Wet van 28 september 2006, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht)
Artikel 2:86, eerste lid, is niet van toepassing op herverzekeringsbemiddelaars die in een andere lidstaat zijn geregistreerd in de zin van artikel 3 van de richtlijn verzekeringsdistributie, voorzover is voldaan aan artikel 2:90.
Artikel 2:89
De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in Artikel 2:86, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 4:9, eerste, tweede en vierde lid, met betrekking tot de geschiktheid en vakbekwaamheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- c. artikel 4:11, tweede en derde lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
- e. artikel 4:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering; en
- f. artikel 4:76, eerste tot en met derde lid, met betrekking tot het beschikken over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, met betrekking tot het tweede en vierde lid van artikel 4:9, c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11, e, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:15, of f, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:76 indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid bedoelde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
§ 2.2.10.2. Bijkantoor en verrichten van diensten
Artikel 2:90
Artikel 2:84 is van overeenkomstige toepassing op herverzekeringsbemiddelaars met zetel in een andere lidstaat die voornemens zijn vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland te herverzekeringsbemiddelen.
§ 2.2.10.3. Vrijstelling
Artikel 2:91
Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 2:86, eerste lid.
Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 2:89, eerste lid.
Afdeling 2.2.11. Optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent
§ 2.2.11.1. Vergunningplicht en -eisen
Artikel 2:92
Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning op te treden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent.
De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.
Artikel 2:93
Artikel 2:92, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen die:
- a. voor het uitoefenen van het bedrijf van verzekeraar een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben, voorzover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan op te treden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent;
- b. voor het uitoefenen van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank op grond van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben, voorzover het aan hen ingevolge die verklaring is toegestaan op te treden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent;
- c. voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben; of
- d. voor het uitoefenen van het bedrijf van premiepensioeninstelling een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben, voorzover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan op te treden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent.
Artikel 2:93a
Artikel 2:92, eerste lid, is niet van toepassing op verzekeringsbemiddelaars die in een andere lidstaat zijn geregistreerd in de zin van artikel 3 van de richtlijn verzekeringsdistributie, voor zover is voldaan aan artikel 2:94a.
Artikel 2:94
De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:92, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 4:9, eerste, tweede en vierde lid, met betrekking tot de geschiktheid en vakbekwaamheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- c. artikel 4:11, tweede en derde lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 4:13, eerste en tweede lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur; en
- e. artikel 4:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, met betrekking tot het tweede en vierde lid van artikel 4:9, c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11, of e, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:15, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid bedoelde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
§ 2.2.11.1a. Bijkantoor en verrichten van diensten
Artikel 2:94a
Een verzekeringstussenpersoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de richtlijn verzekeringsdistributie met zetel in een andere lidstaat kan overgaan tot het optreden als gevolmachtigde agent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor binnen een maand na de mededeling, bedoeld in artikel 6, tweede lid, eerste alinea, van de richtlijn verzekeringsdistributie, door de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat of zodra de verzekeringstussenpersoon de informatie heeft ontvangen over de in Nederland geldende voorwaarden om redenen van algemeen belang, bedoeld in artikel 6, tweede lid, tweede alinea, van de richtlijn verzekeringsdistributie.
Een verzekeringstussenpersoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de richtlijn verzekeringsdistributie met zetel in een andere lidstaat kan overgaan tot het optreden als gevolmachtigde agent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland onmiddellijk na de mededeling, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de richtlijn verzekeringsdistributie, door de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat.
§ 2.2.11.2. Vrijstelling
Artikel 2:95
Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 2:92, eerste lid.
Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 2:94, eerste lid.
Afdeling 2.2.12. Verlenen van beleggingsdiensten, verrichten van beleggingsactiviteiten en systematische internalisatie
§ 2.2.12.1. Vergunningplicht en -eisen
Artikel 2:96
Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten.
De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel, het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.
Artikel 2:97
Artikel 2:96 is niet van toepassing op financiële ondernemingen die:
- a. voor het uitoefenen van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank op grond van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben, voorzover het aan hen ingevolge die verklaring is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten;
- b. voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben, voorzover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten.
Artikel 2:96 is, voorzover het betreft het beheren van individuele vermogens, niet van toepassing op gemeentelijke kredietbanken ten aanzien waarvan is voldaan aan artikel 4:37, eerste lid.
Artikel 2:96 is, voorzover het betreft het beheren van individuele vermogens, het adviseren over financiële instrumenten of het ontvangen en doorgeven van orders met betrekking tot financiële instrumenten, niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in Nederland die voor het beheren van een icbe een vergunning als bedoeld in artikel 2:69b, eerste lid, onderdeel a, hebben.
Artikel 2:96 is niet van toepassing op financiële ondernemingen, met uitzondering van instellingen voor collectieve belegging in effecten die een beleggingsmaatschappij zijn, die een door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning als bedoeld in artikel 2:65, aanhef en onderdeel a, hebben voor het beheren van beleggingsinstellingen, voor zover het betreft het adviseren over financiële instrumenten, het beheren van individueel vermogen of het in de uitoefening van beroep of bedrijf ontvangen en doorgeven van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten.
Artikel 2:96 is niet van toepassing op verbonden agenten die voor rekening van de beleggingsondernemingen beleggingsdiensten verlenen als bedoeld in onderdeel a, d, e of f van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1, indien de beleggingsondernemingen voor wie de verbonden agent deze beleggingsdiensten verlenen:
- a. volledig voor hen verantwoordelijk zijn, in die zin dat zij er voor zorg dragen dat de verbonden agenten voldoen aan deze wet; en
- b. de betrokken agenten als verbonden agenten hebben aangemeld bij de Autoriteit Financiële Markten.
Een beleggingsonderneming die niet langer verantwoordelijk is als bedoeld in het vijfde, onderdeel a, voor een verbonden agent, geeft daarvan kennis aan de Autoriteit Financiële Markten en de betrokken verbonden agent.
Artikel 2:96 is niet van toepassing op marktexploitanten met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, is verleend voor het exploiteren of beheren van een gereglementeerde markt die voornemens zijn een georganiseerde handelsfaciliteit of een multilaterale handelsfaciliteit te exploiteren indien is voldaan aan artikel 2:99, eerste lid, onderdelen a tot en met j en l en m, en het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan een georganiseerde handelsfaciliteit of een multilaterale handelsfaciliteit te exploiteren.
De Autoriteit Financiële Markten gaat alleen over tot inschrijving van de verbonden agent in het register als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, onderdeel a, onder 13°, indien de beleggingsonderneming die de betrokken verbonden agent bij de Autoriteit Financiële Markten aanmeldt aantoont dat met betrekking tot de betrokken verbonden agent zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge artikel 4:9, eerste lid, en 4:10.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanmelding, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, plaatsvindt, de gegevens die daarbij worden verstrekt en de bescheiden die daarbij worden overgelegd.
Artikel 2:98
Artikel 2:96 is niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat die:
- a. als bank hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 2.2.2 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten;
- b. als financiële instelling hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 2.2.2 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten; of
- c. als entiteit voor risico-acceptatie of verzekeraar hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge de afdelingen 2.2.2A, 2.2.3, 2.2.4 of 2.2.4A is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten.
Artikel 2:96 is niet van toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat die:
- a. vanuit een bijkantoor in Nederland beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten, voorzover is voldaan aan artikel 2:101;
- b. door middel van het verrichten van diensten naar Nederland beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten, voorzover is voldaan aan artikel 2:102; of
- c. door tussenkomst van een verbonden agent in Nederland beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten als bedoeld in onderdeel a, d, e of f van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1, voorzover is voldaan aan de artikelen 2:101 of 2:102 en de beleggingsonderneming de betrokken agent als verbonden agent ter inschrijving in het register heeft aangemeld bij de Autoriteit Financiële Markten. Het bepaalde in artikel 2:97, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2:96 is niet van toepassing op beheerders van beleggingsinstellingen met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, indien is voldaan aan artikel 2:103b.
Artikel 2:99
De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:96, indien de aanvrager met zetel in Nederland of de aanvrager met zetel in een staat die geen lidstaat is die voornemens is om in Nederland beleggingsactiviteiten te verrichten aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 4:9, eerste lid, met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 4.9.0a, eerste lid, met betrekking tot de samenstelling en het functioneren van het bestuur en het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken;
- c. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- d. artikel 4:11, eerste en derde lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;
- e. artikel 4:83, eerste lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijkse beleid bepaalt en ingevolge artikel 4:84 met betrekking tot de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
- f. artikel 4:13, eerste en tweede lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
- g. artikel 4:14, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- h. artikel 4:87 met betrekking tot het treffen van adequate maatregelen ter bescherming van de rechten van cliënten;
- i. artikel 4:88 met betrekking tot het voeren van een adequaat beleid ter zake van het voorkomen van de in dat artikel bedoelde belangenconflicten;
- j. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
- k. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit;
- l. artikel 4:91a met betrekking tot de regels die gelden voor het handelsproces en de afhandeling van transacties in een multilaterale handelsfaciliteit indien de aanvrager voornemens is een multilaterale handelsfaciliteit te exploiteren;
- m. artikel 4:87a met betrekking tot de administratie van het derivatenvermogen.
Ingeval een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 3:95 wordt gehouden in de beleggingsonderneming, verleent de Autoriteit Financiële Markten, onverminderd het eerste lid, een vergunning indien de houder van de gekwalificeerde deelneming in de beleggingsonderneming voldoet aan artikel 3:95, tweede lid, en de Nederlandsche Bank van oordeel is dat voldaan is aan het bepaalde ingevolge de artikelen 3:99 tot en met 3:101 met betrekking tot de verklaring van geen bezwaar.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Indien de aanvraag betrekking heeft op het verlenen van de beleggingsdienst, bedoeld in onderdeel b van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 en op het verrichten van de beleggingsactiviteit, bedoeld in onderdeel a van de definitie van verrichten van een beleggingsactiviteit in dat artikel en de aanvrager tevens voornemens is het bedrijf van beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling uit te oefenen met betrekking tot transacties in aandelen die tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, meldt hij dat voornemen bij de aanvraag.
Indien de beleggingsonderneming voornemens is nevendiensten te verlenen, meldt zij dat voornemen bij de aanvraag.
De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11, d, met betrekking tot het eerste lid van artikel 4:83, eerste lid, f, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:14, of onderdeel h, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:88.
Artikel 2:99a
De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning aan een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is en die voornemens is om in Nederland beleggingsdiensten te verlenen aan niet-professionele beleggers of professionele beleggers als bedoeld in bijlage II, afdeling II, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, indien de beleggingsonderneming:
- a. in Nederland een bijkantoor vestigt;
- b. aantoont dat met betrekking tot het bijkantoor zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge: met dien verstande dat voor de toepassing van de onder 1° tot en met 7° en 9° en 10° genoemde artikelen voor «een beleggingsonderneming» telkens moet worden gelezen: het in Nederland gelegen bijkantoor van een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is;
- 1°. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
- 2°. artikel 4:9, eerste lid, met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel genoemde personen;
- 3°. artikel 4.9.0a, eerste lid, met betrekking tot de samenstelling en het functioneren van het bestuur van het bijkantoor;
- 4°. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
- 5°. artikel 4:11, eerste en derde lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsvoering;
- 6°. artikel 4:14, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- 7°. artikel 4:83, eerste lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt;
- 8°. artikel 4:84, tweede lid, met betrekking tot de plaats van waaruit de personen, bedoeld onder 7°, hun werkzaamheden verrichten;
- 9°. artikel 4:87 met betrekking tot het treffen van adequate maatregelen ter bescherming van de rechten van cliënten;
- 10°. artikel 4:88 met betrekking tot het voeren van een adequaat beleid ter zake van het voorkomen van de in dat artikel bedoelde belangenconflicten,
- c. in de staat waar zij haar zetel heeft bevoegd is de beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten, en bevoegd is een bijkantoor in Nederland te openen;
- d. is aangesloten bij een beleggerscompensatiestelsel als bedoeld in Richtlijn nr. 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEU 1997 L 84).
De Autoriteit Financiële Markten verleent alleen een vergunning als bedoeld in het eerste lid, indien:
- a. de staat waar de beleggingsonderneming haar zetel heeft, niet op de lijst staat van niet-coöperatieve landen en gebieden van de Financial Action Task Force of diens opvolger;
- b. de Autoriteit Financiële Markten en de toezichthoudende instantie van de staat waar de beleggingsonderneming haar zetel heeft een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten die ten minste een efficiënte uitwisseling van informatie waarborgt en die de Autoriteit Financiële Markten in staat stelt haar toezichthoudende taken op grond van deze wet uit te voeren; en
- c. de staat waar de beleggingsonderneming haar zetel heeft een overeenkomst heeft met Nederland die volledig voldoet aan de normen van artikel 26 van het OESO-modelverdrag inzake dubbele belasting.
In aanvulling op het eerste en tweede lid verstrekt de Autoriteit Financiële Markten alleen een vergunning als bedoeld in het eerste lid, indien de beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is aantoont dat zal worden voldaan aan artikel 41, derde lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 met betrekking tot haar in Nederland gevestigde bijkantoor.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
Artikel 2:99b
De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning aan een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die in Nederland uitsluitend beleggingsdiensten verleent aan professionele beleggers als bedoeld in bijlage II, afdeling I, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 of in aanmerking komende tegenpartijen, indien de beleggingsonderneming voldoet aan het bepaalde ingevolge artikel 2:99, eerste lid, eerste volzin, onderdelen a, c, d, e en g tot en met j en l, en zij tevens een persoon met adres in Nederland als haar vertegenwoordiger aanstelt:
- a. via wie de toezichthouder gegevens en inlichtingen kan uitwisselen met de beleggingsonderneming;
- b. waaraan rechtsgeldig mededelingen kunnen worden gedaan.
De beleggingsonderneming overlegt op verzoek van de toezichthouder een verslag over de door haar in Nederland verleende beleggingsdiensten.
Artikel 2:99a, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
- a. de wijze waarop de vertegenwoordiger het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, naleeft; en
- b. de vorm en inhoud van het verslag, bedoeld in het tweede lid.
§ 2.2.12.2. Bijkantoor en verrichten van diensten
Artikel 2:100
Indien de Autoriteit Financiële Markten een mededeling van het voornemen van een beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat tot het verlenen van beleggingsdiensten of verrichten van beleggingsactiviteiten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland heeft ontvangen van een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, doet zij van deze ontvangst onverwijld mededeling aan de betrokken beleggingsonderneming,
De Autoriteit Financiële Markten kan onmiddellijk na ontvangst van de mededeling, of indien het verlenen van beleggingsdiensten of verrichten van beleggingsactiviteiten vanuit een bijkantoor betreft, binnen twee maanden na ontvangst van de mededeling de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat berichten welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de beleggingsonderneming in acht moeten worden genomen bij het verlenen van beleggingsdiensten of verrichten van beleggingsactiviteiten in Nederland. De Autoriteit Financiële Markten zendt hiervan een afschrift aan de beleggingsonderneming.
Indien een beleggingsonderneming als bedoeld in het eerste lid het voornemen heeft beleggingsdiensten te verlenen door middel van een in Nederland gevestigde verbonden agent die onder haar verantwoordelijkheid en voor haar rekening optreedt, is het bepaalde in deze wet ten aanzien van een bijkantoor van beleggingsondernemingen van overeenkomstige toepassing op de verbonden agent.
Artikel 2:101
Een beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat kan overgaan tot het vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor verlenen van beleggingsdiensten of verrichten van beleggingsactiviteiten twee maanden na de mededeling van de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat, bedoeld in artikel 2:100, eerste lid, of onmiddellijk na ontvangst van het bericht, bedoeld in artikel 2:100, tweede lid.
Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 2.2.2 of 3.4.1 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die hebben voldaan aan artikel 2:71, eerste lid.
Artikel 2:102
Een beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat kan overgaan tot het door middel van het verrichten van diensten naar Nederland verlenen van beleggingsdiensten of verrichten van beleggingsactiviteiten na de mededeling van de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat, bedoeld in artikel 2:100, eerste lid.
Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat voorzover het aan hen ingevolge afdeling 2.2.2 of 3.4.1 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.
Artikel 2:102a
De artikelen 2:100, eerste en tweede lid, en 2:102, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een staat waarvan de wetgeving en het toezicht als gelijkwaardig zijn erkend door de Europese Commissie in overeenstemming met artikel 47, eerste lid, van de verordening markten voor financiële instrumenten en met bijkantoor gelegen in een andere lidstaat waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 39 van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 is verleend door de toezichthoudende instantie van die lidstaat, die voornemens zijn voor de eerste maal vanuit dat bijkantoor door middel van het verrichten van diensten naar Nederland beleggingsdiensten te verlenen aan of beleggingsactiviteiten te verrichten voor in aanmerking komende tegenpartijen of professionele beleggers in de zin van bijlage II, afdeling I, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014.
Artikel 2:103
Het is een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 2:98, tweede lid, niet toegestaan beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten indien die financiële diensten niet worden vermeld in de mededeling, bedoeld in artikel 2:100, eerste lid.
Artikel 2:103a
Een beleggingsonderneming waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend voor het exploiteren van een georganiseerde handelsfaciliteit of een multilaterale handelsfaciliteit of een marktexploitant aan wie het ingevolge de vergunning, bedoeld in artikel 5:26, is toegestaan een georganiseerde handelsfaciliteit of een multilaterale handelsfaciliteit te exploiteren en die voornemens is om in een andere lidstaat voorzieningen te treffen waardoor in die lidstaat gevestigde gebruikers, deelnemers of leden toegang krijgen tot deze georganiseerde handelsfaciliteit of multilaterale handelsfaciliteit en daarop kunnen handelen, deelt dit voornemen aan de Autoriteit Financiële Markten mede. De Autoriteit Financiële Markten verstrekt deze informatie binnen een maand na ontvangst aan de relevante toezichthoudende instantie van de desbetreffende lidstaat.
De Autoriteit Financiële Markten deelt, op verzoek van de toezichthoudende instantie van de in het eerste lid bedoelde lidstaat onverwijld de identiteitsgegevens mee van de leden van of deelnemers aan de georganiseerde handelsfaciliteit of multilaterale handelsfaciliteit.
Artikel 2:103b
Een beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in een andere lidstaat kan overgaan tot het vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland verrichten of verlenen van de in artikel 6, vierde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen bedoelde activiteiten of diensten, nadat de Autoriteit Financiële Markten overeenkomstig de procedure van artikel 33 van die richtlijn in kennis is gesteld van het voornemen van de beheerder van een beleggingsinstelling deze activiteiten of diensten in Nederland te verrichten of te verlenen.
Artikel 2:103c
Een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, die in Nederland beleggingsdiensten verleent aan niet-professionele beleggers of professionele beleggers als bedoeld in bijlage II, afdeling II, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, is het, indien hij deze beleggingsdiensten uitsluitend op eigen initiatief als bedoeld in artikel 1:19c, eerste lid, aanhef en onderdeel a, verleent, slechts toegestaan om via zijn bijkantoor in Nederland andere beleggingsproducten of beleggingsdiensten aan deze beleggers aan te bieden.
§ 2.2.12.2a. Verlenen van datarapporteringsdiensten
§ 2.2.12.2a.1. Vergunningplicht en -eisen
Artikel 2:104a
Vervallen
Artikel 2:104b
Vervallen
Artikel 2:104c
Vervallen
§ 2.2.12.2a.2. Verrichten van diensten
Artikel 2:104d
Vervallen
§ 2.2.12.3. Vrijstelling
Artikel 2:104
Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 2:96.
Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 2:99, eerste lid.
Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden verleend van de in artikel 2:99a, eerste lid, bedoelde voorschriften. Aan de gehele of gedeeltelijke vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.
Afdeling 2.2.13. Bijzondere bepalingen
Artikel 2:105
De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in de artikelen 2:55, 2:60, 2:75, 2:80, 2:86 en 2:92 aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die mede strekt ten behoeve van bij die rechtspersoon aangesloten ondernemingen, indien die rechtspersoon, onverminderd de artikelen 2:58, 2:63, 2:78, 2:83, 2:89 en 2:94, aantoont dat hij:
- a. krachtens zijn statuten en de statuten van de bij hem aangesloten ondernemingen of krachtens een overeenkomst met de bij hem aangesloten ondernemingen beschikt over voldoende bevoegdheden jegens de aangesloten ondernemingen om een handelen of nalaten van een zodanige onderneming in strijd met het bepaalde ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen met betrekking tot het verlenen van financiële diensten, met uitzondering van het aanbieden van rechten van deelneming in een icbe, tegen te kunnen gaan en door de Autoriteit Financiële Markten gegeven aanwijzingen op te laten volgen;
- b. beschikt over voldoende mogelijkheden tot deskundige ondersteuning van de aangesloten ondernemingen; en
- c. gemachtigd is die ondernemingen bij de vergunningaanvraag en ook overigens voor de toepassing van de afdelingen 2.2.5, 2.2.6, 2.2.8, 2.2.9, 2.2.10, 2.2.11, 2.3.6 en 2.3.7 en voor de toepassing van het bepaalde ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen met betrekking tot het verlenen van financiële diensten, met uitzondering van het aanbieden van rechten van deelneming in een icbe, te vertegenwoordigen.
Indien na het verlenen van een vergunning als bedoeld in het eerste lid een onderneming zich aansluit bij de rechtspersoon geldt de vergunning mede voor die onderneming, indien de rechtspersoon ten aanzien van deze onderneming voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.
De Autoriteit Financiële Markten kan financiële ondernemingen aanwijzen die voor de toepassing van het tweede en derde lid geacht worden over een vergunning als bedoeld in het eerste lid te beschikken, indien:
- a. voor zover het financiëledienstverleners betreft, de rechtspersoon waarbij de andere ondernemingen zijn aangesloten een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning heeft;
- b. voor zover het beleggingsondernemingen betreft, de rechtspersoon waarbij de andere ondernemingen zijn aangesloten en de aangesloten ondernemingen een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben; en
- c. voldaan wordt aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.
Het besluit tot aanwijzing kan door de Autoriteit Financiële Markten worden ingetrokken.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b.
Hoofdstuk 2.3. Toegang tot de buitenlandse financiële markten
Artikel 2:106
Het bepaalde in dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 2:117 en 2:118, is niet van toepassing op het verlenen van financiële diensten die kunnen worden aangemerkt als dienst van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 15d, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek naar een andere lidstaat door een financiële onderneming met zetel in Nederland.
Afdeling 2.3a.1. Uitoefenen van het bedrijf van afwikkelonderneming bijkantoor buiten Nederland
§ 2.3a.1.1. Bijkantoor buiten Nederland
Artikel 2:106.0a
Een afwikkelonderneming met zetel in Nederland die voornemens is vanuit een buiten Nederland gelegen bijkantoor haar bedrijf uit te oefenen jegens een cliënt met wie zij niet in een groep is verbonden, gaat daartoe slechts over nadat de Nederlandsche Bank met het voornemen heeft ingestemd.
De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank stemt in met een voornemen als bedoeld in het eerste lid indien de afwikkelonderneming voldoet aan hetgeen ingevolge het tweede lid is bepaald, tenzij, gelet op het voornemen van de afwikkelonderneming, haar bedrijfsvoering of financiële positie niet toereikend is.
De Nederlandsche Bank neemt een besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.
Afdeling 2.3.0. Uitoefenen van bedrijf van betaaldienstverlener
§ 2.3.0.1. Bijkantoor en verrichten van diensten door een betaalinstelling naar een andere lidstaat
Artikel 2:106a
Een betaalinstelling die voornemens is vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat of door middel van het verrichten van diensten, al dan niet door tussenkomst van een betaaldienstagent, in een andere lidstaat haar diensten aan te bieden, stelt de Nederlandsche Bank hiervan in kennis, onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank verstrekt de in het eerste lid bedoelde gegevens binnen een maand na ontvangst aan de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat.
De Nederlandsche Bank gaat over tot inschrijving van het bijkantoor of de betaaldienstagent in het register, bedoeld in artikel 1:107, tenzij de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat aan de Nederlandsche Bank heeft meegedeeld dat zij het vermoeden heeft dat met de voorgenomen vestiging van het bijkantoor of door de inschakeling van de betaaldienstagent mogelijk in strijd zal worden gehandeld met het recht, waaronder wettelijke voorschriften betreffende het witwassen van geld of de financiering van terrorisme in de zin van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PbEU 2015, L 141). Indien inschrijving reeds heeft plaatsgevonden, haalt de Nederlandsche Bank deze door.
De Nederlandsche Bank beslist op de aanvraag binnen drie maanden na ontvangst, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen drie maanden na ontvangst van alle benodigde gegevens. De betaaldienstagent of het bijkantoor verleent geen betaaldiensten dan nadat de inschrijving in het register is voltooid en de Nederlandsche Bank is geïnformeerd over de voorgenomen datum van aanvang van de dienstverlening.
Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing in geval van een wijziging van de in het eerste lid bedoelde gegevens. Een wijziging van de in het eerste lid bedoelde gegevens dient onverwijld aan de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat te worden gemeld.
Afdeling 2.3.1. Uitoefenen van bedrijf van clearinginstelling
§ 2.3.1.1. Bijkantoor buiten Nederland
Artikel 2:107
Een clearinginstelling met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, heeft en voornemens is vanuit een buiten Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van clearinginstelling uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat de Nederlandsche Bank met het voornemen heeft ingestemd.
De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank stemt in met een voornemen als bedoeld in het eerste lid indien de clearinginstelling voldoet aan het ingevolge het tweede lid bepaalde, tenzij, gelet op het voornemen van de clearinginstelling, haar bedrijfsvoering of financiële positie niet toereikend is.
De Nederlandsche Bank neemt een besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.
Afdeling 2.3.1a. Uitoefenen van het bedrijf van elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland
§ 2.3.1a.1. Verrichten van diensten door een elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland naar een andere lidstaat
Artikel 2:107a
Een elektronischgeldinstelling die voornemens is vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat of door middel van het verrichten van diensten, al dan niet door tussenkomst van een betaaldienstagent, in een andere lidstaat haar bedrijf uit te oefenen, stelt de Nederlandsche Bank hiervan in kennis, onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank verstrekt de in het eerste lid bedoelde gegevens binnen een maand na ontvangst aan de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat.
De Nederlandsche Bank gaat over tot inschrijving van het bijkantoor of de betaaldienstagent in het register, bedoeld in artikel 1:107, tenzij de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat aan de Nederlandsche Bank heeft meegedeeld dat zij het vermoeden heeft dat met de voorgenomen vestiging van het bijkantoor of door de inschakeling van de betaaldienstagent mogelijk in strijd zal worden gehandeld met het recht, waaronder wettelijke voorschriften betreffende het witwassen van geld of de financiering van terrorisme in de zin van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PbEU 2015, L 141). Indien inschrijving reeds heeft plaatsgevonden, haalt de Nederlandsche Bank deze door.
De Nederlandsche Bank beslist op de aanvraag binnen drie maanden na ontvangst, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen drie maanden na ontvangst van alle benodigde gegevens. De betaaldienstagent of het bijkantoor verleent geen betaaldiensten dan nadat de inschrijving in het register is voltooid en de Nederlandsche Bank is geïnformeerd over de voorgenomen datum van aanvang van de dienstverlening.
Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing in geval van een wijziging van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
Afdeling 2.3.2. Uitoefenen van bedrijf van bank en financiële instelling
§ 2.3.2.1. Bijkantoor en verrichten van diensten door een bank naar een andere lidstaat
Artikel 2:108
Een bank met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, heeft en voornemens is vanuit een in een deelnemende lidstaat als bedoeld in artikel 2 van de verordening bankentoezicht gelegen bijkantoor het bedrijf van bank uit te oefenen, kan daartoe overgaan twee maanden nadat zij de Nederlandsche Bank daarvan in kennis heeft gesteld, tenzij de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank, al naar gelang de bevoegdheidsverdeling op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, binnen die termijn anders besluit.
Een bank met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, heeft en voornemens is vanuit een in een lidstaat, niet zijnde een deelnemende lidstaat als bedoeld in het eerste lid, gelegen bijkantoor het bedrijf van bank uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank, al naar gelang de bevoegdheidsverdeling op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, met het voornemen van de bank heeft ingestemd.
De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en de aanvraag van instemming, bedoeld in het tweede lid, geschieden onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
Artikel 2:109
De Nederlandsche Bank kan een besluit nemen als bedoeld in artikel 2:108, eerste lid, indien de bedrijfsvoering of financiële positie van de bank, gelet op haar voornemen, niet toereikend is.
De Nederlandsche Bank stemt in met een voornemen als bedoeld in artikel 2:108, tweede lid, tenzij, gelet op het voornemen van de bank, haar bedrijfsvoering of financiële positie niet toereikend is.
De Nederlandsche Bank neemt binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit als bedoeld in artikel 2:108, tweede lid.
De Nederlandsche Bank doet binnen een werkdag na het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 2:108, eerste en tweede lid, daarvan mededeling aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de bank voornemens is door middel van een bijkantoor haar bedrijf uit te oefenen. De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van de mededeling aan de bank.
De mededeling, bedoeld in het derde lid, bevat tevens gegevens over de omvang van het eigen vermogen, de solvabiliteitsratio alsmede voorzover van toepassing gegevens over de toepasselijkheid van een vangnetregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de bank.
De Nederlandsche Bank deelt binnen twee maanden na de mededeling, bedoeld in het derde lid, de bank de voorwaarden mede die de toezichthoudende instantie van de lidstaat, niet zijnde een deelnemende lidstaat als bedoeld in artikel 2:108, eerste lid heeft verbonden aan het uitvoeren van de werkzaamheden in de betrokken lidstaat.
Artikel 2:110
Een bank met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, heeft en voornemens is voor de eerste maal door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat haar bedrijf uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat zij kennis heeft gegeven van haar voornemen aan de Nederlandsche Bank onder opgave van de lidstaat waarnaar zij voornemens is diensten te verrichten en van de voorgenomen werkzaamheden.
De Nederlandsche Bank doet binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving van het voornemen daarvan mededeling aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waarnaar de bank voornemens is diensten te verrichten. De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van de mededeling aan de bank.
§ 2.3.2.2. Bijkantoor en verrichten van diensten door een bank naar een staat die geen lidstaat is
Artikel 2:111
Een bank met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, heeft en voornemens is vanuit een bijkantoor in een staat die geen lidstaat is het bedrijf van bank uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat de Nederlandsche Bank met het voornemen heeft ingestemd.
De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank stemt in met het voornemen indien de bank voldoet aan het ingevolge het eerste lid bepaalde, tenzij, gelet op het voornemen van de bank, haar bedrijfsvoering of financiële positie niet toereikend is.
De Nederlandsche Bank neemt een besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.
§ 2.3.2.3. Bijkantoor en verrichten van diensten door een financiële instelling naar een andere lidstaat
Artikel 2:112
Een financiële instelling met zetel in Nederland die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 heeft en voornemens is haar bedrijf vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat de Nederlandsche Bank met het voornemen heeft ingestemd.
De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
Artikel 2:113
De Nederlandsche Bank stemt in met een voornemen als bedoeld in artikel 2:112, eerste lid, tenzij, gelet op het voornemen van de financiële instelling, haar bedrijfsvoering of financiële positie niet toereikend is.
De Nederlandsche Bank neemt een besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.
De Nederlandsche Bank doet binnen een werkdag na het nemen van het besluit daarvan mededeling aan de toezichthoudende instantie in de lidstaat waar de financiële instelling voornemens is door middel van een bijkantoor haar bedrijf uit te oefenen. De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van de mededeling aan de financiële instelling.
De mededeling, bedoeld in het derde lid, bevat tevens gegevens over de omvang van het eigen vermogen, de solvabiliteitsratio alsmede voorzover van toepassing gegevens over de toepasselijkheid van een vangnetregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de financiële instelling.
De Nederlandsche Bank deelt binnen twee maanden na de mededeling, bedoeld in het derde lid, de financiële instelling de voorwaarden mede die de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat heeft verbonden aan het uitvoeren van de werkzaamheden in de betrokken lidstaat.
Artikel 2:114
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)