Wet van 28 september 2006, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht)
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:3.0g, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de personen die het dagelijks beleid van het in Nederland gelegen bijkantoor bepalen;
- b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het beleid van het in Nederland gelegen bijkantoor bepalen;
- c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening van de afwikkelonderneming;
- d. artikel 3:15, eerste lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijkse beleid van de afwikkelonderneming bepaalt;
- e. artikel 3:16, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
- f. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- g. artikel 3:24aa, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid van het bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
- h. artikel 3:57, eerste en tweede lid met betrekking tot solvabiliteit;
- i. artikel 3:73b, met betrekking tot het effectief verlenen van diensten;
- j. artikel 3:267.0a, met betrekking tot een prudentieel beleggingsbeleid;
- k. artikel 4:76a met betrekking tot het bieden van eerlijke en vrije toegang tot haar diensten en systemen op basis van objectieve en risicogebaseerde deelnemingscriteria;
- l. artikel 4:76b, eerste en tweede lid, met betrekking tot het tijdig en efficiënt verlenen van haar diensten en het beschikken over mechanismen waarmee periodiek het kostenniveau, prijsniveau en serviceniveau en de efficiëntie van de door de afwikkelonderneming verleende diensten worden beoordeeld;
- m. artikel 4:76c, eerste lid, met betrekking tot het hebben van internationaal aanvaarde communicatieprocedures en standaarden;
- n. artikel 4:76d, eerste lid, met betrekking tot het bieden aan een betaaldienstverlener van inzicht in financiële risico’s en kosten.
De aanvrager vermeldt in de aanvraag voor welke in de definitie van afwikkeldiensten onderscheiden werkzaamheden hij de vergunning aanvraagt bedoeld in de onderdelen a tot en met e van de definitie van afwikkelonderneming in artikel 1:1, hij de vergunning aanvraagt.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, d, e of h, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:3.0j
De Nederlandsche Bank kan een afwikkelonderneming als bedoeld in artikel 2:3.0f waaraan geen vergunning tot uitoefening van het bedrijf van afwikkelonderneming is verleend, verbieden vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor haar bedrijf uit te oefenen jegens betaaldienstverleners met wie zij niet in een groep is verbonden, indien die onderneming niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels.
Artikel 2:3.0k
Een ieder met zetel buiten Nederland die voornemens is het bedrijf van afwikkelonderneming uit te oefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland jegens betaaldienstverleners met wie zij niet in een groep is verbonden, geeft daarvan kennis aan de Nederlandsche Bank onder vermelding ten aanzien van welke in de definitie van afwikkeldiensten onderscheiden werkzaamheden hij dat voornemen heeft.
De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de ontvangst hiervan onverwijld mede aan de persoon die de kennisgeving heeft gedaan.
Een afwikkelonderneming kan overgaan tot de uitoefening van haar bedrijf, nadat zij de mededeling, bedoeld in het derde lid, van de Nederlandsche Bank heeft ontvangen.
Artikel 2:3.0l
Het is een ieder met zetel in een niet-aangewezen staat verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf van afwikkelonderneming uit te oefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland jegens betaaldienstverleners met wie hij niet in een groep is verbonden indien het aantal in Nederland verrichte girale betalingstransacties ten aanzien waarvan hij afwikkeldiensten heeft verleend jegens betaaldienstverleners met wie zij niet in een groep is verbonden, gemeten over het voorgaande kalenderjaar, het op grond van artikel 2:3.0b, tweede lid, vastgestelde aantal transacties overschrijdt.
De Nederlandsche Bank vermeldt in de vergunning voor welke in de definitie van afwikkeldiensten onderscheiden werkzaamheden zij de vergunning verleent.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid voor de periode die verstrijkt op het tijdstip dat zij heeft beslist op de aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:3.0m
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:3.0l, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
- c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 3:15, eerste lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt;
- e. artikel 3:16, eerste en derde lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
- f. artikel 3:17,eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- g. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit;
- h. artikel 3:73b, met betrekking tot het effectief verlenen van diensten;
- i. artikel 3:267.0a, met betrekking tot een prudent beleggingsbeleid;
- j. artikel 4:76a met betrekking tot het bieden van eerlijke en vrije toegang tot haar diensten en systemen op basis van objectieve en risicogebaseerde deelnemingscriteria;
- k. artikel 4:76b, eerste en tweede lid, met betrekking tot het tijdig en efficiënt verlenen van haar diensten en het beschikken over mechanismen waarmee periodiek het kostenniveau, prijsniveau en serviceniveau en de efficiëntie van de door de afwikkelonderneming verleende diensten worden beoordeeld;
- l. artikel 4:76c, eerste lid, met betrekking tot het hebben van internationaal aanvaarde communicatieprocedures en standaarden;
- m. artikel 4:76d, eerste lid, met betrekking tot het bieden aan een betaaldienstverlener van inzicht in financiële risico’s en kosten.
De aanvrager vermeldt in de aanvraag voor welke in de definitie van afwikkeldiensten onderscheiden werkzaamheden hij de vergunning aanvraagt.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, d of f, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:3.0n
De Nederlandsche Bank kan een afwikkelonderneming als bedoeld in artikel 2:3.0k waaraan geen vergunning tot uitoefening van het bedrijf van afwikkelonderneming is verleend, verbieden in Nederland het bedrijf van afwikkelonderneming uit te oefenen jegens betaaldienstverleners met wie zij niet in een groep is verbonden door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, indien die onderneming niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels.
Afdeling 2.2.0. Uitoefenen van bedrijf van betaaldienstverlener
§ 2.2.0.1. Vergunningplicht en -eisen voor betaaldienstverleners met zetel in Nederland
Artikel 2:3a
Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van betaaldienstverlener.
Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank of voor het uitoefenen van het bedrijf van elektronischgeldinstelling een door de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben, voor zover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan betaaldiensten te verlenen.
Het eerste lid is niet van toepassing op elektronischgeldinstellingen die gevestigd zijn in een door Onze Minister aangewezen staat als bedoeld in artikel 2:10f, derde lid, en die voldoen aan de in artikel 2:10f, derde lid, bedoelde voorwaarden.
Artikel 2:3b
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen;
- c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 3:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
- e. artikel 3:16, eerste en tweede lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
- f. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- g. artikel 3:29a, eerste lid, met betrekking tot het veiligstellen van ontvangen middelen uit betaaldiensten, voor zover van toepassing;
- h. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
- i. artikel 3:57, eerste tot en met derde lid, met betrekking tot de solvabiliteit.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, verleent de Nederlandsche Bank een vergunning uitsluitend indien de aanvrager aantoont dat hij ten minste een deel van zijn bedrijf zal uitoefenen in Nederland.
Indien de aanvraag een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling betreft waarin een gekwalificeerde deelneming wordt gehouden, verleent de Nederlandsche Bank, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, een vergunning uitsluitend indien de houder van de gekwalificeerde deelneming een verklaring van geen bezwaar overeenkomstig artikel 3:95, tweede lid, heeft aangevraagd, en de Nederlandsche Bank vaststelt dat voldaan is aan het bepaalde ingevolge de artikelen 3:99 tot en met 3:101 met betrekking tot de verklaring van geen bezwaar.
Indien de aanvrager voornemens is uitsluitend betaalinitiatiediensten te verlenen, is het eerste lid, onderdelen g en i, niet van toepassing.
Indien de aanvrager voornemens is uitsluitend rekeninginformatiediensten te verlenen, is het eerste lid, onderdelen g, h en i, niet van toepassing.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank beslist op de aanvraag binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen drie maanden na ontvangst van alle voor het nemen van de beslissing benodigde gegevens.
De artikelen 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht en 1:102, derde lid, zijn niet van toepassing.
Artikel 2:3c
Een betaalinstelling die voornemens is betaaldiensten te verlenen door tussenkomst van een betaaldienstagent, stelt de Nederlandsche Bank hiervan in kennis onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank schrijft de betaaldienstagent in het register, bedoeld in artikel 1:107, indien zij de juistheid van de in het eerste lid bedoelde gegevens heeft kunnen vaststellen en informeert hierover de betaalinstelling binnen twee maanden na ontvangst van de gegevens. Indien de Nederlandsche Bank de juistheid van de gegevens niet heeft kunnen vaststellen brengt zij de betaalinstelling daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte. De betaalinstelling verleent niet eerder diensten door tussenkomst van een betaaldienstagent dan nadat deze is ingeschreven.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland die door tussenkomst van een betaaldienstagent betaaldiensten verlenen.
§ 2.2.0.2. Vrijstelling
Artikel 2:3d
Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 2:3a, eerste lid. Aan deze gehele of gedeeltelijke vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.
§ 2.2.0.3. Bijkantoren en betaaldienstagenten van en verrichten van diensten door betaaldienstverleners met zetel in een andere lidstaat
Artikel 2:3e
Een betaaldienstverlener met zetel in een andere lidstaat kan overgaan tot het verrichten van haar werkzaamheden vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door tussenkomst van een in Nederland werkzaam zijnde betaaldienstagent, dan wel door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, indien hij een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat daartoe verleende vergunning heeft.
Artikel 1:107, tweede lid, is niet van toepassing.
Indien een betaaldienstverlener met een zetel in een andere lidstaat voornemens is om vanuit een bijkantoor in Nederland of door middel van het verrichten van diensten, al dan niet door tussenkomst van een betaaldienstagent, in Nederland haar diensten aan te bieden, beoordeelt de Nederlandsche Bank aan de hand van de daarop betrekking hebbende gegevens binnen een maand na ontvangst van die gegevens van de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat of er sprake is van bedenkingen tegen toelating op de Nederlandse markt en stelt zij die instantie daarvan in kennis, met name indien het vermoeden bestaat dat met de voorgenomen vestiging van het bijkantoor of de inschakeling van de betaaldienstagent in strijd wordt gehandeld met wettelijke voorschriften, gesteld bij of krachtens de Wet voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
In geval van het voornemen om diensten aan te bieden door tussenkomst van een betaaldienstagent die zelf geen betaaldienstverlener is, is op de betaaldienstagent de betrouwbaarheidseis, bedoeld in artikel 3:9, van overeenkomstige toepassing.
Op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten wijst een betaaldienstverlener als bedoeld in het derde lid, met inachtneming van de krachtens artikel 29, vijfde lid, van de richtlijn betaaldiensten door de EBA vastgestelde technische reguleringsnormen een centraal contactpunt aan. Het centraal contactpunt draagt zorg voor het aanleveren van de door de Autoriteit Financiële Markten verzochte informatie met betrekking tot de naleving van de bij of krachtens het deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen gestelde regels.
Een betaaldienstverlener als bedoeld in het derde lid, overlegt op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten met inachtneming van de krachtens artikel 29, zesde lid, van de richtlijn betaaldiensten door de EBA vastgestelde technische reguleringsnormen een periodiek verslag over de in Nederland verrichte activiteiten. De Autoriteit Financiële Markten gebruikt het verslag uitsluitend voor informatieve en statistische doeleinden en voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens het deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen gestelde regels.
§ 2.2.0.4. Betaaldienstverleners met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 2:3f
Het is een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden:
- a. in Nederland het bedrijf van betaaldienstverlener uit te oefenen;
- b. vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van betaaldienstverlener uit te oefenen in een andere lidstaat.
Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben, voor zover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan betaaldiensten te verlenen.
Afdeling 2.2.0a. Uitoefenen van het bedrijf van bewaarder
§ 2.2.0a.1. Vergunningplicht en -eisen voor bewaarders met zetel in Nederland en zetel buiten Nederland
Artikel 2:3g
Het is verboden zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning in Nederland het bedrijf van bewaarder uit te oefenen.
Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen:
- a. waaraan voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 is verleend of waaraan het ingevolge paragraaf 2.2.2.2 is toegestaan in Nederland het bedrijf van bank uit te oefenen, voor zover het ingevolge de vergunning is toegestaan de werkzaamheden bewaarneming en beheer van effecten te verrichten;
- b. waaraan voor het uitoefenen van het bedrijf van beleggingsonderneming een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend of waaraan het ingevolge paragraaf 2.2.12.2 is toegestaan in Nederland beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten, voor zover:
- 1°. de beleggingsonderneming beschikt over een minimum eigen vermogen als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten;
- 2°. voldoet aan hoofdstuk 1 van deel 3 van de verordening kapitaalvereisten; en
- 3°. het ingevolge de vergunning is toegestaan de nevendienst bewaring en beheer van financiële instrumenten voor rekening van cliënten, met inbegrip van bewaarneming en daarmee samenhangende diensten zoals contanten- of zekerhedenbeheer te verrichten.
Een bewaarder kan het bedrijf van bewaarder uitoefenen ten behoeve van een beleggingsinstelling gevestigd in een andere lidstaat indien is voldaan aan artikel 21, lid 5bis, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen.
Artikel 2:3h
Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 2:3g, eerste lid.
Artikel 2:3i
De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van bewaarder indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 4:9, eerste lid, met betrekking tot de geschiktheid en vakbekwaamheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- c. artikel 4:11, eerste en derde lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
- e. artikel 4:14, eerste en tweede lid, onderdelen a en b, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- f. artikel 4:62na met betrekking tot het minimaal aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt; en
- g. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
Afdeling 2.2.1. Uitoefenen van bedrijf van clearinginstelling
§ 2.2.1.1. Vergunningplicht en -eisen voor clearinginstellingen met zetel in Nederland
Artikel 2:4
Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van clearinginstelling.
Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in Nederland die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben.
Artikel 2:5
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
- c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 3:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
- e. artikel 3:16, eerste en derde lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
- f. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- g. artikel 3:19, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal leden van de raad van commissarissen of het daarmee vergelijkbaar orgaan als bedoeld in artikel 3:19, tweede lid;
- h. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
- i. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit;
- j. artikel 3:63, eerste en tweede lid, met betrekking tot de liquiditeit; en
- k. artikel 3:33c met betrekking tot de administratie van het derivatenvermogen.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, d, f, g, h, i, of j, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
§ 2.2.1.2. Bijkantoor en verrichten van diensten door clearinginstellingen met zetel buiten Nederland
Artikel 2:6
Het is een ieder met zetel buiten Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van clearinginstelling uit te oefenen.
Het eerste lid is niet van toepassing op clearinginstellingen met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van clearinginstelling wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van staten. Het besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken.
Een besluit tot aanwijzing van een staat, bedoeld in het tweede lid, en de intrekking daarvan, worden bekend gemaakt in de Staatscourant.
Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Europese Centrale Bank of de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning hebben, tenzij de vergunning anders vermeldt. Artikel 2:15 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2:7
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:6, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
- c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- e. artikel 3:21 met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid van het bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
- f. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
- g. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
- h. artikel 3:63, eerste en tweede lid, met betrekking tot de liquiditeit,
met dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met d en f tot en met h in de genoemde artikelen voor «een clearinginstelling met zetel in Nederland» telkens moet worden gelezen: «het bijkantoor in Nederland van een clearinginstelling met zetel in een niet-aangewezen staat», en dat voor de toepassing van onderdeel e in het genoemde artikel voor «bank met zetel in een staat die geen lidstaat is», moet worden gelezen: «clearinginstelling met zetel in een niet-aangewezen staat».
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, d, f, g of h, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:8
Het is een ieder met zetel buiten Nederland verboden het bedrijf van clearinginstelling door middel van het verrichten van diensten naar Nederland uit te oefenen, tenzij hij de Nederlandsche Bank van het voornemen daartoe kennis heeft gegeven en hij ervoor zorgt en aantoont dat zal worden voldaan aan hetgeen ingevolge de artikelen 3:17, 3:18, 3:20a en 3:57 is bepaald, met dien verstande dat in die artikelen voor de zinsnede «met zetel in Nederland» wordt gelezen: met zetel buiten Nederland.
Het eerste lid is niet van toepassing op clearinginstellingen met zetel in een door Onze Minister ingevolge artikel 2:6, tweede lid, aan te wijzen staat die in de staat van hun zetel bevoegd zijn tot de uitoefening van hun bedrijf.
Het eerste lid is niet van toepassing op clearinginstellingen met zetel in een andere lidstaat die een door de Europese Centrale Bank of de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van bank, tenzij de vergunning anders vermeldt. Artikel 2:18 is van overeenkomstige toepassing.
Voor de toepassing van het eerste lid oefenen clearinginstellingen met zetel buiten Nederland het bedrijf van clearinginstelling uit door middel van het verrichten van diensten naar Nederland indien zulks geschiedt op een gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, is verleend, een multilaterale handelsfaciliteit waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend of een beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling.
Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de ontvangst hiervan onverwijld mede aan de financiële onderneming die de kennisgeving heeft gedaan.
Artikel 2:9
De kennisgeving, bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De clearinginstelling, bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, kan overgaan tot het verrichten van diensten nadat zij de mededeling, bedoeld in artikel 2:8, vijfde lid, van de Nederlandsche Bank heeft ontvangen.
Artikel 2:10
Een clearinginstelling als bedoeld in artikel 2:6, tweede lid, of artikel 2:8, tweede lid, die voornemens is vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland het bedrijf van clearinginstelling uit te oefenen, geeft aan de Nederlandsche Bank kennis van dat voornemen. De clearinginstelling legt daarbij een door de toezichthoudende instantie van die aangewezen staat afgegeven verklaring over waaruit blijkt dat zij in die staat bevoegd is tot het uitoefenen van het bedrijf van clearinginstelling.
De clearinginstelling kan overgaan tot het uitoefenen van het voorgenomen bedrijf door middel van het verrichten van diensten naar Nederland nadat de kennisgeving is gedaan en de verklaring is afgegeven tenzij de Nederlandsche Bank mededeelt dat het voornemen of de beoogde wijze van uitoefening in strijd is met deze wet.
Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de betrokken clearinginstelling onverwijld deze ontvangst mede.
De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving de toezichthoudende instantie van de aangewezen staat mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de clearinginstelling in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van haar bedrijf vanuit het in Nederland gelegen bijkantoor. De Nederlandsche Bank zendt hiervan een afschrift aan de clearinginstelling.
Afdeling 2.2.1.a. Uitoefenen van bedrijf van elektronischgeldinstelling
§ 2.2.1a.1. Vergunningplicht en -eisen voor elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland
Artikel 2:10a
Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning elektronisch geld uit te geven.
Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben, voor zover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan elektronisch geld uit te geven.
Artikel 2:10b
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag aan een rechtspersoon een vergunning als bedoeld in artikel 2:10a, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen;
- c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 3:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
- e. artikel 3:16, eerste en tweede lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
- f. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- g. artikel 3:29a met betrekking tot het veiligstellen van middelen die zijn ontvangen van betaaldienstgebruikers of in ruil voor elektronisch geld;
- h. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
- i. artikel 3:57, eerste tot en met derde lid, met betrekking tot de solvabiliteit.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, verleent de Nederlandsche Bank een vergunning uitsluitend indien de elektronischgeldinstelling aantoont dat zij ten minste een deel van haar bedrijf zal uitoefenen in Nederland.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank beslist op de aanvraag, in afwijking van artikel 1:102, derde lid, binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen drie maanden na ontvangst van alle voor het nemen van de beslissing benodigde gegevens.
Artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 2:10c
Vervallen
§ 2.2.1a.2. Vrijstelling
Artikel 2:10d
Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 2:10a, eerste lid. Aan deze gehele of gedeeltelijke vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.
§ 2.2.1a.3. Bijkantoren en agenten van en verrichten van diensten door elektronischgeldinstellingen met zetel in een andere lidstaat
Artikel 2:10e
Een elektronischgeldinstelling met zetel in een andere lidstaat kan overgaan tot het verrichten van haar werkzaamheden vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, dan wel door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, indien zij een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat daartoe verleende vergunning heeft en de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar zij haar zetel heeft, kennis heeft gegeven van het voornemen diensten te gaan verrichten naar Nederland dan wel werkzaamheden te gaan verrichten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
Onverminderd het eerste lid, kan een elektronischgeldinstelling met zetel in een andere lidstaat, indien zij een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat daartoe verleende vergunning heeft die deze werkzaamheden toelaat, door tussenkomst van een in Nederland werkzaam zijnde betaaldienstagent, overgaan tot het verlenen van betaaldiensten.
§ 2.2.1a.4. Elektronischgeldinstellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 2:10f
Het is een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden:
- a. in Nederland het bedrijf van elektronischgeldinstelling uit te oefenen;
- b. vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van elektronischgeldinstelling uit te oefenen in een andere lidstaat.
Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben, voor zover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan elektronisch geld uit te geven.
Het eerste lid is niet van toepassing op elektronischgeldinstellingen met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat.
Afdeling 2.2.2. Uitoefenen van bedrijf van bank en financiële instelling
§ 2.2.2.1. Vergunningplicht en -eisen voor banken met zetel in Nederland
Artikel 2:11
Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Europese Centrale Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van bank.
Het eerste lid is niet van toepassing op personen op wie het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen ingevolge artikel 3:2 niet van toepassing is.
Artikel 2:12
De Nederlandsche Bank stelt op aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 14 van de verordening bankentoezicht op, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
- c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 3:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
- e. artikel 3:16, eerste en tweede lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
- f. de artikelen 3:17, eerste en tweede lid, en 3:17a, eerste tot en met derde lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- g. artikel 3:19, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal leden van een raad van commissarissen of een daarmee vergelijkbaar orgaan als bedoeld in artikel 3:19, tweede lid;
- h. artikel 3:31 met betrekking tot geconsolideerd toezicht;
- i. artikel 3:33c met betrekking tot de administratie van het derivatenvermogen;
- j. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
- k. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
- l. artikel 3:63, eerste en tweede lid, met betrekking tot de liquiditeit.
Indien de aanvraag een bank met zetel in Nederland betreft waarin een gekwalificeerde deelneming wordt gehouden, stelt de Nederlandsche Bank, onverminderd het eerste lid, een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 14 van de verordening bankentoezicht op, indien de houder van de gekwalificeerde deelneming een verklaring van geen bezwaar overeenkomstig artikel 3:95, tweede lid, heeft aangevraagd, en de Nederlandsche Bank van oordeel is dat voldaan is aan het bepaalde ingevolge de artikelen 3:99 tot en met 3:101 met betrekking tot de verklaring van geen bezwaar.
Indien de aanvrager niet heeft aangetoond dat zal worden voldaan aan de in het eerste lid bedoelde eisen, wijst de Nederlandsche Bank de aanvraag af.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag in het in het eerste lid bedoelde ontwerpbesluit aan de ECB voorstellen om geheel of gedeeltelijk ontheffing te verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, f of g, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:13
Indien een bank voornemens is tevens beleggingdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten in Nederland, stelt de Nederlandsche Bank op aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 slechts een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 14 van de verordening bankentoezicht op indien de aanvrager, onverminderd artikel 2:12, aantoont dat eveneens zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 4:14, tweede lid, onderdeel c, onder 1° tot en met 6°, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- b. artikel 4:87 met betrekking tot het treffen van adequate maatregelen ter bescherming van rechten van cliënten; en
- c. artikel 4:91a met betrekking tot de regels die gelden voor het handelsproces en de afhandeling van transacties in een multilaterale handelsfaciliteit indien de aanvrager voornemens is een multilaterale handelsfaciliteit te exploiteren.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
Artikel 2:13a
Indien een bank als bedoeld in de definitie van kredietinstelling in artikel 4, eerste lid, onderdeel 1, onder b, van de verordening kapitaalvereisten met zetel in Nederland reeds beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 2:96, is artikel 2:11, eerste lid, niet van toepassing, indien:
- a. de bank uiterlijk op de dag, bedoeld in artikel 8 bis, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid, heeft ingediend; en
- b. de Europese Centrale Bank nog geen besluit op de aanvraag, bedoeld in onderdeel a, heeft genomen.
Bij het opstellen van een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 14 van de verordening bankentoezicht ten aanzien van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, houdt de Nederlandsche Bank rekening met de informatie, bedoeld in artikel 1:48a, eerste lid.
Indien de Autoriteit Financiële Markten van oordeel is dat de aanvrager van een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 voldoet aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, onderdeel 1, onder b, van de verordening kapitaalvereisten, informeert zij de Nederlandsche Bank en de aanvrager van de vergunning.
Indien de Nederlandsche Bank naar aanleiding van een kennisgeving als bedoeld in het derde lid van oordeel is dat een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:12 van de Wet op het financieel toezicht noodzakelijk is, informeert zij de Autoriteit Financiële Markten en de aanvrager van de vergunning, bedoeld in het derde lid.
§ 2.2.2.2. Bijkantoor en verrichten van diensten door banken met zetel in een andere lidstaat
Artikel 2:14
Indien de Nederlandsche Bank een mededeling van het voornemen van een bank met zetel in een andere lidstaat niet zijnde een deelnemende lidstaat als bedoeld in artikel 2 van de verordening bankentoezicht, tot het uitoefenen van haar bedrijf vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor heeft ontvangen van een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, deelt zij de betrokken bank onverwijld deze ontvangst mede.
De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de mededeling de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de bank in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van haar bedrijf vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor. De Nederlandsche Bank zendt hiervan een afschrift aan de bank.
Artikel 2:15
Een bank met zetel in een andere lidstaat niet zijnde een deelnemende lidstaat als bedoeld in artikel 2 van de verordening bankentoezicht, die een vergunning heeft voor het uitoefenen van haar bedrijf, verleend door de toezichthoudende instantie van die lidstaat, en voornemens is haar bedrijf uit te oefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor kan daartoe overgaan twee maanden na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, of onmiddellijk na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 2:14, tweede lid.
Het is de bank toegestaan de werkzaamheden, bedoeld in bijlage I bij de richtlijn kapitaalvereisten, te verrichten, tenzij in de mededeling, bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, uitdrukkelijk anders is bepaald of die mededeling het verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.
Artikel 2:16
Het is een ieder met zetel in een andere lidstaat die naar het recht van de lidstaat van de zetel geen door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning behoeft te hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van bank en een dergelijke vergunning niet op vrijwillige basis heeft verkregen, verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van bank uit te oefenen.
Het eerste lid is voorzover het betreft het uitoefenen van het bedrijf van elektronischgeldinstelling niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van bank, tenzij deze vergunning anders vermeldt.
Het is een ieder met zetel in een andere lidstaat die naar het recht van de lidstaat van de zetel geen door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning behoeft te hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van bank en een dergelijke vergunning niet op vrijwillige basis heeft verkregen, verboden het bedrijf van bank uit te oefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland tenzij hij hiervan kennis geeft aan de Nederlandsche Bank en aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge artikel 3:57. Indien ingevolge artikel 3:57, tweede lid, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.
Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op degene op wie het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen ingevolge artikel 3:2 niet van toepassing is.
Artikel 2:17
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:16, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
- c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. de artikelen 3:17, eerste en tweede lid, en 3:17a, eerste tot en met derde lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- e. artikel 3:21 met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid van het bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
- f. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
- g. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit;
- h. artikel 3:63, eerste en tweede lid, met betrekking tot de liquiditeit; en
- i. artikel 3:75 met betrekking tot een afzonderlijke boekhouding,
met dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met d en g tot en met i in de genoemde artikelen voor «een bank in Nederland» telkens moet worden gelezen: «het bijkantoor in Nederland van een bank met zetel in een andere lidstaat».
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c of d, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:18
Een bank met zetel in een andere lidstaat niet zijnde een deelnemende lidstaat als bedoeld in artikel 2 van de verordening bankentoezicht, die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning heeft voor het uitoefenen van haar bedrijf en voornemens is voor de eerste maal door middel van het verrichten van diensten naar Nederland haar bedrijf uit te oefenen, kan daartoe overgaan nadat zij de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar zij haar zetel heeft, kennis heeft gegeven van het voornemen.
Het is de bank toegestaan de werkzaamheden, bedoeld in bijlage I bij de richtlijn kapitaalvereisten, te verrichten, tenzij de Nederlandsche Bank van de toezichthoudende instantie van de lidstaat van de zetel van de desbetreffende bank een mededeling heeft ontvangen waarin uitdrukkelijk anders is bepaald of die mededeling, het verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.
Artikel 2:19
Vervallen
§ 2.2.2.3. Vergunningplicht en -eisen voor banken met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 2:20
Het is een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van bank vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
Artikel 2:21
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat hij in de staat van zijn zetel bevoegd is tot de uitoefening van zijn bedrijf en dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
- c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)