Wet van 28 september 2006, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht)
De artikelen 2:28, eerste en tweede lid, 2:29, 2:30 en 2:33 zijn van overeenkomstige toepassing op verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel buiten Nederland.
Artikel 2:52
Het is een ieder met zetel:
- a. in een andere lidstaat verboden het bedrijf van levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang door middel van het verrichten van diensten naar Nederland uit te oefenen, tenzij hij de Nederlandsche Bank van dit voornemen kennis heeft gegeven;
- b. in een staat die geen lidstaat is, verboden het bedrijf van levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang door middel van het verrichten van diensten naar Nederland uit te oefenen;
- c. in een staat die geen lidstaat is en aldaar het bedrijf van levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang uitoefent verboden om door middel van het verrichten van diensten naar Nederland het bedrijf van herverzekeraar in Nederland uit te oefenen.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op levensverzekeraars, natura-uitvaartverzekeraars of schadeverzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen lidstaat waar toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van lidstaten. Het besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op levensverzekeraars met zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar.
Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft ontvangen, deelt zij de ontvangst hiervan onverwijld mede aan de financiële onderneming die de kennisgeving heeft gedaan.
Artikel 2:53
De kennisgeving, bedoeld in artikel 2:52, eerste lid, onderdeel a, geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang, bedoeld in artikel 2:52, eerste lid, onderdeel a, kan overgaan tot het verrichten van diensten nadat hij de mededeling, bedoeld in artikel 2:52, vierde lid, van de Nederlandsche Bank heeft ontvangen.
Artikel 2:54
Een levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang, bedoeld in artikel 2:50, tweede lid, of artikel 2:52, tweede lid, die voornemens is vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland het bedrijf van levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang uit te oefenen, geeft aan de Nederlandsche Bank kennis van dat voornemen. De levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang legt daarbij een door de toezichthoudende instantie van die aangewezen staat of lidstaat afgegeven verklaring over waaruit blijkt dat hij in die staat of die lidstaat bevoegd is tot het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang.
De levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang kan overgaan tot het uitoefenen van het voorgenomen bedrijf door middel van het verrichten van diensten naar Nederland nadat de kennisgeving is gedaan en de verklaring is afgegeven tenzij de Nederlandsche Bank mededeelt dat het voornemen in strijd is met deze wet.
Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de ontvangst hiervan onverwijld mede aan de levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang die de kennisgeving heeft gedaan.
De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving de toezichthoudende instantie van de aangewezen staat mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van zijn bedrijf vanuit het in Nederland gelegen bijkantoor. De Nederlandsche Bank zendt hiervan een afschrift aan de levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang.
§ 2.2.4.2a. Vrijstelling
Artikel 2:54.0a
Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden verleend van de artikelen 2:50 en 2:52. Aan deze vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.
Afdeling 2.2.4a. Uitoefenen van bedrijf van entiteit voor risico-acceptatie
§ 2.2.4a.1. Vergunningplicht en -eisen voor entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in Nederland
Artikel 2:54a
Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning de werkzaamheden van een entiteit voor risico-acceptatie te verrichten.
In een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt de soort herverzekeringsactiviteit vermeld waarvoor de vergunning wordt verleend.
Artikel 2:54b
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:54a, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge artikel 211, tweede lid, van de richtlijn solvabiliteit II, voor zover nodig aangevuld met het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
- c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 3:16, eerste en tweede lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
- e. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- f. artikel 3:19, eerste lid, met betrekking tot het minimumaantal leden van de raad van commissarissen; en
- g. artikel 3:70, eerste lid, met betrekking tot het boekjaar.
Indien de aanvraag een entiteit voor risico-acceptatie met zetel in Nederland betreft waarin een gekwalificeerde deelneming wordt gehouden, verleent de Nederlandsche Bank, onverminderd het eerste lid, een vergunning indien de houder van de gekwalificeerde deelneming een verklaring van geen bezwaar overeenkomstig artikel 3:95, tweede lid, heeft aangevraagd, en de Nederlandsche Bank van oordeel is dat voldaan is aan het bepaalde ingevolge artikel 3:99 en artikel 211, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de richtlijn solvabiliteit II met betrekking tot de verklaring van geen bezwaar. Bij de beoordeling of voldaan is aan het bepaalde ingevolge artikel 211, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de richtlijn solvabiliteit II geeft de Nederlandsche Bank overeenkomstige toepassing aan artikel 3:100, eerste lid, aanhef en onderdeel a, aanhef en onderdeel c, en aanhef en onderdeel e, alsmede aan artikel 3:100, tweede lid.
De aanvraag geschiedt onder vermelding van de herverzekeringsactiviteit, en onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
§ 2.2.4a.2. Bijkantoren van en verrichten van diensten door entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in een andere lidstaat
Artikel 2:54c
Een entiteit voor risico-acceptatie met zetel in een andere lidstaat kan overgaan tot het verrichten van haar werkzaamheden vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland indien zij een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat daartoe verleende vergunning heeft.
Artikel 1:107, tweede lid, is niet van toepassing.
§ 2.2.4a.3. Bijkantoren van en verrichten van diensten door entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 2:54d
Het is een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor de werkzaamheden van een entiteit voor risico-acceptatie te verrichten.
Het eerste lid is niet van toepassing op entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat die geen lidstaat is waar toezicht op het verrichten van werkzaamheden van een entiteit voor risico-acceptatie wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van staten. Het besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken.
Een besluit tot aanwijzing van een staat, bedoeld in het tweede lid, en de intrekking daarvan, worden bekend gemaakt in de Staatscourant.
Artikel 2:54e
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:54d, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat met betrekking tot het bijkantoor zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 3:16, eerste en tweede lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
- e. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- f. artikel 3:53, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
- g. artikel 3:57, eerste tot en met derde lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
- h. artikel 3:70, eerste lid, met betrekking tot het boekjaar,
alsmede dat de aanvrager voldoet aan artikel 3:24, met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid, de bevoegdheid tot uitoefening van de werkzaamheden van een entiteit voor risico-acceptatie, en de uitoefening van die bevoegdheid, met dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met h de in die onderdelen genoemde artikelen voor «verzekeraar met zetel in Nederland» telkens moet worden gelezen: «het in Nederland gelegen bijkantoor van een entiteit voor risico-acceptatie met zetel in een niet-aangewezen staat».
De aanvraag geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, e, g of h, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:54f
Het is een ieder met zetel in een niet-aangewezen staat verboden door middel van het verrichten van diensten naar Nederland het bedrijf van entiteit voor risico-acceptatie uit te oefenen, tenzij hij de Nederlandsche Bank hiervan kennis geeft en aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:24 met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid, de bevoegdheid tot uitoefening van het bedrijf van entiteit voor risico-acceptatie en de uitoefening van die bevoegdheid; en
- b. artikel 3:57, eerste tot en met derde lid, met betrekking tot de solvabiliteit, met dien verstande dat voor de toepassing van dit onderdeel in dat artikel voor «een verzekeraar met zetel in Nederland» moet worden gelezen: «een entiteit voor risico-acceptatie met zetel in een niet-aangewezen staat».
De entiteit voor risico-acceptatie legt daarbij een door de toezichthoudende instantie van die niet-aangewezen staat afgegeven verklaring over waaruit blijkt dat hij in die staat bevoegd is tot de uitoefening van de werkzaamheden van een entiteit voor risico-acceptatie.
De kennisgeving geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De entiteit voor risico-acceptatie kan overgaan tot het uitoefenen van haar bedrijf door middel van het verrichten van diensten naar Nederland na de mededeling, bedoeld in artikel 2:47, en nadat de verklaring, bedoeld in het eerste lid, is afgegeven.
De entiteit voor risico-acceptatie, bedoeld in het eerste lid, oefent haar bedrijf door middel van het verrichten van diensten naar Nederland uitsluitend uit in de activiteit tot het uitoefenen waarvan zij in de staat waar zij haar zetel heeft bevoegd is.
Afdeling 2.2.4b. Uitoefenen van bedrijf van premiepensioeninstelling
§ 2.2.4b.1. Vergunningplicht en -eisen voor premiepensioeninstellingen
Artikel 2:54g
Het is verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van premiepensioeninstelling.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op pensioenfondsen en pensioeninstellingen uit een andere lidstaat.
Artikel 2:54h
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:54g, eerste lid, indien de aanvrager zetel heeft in Nederland en aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
- c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 3:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
- e. artikel 3:16, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
- f. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- g. artikel 3:18, met betrekking tot uitbesteding aan een derde;
- h. artikel 3:19a, met betrekking tot de rechtsvorm;
- i. artikel 3:35a met betrekking tot de kapitaaldekking en de onafhankelijkheid;
- j. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
- k. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit;
- l. artikel 4:71b, eerste lid, met betrekking tot het bewaren van het pensioenvermogen door een pensioenbewaarder
- m. artikel 4:71b, tweede lid, met betrekking tot de rechtsvorm en statutaire doelomschrijving van de pensioenbewaarders;
- n. artikel 4:71b, derde lid, met betrekking tot het treffen van maatregelen door de premiepensioeninstelling ter bescherming van de rechten van pensioendeelnemers;
- o. artikel 4:71c met betrekking tot de tussen de premiepensioeninstelling en de bijdragende onderneming en de tussen de premiepensioeninstelling en de pensioenbewaarder te sluiten overeenkomsten.
Indien de aanvrager zetel heeft in Nederland en voornemens is tevens als adviseur, bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent in verzekeringen in Nederland op te treden, verleent de Nederlandsche Bank de vergunning indien de aanvrager, onverminderd het eerste lid, aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 4:9, tweede en derde lid, met betrekking tot de vakbekwaamheid van de in artikel 4:9, tweede lid, bedoelde personen;
- b. artikel 4:15, tweede lid, onderdeel b, aanhef en onder 1° en 2°, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering; en
- c. indien het bemiddelen in verzekeringen betreft, artikel 4:75, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beschikken over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag al dan niet voor bepaalde tijd geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, onderdeel c, d, f, g, i, j, k, l, m of n, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Afdeling 2.2.4c. Uitoefenen van bedrijf van wisselinstelling
§ 2.2.4c.1. Vergunningplicht en -eisen voor wisselinstellingen met zetel in Nederland
Artikel 2:54i
Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning in Nederland het bedrijf uit te oefenen van wisselinstelling.
Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank of betaaldienstverlener een door de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel en het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.
Artikel 2:54j
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:54i, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen;
- c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering; en
- e. artikel 3:9a met betrekking tot de uiteindelijk belanghebbende.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdelen b of c, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
§ 2.2.4c.2. Vrijstelling
Artikel 2:54k
Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden verleend van artikel 2:54i, eerste lid. Aan deze vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.
Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden verleend van artikel 2:54j, eerste lid.
§ 2.2.4c.3. Bijkantoren van wisselinstellingen met zetel buiten Nederland
Artikel 2:54l
Het is een ieder met zetel buiten Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van wisselinstelling uit te oefenen.
Het eerste lid is niet van toepassing op wisselinstellingen met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van wisselinstelling wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van staten. Het besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken.
Het besluit tot aanwijzing van een staat als bedoeld in het tweede lid of de intrekking daarvan wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.
Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat die voor het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener of bank een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat, dan wel de Europese Centrale Bank verleende vergunning hebben, tenzij de vergunning anders vermeld.
Artikel 2:54m
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:54l, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen;
- b. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot integere bedrijfsuitoefening;
- c. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering; en
- d. artikel 3:9a met betrekking tot de uiteindelijk belanghebbende,
met dien verstande dat voor de toepassing van de in de onderdelen a tot en met d genoemde artikelen voor «wisselinstelling met zetel in Nederland» telkens moet worden gelezen: het bijkantoor in Nederland van een wisselinstelling met zetel in een niet-aangewezen staat.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdelen b of c, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:54n
Een wisselinstelling als bedoeld in artikel 2:54l, tweede lid, die voornemens is vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van wisselinstelling uit te oefenen, geeft aan de Nederlandsche Bank kennis van dat voornemen. De wisselinstelling legt daarbij een door de toezichthoudende instantie van die aangewezen staat afgegeven verklaring over waaruit blijkt dat zij in die staat bevoegd is tot het uitoefenen van het bedrijf van wisselinstelling.
De wisselinstelling kan overgaan tot het uitoefenen van het voorgenomen bedrijf door middel van een bijkantoor in Nederland nadat de kennisgeving is gedaan en de verklaring is afgegeven.
Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de betrokken wisselinstelling onverwijld deze ontvangst mede.
De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving de toezichthoudende instantie van de aangewezen staat mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de wisselinstelling in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van haar bedrijf vanuit het in Nederland gelegen bijkantoor. De Nederlandsche Bank zendt hiervan een afschrift aan de wisselinstelling.
Afdeling 2.2.4d. Uitoefenen van bedrijf van kredietunie
§ 2.2.4d.1. Vergunningplicht en -eisen voor kredietunies met zetel in Nederland
Artikel 2:54o
Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van kredietunie.
Artikel 2:54p
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:54o, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
- c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 3:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
- e. artikel 3:16, eerste en tweede lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
- f. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- g. artikel 3:38c met betrekking tot de maximale hoeveelheid aangetrokken opvorderbare gelden en een maximaal aantal leden.
- h. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
- i. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
- j. artikel 3:63, eerste en tweede lid, met betrekking tot de liquiditeit.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, d, f, g, h, i, of j, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
§ 2.2.4d.2. Vrijstelling
Artikel 2:54q
Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 2:54o. Aan deze gehele of gedeeltelijke vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.
Afdeling 2.2.5. Aanbieden van beleggingsobjecten
§ 2.2.5.1. Vergunningplicht en -eisen
Artikel 2:55
Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning beleggingsobjecten aan te bieden.
De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid en van hetgeen in het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen is bepaald met betrekking tot het aanbieden van beleggingsobjecten, indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.
Het eerste lid is niet van toepassing op het aanbieden van beleggingsobjecten, voor zover het betreft overeenkomsten die voor 1 januari 2007 zijn aangegaan met betrekking tot beleggingsobjecten die op dat tijdstip geen beleggingsobject waren als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet financiële dienstverlening of ingevolge onderdeel m, onder 8°, van dat artikel waren aangewezen als financieel product.
Artikel 2:56
Artikel 2:55, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen die:
- a. voor het uitoefenen van het bedrijf van verzekeraar een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben, voorzover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan beleggingsobjecten aan te bieden;
- b. een door de Nederlandsche Bank op grond het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben, voorzover het aan hen ingevolge die verklaring is toegestaan beleggingsobjecten aan te bieden; of
- c. voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben.
Artikel 2:57
Artikel 2:55, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat die:
- a. als bank hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 2.2.2 is toegestaan beleggingsobjecten aan te bieden;
- b. als financiële instelling hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 2.2.2 is toegestaan beleggingsobjecten aan te bieden; of
- c. als entiteit voor risico-acceptatie of verzekeraar hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge de afdelingen 2.2.2A, 2.2.3, 2.2.4 of 2.2.4A is toegestaan beleggingsobjecten aan te bieden.
Artikel 2:58
De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 4:9, eerste, tweede en vierde lid, met betrekking tot de geschiktheid en vakbekwaamheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- c. artikel 4:11, tweede en derde lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur; en
- e. artikel 4:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, met betrekking tot het tweede en vierde lid van artikel 4:9, c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11, of e, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:15, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid bedoelde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
§ 2.2.5.2. Vrijstelling
Artikel 2:59
Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 2:55, eerste lid, met dien verstande dat in ieder geval worden vrijgesteld de aanbieders van beleggingsobjecten voorzover die beleggingsobjecten worden aangeboden voor een nominaal bedrag per beleggingsobject van ten minste € 100 000.
Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 2:58, eerste lid.
Indien aan een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid het voorschrift wordt verbonden dat bij een aanbod, en in reclame-uitingen en documenten waarin een aanbod in het vooruitzicht wordt gesteld, wordt vermeld dat de vrijgestelde activiteit niet vergunningplichtig is ingevolge deze wet, wordt deze vermelding gedaan op door de Autoriteit Financiële Markten vast te stellen wijze.
Afdeling 2.2.6. Aanbieden van krediet
§ 2.2.6.1. Vergunningplicht en -eisen
Artikel 2:60
Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning krediet aan te bieden.
De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.
Artikel 2:61
Artikel 2:60, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen die:
- a. voor het uitoefenen van het bedrijf van verzekeraar een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben, voorzover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan krediet aan te bieden;
- b. een door de Nederlandsche Bank op grond van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben, voorzover het aan hen ingevolge die verklaring is toegestaan krediet aan te bieden; of
- c. voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben.
Artikel 2:60, eerste lid, is niet van toepassing op gemeentelijke kredietbanken ten aanzien waarvan is voldaan aan artikel 4:37, eerste lid.
Artikel 2:62
Artikel 2:60, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat die:
- a. als bank hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 2.2.2 is toegestaan krediet aan te bieden;
- b. als financiële instelling hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 2.2.2 is toegestaan krediet aan te bieden; of
- c. als entiteit voor risico-acceptatie of verzekeraar hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge de afdelingen 2.2.2A, 2.2.3, 2.2.4 of 2.2.4A is toegestaan krediet aan te bieden.
Artikel 2:62a
Artikel 2 :60, eerste lid, is niet van toepassing op een klasse 1-bijkantoor en klasse 2-bijkantoor, indien de vergunning met betrekking tot dat bijkantoor bepaalt dat het bijkantoor de werkzaamheden, bedoeld in bijlage I, onder 2, van de richtlijn kapitaalvereisten, mag verlenen.
Artikel 2:63
De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:60, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 4:9, eerste, tweede en vierde lid, met betrekking tot de geschiktheid en vakbekwaamheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- c. artikel 4:11, tweede en derde lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur; en
- e. artikel 4:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, met betrekking tot het tweede en vierde lid van artikel 4:9, c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11, of e, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:15, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid bedoelde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
§ 2.2.6.2. Vrijstelling
Artikel 2:64
Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 2:60, eerste lid.
Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 2:63, eerste lid.
Afdeling 2.2.6a. Servicen van een niet-renderende kredietovereenkomst
§ 2.2.6a.1. Vergunningplicht- en eisen
Artikel 2:64a
Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning een niet-renderende kredietovereenkomst te servicen.
Artikel 2:64b
Artikel 2:64a is niet van toepassing op kredietservicers met zetel in een andere lidstaat die vanuit een bijkantoor in Nederland of middels het verrichten van diensten naar Nederland een niet-renderende kredietovereenkomst servicen, indien is voldaan aan artikel 2:64d.
Artikel 2:64c
De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in art 2:64a, indien de aanvrager zetel in Nederland heeft en aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 4:9, eerste, tweede en vierde lid, met betrekking tot de geschiktheid en vakbekwaamheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- c. artikel 4:11, eerste en derde lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 4:14, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering
- e. artikel 4:17, eerste en derde lid, met betrekking tot adequate behandeling van klachten;
- f. artikel 4:81a met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid van de kredietservicer; en
- g. artikel 4:81b met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Autoriteit Financiële Markten beoordeelt na ontvangst van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, binnen vijfenveertig dagen of de aanvraag volledig is.
§ 2.2.6a.2. Bijkantoor en verrichten van diensten
Artikel 2:64d
Een kredietservicer met zetel in een andere lidstaat kan overgaan tot het servicen van een niet-renderende kredietovereenkomst vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland:
- a. onmiddellijk na ontvangst van de mededeling van de toezichthoudende instantie van de lidstaat van zijn zetel dat de Autoriteit Financiële Markten de informatie, verstrekt ingevolge artikel 13, tweede lid, van de richtlijn kredietservicers en kredietkopers heeft ontvangen; of
- b. twee maanden na ontvangst van de mededeling van de toezichthoudende instantie van de lidstaat van zijn zetel dat zij de informatie, verstrekt ingevolge artikel 13, tweede lid, van de richtlijn kredietservicers en kredietkopers, aan de Autoriteit Financiële Markten heeft verzonden.
Indien de Autoriteit Financiële Markten een mededeling heeft ontvangen van een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat met betrekking tot het servicen van krediet vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, kan zij voordat de kredietservicer aanvangt met het servicen van een niet-renderende kredietovereenkomst in Nederland, maar in ieder geval binnen twee maanden na ontvangst van de mededeling, aan de kredietservicer bekendmaken welke voorwaarden door hem om redenen van algemeen belang in acht moeten worden genomen bij het servicen van een niet-renderende kredietovereenkomst in Nederland.
§ 2.2.6a.3. Vrijstelling
Artikel 2:64e
Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 2:64a. Aan deze gehele of gedeeltelijke vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.
Afdeling 2.2.7. Beheren en aanbieden van rechten van deelneming in beleggingsinstellingen en icbe’s
§ 2.2.7.1. Vergunningplicht en -eisen voor het aanbieden van rechten van deelneming in en het beheren van beleggingsinstellingen
Artikel 2:65
Het is verboden een Nederlandse beleggingsinstelling te beheren of rechten van deelneming in een beleggingsinstelling in Nederland aan te bieden of als Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling een beleggingsinstelling te beheren of rechten van deelneming in een beleggingsinstelling aan te bieden:
- a. zonder dat de beheerder van de beleggingsinstelling een door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning voor het beheren van beleggingsinstellingen heeft; of
- b. indien het een beleggingsmaatschappij betreft die geen aparte beheerder heeft, zonder dat de beleggingsmaatschappij een door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning heeft.
Artikel 2:66
Artikel 2:65 is niet van toepassing op het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of het beheren van een Nederlandse beleggingsinstelling door een beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat, indien is voldaan aan artikel 2:73. In een door Onze Minister aan te wijzen staat wordt toezicht op beheerders van beleggingsinstellingen uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van staten. Het besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken.
Een besluit tot aanwijzing van een staat als bedoeld in het eerste lid en de intrekking daarvan worden bekend gemaakt in de Staatscourant.
Artikel 2:65 is niet van toepassing op buitenlandse beheerders van beleggingsinstellingen met zetel in een andere lidstaat indien aan artikel 2:70, eerste en, indien van toepassing, tweede lid, is voldaan.
Artikel 2:65 is niet van toepassing op buitenlandse beheerders van beleggingsinstellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is indien deze beheerders een andere lidstaat als referentielidstaat hebben en aan artikel 2:70a, eerste lid, en indien van toepassing, artikel 2:70a, derde lid, is voldaan.
Artikel 2:65 is niet van toepassing op een buitenlandse beheerder van een beleggingsinstelling welke beheerder zetel heeft in een andere lidstaat, indien aan artikel 2:70a, tweede lid, en indien van toepassing, artikel 2:70a, derde lid, is voldaan.
Artikel 2:66a
Artikel 2:65 is niet van toepassing op een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling:
- a. die rechtstreeks of door middel van een onderneming waarmee hij is verbonden door een gezamenlijke bedrijfsvoering, een gezamenlijke zeggenschapsuitoefening of een gekwalificeerde deelneming, portefeuilles van beleggingsinstellingen beheert waarvan het totaal aan beheerde activa:
- 1°. niet groter is dan € 100 000 000; of
- 2°. niet groter is dan € 500 000 000 indien de beleggingsinstellingen geen gebruik maken van hefboomfinanciering en geen recht tot inkoop of terugbetaling van rechten van deelneming in de verschillende beleggingsinstellingen kan worden uitgeoefend gedurende een periode van vijf jaar vanaf het tijdstip waarop de rechten in de verschillende beleggingsinstellingen voor het eerst zijn verworven; en
- b. indien rechten van deelneming in de door hem beheerde beleggingsinstelling:
- 1°. worden aangeboden aan minder dan honderdvijftig personen;
- 2°. voor zover die rechten slechts kunnen worden verworven tegen een tegenwaarde van ten minste € 100 000 per deelnemer; of
- 3°. voor zover die rechten een nominale waarde per recht hebben van ten minste € 100 000.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing indien rechten van deelneming uitsluitend worden aangeboden aan professionele beleggers.
De Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling op wie het eerste of tweede lid van toepassing is:
- a. meldt dat aan de Autoriteit Financiële Markten onder gelijktijdige verstrekking van gegevens die nodig zijn om hemzelf en de door hem beheerde beleggingsinstellingen te identificeren alsmede van gegevens over de beleggingsstrategieën van de beleggingsinstellingen; en
- b. verstrekt periodiek aan de Autoriteit Financiële Markten informatie met betrekking tot de voornaamste financiële instrumenten waarin hij handelt en de voornaamste risicoposities en de belangrijkste concentraties van de door hem beheerde beleggingsinstellingen.
De Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling die niet meer voldoet aan het bepaalde ingevolge het eerste lid, onderdeel a, stelt de Autoriteit Financiële Markten daarvan onverwijld op de hoogte en vraagt binnen 30 dagen een vergunning als bedoeld in artikel 2:65 aan. Artikel 2:65 is niet van toepassing op de beheerder die heeft voldaan aan de eerste volzin tot de dag waarop het besluit op de vergunningaanvraag is genomen.
Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op de Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling die voldoet aan het eerste lid, onderdeel a, en die op vrijwillige basis een vergunning als bedoeld in artikel 2:65 heeft verkregen.
Bij een aanbod van rechten van deelneming in een door een beheerder als bedoeld in het eerste lid beheerde beleggingsinstelling en in reclame-uitingen en documenten waarin een dergelijk aanbod in het vooruitzicht wordt gesteld, wordt, indien een aanbieding niet uitsluitend aan professionele beleggers wordt gedaan, vermeld dat de beheerder niet vergunningplichtig is ingevolge deze wet en dat op hem geen toezicht wordt uitgeoefend op grond van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen. De Autoriteit Financiële Markten stelt de wijze vast waarop de vermelding wordt gedaan. De eerste volzin is niet van toepassing op de beheerder die op vrijwillige basis een vergunning als bedoeld in artikel 2:65 heeft verkregen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste tot en met het zesde lid.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op buitenlandse beheerders van beleggingsinstellingen met zetel in een andere lidstaat indien de rechten van deelneming uitsluitend worden aangeboden aan professionele beleggers.
Artikel 2:67
De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:65, aanhef en onderdeel a, indien de aanvrager aantoont dat met betrekking tot de beheerder van een beleggingsinstelling zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 4:9, eerste lid, met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- c. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
- d. artikel 4:14 met betrekking tot de beheerste en integere uitoefening van het bedrijf;
- e. artikel 4:25 met betrekking tot de wijze waarop de beheerder en bewaarder de werkzaamheden uitvoeren:
- f. artikel 4:37c, eerste lid, met betrekking tot de rechtsvorm van de beheerder;
- g. artikel 4:37c, derde lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid van de beheerder bepaalt;
- h. artikel 4:37e met betrekking tot mogelijke belangenconflicten;
- i. artikel 4:62m, eerste lid, met betrekking tot de bewaarder;
- j. artikel 4:62m, tweede lid, met betrekking tot de bewaring van activa;
- k. artikel 4:62n, met betrekking tot het aanstellen van de bewaarder;
- l. artikel 3:17, derde lid, met betrekking tot soliditeit;
- m. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen; en
- n. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit.
Ingeval een gekwalificeerde deelneming wordt gehouden in een beheerder van een beleggingsinstelling verleent de Autoriteit Financiële Markten een vergunning, onverminderd het eerste lid, indien de houder van de gekwalificeerde deelneming in de beheerder door de Autoriteit Financiële Markten betrouwbaar is bevonden.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens. Bij of krachtens de in de vorige volzin genoemde algemene maatregel van bestuur wordt onderscheid gemaakt tussen gegevens die noodzakelijk zijn voor het doen van een volledige aanvraag en gegevens die op een later tijdstip kunnen worden verstrekt.
Een beheerder van een beleggingsinstelling die op grond van het derde lid gegevens op een later tijdstip verstrekt mag niet eerder dan een maand nadat hij deze gegevens aan de Autoriteit Financiële Markten heeft verstrekt aanvangen met het beheren van beleggingsinstellingen in Nederland.
De beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in Nederland toont in aanvulling op het eerste lid aan dat zal worden voldaan aan artikel 4:37c, tweede lid, met betrekking tot het hoofdkantoor van de beheerder.
Onverminderd het eerste lid verleent de Autoriteit Financiële Markten aan een buitenlandse beheerder van een beleggingsinstelling alleen een vergunning indien:
- a. de staat waar de beheerder zijn zetel heeft niet is geïdentificeerd als een staat met een hoog risico overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)