Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)
Bijlage 2.22. als bedoeld in artikel 2.22.3.1 van de Regeling nationale EZK- en LNV subsidies
Vervallen
Bijlage 2.23.1. behorende bij artikel 2.23.9, tweede lid, onderdeel d, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies
Onderdeel 1
De subsidieaanvraag wordt beoordeeld op stimulerend effect en economische haalbaarheid (artikel 23, onderdeel c en e van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies). Het exploitatiemodel geeft inzicht in de economische haalbaarheid van het project en is tegelijkertijd een indicatie voor het stimulerend effect. Het stimulerende effect wordt niet alleen op economische criteria beoordeeld. De exploitatieberekening berekent een aantal sleutelindicatoren om de economische haalbaarheid van het project te beoordelen. Dit zijn de netto contante waarde van het project, de terugverdientijd van de investering en de interne rentabiliteit.
Berekeningsmethode
De netto contante waarde (NCW) wordt berekend met de volgende formule:
Waarbij
Ot = Opbrengsten vanuit glastuinbouwafnemers in jaar t
Ut = Uitgaven ten behoeve van glastuinbouwafnemers in jaar t
i = Discontovoet
T = Exploitatieduur
Voor de berekening worden, in lijn met het subsidiedoel genoemd in artikel 2.23.2, alleen de uitgaven ten behoeve van en opbrengsten vanuit de glastuinbouw in aanmerking genomen. Wanneer een warmtenet wordt aangelegd waarbij er zowel glastuinbouwafnemers als andere afnemers zijn, worden alleen de uitgaven ten behoeve van en opbrengsten vanuit de glastuinbouwafnemers beschouwd. Voor investeringen betekent dit dat enkel de investeringskosten worden meegenomen die uitsluitend ten behoeve van warmtelevering aan glastuinbouwondernemers worden gemaakt. Hiervoor geldt hetgeen vermeld in artikel 2.23.4, tweede lid.
Algemene uitgangspunten
T is 17 jaar vanaf de startdatum van het project.
i is 6,8% (WACC voor belasting).
Op de jaarlijkse uitgaven en opbrengsten wordt een indexatie toegepast van 2%.
Er wordt in de berekening geen rekening gehouden met de af te dragen vennootschapsbelasting.
Alle kosten en opbrengsten waarvoor geen specifieke uitgangspunten zijn vastgelegd, moeten worden onderbouwd in het projectplan.
Opbrengsten
De opbrengsten in het jaar t (Ot...) zijn gelijk aan:
Ot = (TTt x Pt) + (AVt x Nt) + OSt + (Ovar x Qt) + Ovast
Waarbij
TTt = Transporttarief in €/MW in jaar t, wanneer van toepassing;
Pt = Vermogen van de aansluitingen waarvoor het transporttarief betaald wordt in jaar t;
AVt = Aansluitvergoeding in jaar t, wanneer van toepassing;
Nt = Aantal aansluitingen waarvoor de aansluitvergoeding betaald wordt in jaar t;
OSt = Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en van openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
Ovar = Variabele opbrengsten (marge inkoop – verkoop warmte glastuinbouw) in € / GJ geleverd in jaar t, wanneer van toepassing;
Qt = Hoeveelheid geleverde warmte in GJ in jaar t;
Ovast = Overige inkomsten in jaar t, wanneer van toepassing.
Uitgaven
De totale uitgaven in het jaar t (Ut) zijn gelijk aan:
Ut = OKt + AKt + WVt + ALt + Kvast
Waarbij
OKt= Onderhoudskosten voor onderdelen van het efficiënte warmtenet in jaar t;
AKt= Administratiekosten in jaar t;
WVt= Kosten voor warmteverlies in jaar t, wanneer van toepassing;
ALt= Subsidiabele kosten zoals opgenomen in de mijlpalenbegroting als bedoeld in artikel 2.23.9, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 1°., in jaar t.
Kvast = Overige kosten in jaar t, wanneer van toepassing.
Waarbij
WVt = QDV x Qt x Pt;
Met
P = De inkoop- of productieprijs van warmte in jaar t;
QDV = het warmteverlies in % van de warmteafzet.
Uitgangspunt
OKt
Voor leidingen: maximaal 1% van de subsidiabele investeringskosten
Voor overdrachtsstations: maximaal 3% van de subsidiabele investeringskosten
Voor warmteopslag, maximaal 1,5% van de investering
Terugverdientijd en interne rentabiliteit
De terugverdientijd is de kleinste waarde voor Ttvt waarin
De interne rentabiliteit is de jaarlijkse rentevergoeding over de contante waarde van de investeringen in het project, voor de opbrengsten Ot en kostenposten Ut zoals beschreven in dit onderdeel.
Onderdeel 2
In dit onderdeel is uitgewerkt welke documenten van het voorlopig of definitief ontwerp, als bedoeld in artikel 2.23.9, tweede lid, onderdeel e, dienen te worden aangeleverd. Dit ontwerp moet minimaal bestaan uit de volgende onderdelen en dient aangeleverd te worden in PDF-format.
Onderdeel 3
De totale subsidiabele investeringskosten moeten in het model exploitatieberekening worden uitgesplitst naar de kostencomponenten loonkosten, kosten derden, investeringen in gebouwen en gronden, investeringen in leidingdelen per DN-maat van het efficiënte warmtenet, de koppelleiding en de aansluiting, investeringen in warmteoverdrachtstations en overige investeringen. Deze kosten moeten op grond van artikel 2.3.9, lid 2, onderdeel a, subonderdeel 5, worden opgenomen in de mijlpalenbegroting. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:
Vaste mijlpalen
De mijlpalenbegroting bevat in ieder geval drie verplichte mijlpalen, namelijk:
Indien het investerings- en het financieringsbesluit op hetzelfde moment worden genomen, mogen mijlpaal 1 en 2 worden samengevoegd. Na de verplichte mijlpalen worden de mijlpalen door de aanvrager bepaald overeenkomstig de fasering van het project, zoals opgenomen in het projectplan. Voor het gehele project kunnen maximaal 15 mijlpalen opgenomen worden.
Aanvang en einde van de mijlpalen
Een mijlpaal vangt aan op het moment dat de aanvrager kosten begint te maken voor het behalen van een bepaald resultaat. Met het behalen van het resultaat, wordt ook de mijlpaal behaald. Een mijlpaal moet daarbij altijd aansluiten of overlappen met een volgende mijlpaal, zodat er geen fasen zijn waarin geen kosten worden opgevoerd. De concreet definieerbare startpunten en resultaten worden opgenomen in de mijlpalenbegroting en verder onderbouwd in het projectplan. Op de einddatum van een mijlpaal wordt het resultaat overgelegd aan RVO.
De eerste mijlpaal start op de startdatum van het project. Dit moment is van belang omdat het eerste voorschot ambtshalve binnen twee weken na aanvang van de activiteiten wordt verstrekt. De einddatum van het project is ook de einddatum van de laatste mijlpaal.
Inhoud van de mijlpalen
Iedere mijlpaal vertegenwoordigt een concreet definieerbaar resultaat. Dit kan naast de resultaten zoals genoemd in de eerste drie mijlpalen bijvoorbeeld ook zijn dat een deel van het project wordt opgeleverd. In de mijlpaal worden alle subsidiabele kosten opgenomen die gemaakt worden in aanloop naar het te behalen resultaat. Op de einddatum van een mijlpaal overlegt de aanvrager het ontwerp waarop staat aangegeven welke leidingen of leidingdelen, warmteoverdrachtstations en aansluitingen met deze mijlpaal zijn gerealiseerd.
Meldplicht
Indien de aanvrager een mijlpaal niet haalt, langer doet over het te behalen resultaat of met de kosten afwijkt van hetgeen is opgegeven bij de aanvraag, dan doet hij hier binnen twee maanden melding van aan RVO. Dit kan gevolgen hebben voor de uitbetaling van de voorschotten.
Bijlage 2.24. behorende bij artikel 2.24.1
Het begrip domein, aangeduid in artikel 2.24.1 van artikel I, heeft betrekking op de volgende maatschappelijke domeinen:
- –. Bouw
- –. Energie
- –. Financiële sector
- –. Infrastructuur
- –. Landbouw
- –. Onderwijs
- –. Vrijetijdseconomie
- –. Water
- –. Gezondheid
- –. Bedrijventerreinen
Bijlage 2.25. behorende bij artikel 2.25.2, tweede lid
Deelnemers in een samenwerkingsverband dat het zwaartepunt van de subsidiabele activiteiten heeft liggen in een of meer van de volgende postcodegebieden, kunnen een subsidieaanvraag indienen:
1026
1027
1028
112x
113x
114x
115x
13xx
14xx
16xx
17xx
18xx
19xx
298x
299x
316x
317x
32xx
33xx
389x
391x
392x
394x
395x
396x
397x
398x
399x
40xx
41xx
42xx
43xx
44xx
45xx
46xx
473x
474x
475x
476x
477x
478x
479x
49xx
514x
515x
516x
522x
523x
524x
525x
530x
531x
532x
533x
535x
536x
537x
539x
607x
61xx
62xx
63xx
64xx
65xx
774x
775x
776x
78xx
79xx
820x
821x
822x
823x
824x
825x
826x
83xx
84xx
85xx
86xx
87xx
88xx
89xx
90xx
91xx
92xx
93xx
94xx
95xx
96xx
97xx
98xx
99xx
Bijlage 2.26. behorende bij artikel 2.26.3 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies
| Bedrag per zeedag | Bedrag per brutotonnage dat in mindering wordt gebracht |
|---|---|
| € 5.542,00 | € 5.072,00 |
Bijlage 2.28.1. bij artikel 2.28.2 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Bijlage bij Subsidieregeling hygiënisatie- en drooginstallaties
In de tabellen 1 en 2 zijn de verschillende werkingsprincipes en de daarbij behorende basistechnieken opgenomen. Elk werkingsprincipe, waarbij gebruik wordt gemaakt van één in tabel 1 of tabel 2 vermelde basistechniek, leidt tot de inrichting van een hygiënisatie-installatie dan wel drooginstallatie, zoals gedefinieerd in titel 2.28. van deze regeling. In de rechterkolom van deze tabellen is de voor het energieverbruik bijbehorende benchmark opgenomen. De benchmark is uitgedrukt in kWh per ton aangevoerd product.
| Proces | Werkingsprincipe | Basistechniek | Benchmark |
|---|---|---|---|
| Hygiënisatie | Thermische verhitting | Warmtevijzel | 80 |
| Hygiënisatie | Thermische verhitting | Anders1 | 80 |
| Hygiënisatie | Biothermische verhitting | Tunnelcompostering | 0 |
| Hygiënisatie | Biothermische verhitting | Trommelcompostering | 0 |
| Hygiënisatie | Biothermische verhitting | Anders1 | 0 |
1 Een gevalideerde techniek in de zin van Verordening nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 die door een intermediaire onderneming wordt gebruikt.
| Proces | Werkingsprincipe | Basistechniek | Benchmark |
|---|---|---|---|
| Drogen | Thermisch drogen | Banddrogers | 750 |
| Drogen | Thermisch drogen | Trommeldrogers | 700 |
| Drogen | Thermisch drogen | Anders1 | 700 |
1 Een gevalideerde techniek in de zin van Verordening nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 die door een intermediaire onderneming wordt gebruikt.
Bijlage 2.29. , behorende bij de artikelen 2.29.2, eerste lid, onderdeel c, en 2.29.4, eerste lid, onderdeel d, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Vervallen
Bijlage 3.2.1. behorende bij artikel 3.2.11, tweede lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies
Onderzoeksprotocol aanwending PPS-toeslag onderzoek en innovatie
1. Uitgangspunten
1.1. Doelstelling
PPS-toeslag, een subsidie gebaseerd op titel 3.2. van de Regeling nationale EZ subsidies (‘PPS-toeslagregeling’), wordt verleend en vastgesteld door de Minister van Economische Zaken en Klimaat (‘EZK’) aan Topconsortia voor Kennis en Innovatie (‘TKI’). Het TKI is aldus subsidieontvanger. Een TKI kan PPS-toeslag aanwenden voor innovatieactiviteiten of (zoals veelal het geval is) voor de uitvoering van samenwerkingsprojecten. In dat laatste geval ontvangen de deelnemers in samenwerkingsprojecten financiële middelen van het TKI (PPS-middelen, als gedefinieerd in paragraaf 1.2).
Dit onderzoeksprotocol heeft als doel het geven van aanwijzingen omtrent de reikwijdte en de intensiteit van de werkzaamheden aan de accountant van het TKI, belast met de controle van de door het TKI bij het Ministerie van EZK in te dienen aanvraag om vaststelling van de PPS-toeslag. De toepassing van het onderzoeksprotocol is beperkt tot het onderzoek ten aanzien van (het deel van) de vaststellingsaanvraag dat betrekking heeft op de PPS-toeslag die het TKI heeft aangewend voor samenwerkingsprojecten (artikelen 3.2.5 en 3.2.12 PPS-toeslagregeling). Dit onderzoeksprotocol ziet derhalve niet op controlewerkzaamheden voor (het deel van) de aanvraag tot vaststelling van PPS-toeslag die het TKI heeft aangewend voor eigen innovatieactiviteiten. Verder geldt dit onderzoeksprotocol enkel voor de consoliderende rol van de accountant in het kader van de vaststelling van PPS-toeslag (zowel programma- als projecttoeslagen) aangevraagd door het TKI, en geldt derhalve niet voor zijn (eventuele) eigen controlerol wanneer hij wordt ingeschakeld (a) door een TKI ter controle van de verantwoording van de aanwending van PPS-toeslag voor eigen innovatieactiviteiten of (b) door een deelnemer van een samenwerkingsproject ter controle van de verantwoording die deze deelnemer richting TKI moet aanleveren omtrent de besteding door die deelnemer van de ontvangen PPS-middelen.
Het Onderzoeksprotocol aanwending PPS-toeslag onderzoek en innovatie is opgesteld omdat deelnemers in samenwerkingsprojecten die PPS-middelen aanwenden hierover op verschillende wijzen tegenover het TKI verantwoording afleggen. In de praktijk zetten TKI’s de deelnemers in samenwerkingsprojecten er namelijk toe aan om de verantwoording van de besteding van de financiële middelen vorm te geven overeenkomstig de verantwoordingsmogelijkheden die voor subsidieontvangers gelden, al zijn deze deelnemers wat betreft de PPS-toeslag zelf geen subsidieontvanger. Zo kunnen bijvoorbeeld controleverklaringen aanwezig zijn. Of wordt de methodiek SiSa toegepast (single information, single audit). Het is ook mogelijk dat alleen bestuursverklaringen aanwezig zijn. Gegeven al deze verschillende wijzen van verantwoording, zou het eisen van een controleverklaring bij de aanvraag om subsidievaststelling door de accountant van een TKI conform bijlage1.3 van de Regeling nationale EZ subsidies (RNES)resulteren in ongewenste administratieve lasten voor een TKI.
1.2. Definities
Voor de toepassing van dit onderzoeksprotocol wordt verstaan onder:
Waar in dit onderzoeksprotocol het begrip ‘PPS-toeslag’ wordt gehanteerd, wordt hieronder voor zover relevant tevens verstaan de toeslag die vóór de wijziging van titel 3.2 per 1 februari 2017 werd aangeduid als ‘TKI-toeslag’.
1.3. TKI en de wijze van verantwoorden
Een TKI is verplicht om na voltooiing van de activiteiten waarvoor de PPS-toeslag is verleend, een aanvraag tot vaststelling van de PPS-toeslag in te dienen.
Artikel 50, tweede lid, onderdeel c, Kaderbesluit nationale EZ-subsidies eist dat de subsidieontvanger bij de aanvraag om subsidievaststelling een controleverklaring van een accountant bijvoegt indien het subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt. Uit deze controleverklaring moet blijken dat met de aanvraag wordt voldaan aan de voorschriften bedoeld in artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht.
De PPS-toeslagregeling biedt echter de mogelijkheid dat een TKI de aanvraag tot vaststelling van PPS-toeslag die wordt aangewend voor samenwerkingsprojecten vergezeld mag laten gaan van een rapport van feitelijke bevindingen dat met inachtneming van de voorschriften, opgenomen in het onderhavige onderzoeksprotocol (bijlage 3.2.1 bij de RNES), is vastgesteld. Dat rapport kan dan in plaats van de in het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies bedoelde controleverklaring worden overgelegd. Voor de duidelijkheid wordt benadrukt dat indien het gaat om een verantwoording over PPS-toeslag van meer dan € 125.000 die is aangewend voor innovatieactiviteiten van een TKI zelf, voor dat specifieke deel nog altijd een controleverklaring bij de betreffende vaststellingsaanvraag moet worden gevoegd.
Hierboven is aangegeven dat TKI’s de PPS-toeslag veelal aanwenden door PPS-middelen te verstrekken aan de deelnemers in samenwerkingsprojecten. Deze deelnemers leggen aan een TKI verantwoording af over de aanwending van deze PPS-middelen middels een financiële kostenverantwoording. Een TKI stelt vervolgens een geconsolideerd overzicht op van alle samenwerkingsprojecten waarvoor het TKI de ontvangen PPS-toeslag heeft aangewend, waarbij is aangegeven welk deel van de ontvangen PPS-toeslag voor welk samenwerkingsproject is aangewend. Dit overzicht dient als basis voor de door het TKI in te dienen aanvraag tot subsidievaststelling voor de aanwending in samenwerkingsprojecten op grond van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies en de PPS-toeslagregeling.
2. Onderzoeksaanpak accountant van een TKI
2.1. Inleiding
In deze paragraaf worden aanwijzingen gegeven omtrent de reikwijdte en de intensiteit van de werkzaamheden aan de accountant van een TKI, indien het TKI de verleende PPS-toeslag geheel of gedeeltelijk heeft aangewend voor de uitvoering van samenwerkingsprojecten. Deelnemers in samenwerkingsprojecten worden in de praktijk door TKI’s ertoe aangezet om op zodanige wijze verantwoording af te leggen aan een TKI, dat het TKI in staat is om zelf te handelen in overeenstemming met de van toepassing zijnde RNES-bepalingen (met name wat betreft de informatieverstrekking aan Minister van EZK (de facto: de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)). De mogelijke verantwoordingsvormen voor deelnemers jegens TKI’s worden beschreven in paragraaf 2.2 van dit document.
TKI’s consolideren alle financiële kostenverantwoordingen die ze van deelnemers in samenwerkingsprojecten hebben ontvangen. Op basis hiervan dienen TKI’s een aanvraag tot subsidievaststelling in bij RVO.nl. Deze aanvraag tot subsidievaststelling door een TKI dient vergezeld te gaan van een rapport van feitelijke bevindingen van de accountant van een TKI. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 2.3 van dit onderzoeksprotocol.
2.2. Wijze van verantwoorden
De PPS-toeslag wordt op grond van artikel 3.2.2, RNES (PPS-programmatoeslag) of artikel 3.2.9, eerste lid, onderdeel a, RNES (PPS-projecttoeslag) toegekend aan een TKI, dat optreedt als subsidieontvanger. Aanwending van de PPS-toeslag door een TKI vindt met name plaats in de vorm van verstrekking van financiële middelen aan de deelnemers in samenwerkingsprojecten.
De daarop betrekking hebbende rapportage-structuur is als volgt ingericht:
Stap 1:
Voor aanwending van PPS-toeslag door een TKI voor de uitvoering van samenwerkingsprojecten geldt qua verantwoording het volgende. Om het TKI in staat te stellen om jegens de Minister (RVO.nl) verantwoording af te leggen over de hier bedoelde aanwending van PPS-toeslag, stellen de afzonderlijke deelnemers in samenwerkingsprojecten ten behoeve van het TKI een financiële kostenverantwoording op met betrekking tot de aan hen (door het TKI) ter beschikking gestelde en door hen aangewende PPS-middelen. Tevens wordt door de afzonderlijke deelnemers in de financiële kostenverantwoording opgave gedaan van alle opbrengsten, waaronder subsidies, waarmee het programma/de activiteit waarop de PPS-toeslag betrekking heeft, mede is gefinancierd.
Voor deze financiële kostenverantwoording door de deelnemers in samenwerkingsprojecten is het volgende van belang. Met het oog op de door het TKI af te leggen verantwoording hanteert de accountant van het TKI bij het opstellen van een rapport van feitelijke bevindingen als uitgangspunt dat deelnemers in samenwerkingsprojecten die PPS-middelen hebben ontvangen, deze aanwending van PPS-middelen richting TKI verantwoorden volgens de hieronder beschreven controleregimes. Deze controleregimes zijn grotendeels equivalent aan de controleregimes die gelden in de relatie tussen subsidieverstrekker en subsidieontvanger:
Het TKI is verantwoordelijk voor de juiste en volledige toepassing van het door hem aan een deelnemer opgelegde verantwoordingsregime.
Onder stap 2 en in paragraaf 2.3 (opgesomde accountantswerkzaamheden) wordt nader uiteengezet hoe de TKI-accountant vervolgens omgaat met verantwoordingen van deelnemers in samenwerkingsprojecten die via het TKI aan de TKI-accountant ter beschikking zijn gesteld. In de kern geldt dat indien de accountant van het TKI vaststelt dat deelnemers, anders dan als uitgangspunt was genomen, niet op basis van bovenstaande controleregimes verantwoording afleggen richting TKI’s, dit als feitelijke constatering wordt opgenomen in het rapport van feitelijke bevindingen.
Stap 2:
De TKI’s consolideren de financiële verantwoordingen van de kosten van de afzonderlijke deelnemers in samenwerkingsprojecten uit stap 1 tot één financiële kostenverantwoording.
De TKI’s voegen de afzonderlijke financiële kostenverantwoordingen van de deelnemers in samenwerkingsprojecten dus samen tot één set en geven daarmee aan welk bedrag van de PPS-toeslag op basis van de financiële kostenverantwoordingen door een TKI als aangewend wordt beschouwd voor de kosten van de deelnemers in samenwerkingsprojecten.
Op de geconsolideerde financiële kostenverantwoording van alle partijen als geheel, wordt door de accountant van een TKI een NV COS 4400N-opdracht uitgevoerd. Dit betreft derhalve een opdracht tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden (zie verder paragraaf 2.3).
De uiteindelijke financiële rapportage die door een TKI aan de Minister (RVO.nl) wordt verstrekt bij de aanvraag tot vaststelling van PPS-toeslag die is aangewend voor samenwerkingsprojecten, bestaat in de kern vervolgens uit:
Het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies en de PPS-toeslagregeling beschrijven welke eventuele overige stukken een TKI bij de betreffende vaststellingaanvraag dient te overleggen.
2.3. Nv cos 4400n-opdracht
De accountant van een TKI is verantwoordelijk voor het opstellen van een rapport van feitelijke bevindingen bij de aanvraag om vaststelling van een PPS-toeslag die een TKI heeft aangewend voor de uitvoering van samenwerkingsprojecten. Deze opdracht betreft een Standaard 4400N opdracht. De werkzaamheden van de accountant moeten voldoen aan Standaard 4400N die onderdeel is van de nadere voorschriften Controle en overige standaarden (NV COS), die door de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) zijn vastgesteld.
Het rapport van feitelijke bevindingen bevat de conform NV COS 4400N voorgeschreven elementen, beschrijft de werkzaamheden en bevindingen inzake de aspecten zoals genoemd in deze paragraaf van dit protocol. De accountant rapporteert conform de actuele NBA voorbeeldtekst HRA hoofdstuk 4.1: ‘Stramien voor een rapport van feitelijke bevindingen’. Een voorbeeldtekst is toegevoegd aan dit onderzoeksprotocol.
Het uitvoeren van een Standaard 4400N opdracht betekent dat de accountant van een TKI geen zekerheid verschaft, maar alleen onderzoeksbevindingen rapporteert. Dit protocol beschrijft de aandachtspunten voor het onderzoek. De gebruiker van het rapport moet zelf een oordeel vormen en zijn conclusies trekken. De accountant dient de aard, tijdfasering en omvang van de overeengekomen specifieke werkzaamheden met de opdrachtgever af te stemmen en in het rapport tot uitdrukking te brengen (zie Standaard 4400N).
De volgende werkzaamheden worden door de accountant verricht:
3. Reviewbeleid
De Auditdienst Rijk (ADR) kan een review uitvoeren op de uitgevoerde werkzaamheden van de accountant inzake deze subsidie. De accountant, die de werkzaamheden uitvoert, verstrekt de ADR desgevraagd alle inlichtingen en bescheiden. De eventuele extra kosten van deze accountant in verband met de review zijn niet voor rekening van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK). Deze kosten komen voor rekening van het betreffende TKI.
Rapport van feitelijke bevindingen inzake aanvraag tot subsidievaststelling PPS-toeslag
Aan: Opdrachtgever
Wij hebben een aantal specifieke werkzaamheden verricht met betrekking tot de aanvraag tot subsidievaststelling PPS-toeslag inzake ... (naam) te ... (vestigingsplaats).
Het doel van deze opdracht tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden is het verrichten van die werkzaamheden die zijn voorgeschreven door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat in het Onderzoeksprotocol aanwending PPS-toeslag onderzoek en innovatie en het rapporteren over de feitelijke bevindingen. De opdrachtvoorwaarden zijn omschreven in onze opdrachtbrief van ...(datum).
Het is uw verantwoordelijkheid om te bepalen of de overeengekomen specifieke werkzaamheden toereikend en geschikt zijn voor het hierboven beschreven doel.
Wij hebben onze werkzaamheden verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse Standaard 4400N Opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden en Onderzoeksprotocol aanwending PPS-toeslag onderzoek en innovatie (opgenomen in bijlage 3.2.1 bij de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies). Bij het uitvoeren van deze opdracht hebben wij ons gehouden aan de voor ons geldende relevante ethische voorschriften in de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Accountants (VGBA).
In deze paragraaf is een beschrijving van de uitgangspunten, overeengekomen specifieke werkzaamheden en feitelijke bevindingen opgenomen. Wij doen geen uitspraak over wat de feitelijke bevindingen betekenen voor de aanvraag tot subsidievaststelling PPS-toeslag. U zult hierover een eigen afweging moeten maken waarbij u gebruik kunt maken van dit rapport van feitelijke bevindingen en eventuele andere beschikbare informatie.
Wij hebben de werkzaamheden verricht die staan beschreven in paragraaf 2.3 van bovengenoemd onderzoeksprotocol.
Beschrijving van de feitelijke bevindingen:
De toereikendheid en geschiktheid van de te verrichten werkzaamheden is de verantwoordelijkheid van de gebruikers van deze rapportage met wie deze werkzaamheden zijn overeengekomen. Derhalve doen wij geen uitspraak over de toereikendheid en geschiktheid van de verrichte werkzaamheden in relatie tot het doel waarvoor deze worden verricht, noch voor elk ander doel.
Volledigheidshalve wijzen wij er nog op dat, indien wij aanvullende werkzaamheden zouden hebben verricht zoals onderzoek naar de werking dan wel een controle-, beoordelings- of andere assurance-opdracht zouden hebben uitgevoerd, wellicht andere onderwerpen zouden zijn geconstateerd die voor rapportering in aanmerking zouden zijn gekomen
Bij het opstellen van deze rapportage is rekening gehouden met de verwachtingen van de beoogde gebruikers. Daarom is deze rapportage alleen bestemd voor uzelf en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. U kunt deze rapportage niet aan anderen afgeven zonder onze toestemming, noch mag eruit worden geciteerd of eraan worden gerefereerd, tenzij wettelijke voorschriften anders bepalen.
Plaats en datum
... (naam accountantspraktijk)
... (naam accountant)
Bijlage 3.4.1. behorende bij artikel 3.4.2, eerste lid, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
1. Klimaat en Energie
Projecten dienen bij te dragen aan het pad naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Ze dragen daarmee automatisch bij aan de tussendoelen voor 2030 zoals nationaal en Europees zijn vastgesteld.
De Kennis- en Innovatie Agenda (Hierna: KIA) Klimaat en Energie bevat 4 deelmissies:
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst in relatie tot bovenstaande deelmissies gericht te zijn op:
2. Circulaire Economie
Projecten dienen bij te dragen aan het pad naar een circulaire economie in 2050. Voor deze missie zijn tussendoelen geformuleerd in het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023–2030 en kansrijke thema’s om die tussendoelen te kunnen halen. De snelheid en het volume waarmee de beoogde innovatie impact zou kunnen maken, wegen mee in de beoordeling.
In een circulaire economie past het totaal van alle productie en consumptie binnen de planetaire grenzen. Voor circulariteit dienen nieuwe producten en diensten te worden ontworpen, waarbij het potentieel voor hergebruik en recycling het uitgangspunt is. Om te komen tot circulaire grondstof-ketens en processen moet de levensduur van producten en materialen worden verlengd door producten en processen te ontwikkelen en geschikt te maken voor het uitvoeren van reparatie, refurbishing, remanufacturing en andere levensduurverlengende bewerkingen, worden materialen en (kritische) grondstoffen aan het einde van de levensduur van producten teruggewonnen, en worden productie-, collectie-, sorteer-, reparatie-, refurbishing- en recyclingsprocessen geoptimaliseerd.
Maatschappelijk zal sprake moeten zijn van een systeemtransitie en van acceptatie. Dit vraagt om systeem- en sociale innovaties, zoals gedragsverandering van bedrijven en consumenten, meervoudige waarde creatie, ketenanalyse en ketensamenwerking, standaardisering en normering. MKB-innovaties zullen in deze ontwikkelingen moeten passen.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:
Ten slotte dienen de te ontwikkelen innovatieve producten, processen of diensten in relatie tot de bovenstaande deelmissie zich te richten op een (combinatie) van de volgende waardeketens:
3. Landbouw, Water en Voedsel
Projecten dienen bij te dragen aan de zes deelmissies van de KIA Landbouw, Water en Voedsel (LWV). Ten slotte is er een apart programma voor sleuteltechnologieën voor de KIA LWV dat geen onderdeel is van de deelmissies van LWV maar waar projecten nog steeds aan bij kunnen dragen.
De KIA LWV bevat 6 deelmissies:
Een belangrijk deel van de vraagstukken achter die deelmissies vraagt om onderzoek (kennis), om een eenmalige oplossing (een specifieke aanpak) of om oplossingen voor de inrichting van gebieden, en niet om een veelvuldig verkoopbaar MKB-product waarvoor de MIT-subsidie de haalbaarheid moet aantonen of de technische ontwikkelrisico’s moet reduceren. Dit geldt vooral de deelmissies 1, 3 en de systeemgerichte onderdelen van deelmissie 4. MKB-projecten liggen daarbij dus niet direct voor de hand, maar technologische oplossingen om kennis te verzamelen of in de praktijk te brengen zijn zeker niet ondenkbaar. Denk bijvoorbeeld aan innovaties ten behoeve van betere of gemakkelijker kennisverzameling, beheer (het bestrijden van exoten) of de ontwikkeling van sensoren.
Hieronder worden de deelmissies en het programma sleuteltechnologieën voor Landbouw, Water en Voedsel (LWV) nader toegelicht.
1. Deelmissie veerkrachtige natuur en vitale bodem
Deze deelmissie draait om innovaties die effectief bijdragen aan het ombuigen van de trend van natuur- en biodiversiteitsverlies. De sleutels liggen enerzijds bij biodiversiteitsherstel en het robuust maken van natuur binnen en buiten natuurgebieden, anderzijds bij de transitie naar een samenleving en economie die hier positief aan bijdragen. Het gaat ook om vernieuwde vormen van governance en waarderingssystemen en de innovatieve inzet van natuur als oplossing voor de maatschappelijke opgave om een veerkrachtige natuur en een vitale bodem te bewerkstelligen.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie bij te dragen aan de volgende vraagstukken:
2. Deelmissie duurzame land- en tuinbouw
Deze deelmissie beoogt de benodigde kennis, inzichten, innovaties en handelingsperspectieven te ontwikkelen om te komen tot een integraal duurzaam systeem van land- en tuinbouw, waarbij het systeem zowel de primaire bedrijven betreft als hun economische, maatschappelijke en ruimtelijke interacties.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie gericht te zijn op de volgende innovatieprogramma’s:
3. Deelmissie vitaal landelijk gebied in een klimaatbestendig Nederland
Deze deelmissie draait om de kwaliteit van bodem en water die onder druk staat, en de beschikbaarheid van voldoende zoet water voor drinkwater, industrie, irrigatie en natuur die niet meer altijd vanzelfsprekend is. Dat geldt voor het platteland maar ook voor bebouwde gebieden, waarin bijvoorbeeld stedelijk groen bijdraagt aan leefbaarheid en vermindering van wateroverlast en hittestress.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie gericht te zijn op:
4. Deelmissie duurzaam en gewaardeerd voedsel, dat gezond, toegankelijk en veilig is
Doel van deze deelmissie is dat in 2050 voedsel in Nederland en Europa op een duurzame manier wordt geproduceerd in transparante ketens, waarin alle ketenpartijen een bijdrage leveren aan de verduurzaming van het voedselsysteem als geheel en aan de voedselzekerheid. Het voedselsysteem is dan zo ingericht dat het bijdraagt aan de halvering van de ecologische voetafdruk. Het streven is dat er in 2030 de helft minder voedsel wordt verspild en dat er een verschuiving wordt gerealiseerd naar 50-50% dierlijke en plantaardige eiwitten. Ook worden zij- en reststromen maximaal verwaard. Er wordt toegewerkt naar een ecologisch, economisch en sociaal houdbaar systeem.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie bij te dragen aan de volgende ontwikkelingen:
5. Deelmissie duurzaam en veilig gebruik van de Noordzee en andere grote wateren
Deze deelmissie richt zich op het doel dat in 2050 in Nederland de ecologische draagkracht en waterkwaliteit en -beschikbaarheid in balans is met de opgave voor hernieuwbare energie, voedsel, visserij en andere economische activiteiten.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:
6. Deelmissie veilige en weerbare delta
Deze deelmissie richt zich op het doel dat Nederland een veilige en weerbare delta blijft, ook bij een stijgende zeespiegel en sterkere schommelingen in de afvoer van rivieren door toegenomen weerextremen. Het achterliggend land wordt beschermd met betaalbare, circulaire, klimaatneutrale maatregelen die zoveel mogelijk werken vanuit het natuurlijk systeem (NBS, water en bodem sturend) dan wel rekening houden met de natuur (natuurinclusief). Havens blijven bereikbaar en rivieren, kanalen en de Noordzee blijven veilig bevaarbaar.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:
7. Programma voor sleuteltechnologieën voor Landbouw, Water en Voedsel (LWV)
Dit programma richt zich op het doel dat in 2030 sleuteltechnologieën zijn ontwikkeld die bijdragen aan de missies in ‘groenblauwe‘ sectoren zoals land- en tuinbouw en watersystemen. De toepassing van sleuteltechnologieën helpt deze sectoren hun missies en doelen effectiever, sneller en/of efficiënter te bereiken.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:
4. Gezondheid en Zorg
Projecten dienen bij te dragen aan het doel dat in 2040 alle mensen in Nederland ten minste vijf jaar langer in goede gezondheid leven en dat de gezondheidsverschillen tussen de laagste en hoogste sociaaleconomische groepen met 30% zijn afgenomen.
De KIA Gezondheid en Zorg bevat de vijf deelmissies:
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissies daarvoor de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:
Ten slotte is voor de te ontwikkelen innovatieve producten, processen of diensten in relatie tot de bovenstaande deelmissies het volgende relevant:
5. Veiligheid
Projecten dienen bij te dragen aan de overkoepelende ambitie om (potentiële) tegenstanders steeds een stap vóór te blijven: 'always ahead of the threat’ met slimme oplossingen in dienst van een veilige maatschappij.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst daarvoor bij te dragen aan een van de volgende vijf deelmissies binnen de KIA veiligheid:
6. Sleuteltechnologieën
Sleuteltechnologieën worden gekenmerkt door een generiek karakter met een breed toepassingsgebied of bereik in innovaties en/of sectoren binnen de KIA’s 1 t/m 5. Bij projecten die bijdragen aan de inhoudelijke KIA’s 1 t/m 5 zal dus veelal gebruik worden gemaakt van een of meer sleuteltechnologieën, waarbij sprake kan zijn van doorontwikkeling voor de specifieke toepassing.
Projecten die specifiek voor de KIA Sleuteltechnologieën worden ingediend, moeten bijdragen aan de generieke ontwikkeling van (een of meer) sleuteltechnologieën:
Hierbij wordt benadrukt dat onder optie 1 het doen van puur onderzoek naar sleuteltechnologieën en onder optie 2 het puur toepassen ervan in een willekeurige sector niet anders dan binnen de missies reeds gebeurt, geen basis is voor toekenning van een subsidie.
Voor MKB-projecten binnen deze KIA wordt gezocht naar innovaties die de randvoorwaarden voor de kennisontwikkeling en toepassing van sleuteltechnologieën verbeteren, die als product veelvuldig verkoopbaar zijn en waarvoor de MIT-subsidie de haalbaarheid moet aantonen of de technische ontwikkelrisico’s moet reduceren.
Hieronder de clusters van aangewezen Sleuteltechnologieën vanuit het perspectief van de potentiële bijdrage van technologie aan maatschappelijke uitdagingen in Nederland waaraan MKB-projecten kunnen bijdragen, de sleuteltechnologieën die onderdeel zijn van de nationale technologie strategie zijn aangemerkt met NTS:
7. Digitalisering
De KIA Digitalisering is complementair aan de KIA Sleuteltechnologieën en representeert de zeven ‘Digital and Information Technologies’ (DIT’s) sleuteltechnologieën van de 44 sleuteltechnologieën uit de KIA Sleuteltechnologieën.
Projecten die specifiek voor de KIA Digitalisering worden ingediend, dienen bij te dragen aan een van de zeven ‘Digital and Information Technologies’ (DIT’s) en de drie luiken zoals hieronder beschreven in acht te nemen.
De sleuteltechnologieën die onderdeel zijn van de nationale technologie strategie zijn aangemerkt met NTS:
Een project past in de KIA Digitalisering als het een van de maatschappelijke uitdagingen in de KIA's 1 t/m 5 adresseert door toepassing van (een van) de zeven DIT’s, of indien het project de randvoorwaarden voor de kennisontwikkeling en toepassing van DIT’s verbetert, en het als product verkoopbaar is. Daarbij dienen drie luiken op het gebied van 'Digital and Information Technologies' in acht te worden genomen:
Projecten die specifiek voor de KIA Digitalisering worden ingediend, moeten:
Het uitvoeren van fundamentele kennisontwikkeling is geen basis voor toekenning van een MIT-subsidie. Toegepaste kennisontwikkeling is alleen dat waar sprake is van een veelvuldig verkoopbaar product, waarvoor de MIT-subsidie de haalbaarheid moet aantonen of de technische ontwikkelrisico’s moet reduceren.
Hierbij wordt benadrukt dat het doen van puur onderzoek naar DIT's geen basis is voor toekenning van een subsidie. Het puur toepassen van DIT's in een willekeurige sector komt alleen in aanmerking voor toekenning van een subsidie wanneer het project een van de maatschappelijke uitdagingen in de KIA's 1 t/m 5 adresseert.
7.a. Digital Technologies: Artificiële Intelligentie (AI) (NTS)
Aansluitend op de sleuteltechnologie Digital Technologies is binnen de MIT-subsidiemodule tevens het thema Artificiële Intelligentie (AI) opgenomen, om het MKB te ondersteunen bij de ontwikkeling en toepassing van AI.
Voor AI wordt de definitie gehanteerd van de Europese Commissie: ‘AI verwijst naar systemen die intelligent gedrag vertonen door hun omgeving te analyseren en – met een zekere mate van zelfstandigheid – actie te ondernemen om specifieke doelen te bereiken’.
In aanmerking komen projecten die bijdragen aan de generieke ontwikkeling van AI, doordat:
8. Maatschappelijk Verdienvermogen
Het doel is om technologie beter te benutten in nieuwe producten, processen en diensten voor maatschappelijke uitdagingen en de impact van het ondernemen te versterken. Daardoor worden betere toepassingen ontwikkeld, die zowel economisch als maatschappelijk rendement opleveren.
Projecten passen in de KIA Maatschappelijk Verdienvermogen als ze een van de uitdagingen in KIA's 1 t/m 5 adresseren en zich richten op bovengenoemde doelstelling.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst daarvoor de volgende technologiebenuttingen te verbeteren:
Bijlage 3.6. behorende bij artikel 3.6.2 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (R&D-mobiliteitssectoren)
Vervallen
Bijlage 3.6.1. , behorende bij de artikelen 3.6.2, eerste lid, en 3.6.3, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling nationale EZ-subsidies
Vervallen
Bijlage 3.6.2. , behorende bij artikel 3.6.2, tweede lid, van de Regeling nationale EZ-subsidies
Vervallen
Bijlage 3.6.3. , behorende bij artikel 3.6.3, eerste lid, onder a en b, van de Regeling nationale EZ-subsidies
Vervallen
Bijlage 3.10.1. behorende bij artikel 3.10.11 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies
Model geldleningsovereenkomst als bedoeld in artikel 30, vijfde lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies
Overeenkomst tussen:
De Staat der Nederlanden, hierna te noemen: de Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat;
‘AANVRAGER_NAAM’, hierna te noemen: startersfonds;
in aanmerking nemende dat
de Minister van Economische Zaken en Klimaat bij brief met kenmerk ‘RVO KENMERK’, aan ‘AANVRAGER_NAAM’ een subsidie in de vorm van een geldlening heeft verleend ter grootte van maximaal € ‘DOSSIER_GECOMMITTEERD’ op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, titel 3.10,
Partijen zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
Artikel 2. Verstrekking lening
Artikel 3. Opname van de lening
Artikel 4. Overboeking van inkomsten uit participaties
Artikel 5. Verkrijging van participaties
Artikel 6. Vervreemding van participaties
Artikel 7. Fondsbeheer algemeen
Artikel 8. Administratie, rapportageverplichtingen en informatieverstrekking
Artikel 9. Melding en instemming bij wijziging fondsplan en zeggenschap
Artikel 10. Extern fondsbeheerder
Artikel 11. Belangenverstrengeling
Het startersfonds verklaart dat het een ‘right of first refusal’ heeft ten aanzien van investeringsproposities met betrekking tot technostarters.
Artikel 12. Opschorting en opzegging
Artikel 13. Geschillen
Artikel 14. Adressering schriftelijke stukken
Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst van geldlening bestemd voor de Staat worden gericht aan:
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
Afdeling Kredieten, Garanties en Risicokapitaal (KGR)
Postbus 93144
2509 AC Den Haag
Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst van geldlening bestemd voor het startersfonds worden gericht aan:
(Naam startersfonds)
(Adres startersfonds)
Artikel 15. Betalingen
Alle betalingen in verband met deze overeenkomst van geldlening door het startersfonds geschieden door overmaking van de betreffende bedragen naar het door de Minister ter beschikking gestelde bankrekeningnummer onder vermelding van ‘projectnummer SEED...’.
Artikel 16. Documenten
Door ondertekening van deze overeenkomst van geldlening verklaren het startersfonds en de fondspartijen dat zij alle relevante documenten met betrekking tot de investeringswijze en financiële uitvoering van het startersfonds hebben overlegd aan de Staat en eventuele toekomstige relevante documenten ter goedkeuring zullen voorleggen aan de Staat.
Artikel 17. Rechtsgeldigheid
Deze overeenkomst van geldlening gaat boven enige andere overeenkomst tussen en met de partijen in het startersfonds in het kader van dit startersfonds.
Artikel 18. Expiratie
Indien het startersfonds op ‘DATUM’ aan alle verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst van geldlening heeft voldaan, sluiten de Staat, het startersfonds en de fondspartijen een overeenkomst om de beëindiging van deze overeenkomst van geldlening vast te stellen. Indien het rechtmatige deel van de inkomsten dat aan de Staat is overgeboekt niet ten minste gelijk is aan het totaal aan bedragen dat is opgenomen op grond van artikel 3, dient het startersfonds een schriftelijk verzoek in bij de Staat tot kwijtschelding van het resterende bedrag van de lening alvorens een vaststellingsovereenkomst wordt aangegaan.
Artikel 19. Inwerkingtreding
Deze overeenkomst van geldlening treedt in werking door de ondertekening daarvan door het startersfonds en de fondspartijen, die deze overeenkomst van geldlening mede ondertekenen gelet op de artikelen 2, zevende lid, 5, vijfde lid, 6, derde en vierde lid, 7, vijfde, zesde en negende lid, 9, 11, 12, 13, 16 en 17 en, indien van toepassing, de externe fondsbeheerder, die deze overeenkomst van geldlening mede ondertekent gelet op artikel 10.
Aldus is overeengekomen en in tweevoud ondertekend te .......... op 00 MAAND JAAR
De Staat der Nederlanden
namens deze: de Minister van Economische Zaken en Klimaat,
namens deze: (naam bevoegde ambtenaar)
Plaats: .........
Handtekening: .........
Naam: .........
‘AANVRAGER_NAAM’
(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))
Plaats:
Handtekening:
Naam:
*[Medeondertekening in verband met het bepaalde in artikel 19*
‘Externe fondsbeheerder_NAAM’
(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))
Plaats:
Handtekening:
Naam:]
*Medeondertekening in verband met het bepaalde in artikel 19*
‘Fondspartij 1_NAAM’
(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))
Plaats:
Handtekening:
Naam:
‘Fondspartij 2_NAAM’
(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))
Plaats:
Handtekening:
Naam:
‘Fondspartij 3_NAAM’
(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))
Plaats:
Handtekening:
Naam:
Bijlage 3.10.1a. behorende bij artikel 3.10.11, tweede en derde lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies
Vervallen
Bijlage 3.10.2. behorende bij artikel 3.10.12j van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies
Model geldleningsovereenkomst als bedoeld in artikel 30, vijfde lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies
Overeenkomst tussen:
in aanmerking nemende dat de Minister van Economische Zaken en Klimaat bij brief met kenmerk ‘RVO KENMERK’, aan ‘AANVRAGER_NAAM’ een subsidie in de vorm van een geldlening heeft verleend ter grootte van maximaal € ‘DOSSIER_GECOMMITTEERD’ op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, titel 3.10,
Partijen zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
Artikel 2. Verstrekking lening
Artikel 3. Opname van de lening en zekerheidsstelling
Artikel 4. Overboeking van inkomsten uit participaties
Artikel 5. Verkrijging van participaties
Artikel 6. Vervreemding van participaties
Artikel 7. Fondsbeheer algemeen
Artikel 8. Administratie, rapportageverplichtingen en informatieverstrekking
Artikel 9. Melding en instemming bij wijziging fondsplan en zeggenschap
Artikel 10. Opschorting en opzegging
Artikel 11. Geschillen
Artikel 12. Adressering schriftelijke stukken
Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst van geldlening bestemd voor de Staat worden gericht aan:
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
Afdeling Kredieten, Garanties en Risicokapitaal (KGR)
Postbus 93144
2509 AC Den Haag
Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst van geldlening bestemd voor het seed business angel fonds worden gericht aan:
(Naam seed business angel fonds)
(Adres seed business angel fonds)
Artikel 13. Betalingen
Alle betalingen in verband met deze overeenkomst van geldlening door het seed business angel fonds geschieden door overmaking van de betreffende bedragen naar het door de minister ter beschikking gestelde bankrekeningnummer onder vermelding van ‘projectnummer SEEDBA...’.
Artikel 14. Fondsmanagement
Het seed business angel fonds garandeert dat gedurende de looptijd van het fonds de kwaliteit en de tijdsbesteding van het fondsmanagement in overeenstemming zijn met hetgeen is aangegeven in het fondsplan. Het seed business angel fonds kan overeenkomstig artikel 9 een verzoek indienen tot wijziging van het fondsmanagement. Een wijziging van het fondsmanagement is alleen toegestaan met voorafgaande instemming van de Staat.
Artikel 15. Belangenverstrengeling
De fondspartijen verklaren dat het seed business angel fonds een ‘right of first refusal’ heeft ten aanzien van investeringsproposities met betrekking tot technostarters.
Artikel 16. Documenten
Door ondertekening van deze overeenkomst van geldlening verklaren het seed business angel fonds en de fondspartijen dat zij alle relevante documenten met betrekking tot de investeringswijze en financiële uitvoering van het seed business angel fonds hebben overlegd aan de Staat en eventuele toekomstige relevante documenten ter goedkeuring zullen voorleggen aan de Staat.
Artikel 17. Rechtsgeldigheid
Deze overeenkomst van geldlening gaat boven enige andere overeenkomst tussen en met de partijen in het seed business angel fonds in het kader van dit seed business angel fonds.
Artikel 18. Expiratie
Indien het seed business angel fonds op ‘DATUM’ aan alle verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst van geldlening heeft voldaan, sluiten de Staat, het seed business angel fonds en de fondspartijen een overeenkomst om de beëindiging van deze overeenkomst van geldlening vast te stellen. Indien het rechtmatige deel van de inkomsten dat aan de Staat is overgeboekt niet ten minste gelijk is aan het totaal aan bedragen dat is opgenomen op grond van artikel 3, dient het seed business angel fonds een schriftelijk verzoek in bij de Staat tot kwijtschelding van het resterende bedrag van de lening, alvorens een vaststellingsovereenkomst kan worden aangegaan.
Artikel 19. Inwerkingtreding
Deze overeenkomst van geldlening treedt in werking door de ondertekening daarvan door het seed business angel fonds en de fondspartijen, die deze overeenkomst van geldlening mede ondertekenen gelet op de artikelen 2, zevende lid, 5, vijfde lid, 6, derde en vierde lid, 7, vierde en vijfde lid, 9, 10, 11, 15, 16 en 17.
Aldus is overeengekomen en in tweevoud ondertekend te .......... op 00 maand 20XX
De Staat der Nederlanden
namens deze: de Minister van Economische Zaken en Klimaat,
namens deze: (naam bevoegde ambtenaar)
Plaats: .........
Handtekening: .........
Naam: .........
‘AANVRAGER_NAAM’
(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))
Plaats:
Handtekening:
Naam:
*Medeondertekening in verband met het bepaalde in artikel 19*
‘Fondspartij 1_NAAM’
(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))
Plaats:
Handtekening:
Naam:
‘Fondspartij 2_NAAM’
(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))
Plaats:
Handtekening:
Naam:
Bijlage 3.11.1. behorende bij artikel 3.11.8, eerste lid, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Model voor een bedrijfsborgstellingskredietovereenkomst met één bank
Overeenkomst tussen:
Partijen zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Definitiebepalingen
Artikel 2. Borgstelling
De Staat stelt zich borg ten behoeve van de Bank voor de terugbetaling van bedrijfsborgstellingskredieten die met inachtneming van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies en paragraaf 3.11 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en deze overeenkomst door de Bank worden verstrekt, met dien verstande dat deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.
Artikel 3. Voorwaarden bedrijfsborgstellingsovereenkomst
Artikel 4. Criteria voor MKB-ondernemer bij verstrekken bedrijfsborgstellingskrediet
Artikel 5. Voorkomen onrechtmatige staatssteun
Artikel 6. Kredietmelding
Artikel 7. Provisie
Artikel 8. Maximale omvang van de borgstelling
Artikel 9. Berekening van de omvang en duur van de borgstelling
Artikel 10. Schorsing vermindering borgstelling
Artikel 11. Verzoek om betaling uit hoofde van de bedrijfsborgstellingsovereenkomst
Artikel 12. Berekening omvang borgstelling bij uitbetalen
Artikel 13. Betaling door de Staat
Artikel 14. Inspanningsverplichting tot uitwinning bedrijfsborgstellingskrediet
Artikel 15. Verslag voortgang uitwinning bij verzoek om betaling borgstelling
Artikel 16. (terug)betalen bedrijfsborgstellingskrediet
Artikel 17. Voorwaarden schuldregeling bedrijfsborgstellingskrediet
Artikel 18. Vervallen verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst
Artikel 19. Procedure bij aanleveren onjuiste gegevens door Bank
Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Bank zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de Bank de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 16, eerste lid, niet is nagekomen.
Artikel 20. Controle bedrijfsborgstellingskrediet
Artikel 21. Beheer
Artikel 22. Hardheidsclausule
Indien naar het oordeel van de minister de kans dat de toepasselijkheid van deze overeenkomst op een bedrijfsborgstellingskrediet of een deel van een bedrijfsborgstellingskrediet wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verkleind of indien naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat daardoor het bedrag waarvoor de toepasselijkheid van deze overeenkomst wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verlaagd, kan de minister voor de toepassing van deze overeenkomst met betrekking tot dat krediet instemmen met een gemotiveerd verzoek van de Bank om afwijking van deze overeenkomst.
Artikel 23. Communicatie
Waar in deze overeenkomst sprake is van een vorm van communicatie geschiedt deze langs elektronische weg. De aanlevering door de Bank kan in afwijking en bij wijze van alternatief en ter keuze van de Bank ook geschieden in schriftelijke vorm en door aanlevering van een fysieke gegevensdrager.
Artikel 24. Overige bepalingen
Artikel 25. Bank-gelieerde
Bank-gelieerde in de zin van artikel 1, tweede lid, onder a, van deze overeenkomst is (zijn):
Getekend te ’s-Gravenhage op .....
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
(naam en functie vertegenwoordigers Bank)
Bijlage 3.11.2. behorende bij artikel 3.11.8, tweede lid, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Model overeenkomst als bedoeld in artikel 30, vijfde lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies
Model voor een bedrijfsborgstellingskredietovereenkomst met één bank
Overeenkomst tussen:
Artikel 1. Definitiebepalingen
Artikel 2. Borgstelling
De Staat stelt zich borg ten behoeve van de Banken voor de terugbetaling van bedrijfsborgstellingskredieten die met inachtneming van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies en paragraaf 3.11 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en deze overeenkomst door de Banken worden verstrekt, met dien verstande dat deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.
Artikel 3. Voorwaarden bedrijfsborgstellingsovereenkomst
Artikel 4. Criteria voor MKB-ondernemer bij verstrekken bedrijfsborgstellingskrediet
Artikel 5. Voorkomen onrechtmatige staatssteun
Artikel 6. Kredietmelding
Artikel 7. Provisie
Artikel 8. Maximale omvang van de borgstelling
Artikel 9. Berekening van de omvang en duur van de borgstelling
Artikel 10. Schorsing vermindering borgstelling
Artikel 11. Verzoek om betaling uit hoofde van de bedrijfsborgstellingsovereenkomst
Artikel 12. Berekening omvang borgstelling bij uitbetalen
Artikel 13. Betaling door de Staat
Artikel 14. Inspanningsverplichting tot uitwinning bedrijfsborgstellingskrediet
Artikel 15. Verslag voortgang uitwinning bij verzoek om betaling borgstelling
Artikel 16. (Terug)betalen bedrijfsborgstellingskrediet
Artikel 17. Voorwaarden schuldregeling bedrijfsborgstellingskrediet
Artikel 18. Vervallen verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst
Artikel 19. Procedure bij aanleveren onjuiste gegevens door Bank
Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Bank of de centrale Bank zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de Bank de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 16, eerste lid, niet is nagekomen.
Artikel 20. Controle bedrijfsborgstellingskrediet
Artikel 21. Beheer
Artikel 22. Hardheidsclausule
Indien naar het oordeel van de minister de kans dat de toepasselijkheid van deze overeenkomst op een bedrijfsborgstellingskrediet of een deel van een bedrijfsborgstellingskrediet wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verkleind of indien naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat daardoor het bedrag waarvoor de toepasselijkheid van deze overeenkomst wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verlaagd, kan de minister voor de toepassing van deze overeenkomst met betrekking tot dat krediet instemmen met een gemotiveerd verzoek van de Bank om afwijking van deze overeenkomst.
Artikel 23. Communicatie
Waar in deze overeenkomst sprake is van een vorm van communicatie geschiedt deze langs elektronische weg. De aanlevering door de Bank kan in afwijking en bij wijze van alternatief en ter keuze van de Bank ook geschieden in schriftelijke vorm en door aanlevering van een fysieke gegevensdrager.
Artikel 24. Overige bepalingen
Artikel 25. Bank-gelieerde
Bank-gelieerde in de zin van artikel 1, tweede lid, onder a, van deze overeenkomst is (zijn):
Getekend te ’s-Gravenhage op .....
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
(naam en functie vertegenwoordigers Bank)
Bijlage 3.11.3. behorende bij artikel 3.11.8, derde lid, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Model overeenkomst als bedoeld in artikel 30, vijfde lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies
Model voor een bedrijfsborgstellingskredietovereenkomst met een aangewezen kredietverstrekker
Overeenkomst tussen:
Partijen zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Definitiebepalingen
Artikel 2. Borgstelling
De Staat stelt zich borg ten behoeve van de kredietverstrekker voor de terugbetaling van bedrijfsborgstellingskredieten die met inachtneming van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies en paragraaf 3.11 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en deze overeenkomst door de kredietverstrekker worden verstrekt, met dien verstande dat deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.
Artikel 3. Voorwaarden bedrijfsborgstellingsovereenkomst
Artikel 4. Criteria voor MKB-ondernemer bij verstrekken bedrijfsborgstellingskrediet
Artikel 5. Voorkomen onrechtmatige staatssteun
Artikel 6. Toetsing en melding
Artikel 7. Provisie
Artikel 8. Maximale omvang van de borgstelling
Artikel 9. Berekening van de omvang en duur van de borgstelling
Artikel 10. Schorsing vermindering borgstelling
Artikel 11. Verzoek om betaling uit hoofde van de bedrijfsborgstellingsovereenkomst
Artikel 12. Berekening omvang borgstelling bij uitbetalen
Artikel 13. Betaling door de Staat
Artikel 14. Inspanningsverplichting tot uitwinning bedrijfsborgstellingskrediet
Artikel 15. Verslag voortgang uitwinning bij verzoek om betaling borgstelling
Artikel 16. Terugbetalen
Artikel 17. Voorwaarden schuldregeling bedrijfsborgstellingskrediet
Artikel 18. Vervallen verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst
Artikel 19. Procedure bij aanleveren onjuiste gegevens door kredietverstrekker
Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de kredietverstrekker zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de kredietverstrekker de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 16, eerste lid, niet is nagekomen.
Artikel 20. Controle bedrijfsborgstellingskrediet
Artikel 21. Beheer
Artikel 22. Hardheidsclausule
Indien naar het oordeel van de minister de kans dat de toepasselijkheid van deze overeenkomst op een bedrijfsborgstellingskrediet of een deel van een bedrijfsborgstellingskrediet wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verkleind of indien naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat daardoor het bedrag waarvoor de toepasselijkheid van deze overeenkomst wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verlaagd, kan de minister voor de toepassing van deze overeenkomst met betrekking tot dat krediet instemmen met een gemotiveerd verzoek van de kredietverstrekker om afwijking van deze overeenkomst.
Artikel 23. Communicatie
Waar in deze overeenkomst sprake is van een vorm van communicatie geschiedt deze langs elektronische weg. De aanlevering door de kredietverstrekker kan in afwijking en bij wijze van alternatief en ter keuze van de kredietverstrekker ook geschieden in schriftelijke vorm en door aanlevering van een fysieke gegevensdrager.
Artikel 24. Overige bepalingen
Artikel 25. Kredietverstrekker-gelieerde
Kredietverstrekker-gelieerde in de zin van artikel 1, tweede lid, onder a, van deze overeenkomst is (zijn):
Getekend te ’s-Gravenhage .....
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
(naam en functie vertegenwoordigers kredietverstrekker)
Bijlage 3.13.1. behorende bij artikel 3.13.7 en 3.13.9, onderdeel b, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Model garantstellingsovereenkomst
Overeenkomst tussen:
Partijen zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Definitiebepalingen
In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
Artikel 2. Garantstelling
Artikel 3. Randvoorwaarden lening
Een lening aan een ondernemer kan onder de garantstelling van de Staat worden gebracht indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
Artikel 4. Aanmelding en toetsing
Artikel 5. Verplichtingen beheer
Artikel 6. Financiële verplichtingen
Artikel 7. Administratieve en informatieverstrekkingsverplichtingen
Artikel 8. Reikwijdte garantie
Artikel 9. Inroepen van garantie en toetsing
Artikel 10. Betalingen
Alle betalingen in verband met deze overeenkomst door de financier geschieden door overmaking van de betreffende bedragen naar rekeningnummer PM PMxxxxx bij de ---bank, ten name van RVO.nl, onder vermelding van het PM PM---nummer.
Artikel 11. Overdracht van garantie
Artikel 12. Terugvordering en navordering
Artikel 12a. Verplichting tot uitwinning van zekerheden
Artikel 13. Opzegging en wijziging
Artikel 14. Geschillen
Artikel 15. Adressering schriftelijke stukken
Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd voor de onder
Artikel 16. Inwerkingtreding
Deze overeenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de partijen.
........., ten deze vertegenwoordigd door
Deze overeenkomst is getekend op ..... te Den Haag
Bijlage 3.13a.1. behorende bij artikel 3.13a.7. en 3.13a.9. van de Regeling nationale EZ-subsidies
Vervallen
Bijlage 3.13b.1. behorende bij de artikelen 3.13b.7 en 3.13b.9, onderdeel b, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies
Vervallen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)