Wet van 28 september 2006, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht)

Type Wet
Publication 2026-08-15
Laatst bijgewerkt 2026-08-31
State In force
Source BWB
artikelen 1863
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

De Nederlandsche Bank kan, bij toepassing van het eerste lid, meermaals een overgang bewerkstelligen.

Artikel 3a:38. De overbruggingsinstelling
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de oprichting en beëindiging, de taak, de financiering, de inrichting, het bestuur en de werkwijze van een overbruggingsinstelling of van een rechtspersoon die tot taak heeft de eigendom in een overbruggingsinstelling te houden.

2.

De Nederlandsche Bank kan een overbruggingsinstelling of rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid een aanwijzing geven met betrekking tot de taakuitoefening.

Artikel 3a:38a. Overgang op oorspronkelijke eigenaren
1.

De Nederlandsche Bank kan ten aanzien van eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva die zijn overgegaan, besluiten tot overgang op de oorspronkelijke eigenaren in de situaties, bedoeld in artikel 40, zevende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen en indien wordt voldaan aan de daar genoemde voorwaarden.

2.

De overgang op de oorspronkelijke eigenaren vindt plaats binnen de termijn die wordt genoemd in het besluit tot overgang en voldoet aan de in dat besluit opgenomen voorwaarden.

Artikel 3a:39. Overeenkomstige toepassingsregels
1.

De artikelen 3A:26, 3A:29 tot en met 3A:31, 3A:34 tot en met 3A:36 zijn van overeenkomstige toepassing op het instrument van de overbruggingsinstelling.

2.

Indien een overgang van eigendomsinstrumenten op een overbruggingsinstelling zou leiden tot een verwerving of vergroting van een gekwalificeerde deelneming door de overbruggingsinstelling in een bank of een beleggingsonderneming, is artikel 3A:26 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3a:40. Vergunning overbruggingsinstelling bank

Met het oog op de verwezenlijking van een of meer van de in artikel 14 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 31 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bedoelde afwikkelingsdoelstellingen kan de Nederlandsche Bank ten behoeve van een overbruggingsinstelling een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 aanvragen, en de Europese Centrale Bank verzoeken de overbruggingsinstelling tijdelijk ontheffing te verlenen van een of meer van de vereisten, bedoeld in artikel 2:12, eerste lid.

Artikel 3a:40a. Vergunning overbruggingsinstelling beleggingsonderneming
1.

De overbruggingsinstelling die een beleggingsonderneming is beschikt, voor zover nodig voor de uitoefening van haar werkzaamheden, van rechtswege over een vergunning als bedoeld in artikel 2:96.

2.

De Nederlandsche Bank kan de Autoriteit Financiële Markten met het oog op de verwezenlijking van een of meer van de in artikel 14 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 31 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bedoelde afwikkelingsdoelstellingen verzoeken om tijdelijk ontheffing te verlenen van een of meer van de vereisten, bedoeld artikel 2:99, eerste lid.

§ 3a.1.5.3. Het instrument van afsplitsing van activa of passiva

Artikel 3a:41. Instrument van afsplitsing van activa, rechten of passiva
1.

De Nederlandsche Bank kan, tot toepassing van het instrument van afsplitsing van activa, rechten of passiva, besluiten tot overgang van activa, rechten of passiva van een entiteit in afwikkeling of van een overbruggingsinstelling op een of meer entiteiten voor activa- en passivabeheer.

2.

De Nederlandsche Bank past het instrument van afsplitsing van activa, rechten of passiva uitsluitend tezamen met een ander afwikkelingsinstrument toe, en indien:

  • a. de situatie op de specifieke markt voor de desbetreffende activa, rechten of passiva zodanig is dat vereffening van die activa bij faillissement nadelige gevolgen voor de financiële markten kan hebben;
  • b. de overgang van activa, rechten of passiva noodzakelijk is voor het goede functioneren van de entiteit in afwikkeling of de overbruggingsinstelling; of
  • c. de overgang van activa, rechten of passiva noodzakelijk is om de opbrengst bij vereffening te maximaliseren.
3.

De entiteit voor activa- en passivabeheer beheert de activa, rechten of passiva die op haar zijn overgegaan met het doel de waarde van de activa bij de uiteindelijke verkoop of liquidatie te maximaliseren.

Artikel 3a:42. De entiteit voor activa- en passivabeheer
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de oprichting en beëindiging, de taak, de financiering, de inrichting, het bestuur en de werkwijze van een entiteit voor activa- en passivabeheer of van een rechtspersoon die tot taak heeft de eigendom in een entiteit voor activa- en passivabeheer te houden.

2.

De Nederlandsche Bank kan een entiteit voor activa- en passivabeheer of rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid een aanwijzing geven met betrekking tot de taakuitoefening.

Artikel 3a:42a. Overgang op oorspronkelijke eigenaren
1.

De Nederlandsche Bank kan ten aanzien van eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva die zijn overgegaan, besluiten tot overgang op de oorspronkelijke eigenaren in de situaties, bedoeld in artikel 42, tiende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen en indien wordt voldaan aan de daar genoemde voorwaarden.

2.

De overgang op de oorspronkelijke eigenaren vindt plaats binnen de termijn die wordt genoemd in het besluit tot overgang en voldoet aan de in dat besluit opgenomen voorwaarden.

Artikel 3a:43. Overeenkomstige toepassingsregels

De artikelen 3A:29 en 3A:31 zijn van overeenkomstige toepassing op het instrument van afsplitsing van activa of passiva.

§ 3a.1.5.4. Het instrument van bail-in

Artikel 3a:44. Instrument van bail-in
1.

De Nederlandsche Bank kan tot toepassing van het instrument van bail-in de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van bail-inbare passiva van een entiteit in afwikkeling verminderen of geheel of gedeeltelijk omzetten in rechten op kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten van die entiteit, van een moederonderneming van die entiteit die zelf een entiteit is als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen a tot en met e, of van een overbruggingsinstelling waarop activa, rechten of passiva van die entiteit overgaan.

2.

De Nederlandsche Bank kan het instrument van bail-in tevens toepassen op bail-inbare passiva die zijn overgegaan op:

  • a. een overbruggingsinstelling of een entiteit voor activa- en passivabeheer; of
  • b. een verkrijger die geen overbruggingsinstelling of entiteit voor activa-passivabeheer is met diens instemming.
3.

De Nederlandsche Bank oefent de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en het tweede lid, uit overeenkomstig het bepaalde ingevolge de artikelen 47, 49 en 50 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

4.

De toepassing van het instrument van bail-in op een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b tot en met f, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, geschiedt in overeenstemming met artikel 43, tweede en derde lid, artikel 44, tweede, derde, negende en tiende lid, artikel 46, eerste en tweede lid, en artikel 48 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

5.

De Nederlandsche Bank oefent de in het eerste en tweede lid omschreven bevoegdheden uit met inachtneming van het in artikel 44, twaalfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bepaalde over de voorafgaande betrokkenheid van de Europese Commissie.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Artikel 3a:45. Uitgifte kernkapitaal- of eigendomsinstrumenten
1.

De Nederlandsche Bank kan voorschrijven dat een entiteit kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten uitgeeft, of haar medewerking verleent aan de uitgifte daarvan, aan de houders van de rechten, bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d.

2.

Teneinde gevolg te geven aan de in het eerste lid bedoelde uitgifte, kan de Nederlandsche Bank voorschrijven dat een entiteit kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten uitgeeft aan:

  • b. een rechtspersoon met als statutaire doelstelling het tegen toekenning van certificaten ten titel van beheer verwerven en administreren van aandelen.
3.

Teneinde gevolg te geven aan de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde uitgifte kan de Nederlandsche Bank de in dat lid bedoelde rechtspersoon instrueren om certificaten van aandelen uit te geven en toe te kennen aan een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a ten behoeve van de houders van rechten bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d, en hun rechtsopvolgers of aan een door de Nederlandsche Bank aan te wijzen persoon.

4.

Bij de uitgifte bedoeld in het eerste tot en met derde lid kunnen geen andere rechten worden uitgeoefend dan die bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d.

5.

De voorwaarden, bedoeld in artikel 60, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, zijn van toepassing op de uitgifte bedoeld in het eerste lid al dan niet in samenhang met een uitgifte als bedoeld in het tweede of derde lid.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 3a:46. Regels van overeenkomstige toepassing

De artikelen 3A:23 tot en met 3A:26 zijn van overeenkomstige toepassing op het instrument van bail-in, met dien verstande dat:

  • a. in plaats van artikel 3A:24, eerste lid, onderdeel b, geldt dat voor de houder van bail-inbare passiva geen vordering resteert in verband met het gedeelte van de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag dat is afgeschreven, met uitzondering van eventuele verplichtingen of vorderingen die daaruit voortvloeien en die waren opgebouwd op het moment waarop de bevoegdheid werd uitgeoefend en vorderingen die, in voorkomend geval, ontstaan uit een beroep ingesteld ter betwisting van de rechtmatigheid van de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving; en
Artikel 3a:47. Opstellen bedrijfssaneringsplan
1.

Na toepassing van het instrument van bail-in ingevolge artikel 3A:44, eerste lid, legt een entiteit binnen een maand een bedrijfssaneringsplan voor aan de Nederlandsche Bank.

2.

Het bedrijfssaneringsplan voldoet aan het bepaalde ingevolge artikel 52, vierde tot en met zesde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

3.

Indien het instrument van bail-in, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast op twee of meer entiteiten die onderdeel uitmaken van dezelfde groep en de EU-moederinstelling van die groep heeft haar zetel in Nederland, legt deze een bedrijfssaneringsplan voor aan de Nederlandsche Bank en heeft het plan betrekking op alle entiteiten in de groep. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

4.

Het derde lid is van overeenkomstige toepassing indien het instrument van bail-in door een afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat wordt toegepast op een of meer entiteiten met zetel in een andere lidstaat, die onderdeel uitmaken van dezelfde groep en de EU-moederinstelling van die groep haar zetel heeft in Nederland.

5.

De Nederlandsche Bank kan in buitengewone omstandigheden en indien dit nodig is voor het bereiken van de afwikkelingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 14 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 31 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen met ten hoogste een maand.

Artikel 3a:48. Beoordeling bedrijfssaneringsplan
1.

De Nederlandsche Bank stelt de entiteit in afwikkeling binnen een maand in kennis van de beoordeling van het bedrijfssaneringsplan. Voorzover van toepassing neemt de Nederlandsche Bank artikel 27, zestiende lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme in acht.

2.

De Nederlandsche Bank keurt het bedrijfssaneringsplan goed indien de uitvoering van het bedrijfssaneringsplan de levensvatbaarheid van de entiteit op lange termijn zal herstellen.

3.

Indien de Nederlandsche Bank het bedrijfssaneringplan niet goedkeurt, eist zij dat het plan wordt gewijzigd. De entiteit legt binnen twee weken een gewijzigd bedrijfssaneringsplan ter goedkeuring voor.

4.

De Nederlandsche Bank stelt de entiteit binnen een week in kennis of zij het gewijzigde plan goedkeurt, of dat er verdere wijzigingen zijn vereist.

5.

Indien het bedrijfssaneringsplan is goedgekeurd, voert de entiteit het plan uit en stelt de entiteit ten minste elke zes maanden de Nederlandsche Bank in kennis over de uitvoering.

6.

De Nederlandsche Bank kan de entiteit verzoeken het bedrijfssaneringsplan te wijzigen en ter goedkeuring voor te leggen. Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 3a.1.5.5. Bijzondere bevoegdheden

Artikel 3a:49. Bijzonder bestuurder en overname zeggenschap
1.

De Nederlandsche Bank kan een bijzonder bestuurder bij een entiteit in afwikkeling aanstellen of de zeggenschap over die entiteit overnemen. De bijzonder bestuurder beschikt over de vereiste kwalificaties, vaardigheden en kennis om zijn of haar functies uit te oefenen.

2.

De Nederlandsche Bank maakt de benoeming van een bijzonder bestuurder openbaar. De Nederlandsche Bank benoemt een bijzonder bestuurder voor ten hoogste een jaar. De termijn kan bij wijze van uitzondering worden verlengd als de Nederlandsche Bank van oordeel is dat nog steeds aan de voorwaarden voor de aanstelling van een bijzonder bestuurder wordt voldaan. De Nederlandsche Bank kan de bijzonder bestuurder op elk moment uit zijn of haar functie ontheffen.

3.

De bijzonder bestuurder treedt in de rechten en bevoegdheden van de organen van de entiteit in afwikkeling, haar aandeelhouders, haar certificaathouders, of haar leden.

4.

De bijzonder bestuurder neemt alle noodzakelijke maatregelen om de in artikel 31 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen genoemde afwikkelingsdoelstellingen te bewerkstelligen en afwikkelingsmaatregelen uit te voeren overeenkomstig het besluit van de Nederlandsche Bank. Het verwezenlijken van de voornoemde afwikkelingsdoelstellingen en het uitvoeren van besluiten van de Nederlandsche Bank gaat boven elke andere bestuurstaak op grond van de wet of de statuten van de entiteit in afwikkeling ingeval deze niet consistent zijn.

5.

De bijzonder bestuurder oefent de rechten en bevoegdheden uit onder toezicht van de Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank kan grenzen stellen aan het optreden van de bijzonder bestuurder of eisen dat voor bepaalde handelingen van de bijzonder bestuurder voorafgaande toestemming van de Nederlandsche Bank vereist is. Indien van toepassing stelt de Nederlandsche Bank de bevoegdheidsverdeling tussen de bijzonder bestuurder en de organen van de entiteit in afwikkeling vast.

6.

Na de benoeming van een bijzonder bestuurder:

  • a. verlenen de organen en de vertegenwoordigers van de entiteit in afwikkeling de bijzonder bestuurder alle medewerking;
  • b. is voor schade ten gevolge van handelingen, die zijn verricht in strijd met de aanstelling van de bijzonder bestuurder of de besluiten van de bijzonder bestuurder die daarmee verband houden, elke persoon die deel uitmaakt van het orgaan van de entiteit dat deze handelingen verrichtte, hoofdelijk aansprakelijk tegenover de entiteit in afwikkeling, tenzij het verrichten van deze handelingen niet aan hem is te verwijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden;
  • c. zijn de handelingen, bedoeld in onderdeel b, voorzover deze rechtshandelingen zijn, vernietigbaar, indien de wederpartij wist of behoorde te weten dat de handeling is verricht in strijd met de aanstelling van de bijzonder bestuurder of de besluiten van de bijzonder bestuurder die daarmee verband houden.
7.

De bijzonder bestuurder stelt in elk geval aan het begin en einde van zijn benoemingstermijn een verslag op over de economische en financiële positie van de entiteit in afwikkeling en over de handelingen die hij bij de uitoefening van zijn taken heeft verricht. De Nederlandsche Bank stelt vast met welke frequentie de bijzonder bestuurder tijdens zijn aanstelling verslag doet.

8.

Tegen een besluit van een bijzonder bestuurder kan administratief beroep worden ingesteld bij de Nederlandsche Bank.

9.

Het tweede lid, eerste zin, derde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op overname van de zeggenschap door de Nederlandsche Bank als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3a:49a. Ontslag, benoeming en aanstelling leidinggevend orgaan en hoger management

De Nederlandsche Bank kan leden van het bestuur en het bestuur als geheel, alsook leden van de raad van commissarissen of leden van een orgaan dat een met die van de raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft en de raad van commissarissen als geheel, of een orgaan als geheel dat een met die van de raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft en het hoger management van de entiteit in afwikkeling, ontslaan of benoemen onderscheidenlijk aanstellen.

Artikel 3a:50. Omzetting rechtsvorm
1.

De Nederlandsche Bank kan, indien dit noodzakelijk is voor de toepassing van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten, bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, of de toepassing van het instrument van bail-in, bij besluit de rechtsvorm van de betrokken entiteit omzetten.

2.

Artikel 3A:23 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3a:50a. Stichting administratiekantoor afwikkeling
1.

De Nederlandsche Bank kan, indien dit bijdraagt aan de uitvoering van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting, bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, of de toepassing van het instrument van bail-in, bedoeld in artikel 3A:44, een stichting administratiekantoor afwikkeling oprichten.

2.

De Nederlandsche Bank kan de stichting een aanwijzing geven met betrekking tot de taakuitoefening.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de oprichting en beëindiging, de taak, de financiering, de inrichting, het bestuur en de werkwijze van een stichting administratiekantoor afwikkeling.

4.

Een stichting administratiekantoor afwikkeling kan in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen eigendomsinstrumenten verkopen en gelden consigneren waarop rechthebbenden geen aanspraak hebben gemaakt.

Artikel 3a:51. Beëindiging of wijziging overeenkomst
1.

De Nederlandsche Bank kan een overeenkomst waarbij de entiteit in afwikkeling partij is, beëindigen of wijzigen, alsmede de verkrijger in de plaats stellen van de entiteit in afwikkeling als partij bij een overeenkomst.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder overeenkomst mede verstaan: passiva als bedoeld in artikel 63, eerste lid, onderdeel j, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, met uitzondering van door zekerheid gedekte passiva als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van die richtlijn.

3.

De Nederlandsche Bank kan bij de toepassing van een afwikkelingsmaatregel bepalen dat eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva vrij van enige bezwaring of aansprakelijkheid overgaan.

Artikel 3a:52. Opschorting betalings- of leveringsverplichting gelijktijdig met of na afwikkelingsmaatregel
1.

De Nederlandsche Bank kan een betalingsverplichting of leveringsverplichting ingevolge een overeenkomst waarbij een entiteit in afwikkeling partij is, opschorten vanaf het tijdstip van de bekendmaking van het besluit tot opschorting tot 00.00 uur Nederlandse tijd aan het einde van de werkdag volgend op die bekendmaking.

2.

Indien een voor de entiteit in afwikkeling op grond van een overeenkomst geldende betalingsverplichting of leveringsverplichting overeenkomstig het eerste lid wordt opgeschort, worden ook de ingevolge die overeenkomst voor de wederpartij van de entiteit in afwikkeling geldende betalingsverplichtingen en leveringsverplichtingen voor dezelfde periode opgeschort.

3.

Indien tijdens de periode van opschorting uitvoering moet worden gegeven aan een betalingsverplichting of leveringsverplichting, is de betaling of levering onmiddellijk na het verstrijken van die periode opeisbaar.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op betalingsverplichtingen en leveringsverplichtingen van een entiteit die reeds hebben geleid tot een gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren, of tot rechten en verplichtingen die voor de entiteit in afwikkeling als deelnemer ingevolge of in verband met zijn deelname aan het systeem zijn ontstaan, welke betalingsverplichtingen of leveringsverplichtingen bestaan jegens een:

  • b. centrale tegenpartij waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van de EMIR-verordening;
  • c. centrale tegenpartij uit een staat die geen lidstaat is die door de Europese Autoriteit voor effecten en markten is erkend overeenkomstig artikel 25 van de EMIR-verordening;
  • d. centrale bank.
5.

De Nederlandsche Bank kan de opschorting beperken tot bepaalde betalings- en leveringsverplichtingen, inclusief betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 4, van de richtlijn depositogarantiestelsels.

6.

De Nederlandsche Bank schort betalingsverplichtingen of leveringsverplichtingen die voortvloeien uit in het vijfde lid bedoelde in aanmerking komende deposito’s in het bijzonder betalingsverplichtingen of leveringsverplichtingen die voortvloeien uit gedekte deposito’s van natuurlijke personen en micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen slechts dan op wanneer dat gepast is als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, tweede alinea, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

7.

Indien de Nederlandsche Bank betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in het vijfde lid opschort, stelt zij een passend bedrag per dag vast waar depositohouders toegang tot hebben.

Artikel 3a:53. Beperking rechten schuldeisers
1.

De Nederlandsche Bank kan de bevoegdheden van schuldeisers van de entiteit in afwikkeling tot verhaal op aan de entiteit in afwikkeling toebehorende goederen, of tot opeising van goederen die zich in de macht van de entiteit in afwikkeling of een derde bevinden, beperken tot 00.00 uur Nederlandse tijd aan het einde van de werkdag volgend op de bekendmaking van het besluit daartoe.

2.

De Nederlandsche Bank oefent de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid niet uit met betrekking tot een zekerheidsrecht dat is gevestigd ten behoeve van een:

  • b. centrale tegenpartij waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van de EMIR-verordening;
  • c. centrale tegenpartij uit een staat die geen lidstaat is die door de Europese Autoriteit voor effecten en markten is erkend overeenkomstig artikel 25 van de EMIR-verordening;
  • d. centrale bank, ten aanzien van activa die de entiteit bij wijze van margestorting heeft toegezegd of geleverd.
Artikel 3a:54. Opschorting bevoegdheid tot beëindiging overeenkomst
1.

De Nederlandsche Bank kan de aan een derde toebehorende bevoegdheid tot beëindiging van een overeenkomst met de entiteit in afwikkeling opschorten, voor zover die entiteit voortgaat met het nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit de bedingen in de overeenkomst die de kern van de prestaties betreffen, alsmede met het verschaffen van zekerheden.

2.

De Nederlandsche Bank kan besluiten tot opschorting van een aan een derde toebehorende bevoegdheid tot beëindiging van een overeenkomst met een dochteronderneming van de entiteit in afwikkeling indien:

  • a. de verplichtingen op grond van de overeenkomst door de entiteit in afwikkeling worden gegarandeerd of anderszins gewaarborgd;
  • b. de beëindigingsrechten op grond van de overeenkomst uitsluitend zijn gebaseerd op de insolvabiliteit of financiële positie van de entiteit in afwikkeling; en
  • c. met betrekking tot de entiteit in afwikkeling een besluit is of kan worden genomen tot overgang van eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva en:
  • i. alle activa, rechten of passiva van de dochteronderneming in verband met die overeenkomst aan de verkrijger zijn of kunnen overgaan en door hem zijn of kunnen worden verkregen; of
  • ii. de Nederlandsche Bank op een andere wijze passende bescherming biedt voor dergelijke verplichtingen.
3.

De opschorting, bedoeld in het eerste en tweede lid, werkt vanaf het tijdstip van de bekendmaking van het besluit tot 00.00 uur Nederlandse tijd aan het einde van de werkdag volgend op de bekendmaking onderscheidenlijk de tijd van de lidstaat waar de dochteronderneming is gevestigd.

4.

De opschorting werkt niet ten aanzien van een:

  • b. centrale tegenpartij waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van de EMIR-verordening;
  • c. centrale tegenpartij uit een staat die geen lidstaat is die door de Europese Autoriteit voor effecten en markten is erkend overeenkomstig artikel 25 van de EMIR-verordening;
  • d. centrale bank.
5.

Na het verstrijken van de opschortingstermijn, bedoeld in het derde lid, mogen de beëindigingsrechten overeenkomstig de voorwaarden van die overeenkomst als volgt worden uitgeoefend:

  • a. indien de onder de overeenkomst vallende rechten en verplichtingen op een andere entiteit zijn overgegaan, kan een wederpartij de beëindigingsrechten slechts dan uitoefenen indien zich aan de zijde van de verkrijger een afdwingingsgrond blijft voordoen of zich later voordoet;
  • b. indien de onder de overeenkomst vallende rechten en verplichtingen niet vallen onder de toepassing van een afwikkelingsinstrument, kan een wederpartij de beëindigingsrechten uitoefenen.
Artikel 3a:54a. Uitzondering op de artikelen 3A:52 tot en met 3A:54

De Nederlandsche Bank oefent de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 3A:52, eerste lid, 3A:53, eerste lid, en 3A:54, eerste lid, niet uit indien zij de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 3A:20b, eerste lid, 3A:20e, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, heeft uitgeoefend.

Artikel 3a:55. Niet-nakoming overeenkomst

Een opschorting of beperking uit hoofde van de artikelen 3A:20b, eerste lid, en 3A:20e, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en 3A:52 tot en met 3A:54 wordt niet beschouwd als het niet nakomen van een overeenkomst.

Artikel 3a:56. Ingrijpen in handel in financiële instrumenten
1.

De Nederlandsche Bank kan degene die een handelsplatform exploiteert of een beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om de handel in een financieel instrument op te schorten of te onderbreken indien dit naar het oordeel van de Nederlandsche Bank passend is om ervoor te helpen zorgen dat zowel een afwikkelingsmaatregel als de bevoegdheden van artikel 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 3A:17, in samenhang met artikel 3A:21 uitgeoefend onmiddellijk voorafgaand of tegelijk met een afwikkelingsmaatregel doeltreffend zijn of om een of meer afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.

2.

Indien de Nederlandsche Bank een aanwijzing geeft als bedoeld in het eerste lid tot het opschorten of onderbreken van de handel in een financieel instrument doet zij hetzelfde voor afgeleide financiële instrumenten als bedoeld in de onderdelen d tot en met j van de definitie van financieel instrument in artikel 1:1 die verband houden met dat financiële instrument of daarnaar verwijzen, indien dit naar het oordeel van de Nederlandsche Bank passend is ter ondersteuning van het bereiken van de doelstelling van de opschorting of onderbreking van de handel in het onderliggende financieel instrument.

3.

De Autoriteit Financiële Markten verricht op instructie van de Nederlandsche Bank de noodzakelijke feitelijke handelingen om uitvoering te geven aan een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid.

4.

In afwijking van artikel 1:97 maakt de Autoriteit Financiële Markten een besluit ten aanzien waarvan zij een instructie als bedoeld in het derde lid heeft gekregen onverwijld openbaar en stelt zij de toezichthoudende instanties van de overige lidstaten van dat besluit in kennis.

Artikel 3a:56a. Verzoek opschorting gerechtelijke procedures

Onverminderd artikel 3A:53, kan de Nederlandsche Bank indien nodig voor de doeltreffendheid van een of meer afwikkelingsmaatregelen een bevoegd gerecht verzoeken elke gerechtelijke maatregel of procedure waaraan een entiteit in afwikkeling onderworpen is, op te schorten gedurende een in het licht van de nagestreefde doelstelling passende termijn.

§ 3a.1.5.6. Gevolgen van afwikkeling

Artikel 3a:57. Uitsluiting contractuele voorwaarden
1.

Artikel 1:76b is van overeenkomstige toepassing op de uitoefening van een bevoegdheid op grond van dit hoofdstuk of de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een besluit van een afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat of een derde land, dat erkend is ingevolge de artikelen 3A:4 onderscheidenlijk 3A:5, of een gebeurtenis die daarmee rechtstreeks verband houdt.

2.

De uitoefening van een bevoegdheid op grond dit hoofdstuk of de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een besluit van een afwikkelingautoriteit van een andere lidstaat of een derde land dat is erkend ingevolge de artikelen 3A:4 onderscheidenlijk 3A:5, of een gebeurtenis die daarmee rechtstreeks verband houdt, met betrekking tot een bank die een gedekte obligatie heeft uitgegeven, leidt niet tot wijziging van de rechten van de houder van een gedekte obligatie jegens een derde in verband met die gedekte obligatie.

Artikel 3a:57a. Beding in overeenkomst erkenning door partijen van bevoegdheden
1.

Een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen a tot en met f, neemt in iedere door haar gesloten financiële overeenkomst waarop het recht van een staat die geen lidstaat is van toepassing is, een bepaling op waarbij de partijen erkennen dat de financiële overeenkomst onderworpen kan zijn aan de uitoefening van bevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit met het oog op het opschorten of beperken van rechten en verplichtingen uit hoofde van de artikelen 3A:20b, 3A:20e en 3A:52 tot en met 3A:55, en ermee instemmen dat artikel 1:76b in samenhang met 3A:57 van toepassing is boven het recht dat van toepassing is op de financiële overeenkomst.

2.

De Nederlandsche Bank kan eisen dat een EU-moederonderneming met zetel in Nederland ervoor zorgt dat een of meer van haar dochterondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is en die een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling zijn of die een beleggingsondernemingen zou zijn indien zij hun zetel in Nederland zouden hebben de in het eerste lid bedoelde bepaling opnemen in door hen gesloten financiële overeenkomsten. De EU-moederonderneming behoeft niet aan de eis te voldoen indien zij aantoont dat zij daartoe rechtens of feitelijk niet in staat is.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op financiële overeenkomsten die zijn aangegaan voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, tenzij na de inwerkingtreding van dit artikel daarin een nieuwe verbintenis wordt gecreëerd of een daarin opgenomen verbintenis wezenlijk wordt gewijzigd.

Artikel 3a:58. Uitsluiting vernietigbaarheid

Rechtshandelingen in verband met de overgang van eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva ingevolge de toepassing van een afwikkelingsmaatregel, zijn niet vernietigbaar op grond van artikel 45 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of de artikelen 42 en 47 van de Faillissementswet.

§ 3a.1.5.7. Waarborgen

Artikel 3a:59. Bescherming overboekingsopdrachten
1.

De volgende besluiten laten de regels en de werking van een systeem of systeemexploitant als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel q, van de Faillissementswet, onverlet:

  • a. een besluit tot overgang van een gedeelte van de activa of passiva van een entiteit in afwikkeling, een overbruggingsinstelling of entiteit voor activa- en passivabeheer; of
  • b. een besluit op grond van artikel 3A:51, eerste lid, om een overeenkomst waarvan een van de partijen de entiteit in afwikkeling is, te beëindigen of wijzigen, dan wel om de ontvanger in de plaats te stellen van de entiteit in afwikkeling als partij bij een overeenkomst.
2.

Een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, laat een overboekingopdracht onverlet, voor zover de uitvoering van dat besluit onverenigbaar zou zijn met het bepaalde in artikel 5 van richtlijn 98/26/EG van het Europees parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (PbEG 1998, L 166). Evenmin kan daarbij de afdwingbaarheid worden gewijzigd of teniet worden gedaan van een overboekingopdracht of verrekening overeenkomstig de artikelen 3 en 5 van die richtlijn, van het gebruik van middelen, effecten of kredietfaciliteiten overeenkomstig artikel 4 van die richtlijn of van de bescherming van zakelijke zekerheden overeenkomstig artikel 9 van die richtlijn.

Artikel 3a:60. Bescherming rechten uit overeenkomst

De rechten die voortvloeien uit financiëlezekerheidsovereenkomsten, gedekte obligaties, gestructureerde financieringsregelingen, salderingsovereenkomsten, verrekeningsovereenkomsten en zekerheidsregelingen, worden niet aangetast door besluiten als bedoeld in artikel 3A:59, eerste lid, onderdelen a en b.

Artikel 3a:61. Bijzondere beperkingen
1.

Indien de Nederlandsche Bank een besluit neemt tot overgang van activa, rechten of passiva of een besluit als bedoeld in artikel 3A:59, eerste lid, onderdeel b, strekt dat besluit ten aanzien van een financiëlezekerheidsovereenkomst, salderingsovereenkomst, verrekeningsovereenkomst, of een overeenkomst die met een dergelijke overeenkomst is verbonden, niet tot:

  • a. overgang van slechts een gedeelte van de activa, rechten of passiva die onder de overeenkomst vallen;
  • b. wijziging of beëindiging van rechten of verplichtingen die worden beschermd door de overeenkomst; of
  • c. het in de plaats stellen van de verkrijger als partij bij de overeenkomst.
2.

Indien de Nederlandsche Bank een besluit neemt als bedoeld in het eerste lid, strekt dat besluit ten aanzien van een zekerheidsregeling, of de activa, rechten of passiva die onder een zekerheidsregeling vallen, niet tot:

  • a. overgang van activa waarmee de verplichting is gedekt, tenzij ook wordt besloten tot overgang van de verplichting en het voordeel van de zekerheid;
  • b. overgang van een gedekte verplichting, tenzij ook wordt besloten tot overgang van het voordeel van de zekerheid;
  • c. overgang van het voordeel van de zekerheid, tenzij ook wordt besloten tot overgang van de gedekte verplichting; of
  • d. wijziging of beëindiging van de zekerheidsregeling, indien door die wijziging de verplichtingen niet langer zouden worden gedekt.
3.

Indien de Nederlandsche Bank een besluit neemt als bedoeld in het eerste lid, strekt dat besluit tot de gezamenlijke overgang van de activa, rechten of passiva die een gestructureerde financieringsregeling of een onderdeel daarvan vormen, of gedekte obligaties.

4.

Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid worden onder activa, rechten of passiva mede begrepen transacties, tegen de entiteit in afwikkeling uit te oefenen nevenrechten, alsmede in verband met de overeenkomst gevestigde rechten tot zekerheid op aan de entiteit in afwikkeling of derden toebehorende activa, andere rechten tot zekerheid en voorrechten op die activa.

5.

In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, kan de Nederlandsche Bank, indien nodig om de beschikbaarheid van gedekte deposito’s die vallen onder een overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, aanhef, een zekerheidsregeling, een gestructureerde financieringsregeling of een onderdeel daarvan, of gedekte obligaties, zeker te stellen, besluiten tot:

  • a. overgang van gedekte deposito’s zonder te besluiten tot overgang van andere activa, rechten of passiva die onder dezelfde overeenkomst of regeling vallen; of
  • b. overgang, wijziging of beëindiging van activa, rechten of passiva, zonder te besluiten tot overgang van gedekte deposito’s die onder dezelfde overeenkomst of regeling vallen.
6.

Een overgang, beëindiging of wijziging in strijd met het eerste, tweede of derde lid, is niet nietig of vernietigbaar.

§ 3a.1.5.8. Overige bepalingen

Artikel 3a:62. Verhaal kosten afwikkeling
1.

De Nederlandsche Bank kan kosten die in verband met het nemen van een afwikkelingsmaatregel zijn gemaakt:

  • a. in mindering brengen op de vergoedingen die een verkrijger voor eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva aan de oorspronkelijke eigenaren betaalt;
  • b. verhalen op de entiteit in afwikkeling; of
  • c. verhalen op de opbrengsten die voortvloeien uit de beëindiging van het functioneren van een overbruggingsinstelling of een entiteit voor activa- en passivabeheer.
2.

Indien de Nederlandsche Bank de kosten verhaalt overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b of c, is haar vordering op gelijke wijze bevoorrecht als de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op kosten die door een verkrijger in verband met een vermindering of omzetting als bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, of een overgang als bedoeld in de artikelen 3A:28, 3A:37 en 3A:41, eerste lid, zijn gemaakt met betrekking tot bepaalde eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva, in verband met het feit dat die zich bevinden in een staat die geen lidstaat is of worden beheerst door het recht van een staat die geen lidstaat is.

Artikel 3a:63. Verwerking persoonsgegevens

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het in het belang van de afwikkeling verwerken van persoonsgegevens. Bij die maatregel kan worden bepaald dat bij de verwerking van persoonsgegevens het burgerservicenummer kan worden gebruikt.

Artikel 3a:63a. Rapporteren en publiceren informatie
1.

De in artikel 7, tweede en derde lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme bedoelde entiteiten:

  • a. rapporteren de informatie bedoeld artikel 45 decies, eerste en tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen overeenkomstig de in het vijfde lid van dat artikel vermelde wijze aan de Nederlandsche Bank; en
  • b. maken de informatie, bedoeld in artikel 45 decies, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, ten minste jaarlijks openbaar overeenkomstig de in het zesde lid van dat artikel vermelde wijze en nemen daarbij het zevende lid van dat artikel in acht.
2.

De Nederlandsche Bank kan verzoeken om frequentere rapportage van de informatie bedoeld in het eerste lid, onder a.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een liquidatie-entiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 83 bis bis, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tenzij de Nederlandsche Bank voor die entiteit het minimumvereisten voor het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 45 quater, tweede lid bis, tweede alinea, van die richtlijn. De Nederlandsche Bank bepaalt in dat geval de inhoud en frequentie van de rapportage- en openbaarmakingsverplichting als bedoeld in het eerste en tweede lid en deelt die mede aan de entiteit.

Afdeling 3a.1.6. Rechtsbescherming

Artikel 3a:64. Bijzondere procedureregels
1.

In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit van de Nederlandsche Bank ingevolge de afdelingen 3A.1.3, 3A.1.4 en 3A.1.5 of de artikelen 16, 18 en 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, tien dagen.

2.

In afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht, is het beroep niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

3.

Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

4.

In afwijking van artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bedraagt de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde griffierecht dient plaats te vinden, twee weken.

5.

De bestuursrechter behandelt de zaak op versnelde wijze overeenkomstig artikel 8:52, tweede lid, onderdelen b tot en met f, en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Afdeling 8.2.4 van die wet blijft buiten toepassing.

6.

De bestuursrechter doet uitspraak uiterlijk op de veertiende dag nadat het beroepschrift is ontvangen. Indien met toepassing van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht twee of meer zaken gevoegd worden behandeld, doet de bestuursrechter uitspraak uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het laatst ontvangen beroepschrift.

Artikel 3a:65. Rechtsvermoeden

Bij de beoordeling van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, met betrekking tot een besluit ingevolge de afdelingen 3A.1.3, 3A.1.4 en 3A.1.5 of de artikelen 16, 18 en 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme gaat de voorzieningenrechter uit van het rechtsvermoeden dat opschorting van de uitvoering van het besluit tegen het algemeen belang indruist.

Artikel 3a:66. Instandlating rechtsgevolgen

De bestuursrechter geeft, indien een beroep tegen een besluit ingevolge de afdelingen 3A.1.3, 3A.1.4 en 3A.1.5 of de artikelen 16, 18 en 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme gegrond wordt verklaard, toepassing aan artikel 8:72, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht, indien dit noodzakelijk is ter bescherming van de belangen van te goeder trouw handelende derden die ingevolge het besluit andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva van de entiteit in afwikkeling hebben verkregen.

Artikel 3a:67. Toepasselijk recht

De gronden waarop wordt opgekomen tegen de toepassing van een met een afwikkelingsmaatregel overeenkomend besluit van een afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat worden beheerst door het recht van de lidstaat van de afwikkelingsautoriteit die de afwikkelingsmaatregel heeft genomen.

Afdeling 3a.1.7. Financiering van afwikkeling

§ 3a.1.7.1. Het Nederlandse Afwikkelingsfonds

Artikel 3a:68. Afwikkelingsfonds
1.

Er is een Afwikkelingsfonds dat tot taak heeft het beheer van financiële middelen voor de financiering van afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van:

  • a. entiteiten die niet vallen onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme;
  • b. bijkantoren van banken of beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is.
2.

Het Afwikkelingsfonds bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Amsterdam.

3.

Het Afwikkelingsfonds wordt vertegenwoordigd door een bestuur dat bestaat uit drie leden, waaronder de voorzitter. Benoeming, schorsing en ontslag van de leden geschiedt door de Nederlandsche Bank.

4.

De Nederlandsche Bank ondersteunt het Afwikkelingsfonds bij de uitoefening van zijn taak en verschaft de voor die taakuitoefening benodigde financiële middelen.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de taakuitoefening van het Afwikkelingsfonds, het bestuur van het fonds en de verantwoording door het fonds.

Artikel 3a:69. Aanwending financiële middelen
1.

De Nederlandsche Bank besluit over de aanwending van financiële middelen van het Afwikkelingsfonds.

2.

De financiële middelen kunnen worden aangewend voor de volgende doeleinden:

  • a. het uitvoeren van de maatregelen, bedoeld in artikel 101 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen; of
  • b. het bijdragen aan de financiering van een groepsafwikkeling, waaronder het garanderen van leningen die zijn aangegaan door groepsfinancieringsregelingen overeenkomstig artikel 107, zevende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen aangegane leningen.
3.

De Nederlandsche Bank kan besluiten dat de financiële middelen tevens worden gebruikt om bij toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde maatregelen te nemen met betrekking tot de verkrijger.

4.

De financiële middelen worden niet gebruikt om rechtstreeks de verliezen van een entiteit op te vangen of om een entiteit te herkapitaliseren.

Artikel 3a:70. Bijdrage aan afwikkeling
1.

Indien de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 44, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bail-inbare passiva van de toepassing van het instrument van bail-in uitsluit, kunnen, in afwijking van artikel 3A:69, vierde lid, de middelen uit het Afwikkelingsfonds worden aangewend voor de afwikkeling.

2.

Toepassing van het eerste lid geschiedt overeenkomstig artikel 44, vierde tot en met achtste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

Artikel 3a:71. Periodieke bijdragen
1.

Ten behoeve van het Afwikkelingsfonds kunnen ten minste eenmaal per jaar bijdragen worden geheven van:

  • a. beleggingsondernemingen die niet vallen onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme;
  • b. banken met zetel in een staat die geen lidstaat is en hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor; en
  • c. beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is en hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
2.

De Nederlandsche Bank stelt de hoogten van de in het eerste lid bedoelde bijdragen vast, die worden voldaan binnen een door de Nederlandsche Bank vastgestelde termijn.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Artikel 3a:72. Buitengewone bijdragen
1.

Indien binnen het Afwikkelingsfonds de beschikbare financiële middelen ontoereikend zijn, kunnen ter verkrijging van de benodigde financiële middelen buitengewone bijdragen worden geheven. Artikel 3A:71 is van overeenkomstige toepassing.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 3a:73. Opbrengsten afwikkeling

De opbrengsten van de toepassing van een afwikkelingsmaatregel ten aanzien van een entiteit of bijkantoor als bedoeld in artikel 3A:68, eerste lid, komen, onverminderd de artikelen 3A:31, 3A:39, 3A:43 en 3A:62, toe aan het Afwikkelingsfonds.

Artikel 3a:74. Leningen
1.

Het Afwikkelingsfonds kan, indien de financiële middelen van het Afwikkelingsfonds ontoereikend zijn en de buitengewone bijdragen, bedoeld in artikel 3A:72, niet onmiddellijk beschikbaar zijn of niet volstaan:

  • a. overeenkomsten aangaan tot het verkrijgen van financiële middelen van derden; of,
  • b. met inachtneming van artikel 106, vierde en vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, een overeenkomst aangaan tot het verkrijgen van een lening bij financieringsregelingen als bedoeld in artikel 100, eerste lid, van die richtlijn, in andere lidstaten.
2.

Het Afwikkelingsfonds kan, met inachtneming van artikel 106, vierde en vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, een overeenkomst aangaan tot het uitlenen van financiële middelen uit het Afwikkelingsfonds aan financieringsregelingen als bedoeld in artikel 100, eerste lid, van die richtlijn in andere lidstaten.

3.

Het Afwikkelingsfonds gaat een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid aan in overeenstemming met Onze Minister.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Artikel 3a:75. Financiering van groepsafwikkeling
1.

Bij de afwikkeling van een groep die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en waarvan een entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt, draagt het Afwikkelingsfonds bij aan de financiering van de groepsafwikkeling.

2.

Indien de Nederlandsche Bank groepsafwikkelingsautoriteit is, stelt zij, voor de toepassing van het eerste lid, met inachtneming van artikel 107 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen een groepsfinancieringsplan op. Artikel 3A:9, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Indien de Nederlandsche Bank groepsafwikkelingsautoriteit is, wijst zij opbrengsten van de groepsafwikkeling toe aan financieringsregelingen als bedoeld in artikel 100, eerste lid, van die richtlijn in andere lidstaten en aan het Afwikkelingsfonds naar rato van hun bijdragen aan de financiering van de afwikkeling.

4.

Het Afwikkelingsfonds kan ten behoeve van de financiering van de afwikkeling van een groep als bedoeld in het eerste lid overeenkomsten aangaan tot het verkrijgen van financiële middelen van derden.

5.

Het Afwikkelingsfonds kan een garantie afgeven met betrekking tot leningen aangegaan door een groepsfinancieringsregeling waaraan uit het Afwikkelingsfonds wordt bijgedragen.

§ 3a.1.7.2. Bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds

Artikel 3a:76. Inning bijdragen
1.

De Nederlandsche Bank int, ter uitvoering van de artikelen 67, 70 en 71 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, de door de Afwikkelingsraad vastgestelde bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, bedoeld in artikel 67 van die verordening, van entiteiten met zetel in Nederland.

2.

Titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3a.2. Afwikkeling van verzekeraars

Afdeling 3a.2.1. Algemene bepalingen

Artikel 3a:77. Definities

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • afwikkelingsinstrument
  • b. het instrument van overgang van de onderneming, bedoeld in artikel 3A:104;
  • c. het instrument van de overbruggingsinstelling, bedoeld in artikel 3A:112; en
  • d. het instrument van afsplitsing van activa en passiva, bedoeld in artikel 3A:117;
  • afwikkelingsmaatregel: de toepassing van een afwikkelingsinstrument of het uitoefenen van een bevoegdheid ingevolge hoofdstuk 3A.2;
  • eigendomsinstrumenten: aandelen, rechten op aandelen, certificaten van aandelen, andere deelnemingsrechten of participaties in het kapitaal, lidmaatschapsrechten of hiermee vergelijkbare rechten, claims, opties, conversierechten of hiermee vergelijkbare rechten die bij uitoefening omgezet kunnen worden in of recht geven op de verwerving van aandelen of daarmee vergelijkbare rechten die aanspraken geven op het kapitaal of het vermogen van de desbetreffende entiteit;
  • gestructureerde financieringsregeling: een regeling, met inbegrip van securitisaties en instrumenten voor hedgingdoeleinden, die integraal deel uitmaakt van de dekkingspool en naar het toepasselijke recht op gelijke wijze als gedekte obligaties is gedekt, en die het verstrekken en aanhouden van zekerheden door een partij bij de regeling, een trustee, lasthebber of gevolmachtigde inhoudt;
  • in aanmerking komende passiva: passiva van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, die geen eigendomsinstrument zijn en die niet ingevolge artikel 3A:94, eerste lid, van toepassing van het instrument van bail-in zijn uitgesloten;
  • salderingsovereenkomst: een overeenkomst waarbij een aantal vorderingen of verplichtingen in één enkele nettovordering kunnen worden omgezet, met inbegrip van overeenkomsten tot saldering bij vroegtijdige beëindiging waarbij, wanneer zich een afdwingingsgrond voordoet, hoe ook of waar ook gedefinieerd, de verplichtingen van de partijen worden versneld zodat deze onmiddellijk zijn verschuldigd of worden beëindigd, en in ieder geval in één enkele nettovordering worden omgezet of erdoor worden vervangen, met inbegrip van clausules tot saldering bij vroegtijdige beëindiging, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel n, onder i, van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten, en verrekening (netting) als bedoeld in artikel 2, onderdeel k, van de richtlijn 98/26/EG van het Europees parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (PbEG 1998, L 166);
  • schuldinstrumenten: obligaties en andere vormen van overdraagbare schuld, instrumenten die een schuld creëren of erkennen en instrumenten die recht geven op het verwerven van schuldinstrumenten;
  • verrekeningsovereenkomst: een verrekeningsovereenkomst op grond waarvan twee of meer vorderingen of verplichtingen tussen de entiteit in afwikkeling en een tegenpartij met elkaar kunnen worden verrekend;
  • zekerheidsregelingen: zekerheidsregelingen waarbij een persoon bij wijze van zekerheid een werkelijk of voorwaardelijk belang in de over te dragen goederen heeft, ongeacht of dat belang door geïndividualiseerde goederen dan wel door een zekerheid op een algemeenheid van goederen of soortgelijke regeling is gedekt.
Artikel 3a:78. Reikwijdte

Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende entiteiten, met zetel in Nederland, tenzij anders is bepaald:

  • a. verzekeraars die onder toezicht van de Nederlandsche Bank staan;
  • b. verzekeringsholdings die deel uitmaken van een groep;
  • c. gemengde verzekeringsholdings die deel uitmaken van een groep;
  • d. gemengde financiële holdings die deel uitmaken van een groep;
  • e. andere ondernemingen die deel uitmaken van een groep, voor zover zij diensten verrichten die van kritiek belang zijn voor de dagelijkse bedrijfsactiviteiten van verzekeraars; alsmede,
  • f. in Nederland gelegen bijkantoren van verzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang.
Artikel 3a:79. Verhouding tot toepasselijk recht

Dit hoofdstuk is van toepassing op entiteiten als bedoeld in artikel 3A:78, ongeacht het recht dat van toepassing is op:

  • a. de activa of passiva van de entiteit;
  • b. door of met de medewerking van de entiteit uitgegeven financiële instrumenten; en
  • c. overeenkomsten waaraan de entiteit is gebonden.
Artikel 3a:80. Toepassing van afwikkelingsbesluiten
1.

Een besluit ingevolge dit hoofdstuk alsmede de voorbereiding en uitvoering ervan, met uitzondering van afdeling 3A.2.2, is niet onderworpen aan enig instemmingsvereiste, met uitzondering van het vereiste van instemming van de verkrijger bij overgang van eigendomsinstrumenten, activa of passiva.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)