktijk ten uitvoer te leggen.

3.

Niets in deze overeenkomst beperkt het recht van een partij om maatregelen vast te stellen of te handhaven teneinde de multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij is, uit te voeren. Deze maatregelen worden niet zodanig toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen of een verkapte handelsbeperking vormen.

4.

De partijen dragen er zorg voor dat het milieubeleid wordt gebaseerd op het voorzorgsbeginsel en op de beginselen dat preventief moet worden opgetreden, dat milieuschade prioritair moet worden rechtgezet aan de bron en dat de vervuiler moet betalen.

5.

De partijen werken samen om te bevorderen dat in overeenstemming met de doelstelling van een duurzame ontwikkeling voorzichtig en rationeel gebruik wordt gemaakt van natuurlijke hulpbronnen, met het oogmerk dat het verband tussen de handel enerzijds en het milieubeleid en de milieupraktijk van de partijen anderzijds versterkt.

Artikel 293. Handel ten behoeve van duurzame ontwikkeling
1.

De partijen herbevestigen dat de handel de duurzame ontwikkeling in al haar aspecten moet bevorderen. De partijen erkennen de positieve rol die de fundamentele arbeidsnormen en fatsoenlijk werk kunnen hebben op de economische efficiëntie, innovatie en productiviteit, en zij benadrukken de waarde van een grotere coherentie tussen het handelsbeleid enerzijds en de werkgelegenheid en het sociale beleid anderzijds.

2.

De partijen streven ernaar de handel en de buitenlandse directe investeringen in milieugoederen, -diensten en -technologieën, duurzame energie, energie-efficiënte producten en diensten en goederen met een milieukeur te vergemakkelijken en te bevorderen, onder meer door de aanpak van niet-tarifaire belemmeringen ter zake.

3.

Zij streven er voorts naar de handel in producten die bijdragen tot een duurzame ontwikkeling, waaronder producten die onder programma's voor eerlijke en ethische handel vallen en die waarvoor beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen en verantwoordingsplicht gelden, te vergemakkelijken en te bevorderen.

Artikel 294. Handel in bosbouwproducten

Ter bevordering van een duurzaam bosbeheer zeggen de partijen toe samen te werken aan een betere handhaving van de wetgeving en governance op bosbouwgebied, alsmede aan de bevordering van de handel in rechtmatige duurzame bosbouwproducten.

Artikel 295. Handel in visproducten

Met inachtneming van het belang van een verantwoord en duurzaam beheer van de visbestanden, alsmede van een goede governance in de handel, werken de partijen samen door:

  • a. het treffen van doeltreffende maatregelen om visbestanden en andere aquatische rijkdommen te bewaken en te beheren;
  • b. zorg te dragen voor volledige naleving van de toepasselijke door regionale organisaties voor visserijbeheer vastgestelde instandhoudings- en controlemaatregelen, en door binnen die organisaties zoveel mogelijk samen te werken, en
  • c. het onder meer invoeren van handelsmaatregelen ter bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij.
Artikel 296. Handhaving van beschermingsniveaus
1.

De partijen doen geen afbreuk aan de daadwerkelijke handhaving van hun milieu- en arbeidswetgeving door een onafgebroken of herhaald handelen of nalaten, op een wijze die van invloed is op de handel of de investeringen tussen de partijen.

2.

De partijen zwakken de in hun wetgeving verleende bescherming van het milieu of van de werknemers niet af om de handel of investeringen te bevorderen, noch verminderen zij deze bescherming door af te zien van toepassing van of anderszins af te wijken van, of door aan te bieden af te zien van toepassing van of anderszins af te wijken van hun wet- en regelgeving of normen, op een wijze die van invloed is op de handel of de investeringen tussen de partijen.

Artikel 297. Wetenschappelijke informatie

De partijen erkennen dat het belangrijk is om bij de opstelling, vaststelling en tenuitvoerlegging van maatregelen ter bescherming van het milieu, de volksgezondheid en de sociale omstandigheden die van invloed zijn op de handel tussen de partijen, rekening te houden met wetenschappelijke en technische informatie, en internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen ter zake.

Artikel 298. Evaluatie van effecten op de duurzaamheid

De partijen verbinden zich ertoe het effect van de tenuitvoerlegging van deze titel op de duurzame ontwikkeling te beoordelen en te volgen via hun bestaande participatieprocessen en participatieve instellingen en die welke in het kader van deze overeenkomst in het leven zijn geroepen, bijvoorbeeld door handelsgerelateerde beoordelingen van het effect op de duurzaamheid.

Artikel 299. Organisaties uit het maatschappelijke middenveld
1.

Elk van beide partijen wijst een nieuwe of bestaande adviesgroep voor duurzame ontwikkeling aan en roept deze groep bijeen die tot taak heeft advies over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk te verlenen.

2.

De adviesgroep bestaat uit onafhankelijke representatieve organisaties uit het maatschappelijk middenveld, met een evenwichtige vertegenwoordiging van werkgevers en werknemersorganisaties, niet-gouvernementele organisaties en andere belanghebbenden.

3.

Leden van de adviesgroep van elk van beide partijen komen bijeen in een Forum voor het maatschappelijk middenveld om te discussiëren over de duurzameontwikkelingsaspecten van de handelsbetrekkingen tussen de partijen. Dit forum komt eenmaal per jaar bijeen, tenzij de partijen anders overeenkomen. De partijen bereiken uiterlijk een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst overeenstemming over de werkwijze van het Forum voor het maatschappelijk middenveld.

4.

De dialoog van het Forum voor het maatschappelijk middenveld doet geen afbreuk aan de rol van het ingevolge artikel 469 van deze overeenkomst opgerichte Platform voor het maatschappelijk middenveld.

5.

De partijen stellen het Forum voor het maatschappelijk middenveld op de hoogte van de vooruitgang die wordt geboekt bij de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk. De standpunten, opinies of suggesties van het Forum voor het maatschappelijk middenveld kunnen rechtstreeks of via de adviesgroepen aan de partijen worden voorgelegd.

Artikel 300. Institutioneel en toezichtmechanisme
1.

Er wordt een subcomité handel en duurzame ontwikkeling opgericht. Het subcomité brengt verslag over zijn activiteiten uit aan het Associatiecomité, in de samenstelling volgens artikel 465, lid 4, van deze overeenkomst. Het subcomité bestaat uit hoge ambtenaren van elk van beide partijen. Het subcomité ziet toe op de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk, met inbegrip van de resultaten van de toezichtactiviteiten en effectbeoordelingen, en bespreekt in goed vertrouwen problemen die zich in verband met de toepassing van dit hoofdstuk voordoen. Het subcomité stelt zijn eigen reglement van orde vast. Het subcomité komt bijeen binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst en daarna ten minste een keer per jaar.

2.

Elke partij wijst binnen haar overheid een contactpunt aan om de communicatie tussen de partijen te vergemakkelijken over zaken die door dit hoofdstuk worden bestreken.

3.

De partijen kunnen de vooruitgang in verband met de door dit hoofdstuk bestreken tenuitvoerleggings- en handhavingsmaatregelen volgen. Een partij kan de andere partij om specifieke informatie, met opgave van redenen, over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk verzoeken.

4.

Een partij kan om overleg met de andere partij verzoeken over elke aangelegenheid die zich voordoet in verband met dit hoofdstuk, door bij het contactpunt van die partij een schriftelijk verzoek hiertoe in te dienen. De partijen komen overeen om, wanneer een van de partijen daarom verzoekt, tijdig via daartoe geëigende kanalen overleg te plegen.

5.

De partijen doen al het mogelijke om tot een wederzijds bevredigende oplossing van de aangelegenheid te komen en mogen advies, informatie of bijstand vragen van iedere persoon die of van elk orgaan dat zij daartoe passend achten, teneinde de aangelegenheid die in het geding is, volledig te onderzoeken. De partijen houden rekening met de activiteiten van de ILO of relevante multilaterale milieuorganisaties of -organen waarbij zij partij zijn.

6.

Indien de partijen er niet in slagen de aangelegenheid door overleg tot een oplossing te brengen, kan een van beide partijen verzoeken het subcomité voor behandeling van de aangelegenheid bijeen te roepen door hiertoe een schriftelijk verzoek bij het contactpunt van de andere partij in te dienen. Het subcomité komt tijdig bijeen en streeft naar overeenstemming over een oplossing van de aangelegenheid; hiertoe kan het in voorkomend geval overleg plegen met gouvernementele of niet-gouvernementele deskundigen. De oplossing van het subcomité wordt openbaar gemaakt tenzij het anders besluit.

7.

Voor alle aangelegenheden die zich in verband met dit hoofdstuk voordoen, maken de partijen enkel gebruik van de in de artikelen 300 en 301 van deze overeenkomst bedoelde procedures.

Artikel 301. Groep van deskundigen
1.

Tenzij de partijen anders overeenkomen, kan een partij 90 dagen na de indiening van een verzoek om overleg ingevolge artikel 300, lid 4, van deze overeenkomst verzoeken een groep van deskundigen bijeen te roepen om een aangelegenheid, die tijdens het overleg op regeringsniveau niet op bevredigende wijze werd opgelost, te onderzoeken. Binnen 30 dagen nadat een partij heeft verzocht de groep van deskundigen bijeen te roepen, kan het subcomité handel en duurzame ontwikkeling op verzoek van een van de partijen worden bijeengeroepen om de aangelegenheid te bespreken. De partijen kunnen opmerkingen indienen bij de groep. De groep kan beide partijen, de adviesgroep(en) of internationale organisaties om informatie en advies verzoeken. De groep van deskundigen komt bijeen binnen 60 dagen nadat een partij een verzoek daartoe heeft ingediend.

2.

De groep, die wordt geselecteerd in overeenstemming met de in lid 3 van dit artikel uiteengezette procedures, geeft deskundig advies over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk. Tenzij de partijen anders overeenkomen, legt de groep binnen 90 dagen nadat de laatste deskundige is geselecteerd, een verslag voor aan de partijen. De partijen doen al het mogelijke om zich naar het advies of de aanbevelingen van de groep over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk te voegen. Het subcomité handel en duurzame ontwikkeling volgt de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de groep. Het verslag van de groep wordt beschikbaar gesteld aan de adviesgroep(en) van de partijen. Ten aanzien van vertrouwelijke informatie en het reglement van orde zijn de beginselen van bijlage XXIV bij hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel IV van deze overeenkomst respectievelijk van toepassing.

3.

Na de inwerkingtreding van deze overeenkomst stellen de partijen in onderling overleg een lijst met ten minste 15 personen op die deskundig zijn op het door dit hoofdstuk bestreken gebied; ten minste vijf van deze personen, die het voorzitterschap van de groep zullen bekleden, zijn geen onderdaan van een van de partijen. De deskundigen zijn onafhankelijk van, hebben geen banden met en ontvangen geen instructies van een van de partijen of van organisaties die in de adviesgroep(en) vertegenwoordigd zijn. Elk van beide partijen selecteert binnen 50 dagen na de ontvangst van het verzoek van een partij om de groep op te richten, een deskundige uit de lijst van deskundigen. Indien een partij verzuimt haar deskundige binnen die periode te selecteren, selecteert de andere partij uit de lijst van deskundigen een onderdaan van de partij die heeft verzuimd een deskundige te selecteren. De twee geselecteerde deskundigen bereiken overeenstemming over de voorzitter, die wordt gekozen uit de lijst van deskundigen die geen onderdaan van een van de partijen zijn.

Artikel 302. Samenwerking bij handel en duurzame ontwikkeling

De partijen werken samen met betrekking tot handelsgerelateerde aspecten van het werkgelegenheids- en het milieubeleid, teneinde de doelstellingen van deze overeenkomst te bereiken.

HOOFDSTUK 14. 44) Ter voorkoming van twijfel wordt deze titel niet aldus uitgelegd dat daaraan rechten kunnen worden ontleend of dat deze verplichtingen bevat waarop bij de rechterlijke instanties van de partijen een rechtstreeks beroep kan worden gedaan.BESLECHTING VAN GESCHILLEN

Artikel 303. Doel

Het doel van dit hoofdstuk is geschillen tussen de partijen over de toepassing van de in artikel 304 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen van deze overeenkomst te goeder trouw te vermijden en te beslechten en zoveel mogelijk een onderling overeengekomen oplossing te vinden45)Ter voorkoming van twijfel vallen besluiten en litigieus nalaten van bij deze overeenkomst opgerichte lichamen niet onder dit hoofdstuk. .

Artikel 304. Toepassingsgebied

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op geschillen over de interpretatie en toepassing van titel IV van deze overeenkomst, behalve voor zover uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 305. Overleg
1.

De partijen streven ernaar elk geschil over de interpretatie en toepassing van de in artikel 304 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen op te lossen door te goeder trouw overleg te voeren, teneinde een onderling overeengekomen oplossing te vinden.

2.

Een partij verzoekt de andere partij schriftelijk om overleg, met kopie aan het Handelscomité, waarbij zij aangeeft om welke maatregel het gaat en welke van de in artikel 304 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen van deze overeenkomst volgens haar van toepassing zijn.

3.

Het overleg wordt binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek gehouden en vindt, tenzij de partijen anders overeenkomen, plaats op het grondgebied van de partij waartegen de klacht gericht is. Het overleg wordt 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Alle tijdens het overleg verstrekte informatie wordt vertrouwelijk behandeld.

4.

Overleg over urgente kwesties, zoals over aan bederf onderhevige waren of seizoensgebonden goederen, vindt plaats binnen 15 dagen na de datum van indiening van het verzoek en wordt 15 dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten.

5.

Wanneer het overleg betrekking heeft op het vervoer van energiegoederen via netwerken en een partij oplossing van het geschil urgent acht wegens een volledige of gedeeltelijke onderbreking van het vervoer van aardgas, olie of elektriciteit tussen Oekraïne en de EU-partij, wordt dit gehouden binnen drie dagen na de indiening van het verzoek en wordt het drie dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Alle tijdens het overleg verstrekte informatie wordt vertrouwelijk behandeld.

6.

Indien het overleg niet binnen de in lid 3 of lid 4 van dit artikel genoemde termijnen plaatsvindt, of indien het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing kon worden bereikt, kan de klagende partij overeenkomstig artikel 306 van deze overeenkomst verzoeken om de instelling van een arbitragepanel.

AFDELING 1. ARBITRAGEPROCEDURE

Artikel 306. Inleiding van de arbitrageprocedure
1.

Wanneer de partijen er niet in zijn geslaagd het geschil door middel van het in artikel 305 van deze overeenkomst bedoelde overleg op te lossen, kan de klagende partij verzoeken om de instelling van een arbitragepanel.

2.

Het verzoek om instelling van een arbitragepanel wordt schriftelijk gedaan bij de partij waartegen de klacht gericht is en bij het Handelscomité. De klagende partij vermeldt in haar verzoek de specifieke maatregel die in het geding is en geeft de rechtsgronden voor de klacht bondig aan doch zodanig dat het probleem helder wordt weergegeven. Ingeval de klagende partij verlangt dat een panel wordt ingesteld dat een andere taakomschrijving heeft dan de standaard-taakomschrijving, wordt de voorgestelde tekst van de bijzondere taakomschrijving in het schriftelijke verzoek opgenomen.

3.

Tenzij de partijen binnen vijf dagen na de datum van instelling van het panel anders overeenkomen, luidt de taakomschrijving van het arbitragepanel als volgt:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)