Wet van 28 september 2006, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht)
Er is een openbaar register dat wordt gehouden door de registerhouder en in ieder geval wordt gepubliceerd op een daartoe geschikte website. De registerhouder draagt zorg voor het goed functioneren van het register en verricht de inschrijving en doorhaling daarin op zodanige wijze dat uit het register is op te maken vanaf welk tijdstip, welke activiteiten de ingeschreven financiële ondernemingen mogen verrichten, met inbegrip van de eventueel gestelde beperkingen, alsmede de staat van de zetel.
De registerhouder draagt onverwijld zorg voor de inschrijving van:
- a. financiële ondernemingen:
- 1°. waaraan een vergunning ingevolge deze wet of een ontheffing als bedoeld in artikel 2:3.0b, vierde lid, 2:3.0g, derde lid, 2:3.0l, derde lid, 2:54i, 2:55, 2:60, 2:64a, 2:67b,2:75, 2:80, 2:86, 2:92, 2:96, 3:5, 3:6, 3:7, 3A:40, 3A:40a, 4:3 of 5:81, voor zover het een ontheffing betreft van artikel 5:74, eerste lid, of artikel 5:79, is verleend;
- 2°. waarop een vrijstelling van toepassing is, indien zij ingevolge een voorschrift dat aan die vrijstelling is verbonden de toezichthouder in kennis hebben gesteld van hun voornemen om de desbetreffende diensten te verlenen;
- 3°. waaraan het anderszins ingevolge deze wet is toegestaan vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van dienstverrichting naar Nederland, hun bedrijf uit te oefenen of financiële diensten te verlenen;
- 4°. waaraan een verklaring van ondertoezichtstelling is verleend;
- 5°. die een melding hebben gedaan als bedoeld in artikel 2:66a, derde lid, onderdeel a;
- 6°. waaraan een verbod ingevolge artikel 1:58, tweede en derde lid, 1:58a, tweede lid, 1:58b, tweede lid, 1:58c, derde lid, 1:59, tweede lid, 1:67, eerste lid, 1:77, eerste lid, derde volzin, 2:3.0e, 2:3.0j, 2:3.0n, 4:4, eerste lid, of 4:4a is opgelegd;
- 7°. die aangesloten onderneming zijn als bedoeld in artikel 2:105;
- 8°. waarop de vangnetregeling, bedoeld in afdeling 3.5.6, van toepassing is;
- 9°. waarmee een overeenkomst in de zin van artikel 4:62m, tweede lid, is afgesloten of die worden beheerd door beheerders van beleggingsinstelling of beheerders van icbe’s waaraan een vergunning is verleend of die een melding hebben gedaan als bedoeld in artikel 2:66a, derde lid, onderdeel a; deze financiële ondernemingen worden, indien van toepassing, in het register opgenomen bij de betreffende beheerder;
- 10°. die zich hebben gemeld als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten met veranderlijk kapitaal;
- 11°. die zijn aangemeld overeenkomstig artikel 2:81, tweede lid, onderdeel b; deze worden in het register opgenomen bij de betrokken aanbieder of aanbieders of de betrokken bemiddelaar in verzekeringen of bemiddelaars in verzekeringen;
- 12°. die ingevolge artikel 2:99 of 4:26 aan de Autoriteit Financiële Markten hebben gemeld voornemens te zijn het bedrijf van beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling uit te oefenen;
- 13°. die zijn aangemeld overeenkomstig artikel 2:97, vijfde lid, aanhef en onderdeel b; deze worden in het register opgenomen bij de betrokken beleggingsonderneming; en
- 14°. die hun bedrijf afwikkelen overeenkomstig artikel 1:104, derde lid;
- b. marktexploitanten waaraan een vergunning of een ontheffing ingevolge deze wet is verleend en welke activiteiten de ingeschreven marktexploitanten mogen verrichten; en
- c. aanbieders van diensten die krachtens artikel 1:5a, derde lid, verplicht zijn tot het doen van een kennisgeving aan de Nederlandsche Bank.
Onverminderd het eerste lid draagt de toezichthouder onverwijld zorg voor de inschrijving van:
- a. de naam en woonplaats van de vertegenwoordiger in Nederland van een verzekeraar met bijkantoor in Nederland of die diensten verricht naar Nederland;
- b. de aard van de overeenkomsten van levensverzekering voorzover het levensverzekeraars betreft die door middel van dienstverrichting hun bedrijf in Nederland uitoefenen, dan wel de aard van de risico’s van schadeverzekering voorzover het entiteiten voor risicoacceptatie, herverzekeraars of schadeverzekeraars betreft die door middel van dienstverrichting hun bedrijf in Nederland uitoefenen;
- c. de gegevens die moeten worden gemeld op grond van:
- 1°. hoofdstuk 5.3, met dien verstande dat deze gegevens worden ingeschreven binnen een werkdag volgend op de werkdag waarop de registerhouder de betreffende melding heeft ontvangen en met uitzondering van adresgegevens van meldingsplichtige natuurlijke personen;
- 2°. artikel 17, eerste en achtste lid, van de verordening marktmisbruik, met inbegrip van het tijdstip waarop de informatie door de uitgevende instelling openbaar is gemaakt; en
- 3°. artikel 19 van de verordening marktmisbruik, met uitzondering van de adresgegevens van de meldingsplichtigen;
- d. prospectussen die op grond van de prospectusverordening zijn goedgekeurd door de Autoriteit Financiële Markten;
- e. de namen van de staten die Onze Minister heeft aangewezen ingevolge de artikelen 2:6, 2:26d, 2:50, 2:54l en 2:66, alsmede de namen van de staten die de Europese Commissie heeft aangewezen ingevolge de artikelen 172, tweede lid, 227, vierde lid, of 260, derde lid, van de richtlijn solvabiliteit II;
- f. de lidstaten waarnaar een ingeschreven verzekeraar bevoegd is diensten te verlenen en de namen van de natuurlijke personen die het beleid van de verzekeraar bepalen;
- g. de lidstaten waarnaar een ingeschreven herverzekeringsbemiddelaar bevoegd is diensten te verlenen en de namen van de natuurlijke personen die het beleid van de herverzekeringsmiddelaar bepalen;
- h. de lidstaten waarin een ingeschreven bemiddelaar in hypothecair krediet of een ingeschreven bemiddelaar in verzekeringen bevoegd is te bemiddelen en de namen van de natuurlijke personen die het beleid van de bemiddelaar bepalen;
- i. de naam van de verzekeraar voor wie de volmacht van een ingeschreven gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent geldt en de namen van de natuurlijke personen die het beleid van de gevolmachtigde agent of de ondergevolmachtigde agent bepalen;
- j. de financiële producten ten aanzien waarvan een ingeschreven financiëledienstverlener ingevolge deze wet diensten mag verlenen, alsmede de aard van de desbetreffende diensten;
- k. de marktexploitant of de beleggingsonderneming waaraan het ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 1:58c, derde lid, niet is toegestaan hun voorzieningen in Nederland beschikbaar te stellen voor in Nederland gevestigde leden of deelnemers op afstand;
- l. multilaterale handelsfaciliteiten die overeenkomstig artikel 4:91ea, eerste lid, zijn geregistreerd als mkb-groeimarkt, indien vanuit deze bijkantoren diensten worden aangeboden in een andere lidstaat;
- m. de naam en woonplaats van de vertegenwoordiger van een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die in Nederland uitsluitend beleggingsdiensten verleent aan professionele beleggers als bedoeld in bijlage II, afdeling I, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 of in aanmerking komende tegenpartijen;
- n. betaaldienstagenten en de bijkantoren van een betaalinstelling, en een bijkantoor van een elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland, indien vanuit dit bijkantoor betaaldiensten worden aangeboden in een andere lidstaat;
- o. biedingsberichten die op grond van de artikelen 5:74 en 5:76 zijn goedgekeurd alsmede openbare mededelingen die ingevolge de bij of krachtens artikelen 5:25m, vijfde lid, en 5:76, tweede lid, gestelde regels door de Autoriteit Financiële Markten zijn ontvangen;
- p. betaaldienstagenten van een elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland.
Indien van toepassing wordt bij doorhaling vermeld dat het desbetreffende besluit nog niet onherroepelijk is.
Artikel 1:108
De registerhouder houdt de in artikel 1:107 bedoelde gegevens gedurende ten minste vijf jaar voor een ieder kosteloos ter inzage in het register. De registerhouder verstrekt aan een ieder desgevraagd, tegen betaling van de kostprijs, afschriften uit het register.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting en werking van het register.
Artikel 1:109
De Nederlandsche Bank publiceert op haar website:
- a. de informatie, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel a, van de richtlijn gedekte obligaties;
- b. een actuele lijst van banken waaraan de Nederlandsche Bank toestemming heeft verleend om in het kader van een programma gedekte obligaties uit te geven; en
- c. een actuele lijst van gedekte obligaties die het label «Europese gedekte obligatie» mogen gebruiken en een actuele lijst van gedekte obligaties die het label «Europese gedekte obligatie (premium)» mogen gebruiken als bedoeld in artikel 27 van de richtlijn gedekte obligaties.
Artikel 1:109a
De Autoriteit Financiële Markten houdt een lijst bij van gereglementeerde markten waarvoor Onze Minister een vergunning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, heeft verleend en zendt deze lijst aan de overige lidstaten en aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten.
Artikel 1:109b
De Autoriteit Financiële Markten publiceert op haar website in een taal die in de internationale financiële kringen gebruikelijk is:
- a. de informatie, bedoeld in artikel 30 van de richtlijn 2010/42/EU van de Europese Commissie van 1 juli 2010 tot uitvoering van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie ten aanzien van sommige bepalingen betreffende fusies van fondsen, master-feeder constructies en de kennisgevingsprocedure (PbEU L 176); en
- b. alle actuele regelgeving, administratieve procedures en overige informatie die relevant is voor het aanvragen van een vergunning voor een icbe en het aanbieden van rechten van deelneming in een icbe.
De Autoriteit Financiële Markten publiceert de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, in de vorm van een verhalende beschrijving en een reeks van referenties of links naar brondocumenten.
Afdeling 1.6.3. Europees centraal toegangspunt
Artikel 1:110
De Autoriteit Financiële Markten en de Nederlandsche Bank worden aangewezen als verzamelende instanties als bedoeld in de artikelen 2, onderdeel 2, en 3, tweede lid, van de verordening oprichting ESAP.
De Autoriteit Financiële Marken en de Nederlandsche Bank verstrekken de informatie die zij ontvangen, zelf genereren of openbaar maken in hun hoedanigheid van verzamelende instantie, aan het Europees centraal toegangspunt, met inachtneming van de vereisten uit artikel 5 van de verordening oprichting ESAP.
Hoofdstuk 1.7. Beloningsbeleid
Afdeling 1.7.1. Definities en reikwijdte
Artikel 1:111
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- variabele beloning: het deel van de totale beloning dat geen vaste beloning is;
- vaste beloning: het deel van de totale beloning dat bestaat uit onvoorwaardelijke financiële of niet-financiële voordelen zoals uitgewerkt in het beloningsbeleid van de onderneming of in overeenkomsten ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden voor de onderneming.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen aanvullende regels worden gesteld met betrekking tot de als vaste of variabele delen van de beloning aan te merken bestanddelen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 1:112
De afdelingen 1.7.2 en 1.7.3 zijn van toepassing op financiële ondernemingen waarop artikel 3:17, 4:14 of 4:15 van toepassing is.
De afdelingen 1.7.4 tot en met 1.7.6 zijn van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in Nederland en financiële ondernemingen die ingevolge het deel Markttoegang financiële ondernemingen vergunningplichtig zijn voor activiteiten van een bijkantoor in Nederland.
Artikel 1:113
Een financiële onderneming met zetel in Nederland draagt er zorg voor dat de in de afdelingen 1.7.4 tot en met 1.7.6 opgenomen regels ook door haar dochterondernemingen worden toegepast.
Een financiële onderneming met zetel in Nederland waarop artikel 3:17, 4:14 of 4:15 van toepassing is draagt er tevens zorg voor dat haar dochterondernemingen een beloningsbeleid voeren dat in overeenstemming is met de eisen van afdeling 1.7.2. Afdeling 1.7.3 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat aan de in die afdeling geregelde openbaarmakings- en informatieverplichtingen zowel door de financiële onderneming als door de dochteronderneming uitvoering mag worden gegeven.
Artikel 1:114
Indien een financiële onderneming met zetel in Nederland behoort tot een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de aan het hoofd van die groep staande groepsmaatschappij haar zetel eveneens in Nederland heeft, draagt de aan het hoofd van de groep staande groepsmaatschappij er zorg voor dat de in de afdelingen 1.7.4 tot en met 1.7.6 opgenomen regels door alle tot de groep behorende rechtspersonen en vennootschappen worden toegepast.
De aan het hoofd van de groep staande groepsmaatschappij draagt er tevens zorg voor dat alle tot de groep behorende rechtspersonen en vennootschappen een beloningsbeleid voeren dat in overeenstemming is met de eisen die ingevolge afdeling 1.7.2 aan het beloningsbeleid van de tot de groep behorende financiële ondernemingen worden gesteld. Afdeling 1.7.3 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat aan de in die afdeling geregelde openbaarmakings- en informatieverplichtingen zowel door de aan het hoofd van de groep staande groepsmaatschappij als door de afzonderlijke tot de groep behorende rechtspersonen en vennootschappen uitvoering mag worden gegeven.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de hoofdactiviteiten van de groep niet bestaan uit het aanbieden van financiële producten of het verlenen van financiële diensten.
Artikel 1:115
Het toezicht op de aan het hoofd van een groep als bedoeld in artikel 1:114 staande groepsmaatschappij wordt uitgeoefend door de toezichthouder die vergunning heeft verleend aan de in artikel 1:114, eerste lid, bedoelde financiële onderneming.
Indien door beide toezichthouders vergunningen zijn verleend aan tot de groep behorende financiële ondernemingen, wordt het in het eerste lid bedoelde toezicht uitgeoefend door de, gelet op de hoofdactiviteiten van de tot de groep behorende financiële ondernemingen met zetel in Nederland, meest betrokken toezichthouder.
Artikel 1:116
Een financiële onderneming of de aan het hoofd van een groep als bedoeld in artikel 1:114 staande groepsmaatschappij draagt er zorg voor dat geen gebruik wordt gemaakt van constructies of methoden die het ontwijken van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen mogelijk maken.
Een financiële onderneming of de aan het hoofd van een groep als bedoeld in artikel 1:114 staande groepsmaatschappij draagt er zorg voor dat personen werkzaam onder haar verantwoordelijkheid van derden geen financiële of niet-financiële voordelen ontvangen die het door de onderneming vastgestelde passende niveau overschrijden.
In afwijking van artikel 1:23 zijn rechtshandelingen in strijd met de bij of krachtens de artikelen 1:121, eerste tot en met zesde lid, 1:122, 1:124, 1:125, 1:127, tweede en derde lid of 1:128, eerste lid, gestelde regels, nietig.
Afdeling 1.7.2. Beheerst beloningsbeleid
Artikel 1:117
Een financiële onderneming waarop artikel 3:17, 4:14 of 4:15 van toepassing is, voert als onderdeel van de in die artikelen bedoelde beheerste bedrijfsvoering een beheerst beloningsbeleid, dat schriftelijk wordt vastgelegd.
Het beloningsbeleid is afgestemd op de omvang en organisatie van de onderneming en op de aard, reikwijdte en complexiteit van haar activiteiten, en is genderneutraal.
De onderneming beschikt over procedures en maatregelen ter implementatie, uitvoering en instandhouding van het beloningsbeleid.
De toezichthouder kan nadere regels stellen met betrekking tot:
- a. de wijze waarop het beloningsbeleid wordt opgesteld en vastgesteld of goedgekeurd, uitgevoerd, geëvalueerd en aangepast;
- b. de wijze waarop vorm wordt gegeven aan beloningscomponenten en beloningsstructuren en de wijze waarop de risico’s die uit het beleid en de uitvoering daarvan voortvloeien, worden beheerst.
Bij het vaststellen van de regels, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, voor banken, beleggingsondernemingen met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend en de ondernemingen, bedoeld in artikel 109, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, neemt de toezichthouder de relevante bepalingen van de richtlijn kapitaalvereisten en, waar het beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen betreft, van laatstgenoemde richtlijn in acht. Voor de toepassing van artikel 94, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de richtlijn kapitaalvereisten en artikel 32, vierde lid, aanhef en onderdeel b, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen geldt als bovengrens een jaarlijkse variabele beloning van EUR 50.000,–, die niet meer dan 10% van de totale jaarlijkse beloning van het personeelslid bedraagt.
Artikel 1:118
Het beloningsbeleid van een financiële onderneming waarop artikel 3:17 van toepassing is, omschrijft de beloningscomponenten en beloningsstructuren die ertoe zouden kunnen bijdragen dat de onderneming meer risico’s neemt dan voor haar aanvaardbaar is, alsmede de te volgen procedures en maatregelen die dergelijke beloningscomponenten en beloningsstructuren voorkomen en beheersen. Het beloningsbeleid strookt met de resultaten, de financiële soliditeit, de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de onderneming en is in overeenstemming met, en draagt bij aan een degelijk en doeltreffend risicobeheer.
Het beloningsbeleid omvat ten minste de volgende elementen:
- a. de binnen de onderneming geldende passende verhoudingen tussen de vaste en variabele beloning;
- b. de verhouding tussen de toegekende en uitgekeerde variabele beloning;
- c. de samenstelling van de variabele beloning;
- d. de criteria en prestaties waar de variabele beloning op wordt gebaseerd, waaronder de prestaties van een natuurlijk persoon werkzaam onder zijn verantwoordelijkheid, het bedrijfsonderdeel en de onderneming;
- e. hoe de beloningen binnen de onderneming zich verhouden tot de functie van de onderneming in de sector en de positie in de samenleving alsmede de wijze van totstandkoming van deze verhouding.
Bij de beoordeling van de in het tweede lid, onderdeel d, bedoelde prestaties worden zowel financiële als niet-financiële criteria gehanteerd. De variabele beloning wordt voor ten minste 50% gebaseerd op niet-financiële criteria.
Artikel 1:119
Het beloningsbeleid van een financiële onderneming waarop artikel 4:14 of 4:15 van toepassing is, omschrijft onder verwijzing naar de specifieke financiële diensten of andere activiteiten die door of in naam van de onderneming worden verleend of verricht, de beloningscomponenten en beloningsstructuren die kunnen leiden tot het risico van onzorgvuldige behandeling van consumenten, cliënten, deelnemers, pensioendeelnemers of pensioengerechtigden, alsmede de te volgen procedures en maatregelen die dat risico voorkomen en beheersen. Het beloningsbeleid is erop gericht te voorkomen dat consumenten, cliënten, deelnemers, pensioendeelnemers of pensioengerechtigden onzorgvuldig worden behandeld.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een in Nederland gelegen bijkantoor van een beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat.
Artikel 1:118, tweede lid, aanhef en onderdelen a, c, d en e, en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 1.7.3. Publicatie- en informatieverplichtingen
Artikel 1:120
Een financiële onderneming waarop artikel 1:117 van toepassing is, neemt, indien zij verplicht is een bestuursverslag op te stellen, in haar bestuursverslag een beschrijving op van haar beloningsbeleid. Indien zij over een website beschikt, maakt zij deze beschrijving ook op haar website openbaar.
In de beschrijving neemt de onderneming eveneens op:
- a. hoeveel onder haar verantwoordelijkheid werkzame natuurlijke personen een totale jaarlijkse beloning van 1 miljoen euro of meer ontvangen, alsmede het bedrijfsonderdeel waar zij in hoofdzaak werkzaamheden voor verrichten;
- b. het jaarlijks aan natuurlijke personen werkzaam onder haar verantwoordelijkheid uitgekeerde bedrag aan variabele beloningen.
De toezichthouder kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze van openbaarmaking van het beloningsbeleid.
Een financiële onderneming die artikel 1:121, tweede lid, toepast, doet daarvan jaarlijks gemotiveerd mededeling aan de toezichthouder.
Een financiële onderneming die artikel 1:121, derde of vierde lid toepast, en bank of verzekeraar is, verstrekt jaarlijks aan de toezichthouder informatie over de wijze van toepassing van artikel 1:121 door de financiële onderneming. De toezichthouder kan nadere regels stellen met betrekking tot de te verstrekken informatie ingevolge de eerste volzin.
Afdeling 1.7.4. Maximale variabele beloning
Artikel 1:121
De variabele beloning die een financiële onderneming met zetel in Nederland toekent aan een natuurlijk persoon werkzaam onder haar verantwoordelijkheid, bedraagt ten hoogste 20% van de vaste beloning van die persoon op jaarbasis.
In afwijking van het eerste lid kan een financiële onderneming in uitzonderlijke gevallen aan een natuurlijk persoon, niet zijnde een persoon die een interne controlefunctie verricht of zich rechtstreeks bezighoudt met het verlenen van financiële diensten aan consumenten, werkzaam onder haar verantwoordelijkheid, die in hoofdzaak werkzaamheden binnen Nederland verricht en wiens beloning niet of niet uitsluitend volgt uit een collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst, een variabele beloning toekennen die hoger is dan het in het eerste lid bedoelde percentage, mits:
- a. het gemiddelde van de verhoudingen tussen de vaste en variabele beloningen van alle onder verantwoordelijkheid van de onderneming werkzame personen die in hoofdzaak werkzaamheden binnen Nederland verrichten en wier beloning niet uitsluitend uit een collectieve arbeidsovereenkomst als hiervoor omschreven volgt, niet meer dan 20% bedraagt; en
- b. de in de aanhef bedoelde variabele beloning niet meer dan 100% bedraagt van de vaste beloning op jaarbasis.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de variabele beloning van een natuurlijk persoon werkzaam onder verantwoordelijkheid van de onderneming ten hoogste het percentage bedoeld in artikel 94, eerste lid, onderdeel g, onder i, eerste volzin, van de richtlijn kapitaalvereisten, indien deze persoon zijn werkzaamheden in hoofdzaak uitoefent in een andere staat.
In afwijking van het eerste lid kunnen aandeelhouders, eigenaren of leden van de financiële onderneming in overeenstemming met de procedure, bedoeld in artikel 94, eerste lid, onderdeel g, onder ii, van de richtlijn kapitaalvereisten, goedkeuren dat de variabele beloning van een natuurlijk persoon werkzaam onder verantwoordelijkheid van de onderneming ten hoogste het percentage bedoeld in artikel 94, eerste lid, onderdeel g, onder ii, van de richtlijn kapitaalvereisten bedraagt, indien deze persoon zijn werkzaamheden in hoofdzaak uitoefent in een staat die geen lidstaat is.
Indien over een periode van vijf aaneengesloten kalenderjaren ten minste 75% van alle onder de verantwoordelijkheid van de tot een groep als bedoeld in artikel 1:114 behorende rechtspersonen en vennootschappen werkzame natuurlijke personen gedurende ten minste drie van die vijf jaren in hoofdzaak werkzaam waren buiten Nederland, bedraagt in afwijking van het eerste lid de variabele beloning van een natuurlijke persoon werkzaam onder verantwoordelijkheid van de aan het hoofd van die groep staande groepsmaatschappij ten hoogste het percentage, bedoeld in artikel 94, eerste lid, onderdeel g, onder i, eerste volzin, van de richtlijn kapitaalvereisten.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van financiële ondernemingen met zetel in een andere staat, niet zijnde een financiële onderneming waarop de artikelen 92 tot en met 96 van de richtlijn kapitaalvereisten of de artikelen 30 tot en met 34 van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen van toepassing zijn. Het toezicht op het bijkantoor dat geen ingevolge het deel Markttoegang financiële ondernemingen vergunningplichtige activiteiten verricht, wordt uitgeoefend door de toezichthouder die, indien de onderneming haar zetel in Nederland had gehad, op grond van het Deel Markttoegang tot vergunningverlening bevoegd zou zijn geweest.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
- a. beheerders van beleggingsinstellingen;
- b. beheerders van icbe’s; en
- c. beleggingsondernemingen die uitsluitend voor eigen rekening handelen met eigen middelen en kapitaal en geen externe cliënten hebben.
In afwijking van het eerste lid, bedraagt de variabele beloning die een financiële onderneming, bedoeld in het zevende lid, toekent aan een natuurlijke persoon werkzaam onder haar verantwoordelijkheid wier werkzaamheden het risicoprofiel of de bedrijfsactiviteiten van de instellingen binnen de groep wezenlijk beïnvloeden, ten hoogste het percentage bedoeld in artikel 94, eerste lid, onderdeel g, onder i, van de richtlijn kapitaalvereisten, van de vaste beloning van die persoon op jaarbasis, indien die financiële onderneming een dochteronderneming is van een financiële onderneming waarop toezicht plaatsvindt als bedoeld in titel II van deel 1 van de verordening kapitaalvereisten.
In afwijking van het achtste lid kunnen aandeelhouders, eigenaren of leden van financiële ondernemingen als bedoeld in het zevende lid in overeenstemming met de procedure, bedoeld in artikel 94, eerste lid, onderdeel g, onder ii, van de richtlijn kapitaalvereisten, goedkeuren dat de variabele beloning van een natuurlijk persoon als bedoeld in het achtste lid ten hoogste het percentage, bedoeld in artikel 94, eerste lid, onderdeel g, onder ii, van de richtlijn kapitaalvereisten, bedraagt, indien deze persoon zijn werkzaamheden in hoofdzaak uitoefent in een staat die geen lidstaat is.
Artikel 1:122
Een financiële onderneming kan, in afwijking van artikel 1:121, eerste lid, aan een onder haar verantwoordelijkheid werkzame natuurlijk persoon een variabele beloning toekennen die hoger is dan het in dat artikel bedoelde percentage, indien:
- a. de variabele beloning noodzakelijk is in verband met een duurzame organisatiewijziging van de onderneming;
- b. de variabele beloning uitsluitend strekt tot het behouden van de in de aanhef bedoelde persoon voor de onderneming;
- c. de variabele beloning niet tot gevolg heeft dat de som van variabele beloningen de percentages bedoeld in artikel 94, eerste lid, onderdeel g, onder i, eerste volzin en onder ii van de richtlijn kapitaalvereisten overschrijdt; en
- d. de toezichthouder schriftelijk heeft ingestemd met de toekenning van de variabele beloning.
Op de aanvraag om instemming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, door een instelling ten aanzien waarvan de Europese Centrale Bank bevoegd is toezicht uit te oefenen op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, wordt door de toezichthouder binnen negen weken beslist. Op andere aanvragen om instemming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt door de toezichthouder binnen zes weken beslist.
Artikel 1:123
Artikel 1:121 is tot en met 31 december 2015 niet van toepassing op de toekenning van variabele beloningen die voortvloeien uit een door een financiële onderneming voorafgaande aan 1 januari 2015 aangegane verplichting.
Afdeling 1.7.5. Verbod op gegarandeerde variabele beloningen
Artikel 1:124
Een financiële onderneming kent aan natuurlijke personen werkzaam onder haar verantwoordelijkheid geen gegarandeerde variabele beloningen toe.
In afwijking van het eerste lid kan een financiële onderneming aan een natuurlijk persoon werkzaam onder haar verantwoordelijkheid een gegarandeerde variabele beloning toekennen, indien:
- a. de gegarandeerde variabele beloning van die persoon betrekking heeft op het aanvangen van de werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van de onderneming;
- b. die persoon op het moment van toekenning niet langer dan één jaar werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de onderneming; en
- c. de onderneming over een gezond toetsingsvermogen, gezonde solvabiliteitsmarge of gezond eigen vermogen beschikt.
Afdeling 1.7.6. Maximale vertrekvergoeding
Artikel 1:125
Een financiële onderneming keert aan een natuurlijk persoon werkzaam onder haar verantwoordelijkheid geen vertrekvergoeding uit, indien sprake is van:
- a. voortijdige beëindiging van de arbeidsrelatie op initiatief van de in de aanhef bedoelde natuurlijk persoon, tenzij dit het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever;
- b. ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de vervulling van zijn functie door de in de aanhef bedoelde natuurlijk persoon; of
- c. falen van de onderneming, indien de in de aanhef bedoelde natuurlijke persoon het dagelijks beleid van de onderneming bepaalt.
De onderneming keert aan een persoon die het dagelijks beleid van de onderneming bepaalt geen vertrekvergoeding uit die meer dan 100% bedraagt van de vaste beloning op jaarbasis.
Het tweede lid is tot en met 1 juli 2015 niet van toepassing op aan personen die het dagelijks beleid van de onderneming bepalen, niet zijnde bestuurders van een bank of verzekeraar, uit te keren vertrekvergoedingen die voortvloeien uit een door de onderneming voorafgaande aan 1 januari 2015 aangegane verplichting.
Afdeling 1.7.7. Terugvordering en aanpassing van variabele beloningen
Artikel 1:126
De bevoegdheden, bedoeld in artikel 135, zesde en achtste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gelden, voor zover niet reeds op grond van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing, tevens voor:
- a. financiële ondernemingen met zetel in Nederland;
- b. dochterondernemingen als bedoeld in artikel 1:113;
- c. de tot een groep waarop artikel 1:114, eerste lid, van toepassing is behorende rechtspersonen en vennootschappen.
In aanvulling op artikel 135, zesde en achtste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn de in dat artikel bedoelde bevoegdheden van overeenkomstige toepassing op alle natuurlijke personen werkzaam onder verantwoordelijkheid van:
- a. financiële ondernemingen met zetel in Nederland;
- b. dochterondernemingen als bedoeld in artikel 1:113;
- c. tot een groep waarop artikel 1:114, eerste lid, van toepassing is behorende rechtspersonen en vennootschappen.
De in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden komen, voor zover door artikel 135, zesde en achtste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek niet in een bevoegdheidstoedeling is voorzien, toe aan het orgaan dat of degene die binnen een in het eerste lid bedoelde onderneming, rechtspersoon of vennootschap de beloning vaststelt.
De toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 135, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, mag er niet toe leiden dat de bonus van een persoon als bedoeld in artikel 1:126, tweede lid, opwaarts wordt aangepast.
Artikel 1:127
Een financiële onderneming met zetel in Nederland beschikt over procedures en criteria betreffende de toepassing van de in artikel 1:126 en het tweede en derde lid van dit artikel bedoelde bevoegdheden.
In aanvulling op artikel 135, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek verlaagt de financiële onderneming de hoogte van een aan een natuurlijk persoon werkzaam onder haar verantwoordelijkheid toegekende variabele beloning in ieder geval, indien:
- a. de persoon niet heeft voldaan aan passende normen inzake bekwaamheid en correct gedrag; of
- b. de persoon verantwoordelijk was voor gedragingen die ertoe hebben geleid dat de financiële positie van de onderneming aanmerkelijk is verslechterd.
In aanvulling op artikel 135, achtste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vordert een financiële onderneming een aan een natuurlijk persoon werkzaam onder haar verantwoordelijkheid uitgekeerde variabele beloning in ieder geval terug, indien die persoon:
- a. niet heeft voldaan aan passende normen inzake bekwaamheid en correct gedrag; of
- b. verantwoordelijk was voor gedragingen die ertoe hebben geleid dat de positie van de onderneming aanmerkelijk is verslechterd.
Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op:
- a. dochterondernemingen als bedoeld in artikel 1:113;
- b. de tot een groep waarop artikel 1:114, eerste lid, van toepassing is behorende rechtspersonen en vennootschappen.
De in artikel 1:113, eerste lid, bedoelde financiële onderneming of de aan het hoofd van een groep als bedoeld in artikel 1:114, eerste lid, staande groepsmaatschappij draagt zorg voor de naleving van de ingevolge het vierde lid op dochterondernemingen, onderscheidenlijk de tot een groep behorende rechtspersonen of vennootschappen, rustende verplichtingen.
Afdeling 1.7.8. Verbod op variabele beloning bij staatssteun
Artikel 1:128
Indien een financiële onderneming in verband met de stabiliteit van het financiële stelsel steun geniet of heeft genoten in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of elke andere openbare financiële steun op supranationaal niveau die als hij op nationaal niveau werd verstrekt, staatssteun zou vormen, worden de door die onderneming aan personen die haar dagelijks beleid bepalen en aan personen die een leidinggevende functie vervullen direct onder het echelon van de dagelijks beleidsbepalers en verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden over de periode, waarin steun wordt of is genoten, toe te kennen of uit te keren beloningen, alsmede de door die onderneming aan personen die haar dagelijks beleid bepalen en aan personen die een leidinggevende functie vervullen direct onder het echelon van de dagelijks beleidsbepalers en verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden over de periode, voorafgaande aan de steunverlening, toe te kennen of uit te keren beloningen, voor zover die beloningen op het tijdstip dat de steunverlening aanving nog niet waren toegekend of uitgekeerd, van rechtswege:
- a. op een waarde van € 0 gesteld, voor zover het betreft variabele beloningen; en
- b. op de waarde gesteld die zij hadden op het moment, onmiddellijk voorafgaand aan het van kracht worden van de steunmaatregel, voor zover het betreft vaste beloningen.
Een financiële onderneming kent geen beloningen toe en keert geen beloningen uit in strijd met het eerste lid.
Het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming, ziet toe op de naleving van het tweede lid.
Indien de steun is verleend aan een groep in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een tot zodanige groep behorende rechtspersoon of vennootschap, wordt de aan het hoofd van die groep staande groepsmaatschappij voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid aangemerkt als de in die leden bedoelde financiële onderneming en gelden die leden tevens voor de tot die groep behorende banken en verzekeraars met zetel in Nederland.
Indien de aan het hoofd van een groep als bedoeld in het vierde lid staande groepsmaatschappij haar zetel buiten Nederland heeft, wordt in afwijking van het vierde lid de binnen de groep hiërarchisch hoogste groepsmaatschappij met zetel in Nederland aangemerkt als de in het eerste tot en met derde lid bedoelde financiële onderneming.
Artikel 1:129
Met steun aan een financiële onderneming wordt voor de toepassing van artikel 1:128 gelijkgesteld:
- a. een deelneming van de Staat der Nederlanden in verband met de stabiliteit van het financiële stelsel in die onderneming, of:
- b. indien de onderneming deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek: een deelneming van de Staat der Nederlanden in verband met de stabiliteit van het financiële stelsel in een andere tot die groep behorende groepsmaatschappij.
De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra de Staat der Nederlanden geen aandelen van de onderneming meer bezit.
Afdeling 1.7.9. Retentieperiode van financiële instrumenten in vaste beloningen
Artikel 1:130
Een financiële onderneming draagt er zorg voor dat aandelen of andere financiële instrumenten waarvan de waarde afhankelijk is van de waarde van de onderneming, die bestanddeel vormen van een vaste beloning van een natuurlijk persoon werkzaam onder haar verantwoordelijkheid, gedurende een periode van ten minste 5 jaar na verwerving worden aangehouden.
2. Deel Markttoegang Financiële Ondernemingen
Hoofdstuk 2.1. Inleidende bepalingen
Artikel 2:1
Vergunningen en ontheffingen, verleend ingevolge deze wet, zijn persoonlijk en niet overdraagbaar.
Artikel 2:2
Indien de toezichthouder bij de verlening van een vergunning een ontheffing als bedoeld in artikel 2:3.0b, vierde lid, 2:3.0d, vierde lid, 2:3.0e, achtste lid, 2:3.0g, vierde lid, 2:5, derde lid, 2:7, derde lid, 2:17, derde lid, 2:21, derde lid, 2:26b, vierde lid, 2:26e, derde lid, 2:31, vierde lid, 2:37, derde lid, 2:41, derde lid, 2:49, derde lid, 2:51, derde lid, 2:54b, vierde lid, 2:54e, derde lid, 2:54h, derde lid,2:54j, derde lid, 2:54m, derde lid, 2:58, derde lid, 2:63, derde lid, 2:67b, vierde lid, 2:78, derde lid, 2:83, derde lid, 2:89, derde lid, 2:94, derde lid, of 2:99, zesde lid, verleent, geldt die ontheffing tevens als een ontheffing van de dienovereenkomstige regels ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen onderscheidenlijk het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen.
Indien de ECB bij de verlening van een vergunning een ontheffing als bedoeld in artikel 2:12, vijfde lid, verleent, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2:3
Indien, onverminderd artikel 2:2, de Autoriteit Financiële Markten bij de verlening van een vergunning,waarbij ingevolge artikel 1:48 advies aan de Nederlandsche Bank is gevraagd, tevens een ontheffing als bedoeld in artikel 2:67b, vierde lid, of 2:99, zesde lid, verleent, is de Autoriteit Financiële Markten bevoegd tegelijkertijd ontheffing te verlenen van de dienovereenkomstige regels ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen, indien het advies daartoe aanleiding geeft. In die gevallen worden de door de Nederlandsche Bank eventueel geadviseerde voorschriften verbonden aan die ontheffing. Die ontheffing wordt geacht te zijn verleend door de Nederlandsche Bank voorzover betrekking hebbend op regels ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen.
Hoofdstuk 2.2. Toegang tot de Nederlandse financiële markten
Afdeling 2.2.a1. Uitoefenen van bedrijf van afwikkelonderneming
§ 2.2.a1.1. Vergunningplicht en -eisen voor afwikkelondernemingen met zetel in Nederland
Artikel 2:3.0a
Een ieder met zetel in Nederland die voornemens is het bedrijf van afwikkelonderneming uit te oefenen jegens betaaldienstverleners met wie zij niet in een groep is verbonden, geeft daarvan kennis aan de Nederlandsche Bank onder vermelding ten aanzien van welke in de definitie van afwikkeldiensten onderscheiden werkzaamheden hij dat voornemen heeft.
De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de ontvangst hiervan onverwijld mede aan de persoon die de kennisgeving heeft gedaan.
Een afwikkelonderneming kan overgaan tot de uitoefening van haar bedrijf, nadat zij de mededeling, bedoeld in het derde lid, van de Nederlandsche Bank heeft ontvangen.
Artikel 2:3.0b
Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf van afwikkelonderneming uit te oefenen jegens een betaaldienstverlener met wie hij niet een in groep is verbonden, indien het aantal in Nederland verrichte girale betalingstransacties ten aanzien waarvan hij afwikkeldiensten heeft verleend jegens betaaldienstverleners met wie zij niet in een groep is verbonden, gemeten over het voorgaande kalenderjaar, het op grond van het tweede lid vastgestelde aantal transacties overschrijdt.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt het aantal in Nederland verrichte girale betalingstransacties vastgesteld waarboven een vergunning als bedoeld in het eerste lid vereist is.
De Nederlandsche Bank vermeldt in de vergunning voor welke in de definitie van afwikkeldiensten onderscheiden werkzaamheden zij de vergunning verleent.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid voor de periode die verstrijkt op het tijdstip dat zij heeft beslist op de aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:3.0c
Een ieder met zetel in Nederland die het bedrijf van afwikkelonderneming uitoefent, geeft jaarlijks voor 1 maart kennis aan de Nederlandsche Bank van het aantal in Nederland verrichte girale betalingstransacties ten aanzien waarvan hij in het voorgaande kalender afwikkeldiensten heeft verleend jegens betaaldienstverleners met wie zij niet in een groep is verbonden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving.
Artikel 2:3.0d
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:3.0b, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
- a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
- b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
- c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
- d. artikel 3:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt;
- e. artikel 3:16, eerste en derde lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
- f. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
- g. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit;
- h. artikel 3:73b, met betrekking tot het effectief verlenen van diensten;
- i. artikel 3:267.0a, met betrekking tot een prudent beleggingsbeleid;
- j. artikel 4:76a met betrekking tot het bieden van eerlijke en vrije toegang tot haar diensten en systemen op basis van objectieve en risicogebaseerde deelnemingscriteria;
- k. artikel 4:76b, eerste en tweede lid, met betrekking tot het tijdig en efficiënt verlenen van haar diensten en het beschikken over mechanismen waarmee periodiek het kostenniveau, prijsniveau en serviceniveau en de efficiëntie van de door de afwikkelonderneming verleende diensten worden beoordeeld;
- l. artikel 4:76c, eerste lid, met betrekking tot het hebben van internationaal aanvaarde communicatieprocedures en standaarden;
- m. artikel 4:76d, eerste lid, met betrekking tot het bieden aan een betaaldienstverlener van inzicht in financiële risico’s en kosten.
De aanvrager vermeldt in de aanvraag voor welke in de definitie van afwikkeldiensten onderscheiden werkzaamheden hij de vergunning aanvraagt.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, d of f, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:3.0e
De Nederlandsche Bank kan een afwikkelonderneming als bedoeld in artikel 2:3.0a waaraan geen vergunning tot uitoefening van het bedrijf van afwikkelonderneming is verleend, verbieden haar bedrijf uit te oefenen jegens betaaldienstverleners met wie zij niet in een groep is verbonden, indien die onderneming niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels.
§ 2.2.a1.2. Bijkantoor en verrichten van diensten door afwikkelondernemingen met zetel buiten Nederland
Artikel 2:3.0f
Een ieder met zetel buiten Nederland die voornemens is het bedrijf van afwikkelonderneming uit te oefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor jegens een betaaldienstverlener met wie hij niet een in groep is verbonden, geeft daarvan kennis aan de Nederlandsche Bank onder vermelding ten aanzien van welke in de definitie van afwikkeldiensten onderscheiden werkzaamheden hij dat voornemen heeft.
De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de ontvangst hiervan onverwijld mede aan de persoon die de kennisgeving heeft gedaan.
Een afwikkelonderneming kan overgaan tot de uitoefening van haar bedrijf, nadat zij de mededeling, bedoeld in het derde lid, van de Nederlandsche Bank heeft ontvangen.
Artikel 2:3.0g
Het is een ieder met zetel buiten Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van afwikkelonderneming uit te oefenen jegens een betaaldienstverlener met wie hij niet een in groep is verbonden indien het aantal in Nederland verrichte girale betalingstransacties ten aanzien waarvan hij afwikkeldiensten heeft verleend jegens betaaldienstverleners met wie zij niet in een groep is verbonden, gemeten over het voorgaande kalenderjaar, het op grond van artikel 2:3.0b, tweede lid, vastgestelde aantal transacties overschrijdt.
De Nederlandsche Bank vermeldt in de vergunning voor welke in de definitie van afwikkeldiensten onderscheiden werkzaamheden zij de vergunning verleent.
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid voor de periode die verstrijkt op het tijdstip dat zij heeft beslist op de aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid.
Het eerste lid is niet van toepassing op afwikkelondernemingen met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht wordt uitgeoefend op het uitoefenen van het bedrijf van afwikkelonderneming jegens betaaldienstverleners met wie degene die het bedrijf van afwikkelonderneming uitoefent niet in een groep is verbonden, indien dat toezicht in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen.
Bij de beoordeling of het in een andere staat uitgeoefende toezicht in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen, wordt het onderscheid, bedoeld in het tweede lid, gemaakt.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van staten.
Het besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken.
Een besluit tot aanwijzing van een staat als bedoeld in het vierde lid en de intrekking daarvan worden bekend gemaakt in de Staatscourant.
Artikel 2:3.0h
Een ieder met zetel buiten Nederland die het bedrijf van afwikkelonderneming uitoefent, geeft jaarlijks voor 1 maart kennis aan de Nederlandsche Bank van het aantal in Nederland verrichte girale betalingstransacties ten aanzien waarvan hij in het voorgaande kalender afwikkeldiensten heeft verleend jegens betaaldienstverleners met wie hij niet in een groep is verbonden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving.
Artikel 2:3.0i
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)