Wet van 28 september 2006, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht)
De artikelen 3:135, 3:136 en 3:137, eerste en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op herverzekeraars en verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat.
Artikel 3:148
De Nederlandsche Bank kan indien zich in het geval, bedoeld in artikel 3:135, eerste lid of 3:136, eerste lid, uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan de financiële positie van de herverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat of verzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat nog verder zal verslechteren, de vrije beschikking door de herverzekeraar of verzekeraar met beperkte risico-omvang over zijn waarden, die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.
Artikel 3:137, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de herverzekeraar of verzekeraar met beperkte risico-omvang weer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde solvabiliteitseisen.
Afdeling 3.5.4. Opvangregeling voor levensverzekeraars
§ 3.5.4.1. Levensverzekeraars met zetel in Nederland
Artikel 3:149
Vervallen
Artikel 3:150
Vervallen
Artikel 3:151
Vervallen
Artikel 3:152
Vervallen
Artikel 3:153
Vervallen
Artikel 3:154
Vervallen
Artikel 3:155
Vervallen
Artikel 3:156
Vervallen
Artikel 3:157
Vervallen
Artikel 3:158
Vervallen
§ 3.5.4.2. Levensverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:158a
Vervallen
§ 3.5.4.3. Levensverzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat
Artikel 3:159
Vervallen
Afdeling 3.5.4a. Overdracht
§ 3.5.4a.1. Verzekeraars met zetel in Nederland
Artikel 3:159a
Vervallen
Artikel 3:159b
Vervallen
Artikel 3:159c
Vervallen
Artikel 3:159d
Vervallen
Artikel 3:159e
Vervallen
Artikel 3:159f
Vervallen
Artikel 3:159g
Vervallen
Artikel 3:159h
Vervallen
Artikel 3:159i
Vervallen
Artikel 3:159j
Vervallen
Artikel 3:159k
Vervallen
Artikel 3:159l
Vervallen
Artikel 3:159m
Vervallen
Artikel 3:159n
Vervallen
Artikel 3:159o
Vervallen
Artikel 3:159p
Vervallen
Artikel 3:159q
Vervallen
Artikel 3:159r
Vervallen
Artikel 3:159s
Vervallen
Artikel 3:159t
Vervallen
Artikel 3:159ta
Vervallen
Artikel 3:159u
Vervallen
Artikel 3:159v
Vervallen
Artikel 3:159w
Vervallen
Artikel 3:159x
Vervallen
Artikel 3:159ij
Vervallen
Artikel 3:159z
Vervallen
Artikel 3:159aa
Vervallen
Artikel 3:159ab
Vervallen
Artikel 3:159ac
Vervallen
Artikel 3:159ad
Vervallen
Artikel 3:159ae
Vervallen
Artikel 3:159af
Vervallen
Artikel 3:159ag
Vervallen
§ 3.5.4a.2. Verzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:159ah
Vervallen
§ 3.5.4a.3. Verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat
Artikel 3:159ai
Vervallen
Afdeling 3.5.4b. Afwikkelingsplannen voor banken en voor beleggingsondernemingen in de zin van de verordening kapitaalvereisten
Afdeling 3.5.5. Bepalingen van internationaal privaatrecht
Artikel 3:159ak
Vervallen
Artikel 3:160
Vervallen
Artikel 3:161
Vervallen
Artikel 3:162
Vervallen
Artikel 3:162a
Vervallen
Artikel 3:162b
Vervallen
Artikel 3:162c
Vervallen
Artikel 3:162d
Vervallen
Artikel 3:163
Vervallen
Artikel 3:164
Vervallen
Artikel 3:165
Vervallen
Artikel 3:166
Vervallen
Artikel 3:167
Vervallen
Artikel 3:168
Vervallen
Artikel 3:169
Vervallen
Artikel 3:170
Vervallen
Artikel 3:171
Vervallen
Artikel 3:172
Vervallen
Artikel 3:173
Vervallen
Artikel 3:174
Vervallen
Artikel 3:174a
Vervallen
Artikel 3:174b
Vervallen
Artikel 3:175
Vervallen
Artikel 3:176
Vervallen
Artikel 3:177
Vervallen
Artikel 3:178
Vervallen
Artikel 3:179
Vervallen
Artikel 3:180
Vervallen
Artikel 3:181
Vervallen
Artikel 3:182
Vervallen
Artikel 3:183
Vervallen
Artikel 3:184
Vervallen
Artikel 3:185
Vervallen
Artikel 3:186
Vervallen
Artikel 3:187
Vervallen
Artikel 3:188
Vervallen
Artikel 3:189
Vervallen
Artikel 3:190
Vervallen
Artikel 3:191
Vervallen
Artikel 3:192
Vervallen
Artikel 3:193
Vervallen
Artikel 3:194
Vervallen
Artikel 3:195
Vervallen
Artikel 3:196
Vervallen
Artikel 3:197
Vervallen
Artikel 3:198
Vervallen
Artikel 3:199
Vervallen
Artikel 3:200
Vervallen
Artikel 3:201
Vervallen
Artikel 3:201a
Vervallen
Artikel 3:202
Vervallen
Artikel 3:203
Vervallen
Artikel 3:204
Vervallen
Artikel 3:205
Vervallen
Artikel 3:206
Vervallen
Artikel 3:207
Vervallen
Artikel 3:208
Vervallen
Artikel 3:209
Vervallen
Artikel 3:210
Vervallen
Artikel 3:211
Vervallen
Artikel 3:212
Vervallen
Artikel 3:213
Vervallen
Artikel 3:214
Vervallen
Artikel 3:215
Vervallen
Artikel 3:216
Vervallen
Artikel 3:217
Vervallen
Artikel 3:218
Vervallen
Artikel 3:219
Vervallen
Artikel 3:220
Vervallen
Artikel 3:221
Vervallen
Artikel 3:222
Vervallen
Artikel 3:223
Vervallen
Artikel 3:224
Vervallen
Artikel 3:225
Vervallen
Artikel 3:226
Vervallen
Artikel 3:227
Vervallen
Artikel 3:228
Vervallen
Artikel 3:229
Vervallen
Artikel 3:230
Vervallen
Artikel 3:231
Vervallen
Artikel 3:232
Vervallen
Artikel 3:233
Vervallen
Artikel 3:234
Vervallen
Artikel 3:235
Vervallen
Artikel 3:236
Vervallen
Artikel 3:237
Vervallen
Artikel 3:238
De verwijzingen in deze afdeling naar een lidstaat waar een financiële onderneming haar zetel heeft, worden tevens beschouwd als verwijzingen naar een lidstaat waar een bijkantoor van een financiële onderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, is gelegen.
Artikel 3:239
Een in een andere lidstaat dan Nederland genomen beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel ten aanzien van een bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, wordt van rechtswege erkend, indien de bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, in die lidstaat haar of zijn zetel heeft.
De beslissing heeft rechtsgevolgen binnen Nederland vanaf het tijdstip dat zij rechtsgevolgen heeft in de lidstaat waar de bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, haar of zijn zetel heeft.
Artikel 3:240
De beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel, de saneringsmaatregel zelf en de rechtsgevolgen van de saneringsmaatregel worden beheerst door het recht van de lidstaat waar de saneringsmaatregel is vastgesteld, tenzij de wet anders bepaalt.
Artikel 3:241
De beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel laat onverlet het goederenrechtelijke recht van een schuldeiser of een derde op een goed of goederen, zowel bepaalde goederen als gehelen met een wisselende samenstelling van onbepaalde goederen, die toebehoren aan de bank of verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, en die zich op het tijdstip waarop de beslissing tot opening van de saneringsprocedure rechtsgevolgen heeft, bevinden op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de entiteit voor risico-acceptatie, bank of verzekeraar haar of zijn zetel heeft.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder goederenrechtelijk recht in ieder geval verstaan:
- a. het recht een goed te gelde te maken of te laten maken en te worden voldaan uit de opbrengst van of de inkomsten uit het goed, in het bijzonder op grond van een recht van pand of recht van hypotheek;
- b. het uitsluitende recht een vordering te innen, in het bijzonder op grond van een pandrecht op de vordering of op grond van een cessie tot zekerheid van de vordering;
- c. het recht om een goed van een ieder die het zonder recht houdt op te eisen, van dat goed afgifte te verlangen of van dat goed een ongestoord genot te verlangen;
- d. het goederenrechtelijke recht om van een goed de vruchten te trekken.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt met een goederenrechtelijk recht gelijkgesteld het in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging van een goederenrechtelijk recht als bedoeld in het eerste lid dat aan derden kan worden tegengeworpen.
Voor de toepassing van dit artikel is de lidstaat waar een goed zich bevindt:
- a. met betrekking tot registergoederen en rechten op registergoederen: de lidstaat onder het gezag waarvan het desbetreffende register wordt gehouden;
- b. met betrekking tot zaken, voorzover niet vallend onder onderdeel a: de lidstaat op het grondgebied waarvan de zaak zich bevindt; en
- c. met betrekking tot schuldvorderingen: de lidstaat op het grondgebied waarvan de statutaire zetel van de derde-schuldenaar zich bevindt.
Artikel 3:242
Ingeval een bank of een verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, een zaak heeft gekocht, laat de beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel onverlet de op een eigendomsvoorbehoud berustende rechten van de verkoper, indien de zaak waarop het eigendomsvoorbehoud betrekking heeft zich op het tijdstip waarop de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel rechtsgevolgen heeft, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de entiteit voor risico-acceptatie, bank of verzekeraar haar of zijn zetel heeft.
Ingeval de financiële onderneming een zaak heeft verkocht, is de beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel geen grond voor ontbinding of beëindiging van de overeenkomst tot verkoop, en belet de saneringsmaatregel de koper niet de eigendom van de gekochte zaak te verkrijgen, indien de zaak zich op het tijdstip waarop de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel gevolgen heeft, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de entiteit voor risico-acceptatie, bank of een verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, haar of zijn zetel heeft.
Artikel 3:241, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:243
Indien degene die zowel schuldeiser als schuldenaar is van de bank of de verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, bevoegd is zijn schuld te verrekenen met de vordering op de bank of de verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, op grond van het recht dat van toepassing is op de vordering van de bank of de verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, laat de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel de bedoelde bevoegdheid onverlet.
Artikel 3:244
De artikelen 3:241 tot en met 3:243 staan er niet aan in de weg dat een vordering wordt ingesteld tot nietigheid, vernietiging of het niet kunnen worden tegengeworpen van een rechtshandeling wegens de benadeling van het geheel van schuldeisers welke van die rechtshandeling het gevolg is.
Artikel 3:245
In afwijking van artikel 3:240 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor arbeidsovereenkomsten en andere rechtsverhoudingen ter zake van het verrichten van arbeid uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat op die overeenkomst of rechtsverhouding van toepassing is.
Artikel 3:246
In afwijking van artikel 3:240 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor een overeenkomst die het recht geeft op het genot of de verkrijging van een onroerende zaak uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de onroerende zaak is gelegen.
Artikel 3:247
In afwijking van artikel 3:240 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor de rechten van de bank of de verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, op een registergoed beheerst door het recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het register wordt gehouden.
Artikel 3:248
In afwijking van artikel 3:240 worden, onverminderd artikel 3:241, de gevolgen van een saneringsmaatregel voor de rechten en verplichtingen van deelnemers aan een gereglementeerde markt uitsluitend beheerst door het recht dat op die markt van toepassing is.
Het eerste lid staat er niet aan in de weg dat een vordering wordt ingesteld tot nietigheid, vernietiging of het niet kunnen worden tegengeworpen van een rechtshandeling wegens de benadeling van het geheel van schuldeisers die van die rechtshandeling het gevolg is.
Voor de toepassing van het eerste lid op een saneringsmaatregel met betrekking tot een verzekeraar, wordt onder gereglementeerde markt mede verstaan een in een staat die geen lidstaat is gelegen financiële markt die aan de volgende voorwaarden voldoet:
- a. de markt is, in geval van een verzekeraar met zetel in Nederland of van een verzekeraar met een bijkantoor in Nederland en met zetel in een staat die geen lidstaat is, aangewezen door Onze Minister of is, in geval van een verzekeraar met zetel in een andere lidstaat, erkend door een daartoe bevoegde autoriteit van die lidstaat en voldoet voorts aan vereisten die vergelijkbaar zijn met die van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014; en
- b. de financiële instrumenten die op de markt worden verhandeld, zijn van een kwaliteit die vergelijkbaar is met die van de instrumenten die worden verhandeld op de gereglementeerde markten van Nederland, onderscheidenlijk de markten van de andere lidstaat.
Artikel 3:249
In afwijking van artikel 3:240 wordt de rechtsgeldigheid van een rechtshandeling, onder bezwarende titel aangegaan door de bank of de verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, na het tijdstip tot vaststelling van een saneringsmaatregel, waarmee deze beschikt over een registergoed of effecten of andere waardepapieren waarvan het bestaan of de overdracht inschrijving in een wettelijk voorgeschreven register of op een wettelijk voorgeschreven rekening veronderstelt, of die zijn geplaatst in een door het recht van een lidstaat beheerst gecentraliseerd effectendepot, beheerst door het recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het register, de rekening of het depot wordt gehouden dan wel, indien het een onroerende zaak betreft, door het recht van de lidstaat waar de onroerende zaak is gelegen.
Artikel 3:250
In afwijking van artikel 3:240 worden de gevolgen van de saneringsmaatregel voor een aanhangige rechtsvordering betreffende een goed waarover de bank of de verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, het beheer en de beschikking heeft verloren, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is.
Artikel 3:251
Artikel 3:240 is niet van toepassing op regels betreffende de nietigheid, de vernietigbaarheid van voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen en evenmin op de regels die bepalen of dergelijke rechtshandelingen kunnen worden tegengeworpen, indien degene die voordeel heeft gehad bij die rechtshandeling bewijst dat:
- a. die rechtshandeling wordt beheerst door het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de entiteit voor risico-acceptatie, de bank of de verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, haar of zijn zetel heeft; en
- b. dat recht in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid dat die rechtshandeling wordt aangetast onderscheidenlijk niet kan worden tegengeworpen.
Artikel 3:252
In afwijking van artikel 3:240 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel, vastgesteld met betrekking tot een bank, voor de gevolgen van een overeenkomst tot verrekening als bedoeld in artikel 212a, onderdeel m, van de Faillissementswet en novatie uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die overeenkomst.
Artikel 3:253
In afwijking van artikel 3:240 worden, onverminderd artikel 3:254, de gevolgen van een saneringsmaatregel, vastgesteld met betrekking tot een bank, voor een overeenkomst waarbij de ene partij, de koper, zich verbindt tot een latere overdracht van een gelijke hoeveelheid activa van dezelfde soort aan de verkoper, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat van toepassing is op die overeenkomst.
Artikel 3:254
In afwijking van artikel 3:240 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel, vastgesteld met betrekking tot een bank, voor het uitoefenen van rechten op financiële instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht inschrijving in een register, op een rekening of in een in een lidstaat bijgehouden of gesitueerd gecentraliseerd effectendepot veronderstelt, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het register, de rekening of het gecentraliseerde effectendepot waar deze rechten zijn ingeschreven, wordt gehouden of is gesitueerd.
Artikel 3:255
De bewindvoerder uit een andere lidstaat dan Nederland waar de bank of de levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, haar of zijn zetel heeft, heeft in Nederland de bevoegdheden die hij heeft in de lidstaat van de zetel van de bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, behoudens de bevoegdheid tot het aanwenden van een dwangmaatregel en de bevoegdheid tot het doen van een uitspraak in een geding of een geschil. De wijze van uitoefenen van deze bevoegdheden in Nederland wordt beheerst door het Nederlandse recht.
Indien op grond van het recht van de lidstaat waar de bank of de levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, haar of zijn zetel heeft personen zijn aangewezen om de bewindvoerder te vertegenwoordigen of anderszins bij te staan, kunnen zij de bevoegdheden die zij hebben op grond van het recht van die lidstaat uitoefenen op het grondgebied van Nederland.
Artikel 3:256
Voor het bewijs van aanwijzing van de bewindvoerder uit een andere lidstaat volstaat een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het aanwijzingsbesluit of van ieder ander door de bestuurlijke of rechtelijke instanties die bevoegd zijn ter zake van saneringsmaatregelen van de lidstaat gegeven schriftelijke verklaring.
De bewindvoerder uit een andere lidstaat toont op verlangen van een ieder tegenover wie hij zijn bevoegdheden wenst uit te oefenen een vertaling in de Nederlandse taal van het afschrift.
Artikel 3:257
Op verzoek van een bewindvoerder uit een andere lidstaat worden de gegevens met betrekking tot een saneringsmaatregel, vastgesteld in een andere lidstaat, door de griffier van de rechtbank Den Haag ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 19a van de Faillissementswet.
Afdeling 3.5.6. Beleggerscompensatiestelsel en depositogarantiestelsel
§ 3.5.6.1. Financiële ondernemingen met zetel in Nederland
Artikel 3:258
Deze paragraaf is van toepassing op:
- a. banken die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 hebben;
- b. beheerders van een icbe die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:69b, eerste lid, aanhef en onderdeel a, voor zover het betreft het beheren van individuele vermogens en Nederlandse beheerders met een vergunning als bedoeld in artikel 2:65, aanhef en onderdeel a, voor zover het betreft het verrichten van de activiteiten of het verlenen van de diensten, bedoeld in artikel 2:67a, tweede lid;
- c. beleggingsondernemingen die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:96 voor het verlenen van beleggingsdiensten; en
- d. financiële instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 hebben en die beleggingsdiensten mogen verlenen.
De intrekking van een vergunning als bedoeld in het eerste lid laat onverlet de toepasselijkheid van deze paragraaf op vorderingen van beleggers op de financiële onderneming die verband houden met beleggingsverrichtingen die tot het tijdstip van intrekking van de vergunning hebben plaatsgevonden en laat onverlet de toepasselijkheid van deze paragraaf op bestaande vorderingen van crediteuren op de financiële onderneming op het tijdstip van de intrekking van de vergunning.
In deze paragraaf en paragraaf 3.5.6.1A wordt verstaan onder belegger: persoon als bedoeld in artikel 3:259, eerste lid, eerste volzin.
Artikel 3:259
Er is een beleggerscompensatiestelsel dat tot doel heeft personen die op grond van een beleggingsdienst als omschreven in artikel 1:1 of een dienst als vermeld in bijlage I, deel B, punt 1, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, geld of financiële instrumenten aan een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling hebben toevertrouwd, te compenseren ingeval de betreffende onderneming niet in staat is te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen die verband houden met die beleggingsdienst of nevendienst. Banken waarop artikel 2:13 of 3:33 van toepassing is, beleggingsondernemingen en financiële instellingen dragen de kosten van het beleggerscompensatiestelsel.
Er is een depositogarantiestelsel dat tot doel heeft depositohouders te compenseren in het geval een bank niet in staat is te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen uit deposito’s. Banken dragen de kosten van het depositogarantiestelsel.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:
- a. categorieën van financiële ondernemingen en personen die onder de reikwijdte van de vangnetregeling vallen, dan wel hiervan worden uitgesloten;
- b. categorieën van vorderingen die onder de reikwijdte van een vangnetregeling vallen, de wijze van indiening en vaststelling daarvan, de voorwaarden voor vergoeding van deze vorderingen, de hoogte van de vergoeding, het doen van uitkeringen aan beleggers of crediteuren en de wijze van informatieverschaffing daarover door financiële ondernemingen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot:
- a. de bekendmaking van een vangnetregeling; en
- b. de financiering, bekostiging en verdeling van baten van een vangnetregeling.
Artikel 3:259a
Er is een Depositogarantiefonds dat tot taak heeft het beheer van financiële middelen ten behoeve van de uitvoering van het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid. De Nederlandsche Bank besluit over de aanwending van de financiële middelen van het fonds.
Het Depositogarantiefonds bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Amsterdam.
Het Depositogarantiefonds wordt vertegenwoordigd door een bestuur dat bestaat uit drie leden, waaronder de voorzitter. Benoeming, schorsing en ontslag van de leden geschiedt door de Nederlandsche Bank.
De Nederlandsche Bank ondersteunt het depositogarantiefonds bij de uitoefening van zijn taak en verschaft de voor die taakuitoefening benodigde financiële middelen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de taakuitoefening van het depositogarantiefonds, het bestuur van het fonds en de verantwoording door het fonds.
Artikel 3:260
De Nederlandsche Bank besluit onverwijld tot toepassing van een vangnetregeling indien:
- a. de Nederlandsche Bank van oordeel is dat een financiële onderneming om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie niet in staat is een verschuldigd en betaalbaar deposito onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden terug te betalen of aan verplichtingen te voldoen die voortvloeien uit vorderingen van beleggers die verband houden met een beleggingsdienst of dienst als bedoeld in artikel 3:259, eerste lid, en de onderneming daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat is; of
- b. een rechterlijke instantie, om redenen die rechtstreeks verband houden met de financiële positie van de financiële onderneming, een uitspraak heeft gedaan die leidt tot schorsing van de rechten van depositohouders of beleggers om hun vordering op de betreffende financiële onderneming te verhalen.
De Nederlandsche Bank geeft toepassing aan het eerste lid, aanhef en onder a, uiterlijk vijf werkdagen nadat zij voor het eerst heeft geconstateerd dat een bank heeft nagelaten verschuldigde en betaalbare deposito’s onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden terug te betalen of aan verplichtingen te voldoen die voortvloeien uit vorderingen van beleggers die verband houden met een beleggingsdienst of dienst als bedoeld in artikel 3:259, eerste lid.
De Nederlandsche Bank doet van het besluit tot toepassing van een vangnetregeling mededeling in de Staatscourant.
Artikel 3:261
Bij de toepassing van een vangnetregeling kent de Nederlandsche Bank overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 3:259, derde lid, onderdeel b, vergoedingen toe aan beleggers of depositohouders.
De Nederlandsche Bank draagt zorg voor betaling van de ingevolge het beleggerscompensatiestelsel voor vergoeding in aanmerking komende vorderingen van beleggers binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn.
De Nederlandsche Bank kent vergoedingen uit hoofde van het depositogarantiestelsel toe binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn. Het Depositogarantiefonds maakt de door de Nederlandsche Bank toegekende vergoedingen binnen die termijn beschikbaar voor uitkering overeenkomstig het ingevolge artikel 3:259, derde lid, onderdeel b, bepaalde.
De Nederlandsche Bank treedt in de rechten die een belegger terzake van een vordering op de betalingsonmachtige financiële onderneming heeft voor zover zij een vergoeding als bedoeld in het eerste lid aan die belegger heeft betaald.
Het Depositogarantiefonds treedt in de rechten die een depositohouder ter zake van een vordering op een betalingsonmachtige bank heeft voor zover het Depositogarantiefonds een vergoeding als bedoeld in het eerste lid aan die depositohouder heeft uitgekeerd.
Artikel 3:261a
De samenloop van vorderingen van beleggers op een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling ten aanzien waarvan een vangnetregeling is toegepast, met aanspraken op vergoeding van de ingevolge deze afdeling daarvoor in aanmerking komende vorderingen, leidt er niet toe dat de Nederlandsche Bank en de boedel, beleggingsonderneming of financiële instelling hoofdelijk zijn verbonden.
De samenloop van vorderingen van depositohouders op een bank ten aanzien waarvan een vangnetregeling is toegepast, met aanspraken op vergoeding van de ingevolge deze afdeling daarvoor in aanmerking komende vorderingen, leidt er niet toe dat het Depositogarantiefonds en de boedel of de bank hoofdelijk zijn verbonden.
Artikel 3:262
De Nederlandsche Bank stelt met inachtneming van het ingevolge artikel 3:259, vierde lid, onderdeel b, bepaalde de bijdragen vast van de financiële ondernemingen, bedoeld in artikel 3:258, eerste lid, aan de vangnetregeling. De bijdrageplichtige financiële ondernemingen voldoen deze bijdragen binnen een door de Nederlandsche Bank vastgestelde termijn.
Artikel 3:263
Een financiële onderneming als bedoeld in artikel 3:258, eerste lid, stelt informatie ter beschikking over de toepasselijke vangnetregeling. Voorzover op een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor een met een vangnetregeling vergelijkbare regeling toepasselijk is, stelt de financiële onderneming eveneens informatie ter beschikking over die regeling.
De informatie moet zodanig zijn dat al dan niet potentiële beleggers en depositohouders in staat worden gesteld om na te gaan of een vordering valt onder de dekking van de vangnetregeling dan wel onder een vergelijkbare buitenlandse regeling.
De informatie over de vangnetregeling wordt in de Nederlandse taal of in de taal die door de depositohouder en de bank zijn overeengekomen bij het aangaan van de overeenkomst ter beschikking gesteld of voorzover het een vergelijkbare regeling betreft die op een bijkantoor toepasselijk is, in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat waar het desbetreffende bijkantoor is gelegen.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Artikel 3:264
Onverminderd artikel 4:19, tweede lid, beperkt een financiële onderneming die in een reclame-uiting vermeldt dat een vangnetregeling van toepassing is zich tot vermelding van de toepasselijkheid en een feitelijke beschrijving van de werking van de vangnetregeling.
Artikel 3:264a
Ingeval van een rechtsfeit als bedoeld in artikel 16, zesde lid, van de richtlijn depositogarantiestelsels, geeft elke betrokken bank depositohouders daarvan kennis ten minste een maand voordat de rechtsgevolgen ingaan, tenzij de Nederlandsche Bank een kortere termijn toestaat omwille van de stabiliteit van het financiële stelsel of omdat hiermee een rechtmatig belang van de desbetreffende bank wordt gediend.
De bank stelt gedurende drie maanden na de kennisgeving depositohouders onvoorwaardelijk en zonder betaling van een boete in staat deposito’s die voor vergoeding uit hoofde van een depositogarantiestelsel in aanmerking komen, op te nemen voor zover die deposito’s hoger zijn dan het uit hoofde van het toepasselijke depositogarantiestelsel gegarandeerde bedrag nadat de rechtsgevolgen, bedoeld in het eerste lid, zijn ingetreden.
Artikel 1:23 is niet van toepassing ten aanzien van het tweede lid.
Artikel 3:265
Vervallen
§ 3.5.6.1a. Uitvoering van de vangnetregeling in de noodregeling
Artikel 3:265a
Vervallen
Artikel 3:265b
Vervallen
Artikel 3:265c
Vervallen
§ 3.5.6.1b. Van rechtswege verrekening van bankspaardeposito’s eigen woning
Artikel 3:265d
Een bankspaardeposito eigen woning dat een depositohouder bij een bank aanhoudt en de daarmee verbonden eigenwoningschuld aan die bank of een ander worden tot hun gemeenschappelijk beloop opeisbaar en van rechtswege met elkaar verrekend, voor zoveel mogelijk eerst met de eigenwoningschuld aan de bank, ongeacht mogelijk bestaande rechten van derden ten aanzien van het bankspaardeposito eigen woning, onderscheidenlijk de verbonden eigenwoningschuld, op het tijdstip dat zich als eerste van de volgende tijdstippen voordoet:
- a. het tijdstip waarop de Nederlandsche Bank de depositogarantieregeling in werking heeft gesteld ingevolge artikel 3:260, eerste lid, aanhef en onderdeel a;
- b. het tijdstip dat de rechtbank ingevolge artikel 14, eerste lid, laatste volzin, van de Faillissementswet vermeldt op de beschikking waarbij zij het faillissement uitspreekt.
Het eerste lid is niet van toepassing ingeval de deposito’s worden overgedragen aan degene aan wie de depositohouder de eigenwoningschuld heeft.
De verrekening, bedoeld in het eerste lid, kan niet ertoe leiden dat degene die een eigenwoningschuld heeft, een additioneel bedrag verschuldigd wordt.
§ 3.5.6.1c. Uitvoering van het depositogarantiestelsel bij afwikkeling
Artikel 3:265e
Indien de toepassing door de Nederlandsche Bank van een afwikkelingsinstrument als bedoeld in artikel 3A:1 ertoe strekt dat depositohouders toegang houden tot hun deposito’s, wordt, overeenkomstig artikel 79 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, ten laste van het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid, een bedrag beschikbaar gesteld ten behoeve van de afwikkeling. Het beschikbaar te stellen bedrag bedraagt ten hoogste het bedrag van de ingevolge het depositogarantiestelsel gedekte deposito’s die worden aangehouden bij de bank in afwikkeling.
Bij de toepassing van het instrument van bail-in draagt het depositogarantiestelsel per saldo, na voldoening van de vordering, bedoeld in het vierde lid, ten hoogste bij een bedrag bij dat gelijk is aan het bedrag waarmee door het depositogarantiestelsel gedekte deposito’s zouden zijn afgeschreven om de verliezen van de entiteit te absorberen tot het punt waarop de nettowaarde van de activa van de entiteit gelijk is aan nul, indien deze gedekte deposito’s in gelijke mate onderhevig zouden zijn aan afschrijving als vorderingen met een gelijke rang in faillissement.
Bij de toepassing van een ander afwikkelingsinstrument draagt het depositogarantiestelsel per saldo, na voldoening van de vordering, bedoeld in het vierde lid, ten hoogste een bedrag bij dat gelijk is aan het totaal aan verliezen dat houders van door het depositogarantiestelsel gedekte deposito’s zouden lijden indien zij in gelijke mate verliezen zouden lijden als houders van vorderingen met een gelijke rang in faillissement.
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, verkrijgt het Depositogarantiefonds een vordering op de entiteit in afwikkeling ter grootte van het beschikbaar gestelde bedrag.
§ 3.5.6.2. Financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat
Artikel 3:266
De paragrafen 3.5.6.1 tot en met 3.5.6.1B zijn van overeenkomstige toepassing op:
- a. beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat die beleggingsdiensten verlenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge het tweede lid hebben gekozen voor een aanvullende deelname aan het beleggerscompensatiestelsel;
- b. banken met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge het derde lid hebben gekozen voor een aanvullende deelname aan het depositogarantiestelsel; en
- c. banken en financiële instellingen met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge het vierde lid hebben gekozen voor een aanvullende deelname aan het beleggerscompensatiestelsel.
Een beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat die beleggingsdiensten verleent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor kan, indien de dekking van een in die lidstaat toepasselijk stelsel van beleggerscompensatie beperkter is dan de dekking van het beleggerscompensatiestelsel, kiezen voor deelname aan het beleggerscompensatiestelsel, ter aanvulling van de dekking van het stelsel in de lidstaat van de zetel.
Een bank met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor kan, indien de dekking van een in die lidstaat toepasselijk stelsel van depositogarantie beperkter is dan de dekking van het depositogarantiestelsel, kiezen voor deelname aan het depositogarantiestelsel, ter aanvulling van de dekking van het stelsel in de lidstaat van de zetel.
Een bank of een financiële instelling met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan het ingevolge artikel 2:15, onderscheidenlijk artikel 2:112, is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen, kan indien de dekking van een in die lidstaat toepasselijk stelsel van beleggerscompensatie beperkter is dan de dekking van het beleggerscompensatiestelsel, kiezen voor deelname aan het beleggerscompensatiestelsel, ter aanvulling van de dekking van het stelsel in de lidstaat waar de zetel zich bevindt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende de deelname aan een vangnetregeling door een bank of beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat die een in Nederland gelegen bijkantoor heeft.
§ 3.5.6.3. Financiële ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:267
De Nederlandsche Bank kan al dan niet op aanvraag besluiten dat het ingevolge de
paragrafen 3.5.6.1 tot en met 3.5.6.1B bepaalde betreffende het beleggerscompensatiestelsel van overeenkomstige toepassing is op een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend, of op een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan het ingevolge artikel 2:22 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen en, indien op de vorderingen van beleggers op die beleggingsondernemingen in verband met beleggingsverrichtingen geen stelsel van beleggerscompensatie van toepassing is waarvan de dekking gelijkwaardig is aan de dekking bedoeld in artikel 11, eerste lid, van richtlijn nr. 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEG L 84).
De Nederlandsche Bank kan al dan niet op aanvraag besluiten dat het ingevolge de paragrafen 3.5.6.1 en 3.5.6.1A bepaalde betreffende het depositogarantiestelsel van overeenkomstige toepassing is op banken met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, indien op de vorderingen van crediteuren op die banken geen stelsel van depositogarantie van toepassing is, waarvan de bescherming, ten minste wat betreft dekkingsniveau en beschermingsomvang, gelijkwaardig is aan de bescherming zoals voorgeschreven door de richtlijn depositogarantiestelsels.
Een bank of beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent onderscheidenlijk beleggingsdiensten verleent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor stelt informatie ter beschikking over de toepasselijke vangnetregeling.
De informatie, bedoeld in het derde lid, wordt in de Nederlandse taal of in de taal die door de depositohouder en de bank zijn overeengekomen bij het aangaan van de overeenkomst ter beschikking gesteld en moet zodanig zijn dat al dan niet potentiële beleggers en crediteuren in staat worden gesteld om na te gaan of een vordering valt onder de dekking van de vangnetregeling dan wel onder een vergelijkbare buitenlandse regeling.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het derde en het vierde lid.
Afdeling 3.5.6a. Beleggingsbeginselen en beleggingsbeleid van afwikkelondernemingen
§ 3.5.6a.1. Afwikkelondernemingen met zetel in Nederland
Artikel 3:267.0a
Een afwikkelonderneming met zetel in Nederland houdt haar activa en die van haar deelnemers aan op basis van een prudent beleggingsbeleid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
§ 3.5.6a.2. Afwikkelondernemingen met zetel in een niet-aangewezen staat
Artikel 3:267.0b
Artikel 3:267.0a is van overeenkomstige toepassing op afwikkelondernemingen met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor dan wel door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.
Afdeling 3.5.7. Beleggingsbeginselen en beleggingsbeleid van premiepensioeninstellingen
Artikel 3:267a
Een premiepensioeninstelling met zetel in Nederland stelt voor elke door haar uit te voeren pensioenregeling een verklaring inzake de beleggingsbeginselen op en actualiseert deze ten minste eens in de drie jaar. Deze verklaring omvat ten minste:
- a. de toegepaste wegingmethoden voor beleggingsrisico’s;
- b. de risicobeheerprocedures en de strategische allocatie van activa in het licht van de aard en de looptijd van de pensioenregelingen;
- c. een toelichting op overwegingen aangaande het milieu, maatschappelijk verantwoord ondernemen en behoorlijk bestuur.
De premiepensioeninstelling herziet de verklaring telkens onverwijld na een belangrijke wijziging van de beleggingsbeginselen.
De premiepensioeninstelling stelt de Nederlandsche Bank en de toezichthoudende instanties van de lidstaten waar zij vanuit een bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten haar bedrijf uitoefent, in kennis van de verklaring en van iedere wijziging daarvan.
Artikel 3:267b
Een premiepensioeninstelling voert een beleggingsbeleid dat in overeenstemming is met de prudent-person regel en met name gebaseerd is op de uitgangspunten die zijn vastgelegd in het tweede, derde en vierde lid.
Een premiepensioeninstelling met zetel in Nederland belegt haar activa uitsluitend in het belang van de pensioendeelnemers en de pensioengerechtigden, op zodanige wijze dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de beleggingen als geheel worden gewaarborgd.
Een premiepensioeninstelling belegt haar activa hoofdzakelijk in financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit of een daarmee vergelijkbaar systeem in een staat die geen lidstaat is.
Een premiepensioeninstelling gaat geen leningen aan als debiteur, met uitzondering van leningen voor liquiditeitsdoelstellingen, en staat niet voor derde partijen garant.
Het eerste, tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing bij uitvoering van een pensioenregeling die beheerst wordt door de sociale- en arbeidswetgeving van een staat die geen lidstaat is. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het beleggingsbeleid in deze situatie.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste, tweede, derde en vierde lid.
Artikel 3:267c
Indien een premiepensioeninstelling met zetel in Nederland niet voldoet aan het ingevolge de artikelen 3:53, eerste, tweede en zesde lid, 3:57, eerste, tweede en zevende lid, of 3:267b bepaalde, kan de Nederlandsche Bank de vrije beschikking over de activa door de premiepensioeninstelling beperken of haar verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank daarover te beschikken.
Alvorens een besluit als bedoeld in het eerste lid te nemen, stelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar de premiepensioeninstelling een bijkantoor heeft of waarnaar zij diensten verricht, in kennis van haar voornemen.
De Nederlandsche Bank kan, indien zij een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen, de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar de premiepensioeninstelling een bijkantoor heeft of waarnaar zij diensten verricht, verzoeken overeenkomstige maatregelen te treffen ten aanzien van de in de betrokken lidstaten aanwezige waarden, onder opgave van die waarden.
De premiepensioeninstelling kan de ongeldigheid van een rechtshandeling, verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de wederpartij de maatregel kende of behoorde te kennen.
De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de premiepensioeninstelling weer voldoet aan het bepaalde ingevolge de in het eerste lid bedoelde artikelen.
De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instanties, bedoeld in het tweede lid, in kennis van een besluit als bedoeld in het eerste of vijfde lid.
Afdeling 3.5.8. Rechten wederpartij na een gebeurtenis met betrekking tot een verzekeraar
Artikel 3:267d
Vervallen
Artikel 3:267e
Vervallen
Artikel 3:267f
Vervallen
Artikel 3:267g
Vervallen
Afdeling 3.5.9. Beleggingsbeginselen en beleggingsbeleid van entiteiten voor risico-acceptatie en verzekeraars
Artikel 3:267d
Een entiteit voor risico-acceptatie of verzekeraar met zetel in Nederland voert een beleggingsbeleid dat in overeenstemming is met de prudent-person regel.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een entiteit voor risico-acceptatie of verzekeraar voor zover die vanuit een bijkantoor in Nederland haar onderscheidenlijk zijn bedrijf uitoefent.
Artikel 3:267e
Een verzekeraar met zetel in Nederland die voornemens is een herverzekering te sluiten met een andere verzekeraar of die te wijzigen, en de betreffende herverzekering voorziet erin dat die andere verzekeraar op enig moment activa kan aanhouden in een staat die geen lidstaat is, gaat daartoe slechts over nadat de Nederlandsche Bank met dat voornemen heeft ingestemd.
DNB stemt in met het voornemen tenzij de toepassing van de prudent-person regel als bedoeld in artikel 3:267d, eerste lid, niet is gewaarborgd.
Het verzoek om instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank kan beperkingen stellen dan wel voorschriften verbinden aan de instemming, bedoeld in het eerste lid, met het oog op de toepassing van de prudent-person regel, bedoeld in artikel 3:267d, eerste lid.
Afdeling 3.5.10. Verwijzingsportaal bankgegevens
Artikel 3:267i
Banken en andere betaaldienstverleners die rekeningen aanbieden met een IBAN identificatienummer als bedoeld in de SEPA-verordening dat de landcode NL bevat, en banken die in Nederland kluizen aanbieden, zijn ter voldoening van vorderingen en verzoeken van aangewezen instanties en functionarissen, aangesloten op een door Onze Minister van Justitie en Veiligheid beheerd centraal elektronisch systeem voor het geautomatiseerd ontsluiten van identificerende gegevens betreffende hun cliënten alsmede gegevens over de uiteindelijk belanghebbende en gegevens over de openings- en sluitingsdatum van bedoelde rekeningen of kluizen.
In dit artikel en de daarop gebaseerde bepalingen wordt onder cliënten verstaan: personen die financiële producten of kluizen afnemen van de banken en betaaldienstverleners, bedoeld in het eerste lid, en personen die namens hen zeggenschap kunnen uitoefenen over deze financiële producten of kluizen.
Banken en andere betaaldienstverleners verstrekken gegevens door middel van het centraal elektronisch systeem, bedoeld in het eerste lid, ter voldoening aan vorderingen of verzoeken om identificerende gegevens en gegevens over de uiteindelijk belanghebbende en de openings- en sluitingsdatum van een rekening of kluis als bedoeld in het eerste lid, bij of krachtens:
- a. de artikelen 126a, 126nc, 126nd, 126uc, 126ud, 126zk, 126zl, 126hh, 126ii, 6:4:12 of 6:4:14 van het Wetboek van Strafvordering;
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het beheer van het centraal elektronisch systeem, de instanties en functionarissen die het systeem gebruiken, de gegevens die door middel van het systeem worden ontsloten en de technische eisen waaraan het systeem en de aansluiting daarop moeten voldoen. Ook kunnen bij of krachtens die maatregel van bestuur regels worden gesteld over de wijze waarop vorderingen of verzoeken als bedoeld in het eerste lid worden gedaan en de wijze waarop de gevorderde of verzochte gegevens worden aangeboden.
Voor het opvragen van gegevens uit de eigen administratie ten behoeve van de verstrekking van gegevens als bedoeld in het eerste lid maken banken en andere betaaldienstverleners gebruik van het burgerservicenummer voor zover zij daarover beschikken.
Afdeling 3.5.11. Chartale basisinfrastructuur
Artikel 3:267ja
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de beschikbaarheid en toegankelijkheid van contant geld voor bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen kwetsbare groepen wordt gewaarborgd.
Artikel 3:267k
Een bank met meer dan drie miljoen in Nederland woonachtige of gevestigde betaalrekeninghouders, zorgt voor de instandhouding van een chartale basisinfrastructuur die aan de bij of krachtens dit artikel gestelde eisen voldoet. De bank werkt daartoe samen met andere banken waarop deze verplichting rust.
De chartale basisinfrastructuur bestaat uit landelijk dekkende en adequate voorzieningen voor het opnemen en storten van eurobankbiljetten en euromunten. Voor die landelijke dekking geldt als maatstaf dat voor iedere in Nederland woonachtige of gevestigde betaalrekeninghouder een voorziening voor het opnemen van eurobankbiljetten binnen een straal van vijf kilometer beschikbaar is. Voor uitzonderlijke gevallen kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van de in de vorige zin bedoelde afstand.
De chartale basisinfrastructuur is toegankelijk voor andere banken tegen eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden en tarieven.
Een bank als bedoeld in het eerste lid of in artikel 3:267l, tweede of derde lid, zorgt ervoor dat aan haar in Nederland woonachtige of gevestigde betaalrekeninghouders geen tarieven voor het gebruik van de chartale basisinfrastructuur in rekening worden gebracht die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen grenzen overschrijden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de voorzieningen waaruit de chartale basisinfrastructuur bestaat en de daaraan te stellen eisen.
De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 3:267l
Een bank waarop artikel 3:267k, eerste lid, van toepassing is, stelt haar in Nederland woonachtige of gevestigde betaalrekeninghouders in staat om gebruik te maken van de chartale basisinfrastructuur.
Een bank met meer dan vijfhonderdduizend in Nederland woonachtige of gevestigde betaalrekeninghouders en een balanstotaal van ten minste 50 miljard euro stelt deze betaalrekeninghouders in staat om gebruik te maken van de voorzieningen van de chartale basisinfrastructuur voor het onverpakt storten van eurobankbiljetten. Een bank die de in de vorige zin bedoelde grens overschrijdt, voldoet binnen twee jaar aan dit lid.
Een bank met meer dan vijftigduizend in Nederland woonachtige of gevestigde betaalrekeninghouders stelt deze betaalrekeninghouders in staat om gebruik te maken van de voorzieningen van de chartale basisinfrastructuur voor het opnemen van eurobankbiljetten.
Het eerste tot en met derde lid laten onverlet dat een bank, ter voldoening aan de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, cliëntspecifieke maatregelen kan nemen om de risico’s van contant geld te mitigeren.
Artikel 3:267m
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de tarieven die een bank aan haar in Nederland woonachtige of gevestigde betaalrekeninghouders in rekening brengt voor het gebruik van de chartale basisinfrastructuur. Bij het vaststellen van die tarieven wordt in ieder geval rekening gehouden met het publieke belang van contant geld. Die tarieven kunnen op nul worden vastgesteld.
In afwijking van het eerste lid brengt een bank geen kosten in rekening voor het opnemen van eurobankbiljetten onderscheidenlijk het onverpakt storten van eurobankbiljetten en euromunten voor:
- a. particuliere betaalrekeninghouders;
- b. kerkgenootschappen als bedoeld in artikel 2, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek, en
- c. stichtingen en verenigingen die een algemeen nut beogende instelling als bedoeld in artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de voorwaarden die een bank aan haar in Nederland woonachtige of gevestigde betaalrekeninghouders kan stellen voor het gebruik van de chartale basisinfrastructuur.
De ingevolge dit artikel gestelde regels zijn niet van toepassing op een bank met minder dan vijftigduizend in Nederland woonachtige of gevestigde betaalrekeninghouders.
De voordracht voor een krachtens dit artikel vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 3:267n
Een bank geeft jaarlijks voor 1 maart kennis aan de Nederlandsche Bank van het aantal in Nederland woonachtige of gevestigde betaalrekeninghouders dat zij aan het slot van het voorafgaande kalenderjaar had, als dit aantal hoger is dan veertigduizend.
Artikel 3:267o
Een bank verstrekt periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen informatie aan de Nederlandsche Bank die deze nodig heeft voor het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde.
Informatie die betrekking heeft op de samenwerking, bedoeld in artikel 3:267k, eerste lid, kan namens meerdere banken tegelijk worden verstrekt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud, de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de verstrekking.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)