Wet van 28 september 2006, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht)

Type Wet
Publication 2026-08-15
Laatst bijgewerkt 2026-08-31
State In force
Source BWB
artikelen 1863
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
6.

De Nederlandsche Bank bepaalt indien zij groepstoezichthouder is, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende instanties en de verzekeringsrichtlijngroep, met het oog op de aanmerking als significante risicoconcentratie die wordt gerapporteerd de drempels op basis van het solvabiliteitsvermogen of de technische voorzieningen.

7.

De Nederlandsche Bank besteedt bij haar toezicht op significante risicoconcentraties aandacht aan mogelijke besmettingsrisico’s in de verzekeringsrichtlijngroep, het risico van belangenconflicten en het niveau of de omvang van de risico’s.

Artikel 3:288f
1.

Een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar die aan het hoofd staat van een verzekeringsrichtlijngroep of de gemengde financiële holding of verzekeringsholding dient periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen een rapportage in bij de groepstoezichthouder. In die rapportage worden opgenomen alle significante intragroepsovereenkomsten en -posities verricht door de aan het verzekeringsrichtlijngroepstoezicht onderworpen verzekeraars, daaronder begrepen de intragroepsovereenkomsten en -posities met natuurlijke personen die met de groep zijn verbonden door een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur. Zeer significante intragroepsovereenkomsten en -posities van de verzekeraars in die groep worden, zodra zulks praktisch mogelijk is, gerapporteerd.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud, de verstrekking, de modellen en de periodiciteit van de rapportage.

3.

In afwijking van het eerste lid kan de Nederlandsche Bank indien zij groepstoezichthouder is bepalen, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende instanties en met de verzekeringsrichtlijngroep, dat de rapportage aan haar wordt overgelegd door een door haar aangewezen verzekeraar in die groep.

4.

De Nederlandsche Bank bepaalt indien zij groepstoezichthouder is, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende instanties en de verzekeringsrichtlijngroep, welke categorieën van intragroepsovereenkomsten en -posities door de verzekeraars in die groep in elk geval worden gerapporteerd.

5.

Artikel 3:288e, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:288g
1.

Indien een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar een dochteronderneming is van een gemengde verzekeringsholding is, oefent de Nederlandsche Bank toezicht uit op de intragroepsovereenkomsten en -posities tussen bedoelde verzekeraars en de gemengde verzekeringsholding en de met haar verbonden ondernemingen.

2.

De artikelen 1:51e, 1:53, 1:56, 3:288f en 3:295 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:288h
1.

De artikelen 3:8, 3:9, 3:173:18, en 3:72, derde, zesde en achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het niveau van de verzekeringsrichtlijngroep.

2.

Een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:285, eerste en tweede lid, past de risicomanagement- en internecontrolesystemen en rapportageprocedures in de verzekeringsrichtlijngroep consequent toe waardoor deze systemen en procedures op het niveau van die groep kunnen worden gecontroleerd.

3.

Een in het tweede lid bedoelde verzekeraar beschikt over internecontrolesystemen die ten minste omvatten:

  • a. adequate procedures met betrekking tot de groepssolvabiliteit om alle bestaande materiële risico’s te bepalen en te meten en het in aanmerking komend eigen vermogen naar behoren af te stemmen op de risico’s;
  • b. gedegen rapportage- en financiële- verslaggevingprocedures om de intragroepsovereenkomsten en -posities en de risicoconcentratie te bewaken en te beheren.
4.

Een in het tweede lid bedoelde verzekeraar of de gemengde financiële holding of verzekeringsholding voert de ingevolge artikel 3:17, tweede lid, vereiste beoordeling van het eigen risico en solvabiliteit uit op het niveau van de groep.

5.

De in het tweede lid bedoelde verzekeraar draagt er zorg voor dat indien de berekening van de solvabiliteit op het niveau van de richtlijngroep wordt uitgevoerd met gebruikmaking van de standaardmethode, de groepstoezichthouder inzicht heeft in het verschil tussen de som van de solvabiliteitskapitaalvereisten van alle verzekeraars in de verzekeringsrichtlijngroep en het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van die groep.

6.

Indien de Nederlandsche Bank groepstoezichthouder is, oefent zij toezicht uit op het bepaalde in het eerste tot en met derde lid. De artikelen 1:51e, 1:55a, 1:58e, 3:288i, 3:288j en 3:288k zijn van toepassing.

7.

Indien de Nederlandsche Bank groepstoezichthouder is, kan zij er mee instemmen dat de beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit tegelijkertijd op het niveau van de verzekeringsrichtlijngroep en op het niveau van een dochteronderneming van die groep worden uitgevoerd en dat een document wordt opgesteld dat op alle beoordelingen betrekking heeft.

8.

Indien de verzekeringsverzekeringsgroep gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in het zevende lid, wordt het document, bedoeld in het zevende lid, tegelijkertijd aan alle betrokken toezichthoudende instanties gestuurd.

§ 3.6.3.3. Rapport over de solvabiliteit en financiële toestand verzekeringsrichtlijngroep

Artikel 3:288i
1.

Een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar die een deelnemende onderneming is in een andere verzekeraar, of een gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in Nederland maakt jaarlijks openbaar:

  • a. een rapport over de solvabiliteit en de financiële toestand op het niveau van de verzekeringsrichtlijngroep; en
  • b. de juridische structuur en governance- en organisatiestructuur, met inbegrip van een beschrijving van alle dochterondernemingen, materieel verbonden ondernemingen en significante bijkantoren die deel uitmaken van de verzekeringsrichtlijngroep.
2.

Ten aanzien van het eerste lid, onderdeel a, is artikel 3:73c, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

3.

Indien de holding de verplichting, bedoeld in het eerste lid niet of niet tijdig nakomt, rust die verplichting eveneens op een Nederlandse verzekeraar die deel uitmaakt van de verzekeringsrichtlijngroep waarvan de holding deel uitmaakt.

4.

Indien de in het eerste lid bedoelde verzekeraar of holding daartoe besluit en de groepstoezichthouder daarmee instemt, kan die verzekeraar of holding één rapport over de solvabiliteit en de financiële toestand van de verzekeringsrichtlijngroep verstrekken. Dat rapport bevat:

  • a. de informatie op het niveau van de groep die op grond van het eerste lid openbaar wordt gemaakt;
5.

In geval van toepassing van het vierde lid behoeven de afzonderlijke verzekeraars in de groep het rapport, bedoeld in artikel 3:73c, eerste lid, niet openbaar te maken.

6.

Indien het rapport, bedoeld in het vierde lid, niet de informatie bevat over een Nederlandse verzekeraar die de Nederlandsche Bank van vergelijkbare verzekeraars verlangt en indien wezenlijke informatie ontbreekt, kan zij van de betrokken verzekeraar verlangen dat hij de aanvullende informatie openbaar maakt.

§ 3.6.3.3a. Voorbereidend crisisplan

Artikel 3:288i1
1.

Een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, die een deelnemende onderneming is in een andere verzekeraar, of een gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in Nederland stelt een voorbereidend crisisplan op, dat voorziet in maatregelen die de verzekeraar in staat stelt zijn financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen, houdt dit plan bij en voert dit uit.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud, de indiening, de modellen en de periodiciteit van de indiening van het plan.

3.

Indien een holding als bedoeld in het eerste lid, een voorbereidend crisisplan indient, vervalt de verplichting, bedoeld in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, onder 4°.

§ 3.6.3.4. Regels met betrekking tot moederondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is en equivalentie

Artikel 3:288j
1.

In het geval van artikel 3:285, derde lid, besluit de Nederlandsche Bank indien zij groepstoezichthouder zou zijn met inachtneming van artikel 260, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II of het toezicht dat wordt uitgeoefend door de toezichthoudende instantie van de moederonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, gelijkwaardig is aan het verzekeringsrichtlijngroepstoezicht, bedoeld in artikel 3:285, tweede lid, onverminderd het vijfde en zesde lid.

2.

De Nederlandsche Bank onderzoekt regelmatig of haar besluit, bedoeld in het eerste lid, zal worden herzien.

3.

De Nederlandsche Bank neemt het besluit, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de moederonderneming, bedoeld in het eerste lid, van de Nederlandse of Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar in de verzekeringsrichtlijngroep of op eigen initiatief, tenzij de Europese Commissie een uitspraak heeft gedaan over de gelijkwaardigheid van het toezicht van de betrokken staat.

4.

De Nederlandsche Bank oefent, behoudens artikel 260, zevende lid, van de richtlijn solvabiliteit II, het verzekeringsrichtlijngroepstoezicht, bedoeld in artikel 3:285, derde lid, niet uit indien ingevolge het eerste lid of artikel 260, derde of vijfde lid, van die richtlijn besloten is dat het groepstoezicht gelijkwaardig is.

5.

Indien de moederonderneming, bedoeld in het eerste lid, een dochteronderneming is van een gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in een staat die geen lidstaat is, of van een niet Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, neemt de Nederlandsche Bank het besluit, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming die een gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in een staat die geen lidstaat is, niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar is.

6.

Indien gelijkwaardig toezicht als bedoeld in het eerste lid ontbreekt, kan de Nederlandsche Bank het eerste lid toepassen op een lager niveau van die groep ten aanzien van het toezicht van een staat die geen lidstaat is alwaar zich een moederonderneming bevindt, ongeacht of die moederonderneming een gemengde financiële holding of verzekeringsholding, een niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar is. De Nederlandsche Bank deelt haar besluit mee aan de verzekeringsrichtlijngroep. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:288k
1.

Indien de Nederlandsche Bank groepstoezichthouder is en geen sprake is van gelijkwaardig toezicht als bedoeld in artikel 3:288j, eerste lid, of indien de Nederlandsche Bank artikel 3:288j, vierde lid, niet toepast in geval van tijdelijke gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 260, zevende lid, van de richtlijn solvabiliteit II, zijn de artikelen 1:51e, 1:53, 1:55a, 1:56, 1:58e, 3:288a, 3:288b, eerste en derde lid, 3:288d, 3:288e, 3:288f, 3:288h en 3:288i van overeenkomstige toepassing.

2.

De algemene beginselen, vervat in de artikelen 1:51e, 1:53, 1:55a, 1:56, 1:58e, 3:271, 3:272, 3:288a tot en met 3:288f, 3:288h en 3:288i zijn van toepassing op het niveau van de gemengde financiële holding, verzekeringsholding, niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar.

3.

Uitsluitend voor de berekening van de verzekeringsrichtlijngroepssolvabiliteit wordt de moederonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, behandeld alsof zij een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar is waarop artikel 3:57, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is voor wat betreft het voor het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komende eigen vermogen evenals:

  • a. het overeenkomstig artikel 3:288a, tweede lid, bepaalde solvabiliteitskapitaalvereiste indien zij gemengde financiële holding of verzekeringsholding is;
  • b. het overeenkomstig artikel 3:288a, eerste lid, bepaalde solvabiliteitskapitaalvereiste indien zij een niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar is.
4.

De Nederlandsche Bank kan andere methoden toepassen die passend toezicht waarborgen op herverzekeraars, levensverzekeraars en schadeverzekeraars in een verzekeringsrichtlijngroep.

Afdeling 3.6.4. Prudentieel toezicht op financiële conglomeraten

§ 3.6.4.1. Regels betreffende het toezicht op financiële conglomeraten

Artikel 3:289
1.

Tenzij die bevoegdheid op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht aan de Europese Centrale Bank toekomt, stelt de Nederlandsche Bank in overeenstemming met de relevante toezichthoudende instanties, en met toepassing van artikel 3 van de richtlijn financiële conglomeraten, vast of een groep een financieel conglomeraat is. Bij de vaststelling neemt zij de artikelen 30 en 30bis van die richtlijn in acht.

2.

De Nederlandsche Bank kan, in overeenstemming met de relevante toezichthoudende instanties, en met inachtneming van artikel 3, leden 3 en 3bis, van de richtlijn financiële conglomeraten, besluiten de artikelen 3:269a, 3:297 en 3:298 niet toe te passen, indien zij de toepassing van die artikelen in het licht van de doeleinden van het toezicht onnodig, ongepast of misleidend acht.

Artikel 3:290
1.

Indien de Nederlandsche Bank in overeenstemming met artikel 10 van de richtlijn financiële conglomeraten is aangewezen als coördinator, maakt zij aan de onderneming die aan het hoofd van de richtlijngroep staat, of bij ontbreken daarvan aan de in artikel 4, tweede lid, van de richtlijn bedoelde gereglementeerde entiteit, het besluit bekend dat de groep als financieel conglomeraat is aangemerkt en dat de Nederlandsche Bank als coördinator is aangewezen.

2.

Bij de toepassing van artikel 10 van de richtlijn financiële conglomeraten wordt de Nederlandsche Bank beschouwd als de toezichthouder die een vergunning heeft verleend aan een beheerder van beleggingsinstellingen, een beheerder van icbe’s, of aan een beleggingsonderneming.

Artikel 3:291
1.

Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 10 van de richtlijn financiële conglomeraten is aangewezen als coördinator, heeft het toezicht overeenkomstig de artikelen 3:269a en 3:296 tot en met 3:298 betrekking op elke gereglementeerde entiteit van het financiële conglomeraat.

2.

In afwijking van het eerste lid oefent de Nederlandsche Bank geen toezicht overeenkomstig de artikelen 3:269a en 3:296 tot en met 3:298 uit op gereglementeerde entiteiten van een financieel conglomeraat waarvan de moederonderneming een gereglementeerde entiteit of een gemengde financiële holding is met zetel in een staat die geen lidstaat is indien zij heeft vastgesteld dat het toezicht door de toezichthoudende instantie van die staat op de gereglementeerde entiteiten van het financiële conglomeraat gelijkwaardig is aan het toezicht op gereglementeerde entiteiten, bedoeld in het eerste lid. De Nederlandsche Bank oefent eveneens geen toezicht uit op een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland die deel uitmaakt van een financieel conglomeraat als bedoeld in de eerste volzin, indien zij niet de coördinator is en de coördinator een vaststelling heeft gedaan die overeenkomt met een vaststelling als bedoeld in de eerste volzin.

3.

De Nederlandsche Bank kan, in geval van een financieel conglomeraat als bedoeld in het tweede lid en indien er geen sprake is van gelijkwaardig toezicht als bedoeld in dat lid, toezicht op de gereglementeerde entiteiten met zetel in Nederland van dat financieel conglomeraat op een andere wijze uitoefenen dan bedoeld in het eerste lid, indien die wijze passend is, waarborgt dat de doeleinden van het toezicht worden bereikt en, indien de Nederlandsche Bank niet zelf de coördinator is, daarvoor toestemming is verleend door de coördinator.

4.

De Nederlandsche Bank stelt, in samenwerking met de relevante toezichthoudende instanties, vast in hoeverre toezicht als bedoeld in deze afdeling wordt uitgeoefend op een gereglementeerde entiteit waarop artikel 5, vierde lid, van de richtlijn financiële conglomeraten van toepassing is.

5.

Indien van een financieel conglomeraat een ander financieel conglomeraat deel uitmaakt, is het toezicht, bedoeld in deze afdeling, slechts van toepassing op het gehele financiële conglomeraat.

6.

In afwijking van het vijfde lid kan de Nederlandsche Bank op verzoek van een financieel conglomeraat dat deel uitmaakt van een ander financieel conglomeraat besluiten dat het toezicht, bedoeld in deze afdeling, van toepassing is op de afzonderlijke financiële conglomeraten die deel uitmaken van dat andere financieel conglomeraat.

Artikel 3:292
1.

Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 10 van de richtlijn financiële conglomeraten is aangewezen als coördinator:

  • a. coördineert zij de verzameling en verspreiding van informatie die relevant of essentieel is in normale omstandigheden en in noodsituaties, met inbegrip van de verspreiding van informatie die van belang is voor het prudentieel toezicht op grond van de sectorale voorschriften;
  • b. ziet zij toe op en beoordeelt zij de financiële situatie van het financiële conglomeraat als geheel;
  • c. ziet zij toe op de naleving van de voorschriften inzake kapitaaltoereikendheid, risicoconcentratie en intragroepsovereenkomsten en -posities, bedoeld in de artikelen 3:296 tot en met 3:298;
  • d. ziet zij toe op de naleving van de regels met betrekking tot de bedrijfsvoering van het financieel conglomeraat, bedoeld in artikel 3:269a; en
  • e. plant en coördineert zij toezichtactiviteiten in normale omstandigheden en in noodsituaties, in samenwerking met de relevante toezichthoudende instanties.
2.

Indien de Nederlandsche Bank als coördinator of als toezichthouder informatie nodig heeft die reeds aan een andere toezichthoudende instantie van een andere lidstaat is verstrekt, richt zij zich eerst tot deze toezichthoudende instantie.

Artikel 3:293
1.

Op een gemengde financiële holding die deel uitmaakt van een financieel conglomeraat waarvoor de Nederlandsche Bank als coördinator is aangewezen, kan de Nederlandsche Bank artikel 1:75 toepassen indien, niettegenstaande dat voldaan is aan de artikelen 3:269a, 3:296 tot en met 3:298 of bepalingen van andere lidstaten die naar strekking daarmee overeenkomen, de solvabiliteit in gevaar zou kunnen worden gebracht dan wel de intragroepsovereenkomsten en -posities of de risicoconcentraties de financiële positie van een gereglementeerde entiteit die tot het financieel conglomeraat behoort, bedreigen of kunnen bedreigen.

2.

Indien, niettegenstaande dat een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland voldoet aan de artikelen 3:269a en 3:296 tot en met 3:298, de solvabiliteit in gevaar zou kunnen worden gebracht dan wel de intragroepsovereenkomsten en -posities of de risicoconcentraties de financiële positie van die gereglementeerde entiteit bedreigen of kunnen bedreigen, kan de Nederlandsche Bank maatregelen nemen jegens die gereglementeerde entiteit.

3.

Indien de Nederlandsche Bank geen coördinator is, kan zij op een gemengde financiële holding met zetel in Nederland die deel uitmaakt van een financieel conglomeraat de artikelen 1:75, 1:79 tot en met 1:81 en 1:85 toepassen indien die holding of een gereglementeerde entiteit die tot dat financiële conglomeraat behoort in strijd handelt met de artikelen 3:269a en 3:296 tot en met 3:298 of met bepalingen van andere lidstaten die naar strekking daarmee overeenkomen. Artikel 1:75 is eveneens van toepassing indien aan bedoelde bepalingen weliswaar wordt voldaan maar de solvabiliteit toch in gevaar zou kunnen worden gebracht dan wel de intragroepsovereenkomsten en -posities of de risicoconcentraties de financiële positie van een gereglementeerde entiteit die tot het financieel conglomeraat behoort, bedreigen of kunnen bedreigen.

Artikel 3:294

Vervallen

Artikel 3:295

Vervallen

§ 3.6.4.2. Regels voor het werkzaam zijn als financieel conglomeraat

Artikel 3:296
1.

Een onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat waarvan een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt, draagt er zorg voor dat zij op geconsolideerde basis dan wel geaggregeerde grondslag voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels met betrekking tot de kapitaaltoereikendheid van het conglomeraat, indien de Nederlandsche Bank coördinator is. Deze regels hebben betrekking op de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de rapportage, alsmede op de berekening van de kapitaaltoereikendheid.

2.

Indien een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt van een financieel conglomeraat, draagt de onderneming, bedoeld in het eerste lid, er zorg voor dat er adequate kapitaaltoereikendheidsstrategieën zijn voor het conglomeraat als geheel.

3.

Indien de onderneming de verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet of niet tijdig nakomt, rust die verplichting eveneens op de in dat lid bedoelde gereglementeerde entiteit.

4.

Indien de Nederlandsche Bank coördinator is verstrekt de onderneming, bedoeld in het eerste lid, of een tot de groep behorende gereglementeerde entiteit die door de Nederlandsche Bank na overleg met de relevante toezichthoudende instanties en met het financiële conglomeraat is aangewezen, aan de Nederlandsche Bank ten minste een maal per jaar een berekening, tezamen met de bij die berekening gebruikte gegevens, waaruit blijkt of aan het eerste lid wordt voldaan.

5.

Indien de Nederlandsche Bank is aangewezen als coördinator kan zij besluiten een richtlijngroepslid niet in aanmerking te nemen bij de berekening van de kapitaaltoereikendheid indien:

  • a. het richtlijngroepslid zijn zetel heeft in een staat die geen lidstaat is waar wettelijke belemmeringen bestaan voor het verstrekken van de benodigde informatie;
  • b. het richtlijngroepslid in het licht van de doelstellingen van het toezicht als bedoeld in deze afdeling van te verwaarlozen betekenis is; of
  • c. het in aanmerking nemen van het richtlijngroepslid in het licht van de doelstellingen van het toezicht als bedoeld in deze afdeling misplaatst of misleidend zou zijn.
6.

Het vijfde lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien het meer dan een richtlijngroepslid betreft en de desbetreffende richtlijngroepsleden gezamenlijk van niet te verwaarlozen betekenis zijn.

7.

In het geval, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, raadpleegt de Nederlandsche Bank, behoudens in spoedeisende gevallen, de relevante toezichthoudende instanties voordat zij een besluit neemt.

8.

Ten aanzien van een groep die geen financieel conglomeraat is en waarvan naast een beleggingsonderneming of bank met zetel in Nederland een levensverzekeraar, schadeverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland deel uitmaakt, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de kapitaaltoereikendheid. De onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van de groep draagt er zorg voor dat aan die regels wordt voldaan.

Artikel 3:297
1.

Een onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat waarvan een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt, rapporteert regelmatig en ten minste eenmaal per jaar alle significante risicoconcentraties op het niveau van het financiële conglomeraat aan de Nederlandsche Bank indien deze coördinator is.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de Nederlandsche Bank bepalen, na overleg met de andere relevante toezichthoudende instanties en met het financiële conglomeraat, dat de rapportage aan haar wordt overgelegd door een door haar aangewezen gereglementeerde entiteit die deel uitmaakt van het financiële conglomeraat.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de rapportage, bedoeld in het eerste lid. Deze regels hebben betrekking op de inhoud, de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de rapportage.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot kwantitatieve limieten of andere maatregelen ter beperking van de risicoconcentratie.

5.

Toepassing van dit artikel geschiedt met inachtneming van artikel 7, vierde lid, van de richtlijn financiële conglomeraten.

Artikel 3:298
1.

Een onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat waarvan een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt, rapporteert regelmatig en ten minste eenmaal per jaar alle significante intragroepsovereenkomsten en -posities van gereglementeerde entiteiten in het financiële conglomeraat aan de Nederlandsche Bank indien deze coördinator is.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de Nederlandsche Bank bepalen, na overleg met de andere relevante toezichthoudende instanties en met het financiële conglomeraat, dat de rapportage aan haar wordt overgelegd door een door haar aangewezen gereglementeerde entiteit.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de rapportage, bedoeld in het eerste lid. Deze regels hebben betrekking op de inhoud, de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de rapportage.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot kwantitatieve of kwalitatieve limieten voor intragroepsovereenkomsten en -posities of met betrekking tot maatregelen die hetzelfde doel beogen.

5.

Toepassing van dit artikel geschiedt met inachtneming van artikel 8, vierde lid, van de richtlijn financiële conglomeraten.

Artikel 3:299
1.

Een onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat waarvan een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt, informeert de Nederlandsche Bank ten minste eenmaal per jaar over de juridische structuur, het bestuur en de organisatiestructuur van de groep, met inbegrip van alle tot de groep behorende gereglementeerde entiteiten, niet gereguleerde dochterondernemingen en significante bijkantoren.

2.

Een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland maakt jaarlijks op het niveau van het financieel conglomeraat een beschrijving openbaar van de juridische structuur, het bestuur en de organisatiestructuur van de groep, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar gelijkwaardige informatie.

Afdeling 3.6.5. Overeenkomsten voor financiële steun binnen een groep

Artikel 3:300
1.

Deze afdeling is van toepassing op overeenkomsten die strekken tot het verlenen van financiële steun aan een partij bij de overeenkomst, wanneer die partij voldoet aan de voorwaarden voor vervroegde interventie, bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tussen:

2.

Een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid bevat geen vereisten als bedoeld in artikel 19, derde lid, onderdelen a en b, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

Artikel 3:301
1.

Een EU-moederinstelling met zetel in Nederland behoeft voor het sluiten of wijzigen van een overeenkomst voor het verlenen van financiële steun goedkeuring van de consoliderende toezichthouder.

2.

Indien de Nederlandsche Bank consoliderende toezichthouder is, kan zij, met inachtneming van de procedure in artikel 20 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, goedkeuring onthouden, indien de overeenkomst niet voldoet aan het bepaalde ingevolge de artikelen 19, vijfde lid, onderdeel b, zevende en achtste lid, en 23 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

Artikel 3:302
1.

Een EU-moederinstelling met zetel in Nederland die van de consoliderende toezichthouder goedkeuring heeft verkregen voor het sluiten of wijzigen van een overeenkomst voor het verlenen van financiële steun, legt die overeenkomst of de wijziging daarvan ter goedkeuring voor aan haar algemene vergadering. De overeenkomst dan wel de wijziging heeft eerst rechtsgevolgen nadat goedkeuring van de algemene vergadering is verkregen.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op entiteiten als bedoeld in artikel 3:300, eerste lid, onderdeel b.

Artikel 3:303
1.

Een EU-moederinstelling met zetel in Nederland brengt jaarlijks schriftelijk verslag uit aan haar algemene vergadering over de uitvoering van overeenkomsten voor het verlenen van financiële steun waarbij zij partij is, alsmede van de op grond van die overeenkomsten genomen besluiten.

2.

Een EU-moederinstelling met zetel in Nederland maakt, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 26 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, openbaar:

  • a. of zij een overeenkomst voor het verlenen van financiële steun is aangegaan;
  • b. een beschrijving van de voorwaarden van de aangegane overeenkomsten; en
  • c. de namen van de groepsentiteiten die partij zijn bij de aangegane overeenkomsten.

Zij werkt deze informatie ten minste eenmaal per jaar bij. De artikelen 431 tot en met 434 van de verordening kapitaalvereisten zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op entiteiten als bedoeld in artikel 3:300, eerste lid, onderdeel b.

Artikel 3:304

Een beslissing van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel a tot en met f, om op grond van een overeenkomst financiële steun te verlenen of te aanvaarden voldoet aan het bepaalde ingevolge artikel 24 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

Artikel 3:305
1.

Een EU-moederinstelling met zetel in Nederland die voornemens is op grond van een overeenkomst financiële steun te verlenen brengt dit ter kennis van de consoliderende toezichthouder, de toezichthoudende instantie van de groepsentiteit waaraan de steun zal worden verleend en de Europese Bankautoriteit. De kennisgeving voldoet aan het bepaalde ingevolge artikel 25, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

2.

De Nederlandsche Bank kan de uitvoering van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, verbieden dan wel daaraan voorwaarden verbinden indien zij van oordeel is dat niet aan de in artikel 23 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bedoelde voorwaarden voor het verlenen van financiële steun binnen de groep is voldaan.

3.

Een EU-moederinstelling met zetel in Nederland kan overgaan tot het verlenen van financiële steun indien de uitvoering van het voornemen niet binnen vijf werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving door de Nederlandsche Bank ingevolge het tweede lid is verboden dan wel is goedgekeurd.

4.

Een EU-moederinstelling met zetel in Nederland die overgaat tot het verlenen van financiële steun geeft daarvan kennis aan de in artikel 25, zesde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bedoelde instanties.

5.

Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op entiteiten als bedoeld in artikel 3:300, eerste lid, onderdeel b.

Afdeling 3.6.6. Intermediaire EU-moederonderneming derdeland groepen

Artikel 3:306
1.

Indien twee of meer banken waaraan een vergunning is verleend uit hoofde van artikel 8 van de richtlijn kapitaalvereisten of beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend uit hoofde van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 met zetel in een lidstaat deel uitmaken van een groep waarvan de moederonderneming haar zetel heeft in een staat die geen lidstaat is, hebben bedoelde banken en beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die deel uitmaken van die groep één enkele intermediaire EU-moederonderneming als bedoeld in artikel 21 ter van de richtlijn kapitaalvereisten, die dezelfde is als de intermediaire EU-moederonderneming van alle bedoelde banken en beleggingsondernemingen met zetel in een lidstaat in die groep.

2.

Een intermediaire EU-moederonderneming is:

  • a. een financiële holding of gemengde financiële holding waaraan overeenkomstig artikel 21 bis van de richtlijn kapitaalvereisten goedkeuring is verleend; hetzij
  • b. een van de banken uit de groep bedoeld in het eerste lid, waaraan overeenkomstig artikel 8 van de richtlijn kapitaalvereisten een vergunning is verleend, met dien verstande dat die bank dan zelf geen intermediaire EU-moederonderneming heeft.
3.

De Nederlandsche Bank kan goedkeuren dat een bank waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 is verleend of een beleggingsonderneming waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend, die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in het eerste lid, een andere intermediaire EU-moederonderneming heeft dan die bedoeld in het eerste lid die voldoet aan het tweede lid, indien het hebben van één enkele intermediaire EU-moederonderneming voor alle in het eerste lid bedoelde banken en beleggingsondernemingen met zetel in een lidstaat in die groep:

  • a. niet in overeenstemming is met een verplicht voorschrift inzake scheiding van activiteiten waaraan de moederonderneming van die groep is onderworpen; of
  • b. de afwikkelbaarheid minder doeltreffend zou maken volgens een beoordeling van de bevoegde afwikkelingsautoriteit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 18, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, van de intermediaire EU-moederonderneming, bedoeld in het eerste lid.
4.

In afwijking van het tweede lid kan de intermediaire EU-moederonderneming een beleggingsonderneming zijn waarop het aanvangskapitaalvereiste als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen van toepassing is en waaraan een vergunning is verleend uit hoofde van artikel 5, eerste lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, indien uitsluitend beleggingsondernemingen met zetel in een lidstaat waaraan een vergunning is verleend uit hoofde van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 deel uitmaken van een groep als bedoeld in het eerste lid en met dien verstande dat die beleggingsonderneming dan zelf geen intermediaire EU-moederonderneming heeft.

5.

In afwijking van het derde lid kan de tweede intermediaire EU-moederonderneming een beleggingsonderneming zijn waarop het aanvangskapitaalvereiste van artikel 9, eerste lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen van toepassing is en waaraan een vergunning is verleend uit hoofde van artikel 5, eerste lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, indien dat noodzakelijk is in verband met een voorschrift of beoordeling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of b, inzake het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten, met dien verstande dat die beleggingsonderneming dan zelf geen intermediaire EU-moederonderneming heeft.

6.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de totale waarde van de activa van de groep, bedoeld in het eerste lid, binnen de Europese Unie minder bedraagt dan 40 miljard euro, waarbij de totale waarde van de activa van de groep wordt berekend met inachtneming van artikel 21 ter, vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

3a. Deel Bijzondere maatregelen en voorzieningen betreffende financiële ondernemingen

Hoofdstuk 3a.1. Afwikkeling van banken en bepaalde beleggingsondernemingen

Afdeling 3a.1.1. Algemene bepalingen

Artikel 3a:1. Definities
1.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • af te wikkelen entiteit:
  • a. een af te wikkelen entiteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 24 bis, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme;
  • b. een in de Unie gevestigde rechtspersoon die overeenkomstig artikel 12 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen door de afwikkelingsautoriteit is aangemerkt als een entiteit ten aanzien waarvan het afwikkelingsplan in een afwikkelingsmaatregel voorziet;
  • c. een rechtspersoon die door de Nederlandsche Bank is aangemerkt als een entiteit ten aanzien waarvan het afwikkelingsplan in een afwikkelingsmaatregel voorziet;
  • af te wikkelen groep:
  • a. een af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen, niet zijnde:
  • 1°. de af te wikkelen entiteiten zelf;
  • 2°. dochterondernemingen van andere af te wikkelen entiteiten; of
  • 3°. entiteiten met zetel in een staat die geen lidstaat is die volgens het afwikkelingsplan geen deel uitmaken van de af te wikkelen groep, alsmede de dochterondernemingen daarvan;
  • b. banken die blijvend aangesloten zijn bij de centrale kredietinstelling en de centrale kredietinstelling zelf, indien ten minste een van deze banken of de centrale kredietinstelling een af te wikkelen entiteit is, en hun dochterondernemingen;
  • afwikkelingsautoriteit: een door een lidstaat overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen aangewezen autoriteit of een bevoegde autoriteit van een staat die geen lidstaat is met soortgelijke bevoegdheden als een afwikkelingsautoriteit van een lidstaat;
  • afwikkelingsinstrument:
  • a. het instrument van overgang van de onderneming als bedoeld in artikel 3A:28;
  • b. het instrument van de overbruggingsinstelling als bedoeld in artikel 3A:37;
  • c. het instrument van afsplitsing van activa en passiva als bedoeld in artikel 3A:41;
  • afwikkelingsmaatregel: een besluit op grond van de artikelen 3A:18 tot en met 3A:19, of een besluit op grond van de artikelen 16 of 18 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, de toepassing van een afwikkelingsinstrument of het uitoefenen van een bevoegdheid ingevolge de afdeling 3A.1.5;
  • afwikkelingsmaatregel van een staat die geen lidstaat is: een maatregel naar het recht van een staat die geen lidstaat is om het falen van een derdeland-instelling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 86, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen of een derdeland-moederonderneming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 87, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen te beheren, die wat de doelstellingen en de te verwachten resultaten betreft, vergelijkbaar is met een afwikkelingsmaatregel zoals gedefinieerd in dit artikel;
  • bail-inbare passiva: passiva als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 71, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen;
  • dochteronderneming: een dochteronderneming als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 16, van de verordening kapitaalvereisten;
  • eigendomsinstrumenten: aandelen, rechten op aandelen, certificaten van aandelen, rechten op certificaten van aandelen, andere deelnemingsrechten of participaties in het kapitaal of certificaten van die rechten en participaties, lidmaatschapsrechten of hiermee vergelijkbare rechten, claims, opties, conversierechten of hiermee vergelijkbare rechten die bij uitoefening omgezet kunnen worden in of recht geven op de verwerving van aandelen, certificaten van aandelen of daarmee vergelijkbare rechten die aanspraken geven op het kapitaal of het vermogen van de desbetreffende entiteit;
  • entiteit voor activa- en passivabeheer: een vehikel voor activabeheer als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen;
  • gecombineerde buffervereiste: een gecombineerd buffervereiste als bedoeld in artikel 128, zesde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten;
  • gestructureerde financieringsregeling: een regeling, met inbegrip van securitisaties en instrumenten voor hedgingdoeleinden, die integraal deel uitmaakt van de dekkingspool en naar het toepasselijke recht op gelijke wijze als een gedekte obligatie is gedekt, en die het verstrekken en aanhouden van zekerheden door een partij bij de regeling, een trustee, lasthebber of gevolmachtigde inhoudt;
  • groep: een groep van entiteiten als bedoeld in artikel 3A:2, die gezamenlijk onderworpen zijn aan toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig titel II van deel 1 van de verordening kapitaalvereisten;
  • groepsafwikkelingsautoriteit: de afwikkelingsautoriteit in de lidstaat waar de consoliderende toezichthouder, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 41, van de verordening kapitaalvereisten, is gevestigd;
  • in aanmerking komende deposito’s: deposito’s als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 4, van de richtlijn depositogarantiestelsels;
  • in aanmerking komende passiva: passiva als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 71 bis, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen;
  • kernkapitaalinstrumenten: instrumenten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel a, van de verordening kapitaalvereisten;
  • kritieke functies: kritieke functies als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 35, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen;
  • relevante kapitaalinstrumenten: instrumenten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen 69 en 73, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen;
  • salderingsovereenkomst: een salderingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 98, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen;
  • schuldinstrumenten: obligaties en andere vormen van overdraagbare schuld, instrumenten die een schuld creëren of erkennen en instrumenten die recht geven op het verwerven van schuldinstrumenten;
  • securitisatie: securitisatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van de securitisatieverordening;
  • verrekeningsovereenkomst: een verrekeningsovereenkomst op grond waarvan twee of meer vorderingen of verplichtingen tussen de entiteit in afwikkeling en een tegenpartij met elkaar kunnen worden verrekend;
  • zekerheidsregelingen: zekerheidsregelingen waarbij een persoon bij wijze van zekerheid een werkelijk of voorwaardelijk belang in de over te dragen goederen heeft, ongeacht of dat belang door geïndividualiseerde goederen dan wel door een zekerheid op een algemeenheid van goederen of soortgelijke regeling is gedekt.
2.

Voor de toepassing van de artikelen 3A:6, 3A:11a, 3A:21, 3A:22 en 3A:45 op af te wikkelen groepen wordt onder «dochteronderneming» tevens verstaan, indien en waar passend, een bank die blijvend is aangesloten bij een centraal orgaan, het centrale orgaan zelf en hun respectieve dochterondernemingen, rekening houdend met de wijze waarop dergelijke groepen voldoen aan artikel 45 sexies, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

Artikel 3a:2. Reikwijdte

Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende entiteiten, met zetel in Nederland, tenzij anders is bepaald:

  • a. banken, met uitzondering van rechtspersonen waaraan ook een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van de EMIR-verordening;
  • b. beleggingsondernemingen in de zin van artikel 4, eerste lid, punt 1, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 waarop artikel 9, eerste lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen van toepassing is;
  • c. financiële holdings in een groep met een bank of een beleggingsonderneming als bedoeld in onderdeel b;
  • d. gemengde financiële holdings in een groep met een bank of een beleggingsonderneming als bedoeld in onderdeel b;
  • e. gemengde holdings in een groep met een bank of een beleggingsonderneming als bedoeld in onderdeel b;
  • f. financiële instellingen, indien zij een dochteronderneming zijn van een entiteit als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, en onder het toezicht op geconsolideerde basis op de moederonderneming vallen, overeenkomstig titel II van deel 1 van de verordening kapitaalvereisten; alsmede:
  • g. in Nederland gelegen bijkantoren van banken en beleggingsondernemingen die voldoen aan het vereiste, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, met zetel in een staat die geen lidstaat is.
Artikel 3a:3. Verhouding tot toepasselijk recht

Dit hoofdstuk is van toepassing op entiteiten als bedoeld in artikel 3A:2, ongeacht het recht dat van toepassing is op:

  • a. de activa, rechten of passiva van de entiteit;
  • b. door of met de medewerking van de entiteit uitgegeven financiële instrumenten; en
  • c. overeenkomsten waaraan de entiteit is gebonden.
Artikel 3a:4. Afwikkelingsbesluiten andere lidstaten
1.

Een besluit van een afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat inhoudende de overgang van eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva die zich in Nederland bevinden of waarop Nederlands recht van toepassing is, dan wel inhoudende de omzetting of afschrijving van passiva waarop Nederlands recht van toepassing is, wordt van rechtswege erkend en alhier ten uitvoer gelegd.

2.

Niet kan in rechte worden opgekomen tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3a:5. Afwikkelingsbesluiten van staten die geen lidstaat zijn
1.

Een afwikkelingsmaatregel van een staat die geen lidstaat is tot afwikkeling van een bank, beleggingsonderneming of moederonderneming met zetel in die staat, wordt van rechtswege erkend en ten uitvoer gelegd ten aanzien van een dochteronderneming met zetel in Nederland, een in Nederland gelegen bijkantoor, of ten aanzien van activa, rechten of passiva die zich in Nederland bevinden dan wel waarop Nederlands recht van toepassing is, indien:

  • a. dit volgt uit een verdrag als bedoeld in artikel 93 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tussen de Europese Unie en de betreffende staat;
  • b. dit volgt uit een verdrag waarbij Nederland en de betreffende staat partij zijn;
  • c. dit volgt uit een besluit van een Europees afwikkelingscollege als bedoeld in artikel 94, tweede lid, van die richtlijn, tenzij de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 95 van die richtlijn anders beslist; of
  • d. dit volgt uit een besluit van de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 94, derde lid, van die richtlijn.
2.

Voor zover noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van een besluit als bedoeld in het eerste lid, beschikt de Nederlandsche Bank over de bevoegdheden in de afdelingen 3A.1.3 tot en met 3A.1.7 en is artikel 3A:8b van toepassing.

3.

Het eerste en tweede lid laten toepassing van de titels I en II van de Faillissementswet onverlet.

Artikel 3a:6. Toepassing van afwikkelingsbesluiten
1.

Een besluit ingevolge de afdelingen 3A.1.3, 3A.1.4 en 3A.1.5 of de artikelen 16, 18 en 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, alsmede de voorbereiding en uitvoering van dat besluit, is niet onderworpen aan enig instemmingsvereiste ingevolge de wet, de statuten of tussen de entiteit en haar aandeelhouders of leden overeengekomen regelingen ten aanzien van de besluitvorming door de algemene vergadering, met uitzondering van het vereiste van instemming van de verkrijger bij overgang van eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva.

2.

Onverminderd het bepaalde ingevolge de artikelen 81 en 83 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, is een besluit ingevolge de afdelingen 3A.1.3, 3A.1.4 en 3A.1.5 of de artikelen 16, 18 en 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, alsmede de voorbereiding en uitvoering ervan, niet onderworpen aan enig kennisgevingsvereiste of procedureel voorschrift ingevolge een ander wettelijk voorschrift.

3.

Een besluit tot afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten en de in artikel 3A:21, tweede lid, bedoelde in aanmerking komende passiva, toepassing van een afwikkelingsinstrument of omzetting van de rechtsvorm van de entiteit in afwikkeling, alsmede de voorbereiding en uitvoering van dat besluit, is niet onderworpen aan enige andere beperking uit hoofde van de wet, statuten of overeenkomst.

4.

Een besluit tot afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten of toepassing van een afwikkelingsinstrument vermeldt het tijdstip waarop het in werking treedt. De desbetreffende eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva gaan over op dit tijdstip, tenzij in het besluit anders is bepaald.

Artikel 3a:7. Toepasselijk recht op waarborgen bij overgang

De waarborgen, bedoeld in hoofdstuk VII van titel IV van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, die gelden bij overgang van een gedeelte van de activa, rechten of passiva, worden beheerst door het recht van de lidstaat van de afwikkelingsautoriteit die het besluit tot overgang heeft genomen.

Artikel 3a:8. Met afwikkeling belaste personen
1.

Met de voorbereiding en uitvoering van besluiten ingevolge dit hoofdstuk zijn belast de bij besluit van de Nederlandsche Bank aangewezen personen. De artikelen 5:12 tot en met 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

De Nederlandsche Bank is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde voorbereiding en uitvoering van besluiten.

3.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 3a:8a. Uitzondering op consolidatie

Afdeling 13 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek is niet van toepassing op de volgende rechtspersonen:

  • a. een overbruggingsinstelling als bedoeld in artikel 3A:37, voor zover deze overbruggingsinstelling houder is van eigendomsinstrumenten in een andere overbruggingsinstelling of de entiteit in afwikkeling;
  • b. een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3A:42, die tot taak heeft de eigendom in een entiteit voor activa- en passivabeheer als bedoeld in artikel 3A:41 te houden;
  • c. een bijzonder bestuurder als bedoeld in artikel 3A:49 voor zover deze zeggenschap uitoefent over een entiteit in afwikkeling, overbruggingsinstelling of een entiteit voor activa- en passivabeheer;
  • d. een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a.
Artikel 3a:8b. Uitsluiting contractuele voorwaarden
1.

Artikel 1:76b is van overeenkomstige toepassing op een besluit ingevolge de artikelen 3A:11 of 3A:11a, de afdelingen 3A.1.3, 3A.1.4 en 3A.1.5, de artikelen 16, 18 en 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een besluit van een afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat tot toepassing van een crisisbeheersingsmaatregel of crisispreventiemaatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen 101 en 102, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen of een afwikkelingsmaatregel van een staat die geen lidstaat is, dat erkend is ingevolge artikel 3A:5, of een gebeurtenis die daarmee rechtstreeks verband houdt.

2.

De uitoefening van een bevoegdheid op grond van dit hoofdstuk of de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een besluit van een afwikkelingautoriteit van een andere lidstaat of van een staat die geen lidstaat is dat is erkend ingevolge artikel 3A:5, of een gebeurtenis die daarmee rechtstreeks verband houdt, met betrekking tot een bank die een gedekte obligatie heeft uitgegeven, leidt niet tot wijziging van de rechten van de houder van een gedekte obligatie jegens een derde in verband met die gedekte obligatie.

Artikel 3a:8c. Beding in overeenkomst erkenning door partijen van bevoegdheden
1.

Een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen a tot en met f, neemt in iedere door haar gesloten financiële overeenkomst waarop het recht van een staat die geen lidstaat is van toepassing is, een bepaling op waarbij de partijen erkennen dat de financiële overeenkomst onderworpen kan zijn aan de uitoefening van bevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit met het oog op het opschorten of beperken van rechten en verplichtingen uit hoofde van de artikelen 3A:20b, 3A:20e en 3A:52 tot en met 3A:55, en ermee instemmen dat artikel 1:76b in samenhang met 3A:8b van toepassing is boven het recht dat van toepassing is op de financiële overeenkomst.

2.

De Nederlandsche Bank kan eisen dat een EU-moederonderneming met zetel in Nederland ervoor zorgt dat een of meer van haar dochterondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is en die een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling zijn of die een beleggingsonderneming zou zijn indien zij hun zetel in Nederland zouden hebben een bepaling opnemen in hun financiële overeenkomsten die uitsluit dat de uitoefening van de bevoegdheden tot opschorting of beperking van rechten en verplichtingen van de EU-moederonderneming op grond van de artikelen 3A:20b, 3A:20e, 3A:52 tot en met 3A:54 een geldige reden vormt voor vroegtijdige beëindiging, opschorting, wijziging, verrekening, uitoefening van rechten op saldering of tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten met betrekking tot die overeenkomsten. De EU-moederonderneming behoeft niet aan de eis te voldoen indien zij aantoont dat zij daartoe rechtens of feitelijk niet in staat is.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op financiële overeenkomsten die zijn aangegaan voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, tenzij na de inwerkingtreding van dit artikel daarin een nieuwe verbintenis wordt gecreëerd of een daarin opgenomen verbintenis wezenlijk wordt gewijzigd.

Afdeling 3a.1.2. Voorbereiding van afwikkeling

Artikel 3a:9. Afwikkelingsplan buiten SRM
1.

De Nederlandsche Bank stelt overeenkomstig artikel 10 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen een afwikkelingsplan vast dat voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 10 van die richtlijn, voor een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)