Wet van 28 september 2006, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht)

Type Wet
Publication 2026-08-15
Laatst bijgewerkt 2026-08-31
State In force
Source BWB
artikelen 1863
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

Een vermogensbeheerder informeert de institutionele belegger waarmee hij een overeenkomst inzake het beheer van vermogen is aangegaan ten minste eenmaal per boekjaar op welke wijze zijn beleggingsstrategie of de uitvoering daarvan in overeenstemming is met de overeenkomst en op welke wijze deze overeenkomst bijdraagt aan de middellange- tot langetermijnprestaties van de portefeuille van de institutionele belegger.

2.

De informatie, bedoeld in het eerste lid, omvat een rapportage over:

  • a. de belangrijkste materiële middellange- tot langetermijnrisico’s die aan de beleggingen zijn verbonden;
  • b. de samenstelling, omloopsnelheid en kosten van de portefeuille;
  • c. het gebruik van stemadviseurs als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van de richtlijn aandeelhoudersrechten voor betrokkenheidsactiviteiten;
  • d. het beleid van de vermogensbeheerder inzake het sluiten van overeenkomsten waarin een tijdelijke en betaalde overdracht van deze stemmen is geregeld en op welke wijze dat in voorkomend geval wordt toegepast ten behoeve van zijn betrokkenheidsactiviteiten, met name tijdens de algemene vergadering van de vennootschappen waarin is belegd; en
  • e. of en zo ja, de wijze waarop de vermogensbeheerder beleggingsbesluiten neemt op basis van een beoordeling van de middellange- tot langetermijnprestaties, waaronder de niet-financiële prestaties van de vennootschap waarin is belegd, welke belangenconflicten in verband met betrokkenheidsactiviteiten zijn ontstaan en op welke wijze de vermogensbeheerder daarmee is omgegaan.
3.

Indien de informatie, bedoeld in het eerste lid, algemeen verkrijgbaar is gesteld, is het eerste lid niet van toepassing.

4.

Een beheerder van een beleggingsinstelling of icbe verstrekt de informatie, bedoeld in het eerste lid, ten minste op verzoek aan de deelnemers van de door hem beheerde beleggingsinstelling of icbe.

Artikel 5:87f
1.

Een stemadviseur op wie een gedragscode van toepassing is, maakt een verwijzing naar de gedragscode openbaar en doet mededeling over de naleving van die gedragscode. Een stemadviseur die de gedragscode in het laatst afgesloten boekjaar niet of niet geheel heeft nageleefd of niet voornemens is deze in het lopende en daarop volgende boekjaar geheel na te naleven danwel op wie geen gedragscode van toepassing is, doet daarvan gemotiveerd opgave.

2.

Een stemadviseur maakt de mededeling en opgave, bedoeld in het eerste lid, openbaar op zijn website en actualiseert deze ten minste eenmaal per boekjaar.

3.

Een stemadviseur maakt ten minste de volgende informatie over de totstandkoming van zijn onderzoek, advies en stemadviezen ten minste eenmaal per boekjaar openbaar op zijn website:

  • a. de hoofdkenmerken van de gebruikte methoden en modellen;
  • b. de belangrijkste informatiebronnen;
  • c. de vastgestelde procedures om de kwaliteit van het onderzoek, het advies, de stemadviezen en de kwalificaties van de betrokken personeelsleden te garanderen;
  • d. of en zo ja, op welke wijze de stemadviseur met nationale marktomstandigheden, nationale wet- en regelgeving en voor de vennootschap kenmerkende omstandigheden rekening houdt;
  • e. de hoofdkenmerken van het stembeleid dat de stemadviseur voor iedere markt toepast;
  • f. of en zo ja, de omvang en aard van de dialoog van de stemadviseur met de vennootschap waarop zijn onderzoek, advies of stemadviezen betrekking hebben en met de belanghebbenden van de vennootschap, en
  • g. het beleid ter voorkoming en beheersing van mogelijke belangenconflicten.
4.

De stemadviseur houdt de informatie, bedoeld in het derde lid, gedurende ten minste 3 jaar vanaf openbaarmaking beschikbaar voor het publiek.

5.

Indien de stemadviseur de informatie, bedoeld in het derde lid, samen met de informatie, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig het tweede lid openbaar heeft gemaakt, is openbaarmaking overeenkomstig het derde lid niet van toepassing.

6.

Een stemadviseur stelt belangenconflicten of zakelijke relaties die de totstandkoming van zijn onderzoek, advies of stemadviezen kunnen beïnvloeden, onverwijld vast en maakt deze onverwijld bekend aan zijn cliënten onder vermelding van de maatregelen die zijn genomen om de vastgestelde belangenconflicten te voorkomen en te beheersen.

Hoofdstuk 5.7. Regels voor de toegang tot betalingssystemen

Artikel 5:88
1.

Onverminderd het bepaalde in Hoofdstuk 3 en 4 van de Mededingingswet, wordt de toegang van betaaldienstverleners tot een betalingssysteem niet afhankelijk gesteld van andere regels dan regels die objectief, niet-discriminerend en evenredig zijn en noodzakelijk zijn voor de bescherming van het betalingssysteem tegen specifieke risico’s en voor de bescherming van de financiële en operationele stabiliteit van het betalingssysteem.

2.

Een aanbieder van een betalingssysteem stelt het gebruik van het systeem door betaaldienstverleners, betaaldienstgebruikers en andere aanbieders van betalingssystemen in ieder geval niet afhankelijk van:

  • a. voorwaarden die de effectieve deelname aan een ander betalingssysteem belemmeren;
  • b. voorwaarden die, wat de rechten, plichten en aanspraken van een deelnemer aan het betalingssysteem betreft, een ongelijke behandeling inhouden van betaaldienstverleners met een vergunning op grond van artikel 2:3b, eerste lid, en betaaldienstverleners waarop een vrijstelling als bedoeld in artikel 2:3d van toepassing is; of
  • c. enigerlei beperking op grond van de institutionele status.
3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op betalingssystemen waaraan slechts betaaldienstverleners deelnemen die deel uitmaken van een richtlijngroep.

4.

Een aan een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet deelnemende betaaldienstverlener die toestaat dat een vergunninghoudende betaaldienstverlener via het systeem overboekingsopdrachten doorgeeft, biedt deze mogelijkheid desgevraagd overeenkomstig het eerste lid op objectieve, evenredige en onder niet-discriminerende voorwaarden aan andere vergunninghoudende of geregistreerde betaaldienstverleners.

5.

In geval van een weigering verstrekt de aan een betalingssysteem deelnemende betaaldienstverlener de verzoekende betaaldienstverlener een opgave van de redenen voor de weigering. De deelnemende betaaldienstverlener verstrekt een afschrift van deze opgave aan de Autoriteit Consument en Markt.

Artikel 5:88a
1.

Onverminderd het bepaalde in hoofdstukken 3 en 4 van de Mededingingswet, zijn de voorwaarden die door banken worden verbonden aan de toegang van betaalinstellingen tot betaalrekeningsdiensten objectief, niet-discriminerend en evenredig. Deze toegang is voldoende om betaalinstellingen in staat te stellen op onbelemmerde en efficiënte wijze betaaldiensten aan te bieden.

2.

Een weigering van toegang wordt door de bank onder volledige opgave van redenen gemeld bij de Autoriteit Consument en Markt.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toegang van:

  • b. betaaldienstverleners met zetel in een andere lidstaat waaraan een vergunning is verleend voor het verlenen van betaaldiensten.

Hoofdstuk 5.8. Toezicht op ratingbureaus

Artikel 5:89
1.

Onze Minister wijst de toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de verordening ratingbureaus.

2.

Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, zijn met het toezicht op de naleving van de verordening ratingbureaus belast de bij besluit van de toezichthouder aangewezen personen.

3.

De artikelen 1:72, tweede lid, 1:73, 1:74 en artikel 1:75, eerste en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5.9. Positielimieten en positiebeheerscontroles voor grondstoffenderivaten

Afdeling 5.9.1. Positielimieten

Artikel 5:89.0a

In deze afdeling wordt onder cruciaal of significant grondstoffenderivaat verstaan: een grondstoffenderivaat waarvan de som van alle nettoposities van eindpositiehouders de omvang van hun positie in openstaande contracten vertegenwoordigt en gemiddeld ten minste 300.000 eenheden in één jaar bedraagt.

Artikel 5:89a
1.

De Autoriteit Financiële Markten stelt overeenkomstig de berekeningsmethode, bedoeld in artikel 57, derde lid, aanhef, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 positielimieten vast ten aanzien van de omvang van een nettopositie die een persoon op enig moment kan aanhouden in landbouwgrondstoffenderivaten en cruciale of significante grondstoffenderivaten, die worden verhandeld op een in Nederland beheerd of geëxploiteerd handelsplatform alsmede voor in economische zin gelijkwaardige otc-contracten en past deze positielimieten toe teneinde marktmisbruik te voorkomen en ordelijke koersvormingsvoorwaarden en afwikkelingsvoorwaarden te bevorderen. De Autoriteit Financiële Markten publiceert de positielimieten op haar website.

2.

Een door de Autoriteit Financiële Markten vastgestelde positielimiet voorziet in een duidelijke kwantitatieve drempel voor de maximumomvang van de positie in een grondstoffenderivaat die een persoon kan aanhouden en voldoet aan de in artikel 57, negende lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 gestelde eisen.

3.

De Autoriteit Financiële Markten wijzigt een door haar vastgestelde positielimiet in geval van een aanzienlijke verandering op de markt en stelt de positielimiet opnieuw vast overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde berekeningsmethode.

4.

De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag beslissen dat een door haar vastgestelde positielimiet niet geldt voor:

  • a. posities die worden aangehouden door of voor rekening van een niet-financiële entiteit en waarvan objectief kan worden vastgesteld dat die posities de risico’s verminderen die rechtstreeks verband houden met de commerciële activiteit van die niet-financiële entiteit;
  • b. posities die worden aangehouden door of voor rekening van een financiële entiteit die behoort tot een overwegend commerciële groep als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 65, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 en die optreedt namens een niet-financiële entiteit van de overwegend commerciële groep, indien objectief kan worden vastgesteld dat die posities risico’s verminderen die rechtstreeks verband houden met de commerciële activiteit van die niet-financiële entiteit;
  • c. posities die worden aangehouden door financiële tegenpartijen en niet-financiële tegenpartijen voor posities waarvan objectief kan worden aangetoond dat zij voortvloeien uit transacties die zijn aangegaan om te voldoen aan de verplichting een handelsplatform van liquiditeit te voorzien als bedoeld in artikel 2, vierde lid, vierde alinea, onderdeel c, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014;
  • d. alle andere waardepapieren in de zin van artikel 4, eerste lid 1, punt 44, onderdeel c, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, die betrekking hebben op een grondstof of een onderliggende waarde als bedoeld in bijlage I, deel C, punt 10, bij die richtlijn.
Artikel 5:89b
1.

Het is een persoon niet toegestaan op enig moment een nettopositie in een financieel instrument als bedoeld in artikel 5:89a, eerste lid, aan te houden, die de overeenkomstig dat artikel voor het desbetreffende financieel instrument vastgestelde positielimiet, overschrijdt.

2.

De nettopositie, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op basis van alle posities in een financieel instrument als bedoeld in artikel 5:89a, eerste lid, die een persoon aanhoudt en de posities in een dergelijk financieel instrument die voor zijn rekening worden aangehouden op geaggregeerd groepsniveau.

Artikel 5:89c
1.

Indien een landbouwgrondstoffenderivaat of een cruciaal of significant grondstoffenderivaat dat gebaseerd is op dezelfde onderliggende waarde en dezelfde kenmerken heeft in aanzienlijke hoeveelheden wordt verhandeld op handelsplatformen in meer dan een rechtsgebied, stelt de Autoriteit Financiële Markten een unieke positielimiet vast, indien het handelsplatform met het grootste handelsvolume in dat landbouwgrondstoffenderivaat of cruciaal of significant grondstoffenderivaat in Nederland is gelegen of wordt beheerd.

2.

De unieke positielimiet, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast op alle handel in het landbouwgrondstoffenderivaat of cruciaal of significant grondstoffenderivaat waarvoor de unieke positielimiet is vastgesteld.

Artikel 5:89d
1.

De Autoriteit Financiële Markten kan in geval van bijzondere omstandigheden positielimieten vaststellen die restrictiever zijn dan de positielimieten die met toepassing van de berekeningsmethode, bedoeld in artikel 57, derde lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 kunnen worden vastgesteld. De Autoriteit Financiële Markten maakt van deze bevoegdheid slechts gebruik, indien dit gelet op de liquiditeit en de ordelijke werking van de desbetreffende markt objectief gerechtvaardigd en evenredig is.

2.

Indien de Autoriteit Financiële Markten voornemens is een restrictieve positielimiet als bedoeld in het eerste lid vast te stellen, meldt zij dit voornemen op haar website onder vermelding van de bijzonderheden van die restrictieve positielimiet.

3.

Een met toepassing van het eerste lid vastgestelde restrictieve positielimiet geldt voor de duur van ten hoogste zes maanden gerekend vanaf het tijdstip van publicatie van de restrictieve positielimiet. De Autoriteit Financiële Markten kan deze periode telkens verlengen met ten hoogste zes maanden, indien de redenen voor de restrictie van toepassing blijven.

4.

Indien de Autoriteit Financiële Markten voornemens is een restrictieve positielimiet als bedoeld in het eerste lid vast te stellen, meldt zij dit voornemen met redenen omkleed aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten, met het verzoek daarover te adviseren.

5.

Indien de Autoriteit Financiële Markten na een negatief advies van de Europese Autoriteit voor effecten en markten over de toepassing van het eerste lid een restrictieve positielimiet vaststelt, meldt zij dit onverwijld en met redenen omkleed op haar website.

Afdeling 5.9.2. Positiebeheerscontroles

Artikel 5:89e
1.

Een beleggingsonderneming of marktexploitant die een in Nederland gelegen handelsplatform exploiteert of beheert waarop wordt gehandeld in grondstoffenderivaten past positiebeheerscontroles als bedoeld in artikel 57, achtste lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 toe. De beleggingsonderneming of marktexploitant stelt de Autoriteit Financiële Markten op de hoogte van de kenmerken van de positiebeheerscontroles.

2.

Een positiebeheerscontrole voldoet aan de in artikel 57, negende lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 gestelde regels.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de bevoegdheden van de beleggingsonderneming of marktexploitant, bedoeld in het eerste lid.

Afdeling 5.9.3. Rapportages

Artikel 5:89f
1.

Een beleggingsonderneming of marktexploitant die een in Nederland gelegen handelsplatform exploiteert of beheert waarop wordt gehandeld in grondstoffenderivaten, emissierechten of van emissierechten afgeleide instrumenten, publiceert wekelijks een rapport van de geaggregeerde posities van de personen die in deze financiële instrumenten op het handelsplatform handelen, indien zowel het aantal personen dat posities in een bepaald financieel instrument aanhoudt als de totale omvang van hun openstaande posities in deze financiële instrumenten de beide ingevolge artikel 58, zesde lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 vastgestelde drempelwaarden overschrijdt.

2.

De beleggingsonderneming of marktexploitant zendt een afschrift van het rapport, bedoeld in het eerste lid, aan de Autoriteit Financiële Markten en de Europese Autoriteit voor effecten en markten.

3.

De Autoriteit Financiële Markten kan de beleggingsonderneming of marktexploitant, bedoeld in het eerste lid, verplichten ten minste een keer per dag een volledige uitsplitsing te verstrekken van de handelsposities in grondstoffenderivaten, emissierechten of van emissierechten afgeleide instrumenten van de personen die op het handelsplatform handelen in deze financiële instrumenten.

4.

Bij de toepassing van het eerste lid neemt de beleggingsonderneming of marktexploitant de ingevolge artikel 58, vijfde en zevende lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 gestelde regels in acht en bij de toepassing van het derde lid neemt de beleggingsonderneming of marktexploitant de ingevolge artikel 58, vijfde lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 gestelde regels in acht.

5.

Dit artikel is niet van toepassing op effecten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 die betrekking hebben op een grondstof of onderliggende waarde als bedoeld in bijlage I, deel C, punt 10, bij die richtlijn.

Artikel 5:89g
1.

Een beleggingsonderneming die buiten een handelsplatform handelt in grondstoffenderivaten, emissierechten of van emissierechten afgeleide instrumenten, verstrekt ten minste een keer per dag een volledige uitsplitsing van haar positie in economische zin gelijkwaardige otc-contracten en, in voorkomend geval, in grondstoffenderivaten, emissierechten of van emissierechten afgeleide instrumenten die op een handelsplatform worden verhandeld alsmede van de posities in die financiële instrumenten van haar cliënten, de cliënten van die cliënten tot aan de eindcliënten aan de centrale bevoegde autoriteit, of indien er geen zodanige centrale bevoegde autoriteit is, aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waarin het hiervoor bedoelde handelsplatform is gelegen.

2.

De uitsplitsing, bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in overeenstemming met artikel 26 van verordening markten voor financiële instrumenten en, indien van toepassing, artikel 8 van verordening (EU) nr. 1227/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie (PbEU 2011, L 326).

3.

Bij de toepassing van het eerste en tweede lid neemt de beleggingsonderneming de ingevolge artikel 58, vijfde lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 gestelde regels in acht.

Artikel 5:89ga

Het rapport, bedoeld in artikel 5:89f, eerste lid, en de uitsplitsingen, bedoeld in de artikelen 5:89f, derde lid, en 5:89g, eerste lid, voldoen aan de in artikel 58, vierde lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 gestelde regels.

Artikel 5:89h

Een deelnemer of lid van een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit en een cliënt van een georganiseerde handelsfaciliteit rapporteert dagelijks aan de beleggingsonderneming of de marktexploitant die het handelsplatform exploiteert waarop hij in grondstoffen handelt de bijzonderheden van de posities die hij aanhoudt in op dat handelsplatform verhandelde grondstoffenderivaten alsmede van de posities in die financiële instrumenten van zijn cliënten, de cliënten van die cliënten tot aan de eindcliënt.

Afdeling 5.9.4. Aanvullende toezichtbevoegdheden

Artikel 5:89i
1.

De Autoriteit Financiële Markten kan een persoon door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om met betrekking tot een grondstoffenderivaat waarop een positielimiet als bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 van toepassing is geen nieuwe overeenkomsten af te sluiten dan wel binnen een door de Autoriteit Financiële Markten gestelde redelijke termijn de omvang van de positie in het grondstoffenderivaat af te bouwen, indien de positielimiet overschreden dreigt te worden.

2.

De Autoriteit Financiële Markten kan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid eveneens geven, indien zij door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat in kennis wordt gesteld van een besluit dat een persoon geen nieuwe overeenkomsten mag afsluiten met betrekking tot een bepaald grondstoffenderivaat dan wel de desbetreffende persoon de omvang van een door hem aangehouden positie in een grondstoffenderivaat dient af te bouwen.

3.

De Autoriteit Financiële Markten stelt de toezichthoudende instanties van de overige lidstaten en de Europese Autoriteit voor effecten en markten in kennis van een besluit tot het geven van een aanwijzing als bedoeld in het eerste of tweede lid uiterlijk 24 uur voordat het besluit wordt genomen.

4.

De Autoriteit Financiële Markten kan vanwege vereiste spoed afwijken van de termijn van 24 uur, bedoeld in het derde lid.

5.

Indien een besluit tot het geven van een aanwijzing als bedoeld in het eerste of tweede lid betrekking heeft op voor de groothandel bestemde energieproducten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 58, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, stelt de Autoriteit Financiële Markten het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Verordening (EU) 2019/942 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (PbEU 2019, L 158), daarvan in kennis.

6. Deel bijzondere maatregelen betreffende de stabiliteit van het financiële stelsel

Hoofdstuk 6.1. Algemeen

Artikel 6:1
1.

Onze Minister kan, indien hij van oordeel is dat de stabiliteit van het financiële stelsel ernstig en onmiddellijk in gevaar komt door de situatie waarin een financiële onderneming met zetel in Nederland zich bevindt, met het oog op de stabiliteit van dat stelsel onmiddellijke voorzieningen treffen ten aanzien van de betrokken onderneming, zo nodig in afwijking van wettelijke voorschriften of statutaire bepalingen, met uitzondering van de bij of krachtens dit deel gestelde regels.

2.

Onze Minister raadpleegt de Nederlandsche Bank alvorens een voorziening als bedoeld in het eerste lid te treffen. Het besluit wordt genomen in overeenstemming met Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken.

3.

Onze Minister regelt zo nodig de gevolgen van de door hem getroffen voorzieningen en bepaalt de termijn van die voorzieningen. Onze Minister kan deze termijn bij afzonderlijk besluit verlengen.

4.

Een krachtens het eerste lid getroffen voorziening kan, onverminderd het in artikel 2 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de Wet op het financieel toezicht bepaalde, noch door de betrokken onderneming, noch door derden ongedaan worden gemaakt. Een besluit daartoe is nietig.

Artikel 6:2
1.

Onze Minister kan, indien hij van oordeel is dat de stabiliteit van het financiële stelsel ernstig en onmiddellijk in gevaar komt door de situatie waarin een financiële onderneming met zetel in Nederland zich bevindt, met het oog op de stabiliteit van dat stelsel besluiten tot onteigening van vermogensbestanddelen van de betrokken onderneming, van door of met medewerking van die onderneming uitgegeven effecten of van vorderingen op die onderneming, zo nodig in afwijking van wettelijke voorschriften of statutaire bepalingen, met uitzondering van de bij of krachtens dit deel gestelde regels.

2.

Onze Minister raadpleegt de Nederlandsche Bank alvorens een besluit tot onteigening te nemen. Het besluit wordt genomen in overeenstemming met Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken.

3.

Een besluit tot onteigening vermeldt het tijdstip waarop het in werking treedt. De te onteigenen vermogensbestanddelen, effecten of vorderingen gaan over op het tijdstip van inwerkingtreding van dat besluit. Van het besluit wordt, onverminderd artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

4.

In het besluit tot onteigening kan worden bepaald dat de te onteigenen vermogensbestanddelen, effecten of vorderingen worden onteigend ten name van een in dat besluit aangewezen privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid.

5.

Onze Minister regelt de gevolgen van de onteigening.

6.

Een krachtens het eerste lid onteigend vermogensbestanddeel of effect of onteigende vordering gaat onbezwaard over op de Staat der Nederlanden of de krachtens het vierde lid aangewezen rechtspersoon. Onteigening krachtens het eerste lid van door of met medewerking van de betrokken onderneming uitgegeven effecten doet de rechten op nieuw uit te geven effecten van die klasse vervallen.

7.

Onverminderd artikel 6:5a, worden door een onteigening op grond van het eerste lid de bevoegdheden die voortvloeien uit een verrekenbeding in een overeenkomst met betrekking tot financiële instrumenten of een financiëlezekerheidsovereenkomst, en de rechten die krachtens een rechtsverhouding met een bank, beleggingsonderneming of een verzekeraar of een tot dezelfde groep behorende onderneming toekomen aan een centrale bank of, in verband met deelname aan een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet, aan een andere deelnemer die deelneemt aan het systeem, niet aangetast.

8.

Voor de toepassing van het zevende lid wordt onder verrekenbeding verstaan een beding op grond waarvan bij het voldoen aan tussen partijen overeengekomen voorwaarden:

  • a. de verplichtingen van partijen onmiddellijk opeisbaar worden, alsmede omgezet in een verplichting tot het betalen van een bedrag dat hun geschatte actuele waarde vertegenwoordigt, dan wel de verplichtingen vervallen en worden vervangen door een verplichting tot het betalen van het voornoemde bedrag; of
  • b. de verplichtingen van partijen worden verrekend en alleen het saldo is verschuldigd.
Artikel 6:3
1.

Onze Minister stelt, indien hij voornemens is een besluit als bedoeld in artikel 6:1 of 6:2 te nemen, de Autoriteit Financiële Markten van dat voornemen in kennis. Voorts stelt hij de Autoriteit Financiële Markten onmiddellijk in kennis van een op grond van artikel 6:1 of 6:2 genomen besluit.

2.

Indien de Autoriteit Financiële Markten kennisgeving ontvangt van een besluit tot onteigening van effecten die zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt, een in Nederland geëxploiteerde georganiseerde handelsfaciliteit of multilaterale handelsfaciliteit, verplicht zij door middel van een aanwijzing degene die het handelsplatform exploiteert of de in artikel 1:77d, eerste lid, bedoelde beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling om de handel in die effecten, alsmede de handel in daaraan gerelateerde financiële instrumenten, op te schorten of te onderbreken en de handel in onteigende effecten of in certificaten van onteigende aandelen tot een door de Autoriteit Financiële Markten nader te bepalen tijdstip niet meer te hervatten.

3.

Voor de toepassing van het tweede lid worden met effecten die zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt of een in Nederland geëxploiteerde multilaterale handelsfaciliteit gelijkgesteld effecten ten aanzien waarvan in Nederland systematische interne afhandeling plaatsvindt.

Artikel 6:4
1.

Een krachtens artikel 6:1 getroffen onmiddellijke voorziening kan mede tot de moedermaatschappij met zetel in Nederland van de betrokken financiële onderneming gericht zijn.

2.

Een krachtens artikel 6:2 genomen besluit kan, indien de betrokken financiële onderneming een moedermaatschappij met zetel in Nederland heeft, mede strekken tot onteigening van vermogensbestanddelen van de moedermaatschappij, van door of met medewerking van die maatschappij uitgegeven effecten of van vorderingen op die maatschappij.

Artikel 6:5

Onverminderd artikel 1:89, eerste lid, verstrekt de toezichthouder eigener beweging of desgevraagd vertrouwelijke gegevens of inlichtingen aan Onze Minister, indien dit met het oog op de toepassing van artikel 6:1 of 6:2 noodzakelijk is. Artikel 1:42, vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:5a

Artikel 1:76b is van overeenkomstige toepassing op de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 6:1 en 6:2, of een gebeurtenis die met de uitoefening van deze taken en bevoegdheden rechtstreeks verband houdt.

Hoofdstuk 6.2. Rechtsbescherming

Artikel 6:6
1.

In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen.

2.

In afwijking van artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde griffierecht dient plaats te vinden, twee weken. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan een kortere termijn stellen.

Artikel 6:7
1.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt de zaak met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Afdeling 8.2.4 van die wet blijft buiten toepassing.

2.

Aan Onze Minister wordt terstond een afschrift van het beroepschrift gezonden. Artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend.

3.

De Afdeling doet uitspraak uiterlijk op de veertiende dag nadat het beroepschrift is ontvangen. Indien met toepassing van artikel 8.14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht twee of meer zaken gevoegd worden behandeld, doet de Afdeling uitspraak uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het laatst ontvangen beroepschrift.

4.

De voorzitter van de Afdeling stelt partijen onverwijld in kennis van de uitspraak.

Hoofdstuk 6.3. Schadeloosstelling bij onteigening

Artikel 6:8
1.

De rechthebbende ten aanzien van een krachtens artikel 6:2 onteigend vermogensbestanddeel of effect of onteigende vordering of een ingevolge het zesde lid van dat artikel vervallen recht op nieuw uit te geven effecten heeft recht op schadeloosstelling. De schadeloosstelling vormt een volledige vergoeding voor de schade die hij rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn vermogensbestanddeel, effect of vordering of vervallen recht lijdt.

2.

Vergoed wordt de werkelijke waarde die het onteigende vermogensbestanddeel of effect of de onteigende vordering, onderscheidenlijk het vervallen recht, uitsluitend voor degene aan wie het toekomt, heeft. Indien het onteigende effect een niet volgestort aandeel is, wordt de werkelijke waarde daarvan vergoed naar rato van het gestorte bedrag.

3.

De op een onteigend vermogensbestanddeel of effect of onteigende vordering rustende rechten van pand of vruchtgebruik en de Onze Minister bekende beslagen gaan op het tijdstip van de onteigening over op het recht op schadeloosstelling. Aan een op een onteigend vermogensbestanddeel rustend recht van hypotheek komt de werking toe van een pandrecht op het recht op schadeloosstelling.

4.

Indien een aandeel wordt onteigend waarvoor met medewerking van de vennootschap een certificaat of een daarmee vergelijkbaar financieel instrument is uitgegeven, komt in afwijking van het eerste lid het recht op schadeloosstelling toe aan de houder van dat certificaat of dat financiële instrument en vervalt het certificaat, onderscheidenlijk het financiële instrument.

Artikel 6:9
1.

Bij het bepalen van de werkelijke waarde van een onteigend vermogensbestanddeel of effect of onteigende vordering of een ingevolge artikel 6:2, zesde lid, vervallen recht op nieuw uit te geven effecten wordt uitgegaan van het te verwachten toekomstperspectief van de betrokken financiële onderneming in de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden, en de prijs die, gegeven dat toekomstperspectief, op het tijdstip van onteigening zou zijn tot stand gekomen bij een veronderstelde vrije koop in het economische verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper.

2.

Indien de betrokken onderneming voorafgaand aan het besluit tot onteigening van overheidswege financiële steun heeft ontvangen, wordt de waarde die deze steun vertegenwoordigt in de in het eerste lid bedoelde prijs verdisconteerd.

Artikel 6:10
1.

De schadeloosstelling wordt vastgesteld door de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam.

2.

Onze Minister doet zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zeven dagen nadat het besluit tot onteigening onherroepelijk is geworden, een aanbod tot schadeloosstelling en verzoekt de ondernemingskamer de schadeloosstelling overeenkomstig dat aanbod vast te stellen.

3.

Van het aanbod tot schadeloosstelling wordt door Onze Minister mededeling gedaan aan degene aan wie ingevolge artikel 6:8, eerste of vierde lid, het recht op schadeloosstelling toekomt. In daarvoor in aanmerking komende gevallen geschiedt de mededeling overeenkomstig artikel 5:25m, eerste en tweede lid.

Artikel 6:11
1.

De ondernemingskamer behandelt het verzoek tot vaststelling van de schadeloosstelling op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken.

2.

De ondernemingskamer stelt de schadeloosstelling vast overeenkomstig het aanbod van Onze Minister, tenzij zij aannemelijk acht dat het aanbod geen volledige vergoeding vormt voor de door betrokkene geleden schade.

3.

Indien het aanbod van Onze Minister geen volledige vergoeding vormt van de door betrokkene geleden schade, stelt de ondernemingskamer met inachtneming van de artikelen 6:8 en 6:9 voor betrokkene een hogere schadeloosstelling vast.

4.

De ondernemingskamer geeft omtrent de kosten van het geding zodanige uitspraak als zij meent dat behoort. Een rechthebbende op schadeloosstelling die geen verweer heeft gevoerd, wordt niet verwezen in de kosten.

Artikel 6:12
1.

De Staat der Nederlanden stelt uiterlijk vier weken na indiening van het verzoek tot vaststelling van de schadeloosstelling het bedrag van de door Onze Minister aangeboden schadeloosstelling bij wijze van voorschot betaalbaar.

2.

De dag en plaats van betaalbaarstelling worden schriftelijk meegedeeld aan de rechthebbenden op schadeloosstelling van wie het adres bekend is. De dag en plaats van betaalbaarstelling worden tevens aangekondigd in een landelijk verspreid dagblad, tenzij van alle rechthebbenden het adres bekend is.

3.

Zo lang en voor zover het in het eerste lid bedoelde bedrag niet is betaald, wordt het bedrag verhoogd met rente, gelijk aan de wettelijke rente, vanaf de dag van onteigening tot aan de dag van betaling.

4.

Indien een hoger bedrag aan schadeloosstelling is vastgesteld dan bij wijze van voorschot is betaald, stelt de Staat het meerdere uiterlijk vier weken nadat de beschikking tot vaststelling van de schadeloosstelling in kracht van gewijsde is gegaan, betaalbaar. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de betaalbaarstelling van de schadeloosstelling.

Artikel 6:13
1.

De Staat der Nederlanden kan zich altijd van zijn betalingsverplichtingen ingevolge artikel 6:12 bevrijden door de in het eerste, derde en vierde lid van dat artikel bedoelde bedragen met de daarover verschuldigde rente te consigneren, onder mededeling van de hem bekende rechten van pand en vruchtgebruik en de hem bekende beslagen.

2.

Van de consignatie wordt mededeling gedaan op de wijze, bepaald in artikel 6:12, tweede lid.

3.

In afwijking van artikel 6:12, derde lid, wordt in het geval van consignatie de in dat lid bedoelde rente berekend tot aan de dag van consignatie.

7. Deel Slotbepalingen

Artikel 7:1

Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van en verwijzingen naar artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken daarmee in overeenstemming.

Artikel 7:2

Deze wet treedt in werking op een bij of krachtens wet te bepalen tijdstip.

Artikel 7:3

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het financieel toezicht.

Bijlage. branches

Het bedrijf van levensverzekeraar wordt onderscheiden naar de volgende branches:

    1. Levensverzekering algemeen: kapitaal, pensioen en lijfrenteverzekeringen, met uitzondering van de onder de branches 2 en 3 begrepen verzekeringen, verzekeringen in verband met de verzorging van de uitvaart van de mens die uitsluitend strekken tot het verrichten van andere dan geldelijke prestaties alsmede aanvullende verzekeringen als bedoeld in artikel 1:6, tweede lid, zoals invaliditeitsverzekeringen en verzekeringen bij overlijden ten gevolge van een ongeval.
    1. Levensverzekering in verband met huwelijk of geboorte
    1. Levensverzekering verbonden met beleggingsfondsen
    1. Permanent health insurance: niet opzegbare langlopende ziekteverzekeringen gesloten met ingezetenen van Ierland of het Verenigd Koninkrijk.
    1. Deelneming in spaarkassen
    1. Kapitalisatieverrichtingen: verrichtingen gebaseerd op een actuariële techniek tot sparen met het oog op kapitaalvorming, bestaande uit verplichtingen die in ruil voor eenmalige of periodieke stortingen voor wat betreft hun duur en hun bedrag bepaald zijn.
    1. Beheer over collectieve pensioenfondsen: beheer over de beleggingen van pensioenfondsen waaronder de waarden die tegenover de voorziening voor pensioenverplichtingen staan.

Het bedrijf van schadeverzekeraar wordt onderscheiden naar de volgende branches, waartoe de daarbij vermelde risico’s behoren:

    1. Ongevallen:
  • a. forfaitaire uitkeringen ter zake van ongevallen en beroepsziekten;
  • b. overige uitkeringen ter zake van ongevallen en beroepsziekten.
    1. Ziekte:
  • a. forfaitaire uitkeringen ter zake van andere ziekten dan beroepsziekten;
  • b. overige uitkeringen ter zake van andere ziekten dan beroepsziekten.
    1. Voertuigcasco: schaden aan motorrijtuigen en overige voertuigen, met uitzondering van schaden aan rollend spoorwegmaterieel.
    1. Casco rollend spoorwegmaterieel: schaden aan rollend spoorwegmaterieel.
    1. Luchtvaartuigcasco: schaden aan luchtvaartuigen.
    1. Casco zee- en binnenschepen: schaden aan zee- en binnenschepen.
    1. Vervoerde zaken: schaden aan vervoerde zaken of bagage, onafhankelijk van de aard van het transportmiddel.
    1. Brand en natuurevenementen: schaden aan zaken (met uitzondering van schaden, begrepen onder de branches Voertuigcasco, Casco rollend spoorwegmaterieel, Luchtvaartuigcasco, Casco zee- en binnenschepen en Vervoerde zaken), wanneer deze zijn veroorzaakt door brand, ontploffing, storm of andere natuurevenementen (met uitzondering van hagel en vorst), kernenergie of aardverzakking.
    1. Andere schaden aan zaken: schaden aan zaken (met uitzondering van schaden, begrepen onder de branches Voertuigcasco, Casco rollend spoorwegmaterieel, Luchtvaartuigcasco, Casco zee- en binnenschepen en Vervoerde zaken), wanneer deze zijn veroorzaakt door hagel of vorst, alsmede door alle overige evenementen die niet reeds zijn begrepen onder de branche Brand en natuurevenementen.
  • 10A. Aansprakelijkheid motorrijtuigen: aansprakelijkheden die voortvloeien uit het gebruik van motorrijtuigen (met uitzondering van de aansprakelijkheden, begrepen onder de branche Aansprakelijkheid wegvervoer).
  • 10B. Aansprakelijkheid wegvervoer: aansprakelijkheden die voor de vervoerder voortvloeien uit goederenvervoer over de weg (met uitzondering van de aansprakelijkheden, begrepen onder de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen).
    1. Aansprakelijkheid luchtvaartuigen: aansprakelijkheden die voortvloeien uit het gebruik van luchtvaartuigen, aansprakelijkheden van de vervoerder daaronder begrepen.
    1. Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen: aansprakelijkheden die voortvloeien uit het gebruik van zee- en binnenschepen, aansprakelijkheden van de vervoerder daaronder begrepen.
    1. Algemene aansprakelijkheid: overige vormen van aansprakelijkheid die niet reeds zijn begrepen onder de branches Aansprakelijkheid motorrijtuigen, Aansprakelijkheid wegvervoer, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen en Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen.
    1. Krediet: schaden die het gevolg zijn van algemene insolventie, verleend exportkrediet, hypothecair krediet, landbouwkrediet en verkoop op afbetaling.
    1. Borgtocht: schaden die het gevolg zijn van verleende directe borgtocht en indirecte borgtocht.
    1. Diverse geldelijke verliezen: geldelijke verliezen die het gevolg zijn van niet onder een der andere branches vallende risico’s.
    1. Rechtsbijstand: verleende diensten en gemaakte kosten in het bijzonder met het oog op verhaal van door een verzekerde geleden schade en diens verdediging of vertegenwoordiging, zowel in als buiten rechte (met uitzondering van de werkzaamheden ter verdediging of vertegenwoordiging van een verzekerde die een verzekeraar krachtens een overeenkomst van aansprakelijkheidsverzekering mede in zijn eigen belang verricht).
    1. Hulpverlening: onmiddellijke hulpverlening aan in moeilijkheden verkerende personen die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats bevinden (met uitzondering van onderhoudsdiensten, dienstverlening na verkoop en de loutere aanwijzing omtrent of terbeschikkingstelling van hulp door een tussenpersoon).

Bijlage. bij artikel 1:79 Wet op het financieel toezicht

Overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel:

Algemeen deel

1:5a, tweede lid, onderdelen k en l, en derde lid,

1:10

1:28, tweede en derde lid

1:58, tweede en derde lid

1:58a, tweede lid

1:58b, tweede lid

1:58c, derde lid

1:59, tweede lid

1:67, eerste lid

1:74, eerste lid

1:75, eerste lid, voor zover het betreft de niet-naleving van een met betrekking tot artikel 4:24a, eerste of tweede lid, gegeven aanwijzing.

1:75a

1:76, achtste lid, aanhef en onderdeel a

1:76ba

1:77, eerste lid

1:77c

1:77d, eerste tot en met derde lid

1:77f

1:77m

1:77n

1:77o

1:77p

1:89

1:94, derde lid

1:104a

1:113

1:114, eerste en tweede lid

1:116

1:117, eerste tot en met derde lid

1:118

1:119

1:120, eerste, tweede, vierde en vijfde lid

1:121, eerste lid

1:122, eerste lid

1:124, eerste lid

1:125, eerste en tweede lid

1:127

1:128, tweede en derde lid

1:130

Deel Markttoegang financiële ondernemingen

2:3.0a, eerste en vierde lid

2:3.0b, eerste lid

2:3.0e

2:3.0f, eerste en vierde lid

2:3.0g, eerste lid

2:3.0h

2:3.0j

2:3.0k, eerste en vierde lid

2:3.0l, eerste lid

2:3.0n

2:3a, eerste lid

2:3e, eerste lid en vierde tot en met zesde lid

2:3f, eerste lid

2:3g, eerste en derde lid

2:4, eerste lid

2:6, eerste lid

2:8, eerste lid

2:9, eerste en tweede lid

2:10, eerste, tweede en vierde lid

2:10a, eerste lid

2:10e, eerste lid

2:10f, eerste lid

2:11, eerste lid

2:14, tweede lid

2:15, eerste en tweede lid

2:16, eerste en derde lid

2:18, eerste en tweede lid

2:20

2:24, tweede lid

2:25, eerste en tweede lid

2:26

2:26a, eerste lid

2:26c, eerste lid

2:26d, eerste lid

2:26f, eerste lid

2:27, eerste lid

2:34, tweede lid

2:35

2:36, eerste tot en met vijfde lid

2:38, eerste en tweede lid

2:39, eerste en tweede lid

2:40, eerste lid

2:45

2:46

2:48, eerste lid

2:50, eerste lid

2:52, eerste lid

2:53, eerste en tweede lid

2:54, eerste, tweede en vierde lid

2:54a, eerste lid

2:54c, eerste lid

2:54d, eerste lid

2:54f, eerste lid

2:54g, eerste lid

2:54i, eerste lid

2:54l, eerste lid

2:54n, eerste lid

2:54o

2:54q

2:55, eerste lid

2:60, eerste lid

2:64a

2:65

2:66a, derde en zesde lid

2:67a, eerste, derde en vierde lid

2:67c

2:69, eerste, tweede, zevende en achtste lid

2:69b, eerste lid

2:69c, eerste en derde lid

2:70

2:70, tweede lid

2:70a

2:71, eerste lid

2:72, eerste lid

2:73, eerste en tweede lid

2:75, eerste lid

2:80, eerste lid

2:81, derde en vierde lid

2:84, eerste en tweede lid

2:86, eerste lid

2:90 eerste en tweede lid

2:92, eerste lid

2:96, eerste lid

2:100, tweede lid

2:101, eerste lid

2:102, eerste lid

2:103

2:103a, eerste lid

2:103b

artikel 2:103c

2:106.0a, eerste lid

2:106a, eerste en vierde lid

2:107, eerste lid

2:107a, eerste lid

2:108, eerste lid

2:110, eerste lid

2:111, eerste lid

2:112, eerste lid

2:114, eerste lid

2:115, eerste lid

2:117, eerste lid

2:118, eerste lid

2:120, eerste lid

2:121, eerste lid

2:121a, eerste lid

2:121c eerste, vijfde, zesde en negende lid

2:121ca, eerste, tweede, vijfde en zesde lid

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)