Wet van 28 september 2006, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht)
De Nederlandsche Bank stelt, indien zij de groepsafwikkelingsautoriteit is van een groep die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een afwikkelingsplan vast voor de groep, overeenkomstig de procedures en vereisten in de artikelen 12 en 13 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
Het afwikkelingsplan voor een groep als bedoeld in het tweede lid dat is vastgesteld door de groepsafwikkelingsautoriteit in een andere lidstaat, is op de entiteiten van de groep met zetel in Nederland van toepassing, tenzij de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 13, zesde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, afzonderlijke afwikkelingsplannen opstelt voor deze entiteiten.
De Nederlandsche Bank kan met inachtneming van artikel 4, eerste en tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen besluiten dat het eerste en tweede lid op vereenvoudigde wijze worden toegepast als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die richtlijn, indien het falen van de entiteit of groep waarschijnlijk niet gepaard zal gaan met significante nadelige gevolgen voor de financiële markten, op andere instellingen, op de financieringsvoorwaarden of op de economie in ruimere zin.
De Nederlandsche Bank kan op grond van artikel 4, achtste en negende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen besluiten dat vaststelling van een herstel- of afwikkelingsplan niet noodzakelijk is.
Indien er vereenvoudigde verplichtingen worden toegepast kan de Nederlandsche Bank te allen tijde de bevoegdheden bedoeld in artikel 4, derde en vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen uitoefenen.
Artikel 3a:9a. Afwikkelingsplan binnen SRM
Indien de Nederlandsche Bank op grond van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme een groepsafwikkelingsplan opstelt voor een EU-moederonderneming strekt dit plan zich ook uit, onder voorbehoud van titel VI van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tot dochterondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is.
Artikel 3a:10. Beoordeling afwikkelbaarheid buiten SRM
De Nederlandsche Bank beoordeelt aan de hand van artikel 15, eerste tot en met derde lid, onderscheidenlijk artikel 16 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bij het opstellen van een afwikkelingsplan ingevolge artikel 3A:9 de mate waarin de betrokken entiteit of groep afwikkelbaar is. De Nederlandsche Bank neemt hierbij de overwegingen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die richtlijn, in aanmerking.
Indien de Nederlandsche Bank op grond van het eerste lid, constateert dat er wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van een betrokken entiteit of groep zijn, deelt zij dit mede aan de entiteit.
Artikel 3a:10a. Voorstellen entiteit betreffende afwikkelbaarheid
Indien de betrokken entiteit een mededeling ontvangt als bedoeld in artikel 3A:10, tweede lid, doet die entiteit voorstellen als bedoeld in artikel 17, derde lid, eerste tot en met derde alinea van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen aan de Nederlandsche Bank om de wezenlijke belemmeringen aan te pakken of weg te nemen binnen de in artikel 17, derde lid, van die richtlijn voorgeschreven termijnen.
Artikel 3a:11. Maatregelen t.a.v. afwikkelbaarheid buiten SRM
De Nederlandsche Bank stelt op grond van de beoordeling van de afwikkelbaarheid van een entiteit of groep ingevolge artikel 3A:10, en de voorstellen van de entiteit ingevolge artikel 3A:10a, overeenkomstig de procedure in artikel 17, derde lid, vijfde alinea, en zevende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, vast of de door de entiteit voorgestelde maatregelen de wezenlijke belemmeringen daadwerkelijk aanpakken of wegnemen.
Indien de Nederlandsche Bank op basis van de in het eerste lid bedoelde beoordeling vaststelt dat de door de entiteit voorgestelde maatregelen niet de wezenlijke belemmeringen daadwerkelijk aanpakken of wegnemen, legt zij overeenkomstig artikel 17, vierde en zesde lid van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen en indien van toepassing overeenkomstig artikel 18 van die richtlijn, de maatregelen op als bedoeld in artikel 17, vijfde lid van die richtlijn om deze belemmeringen in voldoende mate te verminderen of weg te nemen.
Artikel 3a:11a. Maatregelen t.a.v. afwikkelbaarheid binnen SRM
Indien de Afwikkelingsraad of de Nederlandsche Bank op grond van artikel 10, tiende lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme oordeelt dat de door de entiteit of moederonderneming voorgestelde maatregelen de vastgestelde belemmeringen voor afwikkelbaarheid niet in voldoende mate zullen verminderen of wegnemen, beschikt de Nederlandsche Bank over de bevoegdheid om, indien van toepassing op instructie van de Afwikkelingsraad, aan de entiteit of groep maatregelen op te leggen als bedoeld in artikel 10, elfde lid, van die verordening, met inachtneming van het dertiende lid van dat artikel en over de bevoegdheid, genoemd in artikel 17, vijfde lid, onderdeel k, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
Artikel 3a:11b. Verbieden van bepaalde uitkeringen binnen SRM
Indien een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2 voldoet aan het gecombineerde buffervereiste, wanneer dit vereiste in beschouwing wordt genomen naast elk van de vereisten, bedoeld in artikel 141 bis, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de richtlijn kapitaalvereisten, maar niet voldoet aan het gecombineerde buffervereiste wanneer het in beschouwing wordt genomen naast de vereisten, bedoeld in de artikelen 45 quater en 45 quinquies van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, als berekend overeenkomstig artikel 45, tweede lid, onderdeel a, van die richtlijn, kan de Nederlandsche Bank, al dan niet op instructie van de Afwikkelingsraad, overeenkomstig artikel 16 bis, tweede of derde lid, van laatstgenoemde richtlijn een entiteit verbieden uitkeringen voor een bedrag dat hoger is dan het maximaal uitkeerbare bedrag voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, berekend overeenkomstig artikel 16 bis, vierde tot en met zesde lid, van laatstgenoemde richtlijn, te verrichten door:
- a. uitkeringen te verrichten in verband met tier 1-kernkapitaal;
- b. een verplichting aan te gaan tot het betalen van variabele beloning of van uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen, of tot het betalen van variabele beloning als de verplichting tot betalen werd aangegaan op het ogenblik dat de entiteit niet aan het gecombineerde buffervereiste voldeed; of
- c. betalingen te verrichten op aanvullend-tier 1-instrumenten.
Indien een entiteit zich in de in het eerste lid bedoelde situatie bevindt, meldt zij dat onverwijld aan de Nederlandsche Bank.
Artikel 3a:11c. Verbieden van bepaalde uitkeringen buiten SRM
Artikel 3A:11b is van overeenkomstige toepassing op beleggingsondernemingen die geen onderdeel zijn van een groep.
Artikel 3a:12. Vermogen tot uitgifte kernkapitaal- en eigendomsinstrumenten
Een entiteit is te allen tijde in staat kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten uit te geven teneinde te voldoen aan een besluit als bedoeld in artikel 3A:22, eerste lid, of 3A:45, eerste lid.
Artikel 3a:13. Contractuele afwikkelbaarheidsclausule
Een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen a tot en met f, neemt in een overeenkomst of instrument waarop het recht van een staat die geen lidstaat is van toepassing is, en die verplichtingen bevat die voor toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 3A:21 en 3A:44, in aanmerking zouden komen en geen deposito’s zijn als bedoeld in artikel 212ra, eerste lid, onderdelen a of b, van de Faillissementswet een bepaling op waarin de wederpartij instemt met de mogelijke toepassing van die bevoegdheden en met de gevolgen daarvan.
Het eerste lid is niet van toepassing op overeenkomsten die zijn aangegaan voor de inwerkingtreding van dit artikel, tenzij anders is bepaald bij verordening van de Europese Commissie op grond van artikel 55, vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
De Nederlandsche Bank kan voorschrijven dat de entiteit de afdwingbaarheid en doeltreffendheid van een contractuele bepaling als bedoeld in het eerste lid, door middel van een verklaring van een onafhankelijke deskundige aantoont.
De Nederlandsche Bank kan ontheffing verlenen van het eerste lid, indien zij vaststelt dat de verplichtingen krachtens het recht van een staat die geen lidstaat is of ingevolge een met die staat gesloten bindende overeenkomst, zijn onderworpen aan toepassing van afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten of het instrument van bail-in door de Nederlandsche Bank, de Afwikkelingraad of een afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat.
De Nederlandsche Bank kan ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, aan entiteiten waarvoor het in artikel 45, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bedoelde vereiste gelijk is aan het verliesabsorptiebedrag, bedoeld in artikel 45 quater, tweede lid, onderdeel a, van die richtlijn, indien de passiva die voldoen aan de in artikel 55, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van die richtlijn bedoelde voorwaarden en ten aanzien waarvan de in artikel 55, eerste lid, van die richtlijn opgenomen bepaling niet is opgenomen in de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, niet voor dat vereiste worden meegerekend.
Artikel 3a:13a. Onuitvoerbaarheid verplichtingen
Indien een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen a tot en met f, vaststelt dat het onuitvoerbaar is om een bepaling als bedoeld in artikel 3A:13, eerste lid, op te nemen in de overeenkomsten of instrumenten die betrekking hebben op de betrokken passiva, niet zijnde aanvullend-tier 1-instrumenten, tier 2-instrumenten en ongedekte schuldinstrumenten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 48, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, stelt zij de Nederlandsche Bank daarvan in kennis, onder vermelding van de passiva waarop de onuitvoerbaarheid betrekking heeft, en de rechtvaardiging van die vaststelling.
Het eerste lid is slechts van toepassing op verplichtingen met een hogere rang dan de verplichtingen, bedoeld in artikel 108, tweede lid, onderdelen a tot en met c, en derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
Op verzoek van de Nederlandsche Bank verstrekt de entiteit binnen een door de Nederlandsche Bank gestelde redelijke termijn informatie die de Nederlandsche Bank in staat stelt te beoordelen welke gevolgen de inhoud van een inkennisstelling, bedoeld in het eerste lid op de afwikkelbaarheid van de entiteit heeft.
De verplichting om de in artikel 3A:13, eerste lid, bedoelde bepaling in de overeenkomst op te nemen wordt opgeschort vanaf het tijdstip waarop de Nederlandsche Bank de inkennisstelling heeft ontvangen.
Artikel 3a:13b. Niet-onuitvoerbaarheid verplichtingen
Indien de Nederlandsche Bank van oordeel is dat het opnemen van de bepaling in de overeenkomst niet onuitvoerbaar is, verplicht zij de entiteit tot het alsnog binnen een door de Nederlandsche Bank gestelde redelijke termijn opnemen van de bepaling met betrekking tot de desbetreffende verplichting in de overeenkomst, rekening houdend met de noodzaak van afwikkelbaarheid van de entiteit.
De Nederlandsche Bank kan de instelling door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om ten aanzien van het opnemen van in artikel 3A:13, eerste lid, bedoelde bepalingen in overeenkomsten een bepaalde gedragslijn te volgen.
Artikel 3a:13c. Beoordeling gevolgen voor afwikkelbaarheid
Indien de Nederlandsche Bank vaststelt dat binnen een categorie verplichtingen die in aanmerking komende passiva omvat, het bedrag aan verplichtingen zonder de in artikel 3A:13, eerste lid, bedoelde bepaling, samen met de verplichtingen die zijn uitgesloten van de toepassing van het instrument van bail-in, of die waarschijnlijk zullen worden uitgesloten van de toepassing van het instrument van bail-in, meer bedraagt dan 10% van die categorie, beoordeelt zij onmiddellijk welke gevolgen deze vaststelling heeft voor de afwikkelbaarheid van de entiteit.
Indien de Nederlandsche Bank op grond van de in het eerste lid bedoelde beoordeling oordeelt dat de passiva met betrekking waartoe de entiteit op grond van artikel 3A:13a, eerste lid, heeft vastgesteld dat het onuitvoerbaar is om een in dat lid bedoelde bepaling in de overeenkomst of de in artikel 3A:13a, eerste lid, bedoelde instrumenten op te nemen, een substantiële belemmering voor de afwikkelbaarheid vormen, past zij de in artikel 10 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk de artikelen 3A:10 en 3A:10a bedoelde bevoegdheden zodanig toe dat de belemmering voor de afwikkelbaarheid wordt weggenomen.
Artikel 3a:13d. Niet-meegerekende verplichtingen
Indien een entiteit moet voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 3A:13, eerste lid, en voor die passiva in een overeenkomst niet de bepaling, bedoeld in artikel 3A:13, eerste lid, is opgenomen, worden de passiva niet meegerekend voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva.
Artikel 3a:13e. Aanwijzing categorieën passiva
De Nederlandsche Bank kan categorieën passiva aanwijzen ten aanzien waarvan een entiteit op grond van voorwaarden die zijn vastgesteld ingevolge artikel 55, zesde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tot de vaststelling kan komen dat het onuitvoerbaar is om het in artikel 3A:13, eerste lid, bedoelde beding op te nemen.
Artikel 3a:14. MREL voor entiteiten buiten SRM
Een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b tot en met f, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, voldoet te allen tijde aan een door de Nederlandsche Bank vast te stellen minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva tenzij er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 45 quaterdecies, derde en vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
De Nederlandsche Bank stelt het minimumvereiste als bedoeld in het eerste lid vast op grond van de artikelen 45 tot en met 45 nonies en 45 quaterdecies, eerste lid en vijfde tot en met achtste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
Ten behoeve van de vaststelling van de minimumvereisten voor het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva rapporteert een in het eerste lid bedoelde entiteit met inachtneming van de ingevolge artikel 45 decies, vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen gestelde regels de informatie, bedoeld in artikel 45 decies, eerste lid, van die richtlijn aan de Nederlandsche Bank.
Een in het eerste lid bedoelde entiteit rapporteert de informatie bedoeld in het derde lid met de frequenties bedoeld in artikel 45 decies, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen. De Nederlandsche Bank kan verzoeken om frequentere rapportages.
Een in het eerste lid bedoelde entiteit maakt de informatie, bedoeld in artikel 45 decies, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, ten minste jaarlijks openbaar met inachtneming van de ingevolge artikel 45 decies, zesde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen gestelde regels en neemt daarbij het zevende lid van dat artikel in acht.
Het derde tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op een liquidatie-entiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 83 bis bis, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tenzij de Nederlandsche Bank voor die entiteit het minimumvereisten voor het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 45 quater, tweede lid bis, tweede alinea, van die richtlijn. De Nederlandsche Bank bepaalt in dat geval de inhoud en frequentie van de rapportage- en openbaarmakingsverplichting als bedoeld in het vierde en vijfde lid en deelt die mede aan de entiteit.
Indien een entiteit als bedoeld in het eerste lid niet voldoet aan het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva bedoeld in het eerste lid, past de Nederlandsche Bank tenminste een van de maatregelen toe uit de artikelen 1:74, 1:75a, 1:79, 1:80, 3:111a, 3A:11, 3A:11b of 3A:11c ongeacht de vereisten voor toepassing die in die artikelen genoemd zijn.
Afdeling 3a.1.2a. MREL binnen SRM
Artikel 3a:15. Vaststellen MREL op instructie
De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van een instructie als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme besluiten tot vaststelling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva overeenkomstig de voormelde instructie.
Artikel 3a:16. Vaststelling MREL op entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn
De Nederlandsche Bank kan besluiten artikel 12 octies van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme niet toe te passen op een dochteronderneming die geen af te wikkelen entiteit is, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 45 septies, derde lid, onderdelen d tot en met f, of, vierde lid, onderdelen d tot en met f, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, onverminderd de voorwaarden, bedoeld in artikel 12 nonies, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of, tweede lid, onderdelen a tot en met c, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme.
Afdeling 3a.1.3. Besluit tot afwikkeling of tot afschrijving en omzetting kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva
§ 3a.1.3.1. Voorwaarden besluit tot afwikkeling of tot afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva
Artikel 3a:17. Besluit tot afschrijving en omzetting buiten SRM
De Nederlandsche Bank besluit onverwijld tot afschrijving en omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en de in het zesde lid bedoelde in aanmerking komende passiva van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2 die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, indien wordt voldaan aan een van de omstandigheden, bedoeld in artikel 59, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, met inachtneming van artikel 59, eerste lid, laatste alinea, eerste lid bis, en vierde tot en met zesde lid, van die richtlijn.
De bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in het zesde lid bedoelde in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten kan als volgt worden uitgeoefend:
- a. zonder dat er een afwikkelingsmaatregel genomen wordt; of
- b. onmiddellijk voorafgaand aan of tegelijk met een afwikkelingsmaatregel, indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor afwikkeling, bedoeld in artikel 32, 32 bis of 33 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen en deze afwikkelingsmaatregel tot gevolg zou hebben dat schuldeisers verliezen lijden of dat hun vorderingen zouden worden omgezet.
Indien relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva indirect aan de af te wikkelen entiteit zijn uitgegeven via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, wordt de bevoegdheid om die relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten uitgeoefend samen met dezelfde bevoegdheid op het niveau van de moederonderneming van de betrokken entiteit of op het niveau van andere moederondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, teneinde de verliezen daadwerkelijk door te schuiven naar de af te wikkelen entiteit en de betrokken entiteit te herkapitaliseren door de af te wikkelen entiteit.
Voor de afschrijving en omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in het zesde lid bedoelde in aanmerking komende passiva van een entiteit die onderdeel is van een groep als bedoeld in het eerste lid, waarvan de Nederlandsche Bank niet de groepsafwikkelingsautoriteit is:
- a. dient het oordeel van de Nederlandsche Bank over de levensvatbaarheid van de groep in overeenstemming te zijn met het oordeel van de daartoe aangewezen autoriteit van de staat van de consoliderende toezichthouder, indien de entiteit een dochteronderneming is; en
- b. oordeelt uitsluitend de daartoe aangewezen autoriteit van de staat van de consoliderende toezichthouder over de levensvatbaarheid van de groep, indien de entiteit de moederonderneming is.
Ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt een waardering verricht, overeenkomstig artikel 36, eerste tot en met dertiende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, van de activa en passiva waarop de voorgenomen maatregelen bedoeld in het eerste lid zien.
De bevoegdheid om in aanmerking komende passiva onafhankelijk van afwikkelingsmaatregelen op grond van het eerste lid af te schrijven of om te zetten, kan alleen worden uitgeoefend met betrekking tot in aanmerking komende passiva die aan de in artikel 45 septies, tweede lid, onderdeel a, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bedoelde voorwaarden voldoen, met uitzondering van de voorwaarde die betrekking heeft op de resterende looptijd van passiva, bedoeld in artikel 72 quater, eerste lid, van de verordening kapitaalvereisten. Indien die bevoegdheid wordt uitgeoefend, is artikel 3A:20, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3a:18. Besluit tot afwikkeling buiten SRM
De Nederlandsche Bank besluit tot afwikkeling van en het nemen van een afwikkelingsmaatregel voor een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b tot en met f, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, indien wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 32, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen met inachtneming van artikel 31 en 32, eerste lid, derde lid, vierde lid, eerste tot en met derde alinea, en vijfde lid, van die richtlijn.
De Nederlandsche Bank neemt artikel 33, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen in acht:
- a. bij een besluit als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot entiteiten van een groep als bedoeld in dat lid, waarvan een gemengde holding deel uitmaakt;
- b. ingeval een groep niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en de dochterinstellingen van een gemengde holding met zetel in Nederland direct of indirect in handen zijn van een financiële tussenholding.
De afwikkeling van een entiteit die onderdeel is van een groep als bedoeld in het eerste lid en waarvan de Nederlandsche Bank niet de groepsafwikkelingsautoriteit is, vindt plaats:
- a. met inachtneming van de procedurele vereisten in artikel 91, vierde en vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen; en
- b. overeenkomstig de groepsafwikkelingsregeling, bedoeld in artikel 91, zesde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tenzij het een dochteronderneming betreft en de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 91, achtste lid, of artikel 92, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen anders beslist.
Ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt een waardering verricht, overeenkomstig artikel 36, eerste tot en met dertiende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, van de activa en passiva van de entiteit.
Artikel 3a:18a. Afwikkeling centrale kredietinstelling
De Nederlandsche Bank kan besluiten tot afwikkeling en het nemen van een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 32 bis van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen van een centrale kredietinstelling en alle blijvend aangesloten banken die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep indien de af te wikkelen groep als geheel voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
Artikel 3a:18b. Afwikkeling entiteit van groep met gemengde holding
Indien de Nederlandsche Bank besluit tot afwikkeling van en het nemen van een afwikkelingsmaatregel voor een een entiteit waartoe zij op grond van artikel 7, derde lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme bevoegd is, welke andere entiteit deel uitmaakt van een groep waarvan ook een gemengde holding deel uitmaakt, is artikel 33, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3a:19. Afwikkelingsmaatregel bijkantoren staten die geen lidstaat zijn
De Nederlandse Bank kan besluiten tot het toepassen van een afwikkelingsmaatregel, afschrijving en omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in artikel 3A:17, afdeling 3A.1.4 of artikel 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en tot een opschorting als bedoeld in paragraaf 3A.1.3.2 ten aanzien van een bijkantoor van een bank of beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, indien wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 96 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
Ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt een waardering verricht, overeenkomstig artikel 36, eerste tot en met dertiende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, van de activa en passiva waarop de voorgenomen maatregelen bedoeld in het eerste lid zien.
Artikel 3a:20. Geen grotere verliezen dan bij faillissement
Indien de Nederlandsche Bank een afwikkelingsmaatregel neemt, een besluit neemt als bedoeld in artikel 3A:17 of op basis van afdeling 3A.1.4, of een besluit neemt op grond van artikel 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, lijden de houders van kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten en schuldeisers van de entiteit in afwikkeling, geen grotere verliezen dan zij zouden hebben geleden indien de entiteit onmiddellijk voorafgaand aan dat besluit in een faillissement zou zijn geliquideerd.
Indien de Nederlandsche Bank ter uitvoering van een besluit als bedoeld in het eerste lid besluit tot overgang van gedeelten van de activa, rechten of passiva van de entiteit in afwikkeling, ontvangen de houders van kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten en de schuldeisers van wie vorderingen niet zijn overgegaan, onverminderd het eerste lid, ter voldoening van hun vorderingen ten minste evenveel als zij zouden hebben ontvangen indien de entiteit in afwikkeling onmiddellijk voorafgaand aan de overgang in een faillissement zou zijn geliquideerd.
Nadat de Nederlandsche Bank een besluit als bedoeld in de artikelen 3A:17, eerste lid, 3A:18, eerste lid, 3A:18a, 3A:18b, of 3A:19, eerste lid, heeft genomen, draagt zij er op zo kort mogelijke termijn zorg voor dat door een onafhankelijke persoon een waardering wordt verricht teneinde te verifiëren of aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid, is voldaan. Artikel 74 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen is van toepassing.
Indien uit de waardering bedoeld in het derde lid blijkt dat een houder van een kernkapitaalinstrument of eigendomsinstrument of een schuldeiser grotere verliezen heeft geleden dan zij zou hebben geleden, indien de entiteit onmiddellijk voorafgaand aan een besluit als bedoeld in het derde lid in een faillissement zou zijn geliquideerd, kent de Nederlandsche Bank een vergoeding toe ter hoogte van het verschil ten laste van het afwikkelingsfonds, bedoeld in artikel 3A:68.
Artikel 3a:20a. Beoordeling voorwaarde dat de entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen binnen SRM
Met betrekking tot entiteiten, bedoeld in artikel 7, derde lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, beoordeelt de Nederlandsche Bank of is voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van die verordening en de in artikel 21, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en de in artikel 59, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bedoelde vaststellingen.
Artikel 3a:20aa. Melding dat de entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen
Het bestuur of de raad van commissarissen van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen a tot en met f, stellen de Nederlandsche Bank, of de Europese Centrale Bank indien dit volgt uit de artikelen 4, 5 en 6 van de verordening bankentoezicht, op de hoogte indien zij van oordeel zijn dat de bewuste entiteit faalt of waarschijnlijk gaat falen als bedoeld in artikel 32, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen met inachtneming van de ingevolge artikel 82, derde lid, van die richtlijn gestelde regels.
§ 3a.1.3.2. Opschorting betalings- of leveringsverplichting voorafgaand aan een eventuele afwikkelingsmaatregel
Artikel 3a:20b. Opschorting
Indien wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 33 bis, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, kan de Nederlandsche Bank een betalingsverplichting of leveringsverplichting, uit hoofde van elke overeenkomst waarbij een entiteit partij is, opschorten.
Indien de Nederlandsche Bank een betalingsverplichting of een leveringsverplichting opschort, worden ook de ingevolge die overeenkomst voor de wederpartij van de entiteit geldende betalingsverplichtingen en leveringsverplichtingen voor dezelfde periode opgeschort.
Indien tijdens de periode van opschorting uitvoering moet worden gegeven aan een betalingsverplichting of leveringsverplichting, is de betaling of levering onmiddellijk na het verstrijken van die periode opeisbaar.
Het eerste lid is niet van toepassing op betalingsverplichtingen en leveringsverplichtingen van een entiteit die reeds hebben geleid tot een gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren, of tot rechten en verplichtingen die voor de entiteit in afwikkeling als deelnemer ingevolge of in verband met zijn deelname aan het systeem zijn ontstaan, welke betalingsverplichtingen of leveringsverplichtingen bestaan jegens een:
- a. systeem of systeemexploitant als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel p, van de Faillissementswet;
- b. centrale tegenpartij waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van de EMIR-verordening;
- c. centrale tegenpartij uit een staat die geen lidstaat is die door de Europese Autoriteit voor effecten en markten is erkend overeenkomstig artikel 25 van de EMIR-verordening; of
- d. centrale bank.
Artikel 3a:20c. Duur opschorting
De Nederlandsche Bank bepaalt de duur van de opschorting.
De opschorting duurt vanaf het tijdstip van de bekendmaking van het besluit tot ten hoogste 00.00 uur Nederlandse tijd aan het einde van de werkdag volgend op die bekendmaking.
Onverminderd het tweede lid is de opschorting zo kort mogelijk en duurt deze niet langer dan de minimumperiode die de Nederlandsche Bank noodzakelijk acht om:
- a. te voorkomen dat de financiële toestand van de entiteit verder verslechtert;
- b. te komen tot de vaststelling of een afwikkelingsmaatregel in het algemeen belang als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 32, vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen is; of
- c. indien wordt besloten tot het toepassen van een afwikkelingsmaatregel:
- 1°. de passende afwikkelingsmaatregel te kiezen; of
- 2°. de doeltreffende toepassing van een of meer afwikkelingsmaatregelen te waarborgen.
Artikel 3a:20d. Reikwijdte opschorting en motivering
De Nederlandsche Bank betrekt bij haar afweging of zij tot opschorting besluit in ieder geval:
- a. de gevolgen die de opschorting kan hebben voor het ordelijk functioneren van de financiële markten; en
- b. de rechten van de schuldeisers die zij zouden hebben gehad indien de entiteit onmiddellijk voorafgaand aan een besluit als bedoeld in artikel 3A:20b, eerste lid, in een faillissement zou zijn geliquideerd.
De Nederlandsche Bank kan de opschorting beperken tot bepaalde betalings- en leveringsverplichtingen, inclusief betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 4, van de richtlijn depositogarantiestelsels.
De Nederlandsche Bank schort betalingsverplichtingen of leveringsverplichtingen die voortvloeien uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in het tweede lid, in het bijzonder betalingsverplichtingen of leveringsverplichtingen die voortvloeien uit gedekte deposito’s van natuurlijke personen en micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen, slechts dan op wanneer dat gepast is als bedoeld in artikel 33 bis, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
Indien de Nederlandsche Bank betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in het tweede lid opschort, stelt zij een passend bedrag per dag vast waar depositohouders toegang tot hebben.
Artikel 3a:20e. Bijkomende bevoegdheden opschorting
Wanneer de Nederlandsche Bank besluit tot opschorting van betalingsverplichtingen en leveringsverplichtingen, kan zij tevens, voor dezelfde duur als die waarvoor zij de betalingsverplichtingen en leveringsverplichtingen opschort:
- a. de bevoegdheden van de schuldeisers van de entiteit tot verhaal op aan de entiteit toebehorende activa beperken; en
- b. de aan een derde toebehorende bevoegdheid tot beëindiging van een overeenkomst met de entiteit opschorten.
Artikel 3A:53, tweede lid, onderscheidenlijk 3A:54, tweede en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3a.1.4. Afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva
Artikel 3a:21. Afschrijving en omzetting
De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van een besluit op grond van artikel 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme of artikel 3A:17:
- a. kernkapitaalbestanddelen als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel b tot en met f, van de verordening kapitaalvereisten, verminderen;
- b. de hoofdsom van de door of met medewerking van een entiteit uitgegeven kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten verminderen, of deze instrumenten intrekken of doen overgaan op:
- 1°. houders van de rechten, bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d;
- 2°. houders van de rechten bedoeld in artikel 3A:44, eerste lid waarbij de instemming van de verkrijger ingevolge artikel 3A:6, eerste lid, niet benodigd is; of
- 3°. de stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a;
- c. de hoofdsom van de door of met medewerking van een entiteit uitgegeven relevante kapitaalinstrumenten verminderen, of geheel of gedeeltelijk omzetten in rechten op nieuw uit te geven kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten van die entiteit, van een moederonderneming van die entiteit die zelf een entiteit is als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen a tot en met e, of van een overbruggingsinstelling waarop activa, rechten of passiva van die entiteit overgaan; en
- d. de hoofdsom van de in het tweede lid bedoelde in aanmerking komende passiva afschrijven of geheel of gedeeltelijk omzetten in rechten op nieuw uit te geven kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten van de entiteit.
De bevoegdheid om in aanmerking komende passiva onafhankelijk van afwikkelingsmaatregelen op grond van het eerste lid af te schrijven of om te zetten, kan alleen worden uitgeoefend met betrekking tot in aanmerking komende passiva die aan de in artikel 45 septies, tweede lid, onderdeel a, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen gestelde voorwaarden voldoen, met uitzondering van de voorwaarde die betrekking heeft op de resterende looptijd van passiva als bedoeld in artikel 72 quater, eerste lid, van de verordening kapitaalvereisten. Artikel 3A:20, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
De Nederlandsche Bank oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, uit overeenkomstig het bepaalde ingevolge de artikelen 47, 49 en 50 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, worden ook genomen ten aanzien van houders van kernkapitaalinstrumenten en houders van eigendomsinstrumenten waarvan de aandelen of andere eigendomsinstrumenten in de omstandigheden, bedoeld in artikel 47, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, werden uitgegeven of toegekend.
Bij de toepassing op een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b tot en met f, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, neemt de Nederlandsche Bank artikel 59, zevende en tiende lid, en artikel 60, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen in acht.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Artikel 3a:22. Uitgifte kernkapitaal- of eigendomsinstrumenten
De Nederlandsche Bank kan voorschrijven dat een entiteit kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten uitgeeft, of haar medewerking verleent aan de uitgifte daarvan, aan de houders van de rechten, bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d.
Teneinde gevolg te geven aan de in het eerste lid bedoelde uitgifte, kan de Nederlandsche Bank voorschrijven dat een entiteit kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten uitgeeft aan:
- a. een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A: 50a ten behoeve van de houders van rechten bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d, en hun rechtsopvolgers; of
- b. een rechtspersoon met als statutaire doelstelling het tegen toekenning van certificaten ten titel van beheer verwerven en administreren van aandelen.
Teneinde gevolg te geven aan de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde uitgifte kan de Nederlandsche Bank de in dat lid bedoelde rechtspersoon instrueren om certificaten van aandelen uit te geven en toe te kennen aan een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a ten behoeve van de houders van rechten bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d, en hun rechtsopvolgers.
Bij de uitgifte bedoeld in het eerste tot en met derde lid kunnen geen andere rechten worden uitgeoefend dan die bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d.
De voorwaarden, bedoeld in artikel 60, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, zijn van toepassing op de uitgifte bedoeld in het eerste lid al dan niet in samenhang met een uitgifte als bedoeld in het tweede of derde lid.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 3a:23. Regeling gevolgen besluiten
De Nederlandsche Bank bepaalt in haar besluiten op grond van artikel 3A:21 of 3A:22 nader:
- a. op welke wijze en onder welke voorwaarden de afschrijving, uitgifte of omzetting plaatsvindt;
- b. de gevolgen van deze besluiten voor zover nodig; of
- c. de nominale waarde van nieuw uit te geven eigendomsinstrumenten of de bestaande eigendomsinstrumenten bij overgang op de houders van de rechten bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d.
Op verzoek van de Nederlandsche Bank gaat een daartoe bevoegde persoon of instantie over tot:
- a. wijziging van relevante registers;
- b. het uit de notering of uit de handel nemen van kernkapitaalinstrumenten, eigendomsinstrumenten of schuldinstrumenten;
- c. notering of toelating tot de handel op een gereglementeerde markt van nieuwe kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten;
- d. hernieuwde notering of toelating tot de handel van schuldinstrumenten waarvan de hoofdsom is verlaagd;
- e. wijziging van de statuten in geval van aanpassing van het bedrag van de aandelen; of
- f. handelingen of diensten in verband met de afwikkeling van transacties in effecten en effectenafwikkelingssystemen.
Bij de toepassing van het tweede lid, onderdelen c en d, is artikel 3, eerste en tweede lid, van de prospectusverordening niet van toepassing.
Artikel 3a:24. Vermindering hoofdsom kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva
Bij vermindering van de hoofdsom van een relevant kapitaalinstrument of een in aanmerking komend passivum als bedoeld in het tweede lid van artikel 3A:21 ingevolge artikel 3A:21, eerste lid:
- a. is de vermindering van deze hoofdsom permanent, behoudens artikel 3A:25a;
- b. resteert voor de houder van het relevante kapitaalinstrument of het in aanmerking komend passivum geen vordering in verband met het gedeelte van de hoofdsom dat is afgeschreven, met uitzondering van alle reeds opgebouwde vorderingen en vorderingen die, in voorkomend geval, ontstaan uit een beroep ingesteld ter betwisting van de rechtmatigheid van de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving; en
- c. worden houders van de relevante kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende passiva niet gecompenseerd, onverminderd de bevoegdheid, bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, om relevante kapitaalinstrumenten om te zetten in rechten op kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten.
Artikel 3a:25. Volledige of gedeeltelijke afschrijving
Onverminderd artikel 3A:25a wordt, indien de Nederlandsche Bank op grond van artikel 3A:21, eerste lid, de hoofdsom van een verplichting van een entiteit tot nihil vermindert, de verplichting als voldaan beschouwd evenals eventuele verplichtingen of vorderingen die daaruit voortvloeien en die niet waren opgebouwd op het tijdstip waarop de bevoegdheid werd uitgeoefend.
Indien de Nederlandsche Bank de hoofdsom van een verplichting van een entiteit vermindert, maar niet tot nihil reduceert onverminderd artikel 3A:25a:
- a. wordt de verplichting als voldaan beschouwd ter hoogte van het verminderde bedrag; en
- b. blijven de voorwaarden van het betrokken instrument of de betrokken overeenkomst waarop de oorspronkelijke verplichting is gebaseerd, van toepassing op het resterende gedeelte van de hoofdsom van de verplichting, met uitzondering van een eventuele wijziging van het verschuldigde rentebedrag om de vermindering van het bedrag van de hoofdsom weer te geven, en onverminderd de toepassing van artikel 3A:51, eerste en derde lid.
Artikel 3a:25a. Verhoging verminderde hoofdsom
De Nederlandsche Bank kan, indien na toepassing van artikel 3A:21 op basis van een voorlopige waardering als bedoeld in artikel 20, tiende lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 36, negende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, uit de definitieve waardering, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 3A:17, zesde lid, 3A:18, vijfde lid of 3A:19, tweede lid, blijkt dat met een beperktere vermindering van de hoofdsom van een kernkapitaalinstrument, eigendomsinstrument, relevant kapitaalinstrument of een in aanmerking komend passivum als bedoeld in het tweede lid van artikel 3A:21 had kunnen worden volstaan, de hoofdsom verhogen in overeenstemming met de definitieve waardering.
Indien de Nederlandsche Bank op grond van het eerste lid besluit tot verhoging van de hoofdsom van een kernkapitaalinstrument, eigendomsinstrument, relevant kapitaalinstrument of een in aanmerking komend passivum als bedoeld in het tweede lid van artikel 3A:21 die zij aanvankelijk had verminderd tot nihil, is vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat besluit artikel 3A:25, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3a:26. Gekwalificeerde deelneming
De Nederlandsche Bank verricht de beoordeling van de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar met inachtneming van de doelstellingen, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 31, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, indien een verwerving of een vergroting van een gekwalificeerde deelneming in een bank of beleggingsonderneming het gevolg is van:
- a. de uitoefening van een ingevolge artikel 3A:21, eerste lid, verworven recht op kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten;
- b. de uitgifte van eigendomsinstrumenten die voortvloeit uit een besluit als bedoeld in de artikelen 3A:17, 3A:18, eerste lid, 3A:18a, 3A:18b, 3A:19, eerste lid, of de artikelen 16, 18, of 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme; of
- c. de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 3A:50.
Indien de Nederlandsche Bank nog geen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, heeft genomen, is, met ingang van het moment waarop de eigendomsinstrumenten worden uitgegeven totdat op de aanvraag is beslist:
- a. het stemrecht van de aanvrager van de verklaring van geen bezwaar voortvloeiend uit die eigendomsinstrumenten geschorst en kan dit recht alleen door de Nederlandsche Bank worden uitgeoefend, zonder dat zij daarvoor aansprakelijk is; en
- b. de aanvrager vrijgesteld van het bepaalde in de artikelen 3:95, 3:96, 3:99, 3:103 en 3:104.
Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 1:106b tot en met 1:106e niet van toepassing.
Indien de Nederlandsche Bank besluit een verklaring van geen bezwaar te verlenen, wordt de houder van de eigendomsinstrumenten geacht het volledige stemrecht met betrekking tot die eigendomsinstrumenten te hebben onmiddellijk nadat het besluit is bekendgemaakt tenzij anders bepaald.
Indien de Nederlandsche Bank de aanvraag afwijst, doet de aanvrager afstand van die eigendomsinstrumenten binnen een door de Nederlandsche Bank bepaalde termijn. Het tweede lid, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3a:26a. Van overeenkomstige toepassing van afwikkelingsbevoegdheden
De artikelen 3A:50, eerste lid, 3A:51, derde lid, 3A:58 en 3A:63 zijn van overeenkomstige toepassing op de afschrijving en omzetting als bedoeld in artikel 3A:21.
Afdeling 3a.1.5. Afwikkeling
Artikel 3a:27. Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing indien een besluit tot afwikkeling wordt genomen op grond van artikel 16 of 18 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk de artikelen 3A:18 tot en met 3A:19 in combinatie met een besluit op basis van artikel 21 van die verordening, onderscheidenlijk artikel 3A:17, en de toepassing van artikel 3A:21.
De Nederlandsche Bank kan de afwikkelingsinstrumenten uit deze afdeling individueel of gecombineerd toepassen, tenzij de wet anders bepaalt.
§ 3a.1.5.1. Het instrument van overgang van de onderneming
Artikel 3a:28. Instrument van overgang van de onderneming
De Nederlandsche Bank kan, tot toepassing van het instrument van overgang van de onderneming, besluiten tot overgang op een verkrijger die geen overbruggingsinstelling is, van:
- a. eigendomsinstrumenten die zijn uitgegeven door of met medewerking van een entiteit in afwikkeling; en
- b. activa, rechten of passiva van een entiteit in afwikkeling.
De Nederlandsche Bank kan, bij toepassing van het eerste lid, meermaals een overgang bewerkstelligen.
Teneinde de overgang in het eerste lid tot stand te brengen kan de Nederlandsche Bank besluiten tot verkoop van de in het eerste lid bedoelde aandelen of andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten, of passiva van die instelling die de autoriteit wil overdragen, of treft zij regelingen voor de verkoop ervan. Pools van rechten, activa en passiva kunnen afzonderlijk worden verkocht.
Artikel 3a:29. Voorwaarden voor overgang
Voor de toepassing van het instrument van overgang van de onderneming besluit de Nederlandsche Bank tot overgang van kernkapitaalinstrumenten, eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva van de entiteit in afwikkeling met inachtneming van de voorwaarden voor overgang ingevolge artikel 39, eerste tot en met derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
De overgang vindt plaats onder commerciële voorwaarden, die in overeenstemming zijn met de waardering ingevolge 3A:17, vijfde lid, artikel 3A:18, vierde lid, of artikel 20, eerste tot en met vijftiende lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme. De Nederlandsche Bank neemt alle redelijke stappen mogelijk om de commerciële voorwaarden te bedingen.
Artikel 3a:30. Verzoek tot faillissement
Indien de Nederlandsche Bank besluit tot overgang van gedeelten van de activa, rechten of passiva van een entiteit in afwikkeling, verzoekt zij de rechtbank Amsterdam binnen een redelijke termijn het faillissement van de entiteit uit te spreken, tenzij het voortbestaan van het overgebleven deel van de entiteit nodig is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken of om aan de beginselen, bedoeld in artikel 14, onderscheidenlijk artikel 15, eerste lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme of artikel 31, onderscheidenlijk artikel 34, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, te voldoen.
Artikel 3a:31. Overgangsprijs
Onverminderd artikel 3A:62 komt een door de verkrijger te betalen overgangsprijs toe aan de oorspronkelijke eigenaren.
Artikel 3a:32. Overgang op oorspronkelijke eigenaren
De Nederlandsche Bank kan ten aanzien van eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva die zijn overgegaan, besluiten tot overgang op de oorspronkelijke eigenaren, indien de verkrijger daarmee instemt.
De overgang op de oorspronkelijke eigenaren vindt plaats binnen de termijn die wordt genoemd in het besluit tot overgang en voldoet aan de in dat besluit opgenomen voorwaarden.
Artikel 3a:33. Gekwalificeerde deelneming
Indien een overgang van eigendomsinstrumenten zou leiden tot verwerving of vergroting van een gekwalificeerde deelneming in een bank of beleggingsonderneming, is artikel 3A:26 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3a:34. Rechtsopvolging verkrijger in andere lidstaat
Voor de toepassing van de artikelen 2:15, eerste lid, 2:18, eerste lid, en 2:98 wordt een verkrijger met zetel in een andere lidstaat beschouwd als de rechtsopvolger van de entiteit in afwikkeling en kan deze alle rechten blijven uitoefenen die door die entiteit werden uitgeoefend met betrekking tot de activa, rechten of passiva die zijn overgegaan.
Artikel 3a:34a. Geen nieuwe vergunning of notificatie nodig bij overgang
Na de toepassing van het instrument van overgang van de onderneming wordt de verkrijger beschouwd als de voorzetting van de entiteit in afwikkeling en kan de verkrijger alle rechten blijven uitoefenen die door de entiteit werden uitgeoefend met betrekking tot de activa, rechten of passiva die zijn overgegaan.
De toepassing van het instrument van overgang van de onderneming met betrekking tot een bank brengt niet met zich mee dat de verkrijger:
- a. overeenkomstig artikel 2:108, eerste lid, kennis behoeft te geven aan de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank, al naar gelang de bevoegdheidsverdeling op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, van het voornemen om het bedrijf van bank uit te oefenen vanuit een bijkantoor gelegen in een deelnemende lidstaat als bedoeld in artikel 2 van de verordening bankentoezicht;
- b. overeenkomstig artikel 2:108, tweede lid, instemming behoeft te vragen aan de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank, al naar gelang de bevoegdheidsverdeling op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, om het bedrijf van bank uit te oefenen vanuit een bijkantoor gelegen in een lidstaat, niet zijnde een deelnemende lidstaat als bedoeld in artikel 2 van de verordening bankentoezicht;
- c. overeenkomstig artikel 2:110 kennis behoeft te geven aan de Nederlandsche Bank van het voornemen om het bedrijf van bank uit te oefenen door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat.
Artikel 3a:35. Rechtsopvolging toegangsrechten
Het lidmaatschap van of het recht op toegang tot betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen, gereglementeerde markten, het beleggerscompensatiestelsel of het depositogarantiestelsel van de entiteit in afwikkeling, gaat van rechtswege over op de verkrijger.
De verkrijger kan de aan het lidmaatschap verbonden rechten of het recht op toegang uitoefenen indien hij voldoet aan de daaraan verbonden voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde om te beschikken over een vereiste kredietbeoordeling door een kredietbeoordelingsbureau.
De Nederlandsche Bank kan bepalen dat de verkrijger voor de duur van ten hoogste twee jaar niet hoeft te voldoen aan de voorwaarden voor lidmaatschap of toegang, bedoeld in het tweede lid. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag besluiten tot verlenging met telkens ten hoogste twee jaar.
Artikel 3a:36. Samenwerking tussen de entiteit in afwikkeling, groepsentiteiten en de verkrijger
De Nederlandsche Bank kan de entiteit in afwikkeling, de rechtspersonen die met de entiteit een groep vormen als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de verkrijger verplichten tot het aan elkaar verstrekken van gegevens en verlenen van bijstand.
De Nederlandsche Bank kan de entiteit in afwikkeling en de rechtspersonen die met de entiteit een groep vormen als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek verplichten tot het verschaffen van diensten en faciliteiten die nodig zijn om de verkrijger in staat te stellen de op hem overgegane bedrijfsactiviteiten effectief uit te oefenen.
§ 3a.1.5.2. Het instrument van de overbruggingsinstelling
Artikel 3a:37. Instrument van de overbruggingsinstelling
De Nederlandsche Bank kan tot toepassing van het instrument van de overbruggingsinstelling, met het oog op het waarborgen van de continuïteit van kritieke functies van een entiteit in afwikkeling, besluiten tot overgang op een overbruggingsinstelling van:
- a. eigendomsinstrumenten die zijn uitgegeven door of met medewerking van entiteiten in afwikkeling; of
- b. activa, rechten of passiva van entiteiten in afwikkeling.
Bij toepassing op een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b tot en met f, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, is de totale waarde van de aan de overbruggingsinstelling overgedragen passiva niet groter dan de totale waarde van de door de entiteit overgedragen of uit andere bronnen afkomstige rechten en activa.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)