Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)
Gelet op de artikelen 2, tweede lid, 4, 5, 6, eerste lid, 7, 10, 12, vierde lid, 13, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 14, 14a, eerste en vierde lid, 15, 16, 17, 18, eerste en vijfde lid, 19, 21, eerste en derde lid, 23, eerste lid, onderdeel c, 23, tweede lid, 25, 30, derde, vierde en vijfde lid, 32, derde lid, 33, tweede lid, 34, 42, eerste en tweede lid, 44, 48, 50 en 53 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- afzet van landbouwproducten: afzet van landbouwproducten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 8, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 2, onderdeel 35, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, deel I, paragraaf 2.4, onderdeel 33, onder 38, van het landbouwsteunkader en artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening;
- algemene de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;
- algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);
- daadwerkelijke samenwerking: daadwerkelijke samenwerking als bedoeld in artikel 2, onderdeel 90, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder h, van het O&O&I-steunkader;
- energie uit hernieuwbare energiebronnen: energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 109, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 35, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader;
- energie-efficiëntie: energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 103, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 31, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader;
- experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder k, van het O&O&I-steunkader;
- fundamenteel onderzoek: fundamenteel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 84, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder n, van het O&O&I-steunkader;
- groepsvrijstellingsverordening landbouw: verordening (EU) nr. 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327);
- groepsvrijstellingsverordening visserij: verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327);
- grote onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- haalbaarheidsstudie: haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder l, van het O&O&I-steunkader;
- hernieuwbare energiebronnen: hernieuwbare energie als bedoeld in paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 69 van het klimaat, milieu- en energiesteunkader;
- hooggekwalificeerd personeel: hooggekwalificeerd personeel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 93, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder p, van het O&O&I-steunkader;
- industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder r, van het O&O&I-steunkader;
- innovatieadviesdiensten: innovatieadviesdiensten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 94, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder s, van het O&O&I-steunkader;
- IPCEI-steunkader: Mededeling van de Commissie betreffende criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang, PBEU 2021 C 528/02;
- kleine onderneming: kleine onderneming in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- klimaat, milieu- en energiesteunkader: Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 nr. 2022/C 80/01 (PbEU 2022, C 80);
- landbouw de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PB L 352);
- landbouwonderneming: onderneming waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt;
- landbouwproduct: product als bedoeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met uitzondering van een visserijproduct of een aquacultuurproduct vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PbEU 2013, L 354);
- landbouwsteunkader: Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (PbEU 2022, C 485);
- middelgrote onderneming: middelgrote onderneming in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- minister:
- a. Minister van Economische Zaken, voor zover het een subsidie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen b, c, d, e, f en g, en tweede lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies betreft;
- b. Minister van Klimaat en Groene Groei, voor zover het een subsidie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a en h, en tweede lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies betreft; of
- c. Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voor zover het een subsidie als bedoeld in artikel 2a van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies betreft;
- MKB-ondernemer: ondernemer die een kleine onderneming of een middelgrote onderneming in stand houdt;
- O&O&I-steunkader: Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2022/C 414/01 (PbEU 2022, C 414);
- organisatie-innovatie: organisatie-innovatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 96, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- primaire landbouwproductie: primaire landbouwproductie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 2, onderdeel 44, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw en deel I, paragraaf 2.4, onderdeel 33, onder 46, van het landbouwsteunkader;
- procesinnovatie: procesinnovatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 97, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- tijdelijk crisiskader:Tijdelijk crisis- en transitiekader voor staatssteunmaatregelen ter ondersteuning van de economie na de Russische agressie tegen Oekraïne (PbEU 2023, C 101);
- Unienorm: Unienorm als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 89, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader;
- universiteit: onder a of b van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs, alsmede een onder i van de bijlage van die wet genoemd academisch ziekenhuis;
- verklaring de-minimissteun: verklaring van de subsidieaanvrager waarin deze bevestigt dat subsidieverlening niet zal leiden tot een overschrijding van het de-minimisplafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening;
- verklaring landbouw de-minimissteun: verklaring van de subsidieaanvrager waarin deze bevestigt dat subsidieverlening niet zal leiden tot een overschrijding van het de-minimisplafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de landbouw de-minimisverordening;
- verwerking van landbouwproducten: verwerking van landbouwproducten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 10, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 2, onderdeel 45, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, deel I, paragraaf 2.4, onderdeel 33, onder 47, van het landbouwsteunkader en artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de algemene de-minimisverordening;
- visserijsteunkader: Richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU 2023, C 107).
Artikel 1.2. Rapport van feitelijke bevindingen
Het rapport van feitelijke bevindingen, bedoeld in artikel 12, derde lid, van het besluit, wordt opgesteld overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in bijlage 1.1.
Als rapport als bedoeld in artikel 12, derde lid, van het besluit, wordt aangewezen een afschrift van het rapport van feitelijke bevindingen van een externe accountant inzake de actueel gebruikte methode voor berekening van de personeelskosten en indirecte kosten dat is opgesteld in het kader van verordening (EG) nr. 1906/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor verspreiding van onderzoeksresultaten (2007–2013) (PbEU 2006, L 391) en, indien de subsidieontvanger daarover beschikt, een afschrift van de goedkeuring door de Europese Commissie van dat rapport.
Artikel 1.3. Steunintensiteit
Vervallen
Artikel 1.4. Vaste opslag voor indirecte kosten
De vaste opslag voor indirecte kosten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, bedraagt 50 procent van de loonkosten.
Artikel 1.5. Controleprotocol
De accountant of accountant-administratiefconsulent controleert en stelt de controleverklaring vast met inachtneming van de voorschriften, gesteld in bijlage 1.3.
Artikel 1.6. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 1.7. In aanmerking komende kosten
In aanvulling op artikel 10, vierde lid, van het besluit, worden, indien de subsidie valt onder de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk de groepsvrijstellingsverordening landbouw, respectievelijk het landbouwsteunkader, respectievelijk de groepsvrijstellingsverordening visserij, respectievelijk het visserijsteunkader:
- a. de in aanmerking komende kosten berekend en gestaafd met bewijsstukken, overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk artikel 7, eerste lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2, onderdeel 87, van het landbouwsteunkader, respectievelijk artikel 7, eerste lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2, onderdeel 85, van het visserijsteunkader;
- b. indien de steun in meerdere tranches wordt uitgekeerd, de in aanmerking komende kosten gedisconteerd overeenkomstig artikel 7, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk artikel 7, vijfde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2, onderdelen 90 en 91, van het landbouwsteunkader, respectievelijk artikel 7, derde lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2, onderdeel 88, van het visserijsteunkader;
- c. indien de steun wordt toegekend in de vorm van belastingvoordelen, de steuntranches gedisconteerd overeenkomstig artikel 7, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk artikel 7, zesde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2.3, onderdeel 92, van het landbouwsteunkader, respectievelijk artikel 7, vierde lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2, onderdeel 89, van het visserijsteunkader.
In aanvulling op artikel 10, vierde lid, van het besluit, worden, indien de subsidie valt onder het O&O&I-steunkader, respectievelijk het klimaat, milieu- en energiesteunkader:
- a. de in aanmerking komende kosten berekend overeenkomstig paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder c, van het O&O&I-steunkader, respectievelijk paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 2, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader;
- b. indien de steun in meerdere tranches wordt uitgekeerd, de in aanmerking komende kosten gedisconteerd overeenkomstig paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder c, van het O&O&I-steunkader, respectievelijk paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 2, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader.
Artikel 1.8. Bekendmaking van gegevens inzake steunverlening
Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend:
- a. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en
- b. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 100.000, of voor steun vervat in door het InvestEU-fonds krachtens deel 16 van de algemene groepsvrijstellingsverordening ondersteunde financiële producten, meer dan € 500.000, of voor niet onder deel 2 bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening vallende begunstigden die in de primaire landbouwproductie of in de visserij en de aquacultuur actief zijn, meer dan € 10.000.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien het staatssteun betreft die gerechtvaardigd wordt door projecten voor Europese territoriale samenwerking als bedoeld in artikel 20 bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening, of door projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling als bedoeld in artikel 19 ter van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de artikelen 16, 21 bis of 22 van de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt gerechtvaardigd, worden de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, geacht te zijn bekendgemaakt indien de individuele steunbedragen bekend zijn gemaakt volgens de tranches, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening landbouw wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend:
- a. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, en
- b. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan:
- 1°. € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie, of
- 2°. € 100.000 voor begunstigden die actief zijn in de sector verwerking van landbouwproducten, de sector afzet van landbouwproducten of de bosbouwsector, of die activiteiten uitoefenen die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen.
Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening visserij wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend:
- a. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, van de groepsvrijstellingsverordening visserij; en
- b. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 10.000.
Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door het O&O&I-steunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens, bedoeld in paragraaf 3.2.4, onderdeel 100, van het O&O&I-steunkader, bekend, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 100.000.
Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door het landbouwsteunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend:
- a. de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder a en b, van het landbouwsteunkader, en
- b. de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder c, van het landbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan:
- 1°. € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie, of
- 2°. € 100.000 voor begunstigden in de sectoren van de verwerking van landbouwproducten, de afzet van landbouwproducten, de bosbouwsector of activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen.
Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door het klimaat, milieu- en energiesteunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens, bedoeld in paragraaf 3.2.1.4, onderdeel 58, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader, bekend, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 100.000.
Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die wordt gerechtvaardigd door de Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PbEU 2020, C 91 I), maakt de minister na de datum van subsidieverlening de gegevens bekend, bedoeld in paragraaf 4, onderdeel 103, van die kaderregeling.
Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door het IPCEI-steunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens, bedoeld in paragraaf 4.3, onderdeel 48, van het IPCEI-steunkader bekend, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 100.000.
Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatsteun bevat die wordt gerechtvaardigd door het tijdelijk crisiskader, maakt de minister na de datum van subsidieverlening de gegevens bekend, bedoeld in paragraaf 3, onderdeel 87, van het tijdelijk crisiskader.
Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door het visserijsteunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend:
- a. de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 105, onder a en b, van het visserijsteunkader, en
- b. de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 105, onder c, van het visserijsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 10.000.
De gegevens, bedoeld in het eerste, en derde tot en met twaalfde lid, blijven voor ten minste tien jaar openbaar beschikbaar.
Artikel 1.9. Onderzoeksorganisatie
Indien een geheel of gedeeltelijk van overheidswege gefinancierde onderzoeksorganisatie deelneemt aan een project dat wordt uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking, sluiten de deelnemers voorafgaand aan het project een overeenkomst over de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten.
Indien een project als bedoeld in het eerste lid gezamenlijk door ondernemingen en van overheidswege gefinancierde onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren wordt uitgevoerd, legt de penvoerder de afspraken voor aan de minister, tenzij:
- a. de deelnemende ondernemingen de volledige kosten van het project dragen;
- b. de resultaten van de samenwerking die geen intellectuele eigendomsrechten opleveren, breed kunnen worden verspreid en alle intellectuele eigendomsrechten die de activiteiten van de onderzoeksorganisatie of onderzoeksinfrastructuur opleveren, volledig worden toegekend aan die entiteiten;
- c. uit het project ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten aan de verschillende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen, of
- d. de van overheidswege gefinancierde onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren een vergoeding ontvangen die gelijkwaardig is aan de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die uit hun activiteiten ontstaan en worden toegewezen aan de deelnemende ondernemingen of waartoe de deelnemende ondernemingen toegangsrechten kregen toegewezen.
Op de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, kan het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de van overheidswege gefinancierde onderzoeksorganisatie of onderzoeksinfrastructuur die de betrokken intellectuele-eigendomsrechten hebben opgeleverd, in mindering worden gebracht.
Indien uit de aan de minister op basis van het tweede lid voorgelegde afspraken blijkt dat sprake is van staatssteun als gevolg van de overdracht van kennis of andere resultaten uit activiteiten, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidie niet meer bedraagt dan het in de beschikking tot subsidieverlening aangegeven bedrag dat ten hoogste mag worden verstrekt ingevolge een Europees steunkader.
Artikel 1.10. Openstelling
De minister kan op grond van deze regeling uitsluitend subsidie verstrekken indien hij de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot subsidieverlening heeft opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en een periode voor indiening van de aanvraag.
De minister kan de openstelling beperken tot bepaalde activiteiten, categorieën van aanvragers of een bepaald aantal aanvragen.
De minister kan verschillende subsidieplafonds vaststellen voor verschillende activiteiten of categorieën van aanvragers.
Hoofdstuk 2. Agro, natuur en visserij
Titel 2.1. Algemene bepaling
Artikel 2.1.1. Uurtarief
Voor de toepassing van dit hoofdstuk bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en 14 van het besluit, € 60.
Artikel 2.1.2. Begripsomschrijvingen
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- glasopstand: kas en toebehorende installaties;
- glastuinbouwonderneming: landbouwonderneming met glasopstanden;
- vervangingsinvestering: investering voor het eenvoudige vervangen van een bestaand gebouw of een bestaande machine, of delen daarvan, door een nieuw modern gebouw of een nieuwe moderne machine, zonder dat daarbij de productiecapaciteit met meer dan 25% wordt verhoogd of de betrokken productie of technologie fundamenteel wordt gewijzigd.
Artikel 2.1.3. Afwijzingsgronden groepsvrijstellingsverordening visserij
Onverminderd de artikelen 22 en 23 van het besluit beslist de minister afwijzend op een aanvraag om subsidie die staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening visserij wordt gerechtvaardigd indien:
- a. sprake is van verrichtingen of activiteiten als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel e, van de groepsvrijstellingsverordening visserij; of
- b. de aanvrager activiteiten heeft verricht als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel f, van de groepsvrijstellingsverordening visserij.
Artikel 2.1.4. Subsidieverplichtingen groepsvrijstellingsverordening visserij
Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening visserij wordt gerechtvaardigd, leeft de subsidieontvanger de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid na.
Indien een subsidie voor een vissersvaartuig die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening visserij wordt gerechtvaardigd, wordt het vissersvaartuig niet binnen vijf jaar na de datum van de laatste betaling naar buiten de Europese Unie overgedragen of omgevlagd.
Artikel 2.1.5. Niet-naleving subsidieverplichting groepsvrijstellingsverordening visserij
Indien de subsidieontvanger de in artikel 2.1.4, eerste lid, bedoelde regels niet naleeft, wordt de subsidieverlening of de subsidievaststelling ingetrokken of ten nadele van de ontvanger gewijzigd, in verhouding tot de ernst van de inbreuk.
Indien de subsidieontvanger de in artikel 2.1.4, tweede lid, bedoelde verplichting niet naleeft, wordt de subsidieverlening of de subsidievaststelling ingetrokken of ten nadele van de ontvanger gewijzigd, naar rato van de periode waarin niet aan die verplichting is voldaan.
Titel 2.2. Onderzoek Kas als Energiebron
Artikel 2.2.1. Begripsomschrijving
In deze titel wordt verstaan onder:
- kennisdelingsactiviteiten: een proces voor het verzamelen en delen van kennis, met inbegrip van vaardigheden en competenties voor zowel economische als niet-economische activiteiten;
- onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten: een samenhangend geheel van activiteiten bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling onafhankelijk uitgevoerd door een onderzoeksorganisatie met het oog op het verwerven van meer kennis en een beter inzicht.
Artikel 2.2.2. Subsidieverlening
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderzoeksinstelling of een deelnemer aan een samenwerkingsverband van onderzoeksinstellingen, voor een project dat past binnen de hoofdthema’s in bijlage 2.2.1 en bijdraagt aan concrete inzichten, systemen, technieken of een aanpak om glastuinbouwbedrijven in staat te stellen om de CO2-doelen te behalen door middel van:
- a. onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, of
- b. een combinatie van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten en kennisdelingsactiviteiten.
Artikel 2.2.3. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking:
- a. de kosten voor onderzoeksactiviteiten, bedoeld in artikel 38, zevende lid van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, of
- b. de kosten voor kennisdelingsactiviteiten, bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel a en d, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
In afwijking van art. 2.1.1 bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en artikel 14 van het besluit, voor de toepassing van deze titel:
- a. € 60 voor een gewas- en oogstverzorger of een teeltondersteuner;
- b. € 95 voor een onderzoeks- of technisch assistent, junior onderzoeker of een technisch onderzoeker;
- c. € 150 voor een medior wetenschappelijk onderzoeker, teeltmanager of een projectleider;
- d. € 160 voor senior wetenschappelijk onderzoeker of senior projectleider.
Artikel 2.2.4. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat dit percentage wordt verminderd met het daadwerkelijke percentage eigen bijdrage.
Artikel 2.2.5. Verdeling subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
Artikel 2.2.6. Realisatietermijn
Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt uiterlijk binnen 6 maanden na de subsidieverlening gestart.
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vijf jaar na de datum van subsidieverlening.
Artikel 2.2.7. Afwijzingsgronden
De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien:
- a. de verlening van subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 21 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- b. de subsidiabele kosten van het project minder bedragen dan € 25.000;
- c. de subsidiabele kosten van een deelnemer van een samenwerkingsverband minder bedragen dan € 25.000;
- d. het voorstel niet aantoonbaar aansluit op of niet gebruik maakt van relevante bestaande kennis en activiteiten, tenzij het een geheel nieuw onderzoeksveld is;
- e. het een project betreft dat lager is gerangschikt dan een project met een zelfde techniek en aanpak, met een zelfde gewas en een gelijk doel of vallend binnen een gelijk hoofdthema, genoemd in bijlage 2.2.1;
- f. er eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project binnen een gelijk hoofdthema, genoemd in bijlage 2.2.1;
- g. de aanvrager niet beschikt over de juiste expertise en ervaring voor de onderzoeksactiviteiten, of in onvoldoende mate derden inhuurt die beschikken over deze expertise en ervaring, of
- h. het totaal aantal punten voor de onder artikel 2.2.8, eerste lid, genoemde criteria minder bedraagt dan:
- –. 6 punten voor het criterium, bedoeld in artikel 2.2.8, onderdeel a;
- –. 9 punten voor het criterium, bedoeld in artikel 2.2.8 onderdeel b;
- –. 6 punten voor het criterium, bedoeld in artikel 2.2.8 onderdeel c.
Artikel 2.2.8. Rangschikkingscriteria
De minister kent aan een aanvraag een hoger aantal punten toe, naarmate:
- a. de bijdrage aan de realisatie van de CO2-doelen groter is, omdat:
- 1°. de beoogde onderzochte en ontwikkelde technieken en processen van het project naar verwachting een hogere bijdrage kunnen leveren aan de CO2-reductie, en
- 2°. het voorstel:
- –. meer gericht is op nieuwe technieken of processen of op potentiële doorbraak- of grensverleggende oplossingen gericht op de langere termijn, of
- –. op kortere termijn meer bijdraagt aan verdere doorontwikkeling en een bredere toepassing van een techniek of van kennis inclusief demonstraties;
- b. de kwaliteit van het project hoger is, blijkend uit:
- 1°. de uitwerking van de aanpak, methodiek en te behalen resultaten en onderbouwing hiervan;
- 2°. de omvang van het draagvlak bij de doelgroep, en
- 3°. de gemotiveerde inschatting van de economische en technische haalbaarheid van de resultaten;
- c. de kosteneffectiviteit van het project groter is, waarbij meer punten worden toegekend naarmate:
- 1°. de kosten van de voorgestelde activiteiten en de gevraagde subsidie meer in verhouding zijn, en
- 2°. het percentage van de eigen bijdrage van de sector meer in overeenstemming is met de richtlijn, berekend overeenkomstig en beschreven in bijlage 2.2.2.
De minister kent per subonderdeel van onderdeel a, b en c van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.
Indien aan twee of meer aanvragen in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor het criterium, genoemd in het eerste lid, onderdeel a.
Artikel 2.2.9. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, voor zover van toepassing het nummer waaronder de onderneming is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer, een uitdraai van de statuten en de SBI-code;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. in geval van een samenwerkingsverband de gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres;
- d. een onderzoeksplan in een door de minister beschikbaar gesteld middel;
- e. een bijbehorende begroting in een door de minister beschikbaar gesteld middel, en
- f. een appreciatie van de ondernemersgroep van Glastuinbouw Nederland.
Artikel 2.2.10. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger, of in het geval van een samenwerkingsverband de penvoerder, dient jaarlijks een tussenrapportage in bij de minister met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld, te beginnen uiterlijk zes maanden na aanvang van de subsidiabele activiteiten.
Een tussenrapportage en een eindrapport bevatten ten minste de volgende gegevens:
- a. het verloop en de behaalde (deel)resultaten van het project;
- b. een planning voor de komende 6 maanden;
- c. een overzicht van de uitgevoerde activiteiten;
- d. de activiteiten die zijn uitgevoerd in het kader van kennisdeling, waaronder het soort en aantal activiteiten en het aantal en type deelnemers en de gepubliceerde artikelen, en
- e. een voor een breed tuinbouwpubliek begrijpelijke samenvatting en een internetsamenvatting. De internetsamenvatting beslaat maximaal 300 woorden.
De subsidieontvanger verspreidt de resultaten van het project via conferenties, publicaties, openbare websites, of gratis opensource software.
De resultaten, bedoeld in het derde lid, blijven op het internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar nadat de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd.
De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten.
Indien kennisdelingsactiviteiten worden uitgeoefend dan zijn deze voor eenieder zonder onderscheid toegankelijk.
Uitingen omtrent het onderzoek en de resultaten van het onderzoek worden voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met subsidie van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in het kader van het programma Kas als Energiebron en de bijbehorende logo’s.
Artikel 2.2.11. Aanvraag subsidievaststelling
Een aanvraag voor een subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld en bevat, onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit ten minste:
- a. het onderzoeksrapport;
- b. een evaluatie;
- c. een factsheet;
- d. een gespecificeerde opgave van alle rechtstreeks aan het project toe te rekenen werkelijk gemaakte kosten, opgesteld conform de begroting;
- e. het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden, waaronder subsidies; en
- f. het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage.
Artikel 2.2.12. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 2.2.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 21 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening Landbouw.
Artikel 2.2.13. Vervaltermijn
Deze titel en de bijlages 2.2.1 en 2.2.2 vervallen met ingang van 1 april 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 2.3. Energie-efficiëntie glastuinbouw
Artikel 2.3.1. Begripsomschrijving
Vervallen
Artikel 2.3.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt aan een glastuinbouwonderneming of aan een glastuinbouwonderneming in een samenwerkingsverband van glastuinbouwondernemingen op aanvraag subsidie voor de hierna opgesomde apparatuur, installaties of machines:
- a. een tweede energiescherm bij bestaande bouw of een derde energiescherm;
- b. een fysieke aansluiting op een extern warmtenet of op een doorkoppeling van warmte tussen twee verwarmingsinstallaties van een of meerdere kassen;
- c. de fysieke aansluiting op een biogas- of kooldioxide-netwerk of -cluster door middel van:
- 1°. de fysieke aansluiting op een externe productielocatie of netwerk voor gasvormig biogas;
- 2°. de fysieke aansluiting op een externe productielocatie of netwerk voor gasvormig kooldioxide; of
- 3°. de fysieke aanleg van een kooldioxide ontvangstinstallatie voor vloeibare kooldioxide;
- d. kaswarmteterugwinning door ontvochtiging en luchtbehandeling door middel van:
- 1°. aanzuiging van droge (buiten)lucht of lucht uit het bovenste deel van de kas;
- 2°. aanzuiging van droge (buiten)lucht inclusief een lucht/lucht warmtewisselaar waarbij de buitenlucht wordt opgewarmd met de uitgaande lucht;
- 3°. koelen, drogen en na verwarmen van de kaslucht door middel van een warmtepomp;
- 4°. koelen, drogen en verwarmen van de kaslucht door middel van een warmtepomp, met dag/week buffer ten bate van de opslag van de overtollige warmte; of
- 5°. koelen, drogen en na verwarmen van de kaslucht door middel van een warmtepomp, met seizoen buffer (WKO) ten bate van de opslag van de overtollige warmte;
- e. hogedruk verneveling installatie ten behoeve van kaskoeling;
- f. ophogen bestaande kas in combinatie met twee energiebesparende maatregelen;
- g. vervanging van alle aanwezige SON-T belichting door LED-belichting in bestaande kassen of installatie van LED-belichting in nieuwbouwkassen en onbelichte bestaande kassen;
- h. vervanging van alle aanwezige gloeilampen door LED-belichting specifiek voor verlenging van de daglengte in bestaande kassen;
- i. nieuwbouw met of vervanging van glas op het kasdek door:
- 1°. glas met voorgeschreven hemispherische lichttransmissie of voorgeschreven Hortiscatter-waarde;
- 2°. dubbelglas; of
- 3°. low e-glas;
- j. uitbreiding van het verwarmend oppervlak door de kas geschikt te maken voor lage temperatuurwarmte eventueel in combinatie met koude door:
- 1°. uitbreiding van het interne verwarmingssysteem in de kas met een laag temperatuurnet;
- 2°. investeringen om het laagtemperatuurnet aan te sluiten; of
- 3°. het beschikbaar maken van lage temperaturen binnen de glastuinbouwonderneming voor het laagtemperatuurnet in de kas;
- k. fysieke aansluiting door middel van koppeling van een elektriciteitskabel met toebehoren aan een duurzame productielocatie van elektriciteit buiten de eigen erfgrens met het interne elektranetwerk van de glastuinbouwonderneming, waarvoor toestemming door de netwerkbeheerder of Autoriteit Consument en Markt is gegeven.
Geen subsidie wordt verstrekt voor:
- a. gevelschermen, energieschermen waarvan het gebruik een energiebesparing van minder dan 45% tot gevolg heeft, lichtdoorlatende energieschermen met een lichtafscherming van meer dan 25%, een tweede of derde energiescherm als het eerste en tweede energiescherm elk een energiebesparing van minder dan 35% tot gevolg heeft;
- b. apparatuur, installaties of machines die al gebruikt zijn;
- c. vervangingsinvesteringen;
- d. investeringen in installaties die vooral tot doel hebben elektriciteit op te wekken uit biomassa;
- e. investeringen met het oog op de productie, op het landbouwbedrijf, van biobrandstoffen in de zin van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140);
- f. vervallen;
- g. investeringen die niet in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Europese Unie en met de nationale milieubeschermingswetgeving;
- h. investeringen met betrekking tot irrigatie op nieuwe en bestaande geïrrigeerde arealen;
- i. SON-T vervanging door LED-belichting:
- 1°. indien het totale geïnstalleerd vermogen aan LED-belichting in een kas na installatie van de investering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, meer is dan 70 procent van het in bijlage 2.3.1 opgenomen vermogen van SON-T voor het gewas;
- 2°. waarvan de specifieke lichtstroom minder is dan 3,00 micromol fotonen per seconde per Watt;
- 3°. indien niet is aangetoond dat de geïnstalleerde LED-belichting voldoet aan:
- –. de voorwaarden gesteld in artikel 6.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en buiten de golflengte van 380–800 nm ligt;
- –. de voorwaarden gesteld op grond van de richtlijn nr. 2006/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan risico's van fysische agentia (kunstmatige optische straling) (19e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG), alsmede op grond van NEN-EN-IEC 62471:2008 en NEN-EN-IEC 62031:2020;
- 4°. waarvan het spectrum minder dan 5 procent licht met een golflengte van 500–600 nm bevat; of
- 5°. indien de installatie van de vervanging van alle aanwezige SON-T belichting door LED-belichting in bestaande kassen leidt tot een hoger geïnstalleerd lichtvermogen in de desbetreffende kas;
- 6°. waarbij het LED armatuur geen mogelijkheid tot dimmen van het vermogen heeft.
- j. subsidieaanvragen die worden ingediend vanaf 1 december 2023 en maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik betreffen waartoe bedrijven verplicht zijn volgens artikel 5.15 van het Besluit activiteiten leefomgeving of artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
- k. investeringen door ondernemingen die niet kwalificeren als kleine, middelgrote of micro-ondernemingen als bedoeld in deel I, paragraaf 2.4, onderdeel 56, van het landbouwsteunkader, en waarbij voor het aangevraagde subsidiebedrag geldt dat dit hoger is dan het minimum dat nodig is om het project voldoende winstgevend te maken;
- l. hoge druk vernevelingsinstallatie ten behoeve van kaskoeling, met een druppelgrootte van meer dan 5 micrometer;
- m. investeringen met betrekking tot de fysieke aansluiting na een warmte-afleverstation in het warmtenet, waarbij de aansluiting per hectare minder is dan 50 kW of meer dan 450 kW;
- n. gloeilampen vervangen door LED-belichting bij cyclische belichting voor daglengte verlenging:
- 1°. waarvan de specifieke lichtstroom minder is dan 2,50 micromol fotonen per seconde per Watt;
- 2°. waarvan het opgenomen vermogen per lamp hoger is dan 50 Watt;
- 3°. waarbij de installatie aangepast dient te worden voor de LED-belichting;
- 4°. wanneer de LED-belichting geen CE verklaring heeft, afgegeven door een erkend instituut voor het doen van een CE keuring en afgifte van een CE verklaring;
- o. een luchtbehandelingssysteem als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d:
- 1°. voor de onderdelen 2° tot en met 5°, als er geen tweede energiescherm aanwezig is of gelijktijdig wordt aangelegd dat meer dan 35% energiebesparing tot gevolg heeft;
- 2°. voor de onderdelen 1° tot en met 5° bij het niet aanwezig zijn van omkasting/ luchtmengunit, kleppensectie, ventilatoren (toerengeregeld);
- 3°. voor onderdeel 2° bij het niet aanwezig zijn van een kruisstroomwisselaar;
- 4°. voor de onderdelen 3° tot en met 5° bij het niet aanwezig zijn van een warmtepomp en warmtewisselaars voor de in- en uitgaande stroom;
- 5°. voor de onderdelen 4° en 5° bij het niet aanwezig zijn van een ontkoppelingsnet als aanvulling op de hiervoor genoemde teruggewonnen koude (of warmte) en een buffertank tot maximaal 55,1 °C die volledig wordt gevoed door de warmtepomp;
- 6°. voor onderdeel 5° bij het niet aanwezig zijn van warmte-koude opslag in de ondergrond (WKO) of bij het niet aanwezig zijn van een vergunning van het bevoegd gezag hiervoor;
- p. glas:
- 1°. zonder certificaat NEN 2675, verstrekt door een erkend meetinstituut voor NEN 2675;
- 2°. glas waarvan de hemispherische lichttransmissie minder dan 85 procent is of de Hortiscatter-waarde minder dan 30% is;
- 3°. bij een nieuwbouwkas waarvan de zijgevels niet worden voorzien van materiaal dat even energiebesparend is als of meer energiebesparend is dan de aangevraagde bedekking van het kasdek;
- q. low-e glas waarbij de emissiviteit boven de 30% ligt;
- r. investeringen in het interne verwarmingssysteem met temperaturen van 55,1 °C of hoger;
- s. investeringen in nieuwe middelen om meer (fossiele) brandstoffen aan te wenden;
- t. investeringen in E-boilers en batterij opslagsystemen voor elektra;
- u. investeringen in duurzame opwekking van elektriciteit;
- v. aansluiten op een elektranetwerk van een officiële netwerkbeheerder;
- w. ophogen van een bestaande kas indien niet bij de aanvraag wordt aangetoond dat minimaal 10% aardgas wordt bespaard.
Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel i:
- a. worden het lichtvermogen, de specifieke lichtstroom en het spectrum van de LED-belichting gemeten overeenkomstig IES LM-79-19 of een gelijkwaardig protocol;
- b. worden het lichtvermogen, de specifieke lichtstroom en het spectrum van de LED-belichting gemeten door een geaccrediteerde instelling, waarbij elektrische en fotometrische metingen specifiek binnen de reikwijdte van de accreditatie vallen; en
- c. wordt door een geaccrediteerde instelling vastgesteld dat voldaan is aan de voorwaarden, genoemd in het tweede lid, onderdeel i, onder 3°, waarbij het testen en beoordelen van de veiligheid van belichting voor het menselijk oog specifiek binnen de reikwijdte van de accreditatie vallen.
Artikel 2.3.3. Subsidievoorwaarden
De minister verstrekt subsidie voor een investering als bedoeld in artikel 2.3.2, indien de investering ten minste gericht is op één van de doelstellingen, genoemd in deel II, paragraaf 1.1.1.1, onderdeel 152, onder a en b, van het landbouwsteunkader.
De glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming in een samenwerkingsverband komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking, indien:
- a. de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband voor de aanschaf, de bouw of levering van de apparatuur, installaties of machines, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, een overeenkomst heeft gesloten met de bouwer of leverancier, waarin is aangegeven welke apparatuur, installatie of machine zal worden aangeschaft, gebouwd of geleverd, en, indien de overeenkomst betrekking heeft op een installatie, wat de maximale en werkelijke capaciteit van de installatie is;
- b. de aanschaf, bouw of levering van de apparatuur, installaties of machines, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, tegen marktconforme voorwaarden zal plaatsvinden, blijkend uit een duidelijke kostenspecificatie in de overeenkomst waaruit volgt wat de kostenposten zijn voor iedere afzonderlijke investering voor de aanschaf, bouw of levering van de apparatuur, installaties of machines;
- c. in de overeenkomst een ontbindende voorwaarde is opgenomen waaruit volgt dat de overeenkomst wordt ontbonden voor zover geen subsidie wordt verleend aan de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband voor de desbetreffende investering;
- d. de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband overeenkomstig artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 in het handelsregister is ingeschreven;
- e. de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband voldaan heeft aan artikel 24, tweede lid, van de Landbouwwet, indien aan hem op grond van artikel 24, eerste lid, van die wet door de minister beschrijvingsbiljetten zijn uitgereikt of gezonden, voor:
- 1°. het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd, of
- 2°. het jaar voorafgaand daaraan indien de gegevens van het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd nog niet beschikbaar zijn;
- f. de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband een emissieaangifte als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, van de Regeling kostenverevening reductie CO2-emissies glastuinbouw heeft ingediend voor:
- 1°. het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd, of
- 2°. het jaar voorafgaand daaraan, indien de gegevens voor de aangifte van het jaar waarin de subsidie is aangevraagd nog niet beschikbaar zijn.
De glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband houdt voor apparatuur, installaties of machines als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel a, b of c, waarvoor de subsidie wordt verstrekt een ordelijke administratie bij waaruit, indien verzocht, de volgende documenten kunnen worden overgelegd:
- a. een kopie van de laatste jaarafrekening respectievelijk jaarafrekeningen waarop het energieverbruik van de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband staat voor de installatie, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel a, en
- b. een kaart met daarop ingetekend de totale oppervlakte van de betrokken opstand en met daarop gearceerd ingetekend de oppervlakte waarop de investering betrekking heeft inclusief opgave van de lengte van de voorziening in meters en de afstand tussen de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband en het netwerk in meters voor investeringen als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel b of c.
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is twee jaar en zes maanden.
Binnen de termijn, genoemd in het vierde lid,:
- a. voldoet de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband aan wie op grond van artikel 24, eerste lid, van de Landbouwwet door de minister beschrijvingsbiljetten worden uitgereikt of gezonden, telkens aan artikel 24, tweede lid, van die wet voor in ieder geval het jaar waarin de gegevens zijn opgevraagd, en
- b. dient de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband jaarlijks een emissieaangifte in als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, van de Regeling kostenverevening reductie CO2-emissies.
De verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel f, en het vijfde lid, onderdeel b, zijn niet van toepassing op een glastuinbouwonderneming of een glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband waarop titel 16.2 van de Wet milieubeheer van toepassing is.
Binnen 5 jaar na het verlenen van de subsidie wordt het geïnstalleerde lichtvermogen in de desbetreffende kas niet verhoogd.
Voor de toepassing van het zevende lid is artikel 2.3.2, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.3.3a. Eén aanvraag per glastuinbouwonderneming
Een glastuinbouwonderneming of een glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband kan per investering als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, één aanvraag indienen.
Artikel 2.3.4. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.1.2, onderdeel 51 van het landbouwsteunkader.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. indien van toepassing de topsector waarbinnen het project wordt uitgevoerd;
- d. een begroting waarin de totale kosten van het project en de omvang van de gevraagde subsidie zijn opgenomen.
De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een kopie van de door beide partijen getekende overeenkomst, bedoeld in artikel 2.3.3, tweede lid.
Met ingang van 1 december 2023 gaat de aanvraag tot subsidieverlening vergezeld van een kopie van de door de aanvrager bij RVO aangeleverde rapportage in het kader van artikel 5.15a of 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving en indien van toepassing ook artikel 3.84a, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Aanvragers die niet kwalificeren als kleine, middelgrote of micro-ondernemingen als bedoeld in deel I, paragraaf 2.4, onderdeel 56, van het landbouwsteunkader overleggen een onderbouwing, inclusief bewijsstukken, waarmee aangetoond wordt dat het aangevraagde subsidiebedrag overeenstemt met de nettomeerkosten van de uitvoering van de investering, vergeleken met het nulscenario waarin geen subsidie wordt verleend. Deze onderbouwing wordt desgevraagd overlegd zodra de desbetreffende aanvraag tot subsidieverlening als volledig is beoordeeld.
Artikel 2.3.5. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, toegevoegd.
Artikel 2.3.5a. Starttermijn
Met de uitvoering van een investering in bestaande bouw wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening.
Met de uitvoering van een nieuwbouwinvestering wordt gestart binnen 12 maanden na subsidieverlening.
Artikel 2.3.6. Subsidiabele kosten
De kosten, genoemd in deel II, paragraaf 1.1.1.1, onderdeel 153, onder a en b, van het landbouwsteunkader, komen in aanmerking voor de subsidie.
Onverminderd het eerste lid komen de kosten voor de fysieke aansluiting, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdelen b en c, voor subsidie in aanmerking, voor zover deze kosten bestaan uit de werkelijke kosten voor materialen en aanleg van deze aansluiting, zoals de kosten voor buizen, verdeelstukken, pomp- en leidingenwerk, graafwerkzaamheden en overige toebehoren.
Bij de kosten voor de verwerving van onroerende zaken zijn inbegrepen de daaraan verbonden kosten van overdrachtsbelasting, notariële kosten en de kosten van inschrijving bij het kadaster.
Voor de subsidie komen niet in aanmerking kosten voor de verwerving van onroerende zaken met uitzondering van grond, ten behoeve waarvan subsidie door een bestuursorgaan is verleend in de periode van tien jaar voorafgaand aan de ontvangstdatum van de aanvraag tot subsidieverlening.
Voor de subsidie komen niet in aanmerking de kosten, genoemd in deel II, paragraaf 1.1.1.1, onderdeel 154 van het landbouwsteunkader.
De maximale subsidiabele kosten per vierkante meter geïnstalleerd kasoppervlak bedragen voor:
- a. een tweede energiescherm bij bestaande bouw of een derde energiescherm als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel a:
- 1°. € 7;
- 2°. € 8, voor zover het totaal aantal vierkante meters geïnstalleerd kasoppervlak minder dan 2 hectare bedraagt;
- b. een luchtbehandelingssysteem als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel d: € 16,50 voor onderdeel 1°; € 35,00 voor onderdeel 2°; € 15,00 voor onderdeel 3°; € 40,00 voor onderdeel 4°; € 65,00 voor onderdeel 5°;
- c. een vernevelingsinstallatie als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel e, € 4;
- d. het ophogen van een bestaande kas € 30;
- e. vervanging van alle aanwezige gloeilampen door LED-belichting als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel h, € 2,50;
- f. nieuwbouw met of vervanging van glas op het kasdek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel i, € 20 meerkosten ten opzichte van standaard glas;
- g. uitbreiding van het verwarmend oppervlak als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel j, € 10.
De maximale subsidiabele kosten voor vervanging van alle aanwezige SON-T belichting door LED-belichting of installatie van LED-belichting in nieuwbouwkassen en onbelichte bestaande kassen als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel g, bedragen € 0,35 per micromol per seconde per vierkante meter geïnstalleerd kasoppervlak.
De maximale subsidiabele kosten voor een fysieke aansluiting op een extern warmtenet als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel b, bedragen € 285 per kW.
Artikel 2.3.7. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt 20% van de subsidiabele kosten.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor apparatuur, installaties of machines als bedoel in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdelen d, f, i, j en k, 30% van de subsidiabele kosten.
De subsidie bedraagt per glastuinbouwonderneming of per glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband ten minste € 2.500 per aanvraag en voor de apparatuur, installaties of machines, bedoeld in:
- a. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel a, ten hoogste € 35.000 bij 0,1 tot en met 2,0 hectare en ten hoogste € 210.000 vanaf 2,0 hectare;
- b. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel b, ten hoogste € 250.000 voor een fysieke aansluiting op een extern warmtenet en ten hoogste € 150.000 voor een fysieke aansluiting op een doorkoppeling van warmte tussen twee verwarmingsinstallaties van een of meerdere kassen;
- c. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel c, ten hoogste: € 100.000 voor onderdeel 1°; € 75.000 voor onderdeel 2°; € 50.000 voor onderdeel 3°;
- d. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel d, ten hoogste: € 250.000 voor onderdeel 1°; € 525.000 voor onderdeel 2°; € 225.000 voor onderdeel 3°; € 600.000 voor onderdeel 4°; € 600.000 voor onderdeel 5°;
- e. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel e, ten hoogste € 100.000;
- f. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel f, ten hoogste € 600.000;
- g. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel g, ten hoogste € 500.000;
- h. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel h, ten hoogste € 75.000;
- i. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel i, ten hoogste € 600.000;
- j. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel j, ten hoogste € 350.000;
- k. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel k, ten hoogste € 450.000.
Artikel 2.3.8. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 2.3.2 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door staatssteunmaatregelen SA.50448 (2018/N), SA.59823 (2020/N), SA.106646 (2023/N), SA.118496 (2025/N), en SA.120764 (2025/N) en paragraaf 1.1.1.1. van het landbouwsteunkader.
Artikel 2.3.9. Vervaltermijn
Deze titel en bijlage 2.3.1 vervallen met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Artikel 2.3.10. Standstill
De subsidie, bedoeld in artikel 2.3.2., bevat staatssteun en wordt niet eerder verleend dan nadat de Europese Commissie goedkeuring heeft gegeven voor deze regeling in een procedure als bedoeld in artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Titel 2.4. Emissieloos landbouwmaterieel
Artikel 2.4.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- aanschaf: verkrijging van de eigendom als bedoeld in artikel 3:84, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek krachtens koop of financial leasing als bedoeld in paragraaf 3.2 van het Besluit heffing omzetbelasting bij leasing;
- agrarisch loonwerkbedrijf: onderneming die in opdracht van een landbouwonderneming werkzaamheden verricht in de primaire landbouwproductie;
- DC-laadstation: laadstation als bedoeld in artikel 2, punt 52, van Verordening (EU) 2023/1804 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 2014/94/EU, met ingebouwde converter;
- kentekenregister: het register, bedoeld in artikel 42 Wegenverkeerswet 1994;
- landbouwmachine: volledig batterij-elektrisch of via netstroom aangedreven machine, niet zijnde een landbouwtractor, die is ontworpen voor het uitvoeren van taken in de primaire landbouwproductie;
- landbouwtractor: volledig batterij-elektrisch aangedreven landbouwvoertuig als bedoeld in artikel 4, eerste tot en met achtste lid, van verordening (EU) 167/2013.
Artikel 2.4.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een landbouwonderneming of agrarisch loonwerkbedrijf voor de aanschaf van een of meerdere nieuwe:
- a. landbouwmachines met een continu elektrisch motorvermogen van ten minste anderhalf kW;
- b. landbouwtractoren met een continu elektrisch motorvermogen van 29 tot en met 74 kW, oftewel 40 tot en met 100 pk, al dan niet inclusief een DC-laadstation; of
- c. landbouwtractoren met een continu elektrisch motorvermogen van meer dan 74 kW, oftewel 100 pk, al dan niet inclusief een DC-laadstation;
indien deze investering is gericht op het verminderen of het voorkomen van de uitstoot van broeikasgassen.
Artikel 2.4.3. Maximumaantal aanvragen
Een landbouwonderneming of agrarisch loonwerkbedrijf kan per dag ten hoogste:
- a. één aanvraag indienen voor ten hoogste twee landbouwmachines als bedoeld in artikel 2.4.2, onderdeel a; en
- b. één aanvraag indienen voor ten hoogste:
- 1°. twee landbouwtractoren als bedoeld in artikel 2.4.2, onderdeel b of c; of
- 2°. één landbouwtractor als bedoeld in artikel 2.4.2, onderdeel b of c en één DC-
laadstation.
Artikel 2.4.4. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt:
- a. voor de aanschaf van een landbouwmachine: 25% van de subsidiabele kosten;
- b. voor de aanschaf van een landbouwtractor met een continu elektrisch motorvermogen van 29 tot en met 74 kW, oftewel 40 tot en met 100 pk: 35% van de subsidiabele kosten;
- c. voor de aanschaf van een landbouwtractor met een continu elektrisch motorvermogen van meer dan 74 kW, oftewel 100 pk: 55% van de subsidiabele kosten;
- d. voor de aanschaf van een DC-laadstation:
- 1°. € 9.760, – voor een DC-laadstation met een vermogen van 50 tot 100 kW;
- 2°. € 17.700, – voor een DC-laadstation met een vermogen van 100 tot 150 kW;
- 3°. € 24.400,– voor een DC-laadstation met een vermogen vanaf 150 kW.
De subsidie bedraagt ten minste € 3.000, – per aanvraag en ten hoogste € 600.000, – per landbouwonderneming of agrarisch loonwerkbedrijf per kalenderjaar.
Artikel 2.4.5. Subsidiabele kosten
De subsidiabele kosten zijn:
- a. voor de aanschaf van een landbouwmachine of landbouwtractor: de aanschafkosten, inclusief af-fabriekopties;
- b. voor de aanschaf van een DC-laadstation: de kosten voor de aanschaf, bouw en installatie van een DC-laadstation.
Artikel 2.4.6. Verdeling subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen om subsidieverlening.
Indien na afloop van de openstelling blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor een van de investeringen als bedoeld in artikel 2.4.2 lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig toegevoegd aan het subsidieplafond voor andere investeringen als bedoeld in artikel 2.4.2.
Artikel 2.4.7. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is een jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
De minister kan op gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen tot anderhalf jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
Artikel 2.4.8. Afwijzingsgronden
De minister besluit afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvrager kwalificeert als een grote onderneming.
Artikel 2.4.9. Subsidieverplichtingen
De subsidieontvanger is verplicht:
- a. een aangeschafte landbouwtractor op zijn naam te stellen in het kentekenregister;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)