Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)
In aanvulling op artikel 3.10.6 heeft een afvaardiging van de Adviescommissie seed capital technostarters tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 22 en 24 van het besluit en in artikel 3.10.12g.
De afvaardiging, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit drie leden.
Artikel 3.10.12g. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
- a. onvoldoende aannemelijk is dat de financier gedurende de fondsperiode daadwerkelijk beschikt over de middelen die de financier aan het investeringsbudget bijdraagt of over de middelen ter dekking van de beheerskosten;
- b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben voor het verkrijgen van participaties en voor het beheer hiervan op een wijze zoals bij participatiefondsen gebruikelijk is;
- c. een fondsplan niet is gebaseerd op de uitgangspunten dat:
- 1.°. een financier participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt;
- 2.°. de totale verkrijgingsprijs van de participaties die gedurende de fondsperiode in één technostartersvennootschap wordt geïnvesteerd, ten minste € 50.000 en ten hoogste € 500.000 bedraagt;
- 3.°. de gemiddelde totale verkrijgingsprijs van de participaties die een financier gedurende de investeringsperiode per technostartersvennootschap investeert, over alle technostartersvennootschappen genomen ten hoogste € 350.000 bedraagt;
- 4.°. de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat aan het eind van de fondsperiode ten hoogste 25 procent van het totaal van de verkrijgingsprijzen van alle participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen;
- 5.°. voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente;
- 6.°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn;
- 7.°. de participaties verkregen worden in meerdere, van elkaar onafhankelijke technostartersvennootschappen;
- 8.°. bij de beslissing van de financier inzake de verkrijging van participaties rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende technostartersvennootschap;
- 9.°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waaraan niet eerder door een andere participatiemaatschappij risicokapitaal is verstrekt, behoudens indien:
- –. deze participatiemaatschappij een ander seed business angel fonds is en voor zover het totaal aan verkrijgingsprijzen van de participaties die de seed business angel fondsen gezamenlijk in de technostarter investeren niet boven de € 500.000 uitkomt;
- –. deze participatiemaatschappij, niet zijnde een financier, risicokapitaal voor Proof of Concept doeleinden heeft verstrekt; of
- –. deze participatiemaatschappij een informal investor is;
- 10°. de financier uitsluitend vervolginvesteringen doet in een technostarter, indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 21, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en, ingeval de desbetreffende technostarter ten tijde van de vervolginvestering zeven jaar of langer na de eerste commerciële verkoop actief is op een producten- of dienstenmarkt, de financier tevens het minimale particuliere deelnemingspercentage, opgenomen in artikel 21, twaalfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bereikt, overeenkomstig artikel 21, twaalfde en dertiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- d. het fondsplan onvoldoende is onderbouwd;
- e. het fondsplan onvoldoende bijdraagt aan de opbouw van succesvolle ondernemingen door technostartersvennootschappen;
- f. het fondsplan onvoldoende doelmatig is ingericht;
- g. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het fondsplan naar behoren wordt uitgevoerd;
- h. de aanvrager onvoldoende relevante ervaring of deskundigheid heeft;
- i. de gedragslijn, bedoeld in artikel 3.10.12k, tweede lid, onvoldoende vertrouwen geeft dat hiermee belangenverstrengeling voorkomen kan worden;
- j. de belangen van de Staat kunnen worden geschaad.
Artikel 23, onderdeel b, van het besluit is niet van toepassing.
Artikel 3.10.12h. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 3.10.12ha. Termijn voor sluiten overeenkomst
De in artikel 30, eerste lid, van het besluit genoemde termijn waarbinnen een overeenkomst tot stand moet zijn gekomen, kan, indien dit naar het oordeel van de minister redelijkerwijs geoorloofd is, met maximaal acht weken verlengd worden.
Artikel 3.10.12i. Vergoeding
Artikel 3.10.10 is van overeenkomstige toepassing op een seed business angel fonds.
Artikel 3.10.12j. Modelovereenkomst
Het model voor een overeenkomst is opgenomen in bijlage 3.10.2.
Artikel 3.10.12k. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.10.12b, eerste lid, bevat de gegevens, bedoeld in artikel 3.10.12.
In aanvulling op het eerste lid gaat de aanvraag voor subsidie vergezeld van een op schrift gestelde gedragslijn van het seed business angel fonds, waarin is opgenomen hoe het ontstaan van belangenverstrengeling wordt voorkomen en welke maatregelen in dit verband getroffen worden.
§ 3.10.4. Slotbepalingen
3.10.12l. Evaluatieverplichting
De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en effecten van de door hem op grond van deze titel uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.
De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de dag, waarop subsidie wordt vastgesteld.
Artikel 3.10.13
De subsidie, bedoeld in artikel 3.10.2 en artikel 3.10.12b, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.10.13a. Overgangsrecht
De wijzigingen van artikel 3.10.7 en de artikelen 3 en 5 van bijlage 3.10.1 ingevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 8 december 2024, nr. WJZ/ 89466783 tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met het toevoegen van een tender gericht op deep tech technostarters en het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Seed capital technostarters alsmede het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Vroegefasefinanciering en haalbaarheidsstudie (Stcrt. 2024, 40486) zijn eveneens van toepassing op aanvragen voor subsidie die in de periode 1 januari 2024 tot en met 1 april 2024 zijn ingediend op grond van artikel 3.10.2.
Artikel 3.10.13b. Vervalbepaling deep tech technostarter
Vervallen
Artikel 3.10.14. Vervaltermijn
Deze titel, bijlage 3.10.1 en bijlage 3.10.2 vervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 3.11. Borgstelling MKB-kredieten
Artikel 3.11.1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen een bank en een door de minister aangewezen kredietverstrekker.
Voor de toepassing van artikel 3.11.2, derde lid, wordt als financier aangewezen een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES die op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen en een door de minister aangewezen, op Bonaire, Sint Eustatius of Saba gevestigde, kredietverstrekker.
In deze titel wordt verstaan onder:
- EIA-energielijst: de lijst met energie-investeringen in de bijlage behorende bij artikel 2 van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001;
- energie investering: een investering van ten minste het borgstellingskrediet in:
- a. overige bedrijfsmiddelen die leiden tot een energiebesparing van ten minste 15 procent; of
- b. werkkapitaal om tijdelijke liquiditeitsdruk op te vangen als gevolg van de energiecrisis, veroorzaakt door het conflict in het Midden-Oosten en de langdurige sluiting van de Straat van Hormuz;
- groene investering: een investering van ten minste het borgstellingskrediet in:
- a. bedrijfsmiddelen als bedoeld in de EIA-energielijst, al dan niet in combinatie met onlosmakelijk verbonden zaken of activiteiten, voor zover die niet meer dan 50 procent van het investeringsbedrag bedragen; of
- b. de aanpassing of vervanging van bedrijfspanden, niet zijnde commercieel verhuurd vastgoed, naar ten minste energielabel C;
- innovatieve MKB-ondernemer: MKB-ondernemer ten aanzien van wie de financier beschikt over:
- a. een gewaarmerkte kopie van een verklaring als bedoeld in artikel 23, eerste lid, of artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, waarvan het origineel ten hoogste zestien maanden voor de datum waarop de kredietovereenkomst is gesloten is afgegeven, of
- b. een advies van de minister waaruit blijkt dat de MKB-ondernemer is aan te merken als een innovatieve MKB-ondernemer.
Artikel 3.11.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan:
- a. een bank voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten;
- b. een door de minister aangewezen kredietverstrekker, als bedoeld in artikel 3.11.1, eerste lid, voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten.
De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een borgstelling voor de terugbetaling van een krediet dat de financier op grond van een kredietovereenkomst aan een MKB-ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de kredietovereenkomst.
In aanvulling op het eerste lid kan de minister ook subsidie verstrekken aan:
- a. een kredietinstelling als bedoeld in artikel 3.11.1, tweede lid, voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die gevestigd zijn in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten;
- b. een door de minister aangewezen kredietverstrekker als bedoeld in artikel 3.11.1, tweede lid, voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die gevestigd zijn in het openbaar lichaam Bonaire Sint Eustatius of Saba, die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten.
Artikel 3.11.3. Afwijzingsgronden
Voor subsidie komt niet in aanmerking een financier die een kredietovereenkomst sluit met een MKB-ondernemer die:
- a. een onderneming in stand houdt waarvan de laatste jaaromzet voor 50 procent of meer is verkregen, of, indien de onderneming nog geen heel jaar is gedreven, waarvan de omzet naar verwachting voor 50 procent of meer zal worden verkregen, uit:
- 1°. de uitoefening van het bank, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren van een of meer andere ondernemingen of
- 2°. het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen van onroerende zaakprojecten;
- b. een aanbieder is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg;
- c. een onderneming in stand houdt die actief is in:
- 1°. de sector visserij en aquacultuur;
- 2°. de primaire productie van landbouwproducten, of
- 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening;
- d. een onderneming in stand houdt:
- 1°. waartegen een collectieve insolventieprocedure loopt, of
- 2°. die voldoet aan de criteria om op verzoek van zijn schuldeisers aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen.
In afwijking van het eerste lid kan een financier die een kredietovereenkomst sluit met een MKB-ondernemer die actief is in een van het toepassingsgebied van de algemene de-minimisverordening uitgesloten sector, bedoeld in het eerste lid, onder c, wel voor subsidie in aanmerking komen, indien:
- a. de MKB-ondernemer ook actief is in één of meer van de sectoren of andere activiteiten verricht die onder de algemene de-minimisverordening vallen, en
- b. de financier aan de MKB-ondernemer door middel van de kredietovereenkomst de verplichting oplegt dat:
- 1°. de MKB-ondernemer de verleende subsidie uitsluitend zal gebruiken voor de financiering van activiteiten die zullen plaatsvinden binnen de sectoren die binnen het toepassingsgebied van de algemene de-minimisverordening vallen;
- 2°. de inrichting van de administratie van de MKB-ondernemer zodanig zal zijn dat voor zover de MKB-ondernemer activiteiten verricht die buiten het toepassingsgebied van de algemene de-minimisverordening vallen, deze activiteiten zowel financieel als administratief gescheiden worden uitgevoerd van de activiteiten dat met deze subsidie wordt ondersteund.
Geen subsidie wordt verleend voor activiteiten die direct verband houden met:
- 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen;
- 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer, of
- 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer.
Artikel 3.11.4. Provisie
Voor een kredietovereenkomst met een MKB-ondernemer dan wel een innovatieve MKB-ondernemer bedraagt het tarief, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het besluit, eenmalig:
- a. 3,90 procent respectievelijk 5,55 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van niet langer dan twee jaar;
- b. 4,25 procent respectievelijk 6,10 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan twee jaar, maar niet langer dan zes jaar, en
- c. 5,85 procent respectievelijk 8,35 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan zes jaar, maar niet langer dan twaalf jaar.
In afwijking van het eerste lid, kan in een kredietovereenkomst waarvoor op of na 1 januari 2017 een aanvraag als bedoeld in artikel 3.11.2 wordt ingediend, worden gekozen voor een gespreide provisiebetaling, indien deze keuze betrekking heeft op alle bedrijfsborgstellingskredieten die onder de overeenkomst van borgtocht vallen.
In afwijking van het eerste lid, bedraagt het tarief voor een kredietovereenkomst met een MKB-ondernemer die een groene investering doet, eenmalig:
- a. 2 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van niet langer dan zes jaar; en
- b. 3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan zes jaar, maar niet langer dan twaalf jaar.
In afwijking van het eerste lid, bedraagt het tarief voor een kredietovereenkomst met een MKB-ondernemer die een energie investering doet eenmalig 3,9 procent, indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van niet langer dan twaalf jaar.
Voor een kredietovereenkomst met een MKB-ondernemer dan wel een innovatieve MKB-ondernemer bestaat de gespreide provisie, bedoeld in het tweede lid, uit:
- a. een afsluitprovisie van 2,35 procent respectievelijk 3,35 procent voor de afsluiting van de kredietovereenkomst, en
- b. een jaarlijkse provisie van 0,68 procent respectievelijk 1,03 procent van de door de minister actueel geregistreerde borgstellingsstand op 1 januari van ieder kalenderjaar na de afsluiting van de kredietovereenkomst.
Indien het bedrijfsborgstellingskrediet waar de overeenkomst van borgtocht betrekking op heeft voor het einde van de bij de afsluiting van de kredietovereenkomst overeengekomen looptijd is afgelost, bedraagt de hoogte van de te betalen resterende provisie de som van de gespreide provisie die voor de resterende looptijd betaald had moeten worden.
Artikel 3.11.5. Adviescommissie
Er is een Adviescommissie Borgstelling MKB-kredieten die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een bedrijfsborgstellingsovereenkomst, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het besluit.
De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste zeven leden.
De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd.
Artikel 3.11.6. Subsidiemaximum en verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond voor financiers als bedoeld in artikel 3.11.1, eerste lid, en kredietinstellingen in de zin van de Wet financiële markten BES als bedoeld in artikel 3.11.1, tweede lid, door vaststelling van een maximumbedrag per financier respectievelijk kredietinstelling die zich bij de minister heeft aangemeld.
De minister stelt het maximumbedrag per financier, en per kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES, als bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 1 februari van elk kalenderjaar ambtshalve vast voor het voorgaande kalenderjaar.
Artikel 3.11.7. Omvang borgstelling
Er wordt borg gestaan voor 90 procent van het kredietbedrag.
Artikel 3.11.8. Bedrijfsborgstellingsovereenkomst
Het model voor de bedrijfsborgstellingsovereenkomst (één bank) voor een bank of voor een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES is opgenomen in bijlage 3.11.1
Het model voor de bedrijfsborgstellingsovereenkomst (meer dan één bank) voor een bank of voor een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES is opgenomen in bijlage 3.11.2
Het model voor de bedrijfsborgstellingsovereenkomst met een door de minister aangewezen kredietverstrekker, als bedoeld in artikel 3.11.1, eerste en tweede lid, is opgenomen in bijlage 3.11.3.
Artikel 3.11.9. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor een borgstelling als bedoeld in artikel 3.11.2, eerste en derde lid, bevat in ieder geval:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. kerngegevens over de organisatie, waaronder de funding, de deskundigheid, het financieringsbeleid, het financieringsproces, het beheer, en het uitwinningsbeleid van krediet;
- d. een brief van DNB en AFM aan uw organisatie waaruit blijkt dat u aan de door hen gestelde eisen voldoet, dan wel dat deze eisen op u niet van toepassing zijn;
- e. een ondernemersplan;
- f. een uittreksel uit het Handelsregister;
- g. een volledige C.V. van steutelfunctionarissen.
Artikel 3.11.10. Overgangsrecht
Op aanvragen om subsidie die voor 1 januari 2015 zijn ingediend en op subsidies die voor die datum zijn verstrekt, blijven de bijlagen 3.11.1, 3.11.2 en 3.11.3, zoals die onmiddellijk voor die datum luidden, van toepassing.
Op aanvragen om subsidie die voor 1 juli 2023 zijn ingediend en op subsidies die voor die datum zijn verstrekt, blijven de bijlagen 3.11.1, 3.11.2 en 3.11.3, zoals die onmiddellijk voor die datum luidden, van toepassing.
Artikel 3.11.11. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 3.11.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.
Artikel 3.11.12. Vervaltermijn
Deze titel en de bijlagen 3.11.1, 3.11.2 en 3.11.3 vervallen met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 3.12. Garantie gericht op financiering met risicokapitaal voor ondernemers (groeifaciliteit)
Titel 3.13. Garantie ondernemingsfinanciering
Artikel 3.13.1. Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
fundingkosten: kosten die de financier maakt om geld aan te trekken op de kapitaalmarkt, waarvan de hoogte op de volgende wijze wordt vastgesteld:
- a. bij banken op basis van Euribor vermeerderd met een liquiditeitsopslag;
- b. bij door de minister aangewezen kredietverstrekkers op basis van de risicovrije rente;
lening: een al dan niet achtergestelde lening van geld door een financier aan een ondernemer, welke lening:
- a. al dan niet door enige vorm van zekerheid is gedekt,
- b. niet converteerbaar is en
- c. is afgesloten met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten;
risicovrije rente: de rente op Nederlandse staatsobligaties met een looptijd die het beste aansluit bij de looptijd van de te verstrekken lening.
Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen een bank en een door de minister aangewezen kredietverstrekker.
Voor de toepassing van artikel 3.13.2, tweede lid, wordt als financier aangewezen een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES die op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen.
Artikel 3.13.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie in de vorm van een garantstelling aan een financier voor de terugbetaling van een lening die de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de overeenkomst met een maximum van acht jaar.
De minister kan ook subsidie in de vorm van een garantstelling verstrekken aan een financier voor de terugbetaling van een lening die de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba heeft verstrekt.
Artikel 3.13.3. Uitsluitingen
De financier verstrekt geen lening aan een ondernemer wiens activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op:
- a. landbouw, visserij en aquacultuur, met uitzondering van toelevering en dienstverlening;
- b. onroerend goed voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed zonder dat er sprake is van significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten;
- c. de financiële sector voor zover de ondernemer het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een participatiemaatschappij heeft;
- d. de gezondheidszorg, voor zover de onderneming een aanbieder is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg.
De financier verstrekt geen lening aan een instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet.
Een door de minister aangewezen kredietverstrekker verstrekt enkel vreemd vermogen financiering aan de ondernemer.
Artikel 3.13.4. Omvang garantstelling
Er wordt garant gestaan voor 50 procent van het nog niet afgeloste deel van de lening.
Indien de financier bij het verkrijgen van een lening een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, zijn de bepalingen van deze titel slechts van toepassing op het gedeelte van de verkregen lening dat onder de garantstelling is gebracht.
Artikel 3.13.5. Minimum hoogte lening voor garantstelling
De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een lening waarbij de aan de ondernemer verstrekte lening niet minder bedraagt dan € 1.500.000.
De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een lening waarbij de aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep verstrekte lening tezamen met
- a. het nog niet afgeloste deel van een of meer leningen of
- b. een of meer bankgarantiefaciliteiten als bedoeld in artikel 3.14.2
die door een financier met toepassing van dit hoofdstuk aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is of zijn verstrekt of gelijktijdig wordt of worden verstrekt niet meer bedraagt dan € 150.000.000.
Artikel 3.13.6. Adviescommissie
Er is een Adviescommissie Kredietcommissie Garantie Ondernemingsfinanciering die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een garantstellingsovereenkomst, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het besluit.
De commissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om garantstelling, bedoeld in artikel 3.13.9.
De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vier leden.
De voorzitter en de andere leden van de commissie worden benoemd voor een termijn van ten hoogste drie jaar.
Artikel 3.13.7. Garantstellingsovereenkomst
In bijlage 3.13.1 is een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van leningen.
Artikel 3.13.8. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond voor garantstellingen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 3.13.9. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een garantstelling indien:
- a. de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten;
- b. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van het model garantstellingsovereenkomst zoals opgenomen in bijlage 3.13.1;
- c. de aanvrager eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst.
Artikel 3.13.10. Provisie
Het tarief van de provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het besluit, wordt voor de garantie op de verstrekte lening, berekend door alle door de financier over het gegarandeerde deel van de lening ontvangen inkomsten te verminderen met:
- a. een kwart procent per jaar voor beheerskosten,
- b. fundingkosten, en
- c. de afsluitprovisie.
Indien de afsluitprovisie meer bedraagt dan 0,5 procent van de lening, wordt het meerdere toegevoegd aan de in het eerste lid, aanhef, genoemde inkomsten.
De minister kan een hoger tarief voor de provisie vaststellen, indien de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt.
Artikel 3.13.11. Informatieverplichtingen
Een aanvraag om een garantstellingsovereenkomst op grond van deze titel, bevat in ieder geval:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. kerngegevens over de organisatie, waaronder de funding, de deskundigheid, het financieringsbeleid, het financieringsproces, het beheer, en het uitwinningsbeleid van krediet;
- d. indien het gaat om een door de minister aangewezen kredietverstrekker:
- 1°. een brief van DNB en AFM waaruit blijkt dat de aanvrager aan de door hen gestelde eisen voldoet, dan wel dat deze eisen op hem niet van toepassing zijn;
- 2°. een ondernemersplan;
- 3°. een uittreksel uit het Handelsregister;
- 4°. een volledig C.V. van sleutelfunctionarissen;
- 5°. een overzicht van kosten die voortvloeien uit de overeenkomst met betrekking tot de funding van de lening alsmede een opgave van de risicovrije rente.
Artikel 3.13.12. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 3.13.2 bevat geen staatssteun.
Artikel 3.13.12a. Overgangsrecht
Met schriftelijke instemming van een financier zijn de wijzigingen van de artikelen 5, 8, 9, 12, 12a en 13 van bijlage 3.13.1 ingevolge de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 9 februari 2021, nr. WJZ/ 20257211, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met aanpassing van de garant- en borgstellingsmodules aan Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176) (Stcrt. 2021, 6766) eveneens van toepassing op een garantstellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 3.13.7, die voor de inwerkingtreding van de voornoemde regeling tot stand is gekomen tussen de betreffende financier en de Staat.
Met schriftelijke instemming van een financier is de wijzigingen van artikel 6, vierde lid, van bijlage 3.13.1 ingevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 23 juni 2022, nr. WJZ/ 22203827, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022 in verband met de actualisatie van enkele subsidiemodules en de openstelling van subsidiemodule Eurostarsprojecten (Stcrt. 2022, 16518) eveneens van toepassing op een garantstellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 3.13.7, die voor de inwerkingtreding van de voornoemde regeling tot stand is gekomen tussen de betreffende financier en de Staat.
Artikel 3.13.13. Vervaltermijn
Deze titel en bijlage 3.13.1 vervallen met ingang van 1 juli 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 3.13a. Garantie ondernemingsfinanciering energietransitie financieringsfaciliteit
Artikel 3.13a.1. Begripsbepalingen
Vervallen
Artikel 3.13a.2. Subsidieverstrekking
Vervallen
Artikel 3.13a.3. Uitsluitingen
Vervallen
Artikel 3.13a.4. Omvang garantstelling
Vervallen
Artikel 3.13a.5. Maximum lening voor garantstelling
Vervallen
Artikel 3.13a.6. Adviescommissie
Vervallen
Artikel 3.13a.7. Garantstellingsovereenkomst
Vervallen
Artikel 3.13a.8. Verdeling van het subsidieplafond
Vervallen
Artikel 3.13a.9. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 3.13a.10. Provisie
Vervallen
Artikel 3.13a.11. Informatieverplichtingen
Vervallen
Artikel 3.13a.12. Staatssteun
Vervallen
Artikel 3.13a.13. Vervaltermijn
Vervallen
Titel 3.13b. Garantie ondernemingsfinanciering uitbraak coronavirus
Artikel 3.13b.1. Begripsbepalingen
Vervallen
Artikel 3.13b.2. Subsidieverstrekking
Vervallen
Artikel 3.13b.3. Uitsluitingen
Vervallen
Artikel 3.13b.4. Omvang garantstelling
Vervallen
Artikel 3.13b.5. Hoogte lening voor garantstelling
Vervallen
Artikel 3.13b.6. Adviescommissie
Vervallen
Artikel 3.13b.7. Garantstellingsovereenkomst
Vervallen
Artikel 3.13b.8. Verdeling van het subsidieplafond
Vervallen
Artikel 3.13b.9. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 3.13b.10. Provisie
Vervallen
Artikel 3.13b.11. Informatieverplichtingen
Vervallen
Artikel 3.13b.12. Staatssteun
Vervallen
Artikel 3.13b.12a. Overgangsrecht
Vervallen
Artikel 3.13b.13. Vervaltermijn
Vervallen
Titel 3.14. Garantstelling gericht op bankgaranties
Artikel 3.14.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- bankgarantie: verplichting van een financier om aan een begunstigde, ten laste van een ondernemer, te behoeve van eigen activiteiten van die ondernemer, een bedrag te betalen, indien de begunstigde aanspraak maakt, uitgezonderd kredietgaranties;
- bankgarantiefaciliteit: bedrag waarvoor een financier aan een begunstigde ten laste van een ondernemer bankgaranties kan afnemen die onder de garantstelling van de staat kunnen vallen;
- waarde van een bankgarantie: hoogte van het bedrag waarop maximaal aanspraak kan worden gemaakt onder een afgegeven bankgarantie.
Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen:
- a. een bank;
- b. een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.
Artikel 3.14.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier voor het afgeven van een bankgarantie.
De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een garantstelling aan een financier voor de terugbetaling van een vordering die een financier op een ondernemer krijgt uit hoofde van een betaling onder een bankgarantie die een financier op grond van een overeenkomst ten laste van een ondernemer heeft afgegeven voor de duur van minimaal zes maanden en maximaal 8 jaar.
In afwijking van het tweede lid kan, indien een bankgarantie geen vaste looptijd heeft en het inroepen daarvan afhankelijk is van het zich voordoen van een bepaalde gebeurtenis, een financier een bankgarantie onder de garantstelling brengen onder de voorwaarde dat de gebeurtenis bij het aangaan van de bankgarantie zich naar verwachting niet meer dan 7 jaar na het afsluiten van de bankgarantiefaciliteit voordoet en dat de begunstigde een provincie, gemeente, openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen of een dienst, instelling of bedrijf van de rijksoverheid is.
De garantstelling heeft slechts betrekking op bankgaranties die worden afgegeven nadat de minister desgevraagd een bankgarantiefaciliteit heeft goedgekeurd en voor zover deze faciliteit toereikend en geldig is.
Artikel 3.14.3. Uitsluitingen
De financier verstrekt geen bankgarantiefaciliteit aan een ondernemer wiens activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op:
- a. landbouw, visserij en aquacultuur, met uitzondering van toelevering en dienstverlening;
- b. onroerend goed voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed zonder dat er sprake is van significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten;
- c. de financiële sector voor zover de ondernemer het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een participatiemaatschappij heeft;
- d. de gezondheidszorg, voor zover de onderneming een aanbieder is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg.
De financier verstrekt geen bankgarantiefaciliteit aan een instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet.
Artikel 3.14.4. Omvang garantstelling
Er wordt garant gestaan voor 50 procent van de waarde van een bankgarantie.
Indien de financier bij het afgeven van een bankgarantie een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, zijn de bepalingen van deze titel slechts van toepassing op het gedeelte van de afgegeven bankgarantie dat onder de garantstelling is gebracht.
Artikel 3.14.5. Maximum garantstelling
De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een bankgarantie waarbij de door een financier ten laste van een ondernemer afgegeven bankgarantie niet minder bedraagt dan € 250.000.
De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een bankgarantie waarbij de aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep verstrekte bankgarantiefaciliteit tezamen met
- a. een of meer bankgarantiefaciliteiten, of
- b. het nog niet afgeloste deel van een of meer leningen als bedoeld in de artikelen 3.13.2, 3.13a.2 en 3.13b.2
die door een financier met toepassing van dit hoofdstuk aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is of zijn verstrekt of gelijktijdig wordt of worden verstrekt niet meer bedraagt dan € 150.000.000.
Artikel 3.14.6. Adviescommissie
De in artikel 3.13.6, eerste lid, bedoelde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een garantstellingsovereenkomst, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het besluit indien met de financier nog geen garantstellingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in de titels 3.12 of 3.13 en de afwijzingsgronden voor aanvragen om een bankgarantiefaciliteit, bedoeld in artikel 3.14.9.
Artikel 3.14.7. Garantstellingsovereenkomst
In bijlage 3.14.1 is een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van bankgaranties.
Artikel 3.14.8. Verdeling van subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond voor bankgarantiefaciliteiten op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 3.14.9. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag om een bankgarantiefaciliteit indien:
- a. de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten;
- b. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3 van het model garantstellingsovereenkomst, met uitzondering van onderdelen f, h en i, zoals opgenomen in bijlage 3.14.1;
- c. de aanvrager eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst;
- d. het bedrag van een bankgarantiefaciliteit minder bedraagt dan € 1.500.000.
Artikel 3.14.10. Provisie
De financier is voor het verstrekken van een bankgarantiefaciliteit een eenmalige provisie van 0,25 procent van 50 procent van de bankgarantiefaciliteit verschuldigd.
Voor zover de opbrengsten uit de provisie, bedoeld in het eerste lid, die de financier bij de onderneming in rekening brengt voor het verstrekken van de bankgarantiefaciliteit hoger zijn dan 0,5 procent van de bankgarantiefaciliteit, is de financier het meerdere voor 50 procent aan de Staat verschuldigd.
Voor zover de opbrengsten uit een eventuele bereidstellingsprovisie die een financier bij een onderneming in rekening brengt over het onbenutte deel van een bankgarantiefaciliteit hoger zijn dan 25 procent van een door een financier aan een onderneming in rekening gebrachte provisie op bankgaranties, is de financier het meerdere voor 50 procent aan de Staat verschuldigd.
Het tarief van de periodieke provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het besluit, wordt voor de garantstelling op een afgegeven bankgarantie berekend over de waarde van de afgegeven bankgaranties op de eerste dag van het kwartaal en is gelijk aan de door een financier aan een onderneming in rekening gebrachte provisie over het door de staat gegarandeerde deel van de afgegeven bankgaranties met aftrek van 0,15 procent op jaarbasis als vergoeding voor de financier voor het beheer van de bankgarantiefaciliteit en met een minimum van 0,5 procent op jaarbasis.
In afwijking van het vierde lid kan een financier eenmalig en vooraf aangeven de provisie per kwartaal te willen verrekenen op basis van een controleerbare opgave van de provisieberekening op dagbasis.
De minister kan een hoger tarief voor de provisie, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, vaststellen, indien de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt.
Artikel 3.14.11. Informatieverplichtingen
Een aanvraag om een garantstellingsovereenkomst op grond van deze titel, bevat in ieder geval:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. kerngegevens over de organisatie, waaronder de funding, de deskundigheid, het financieringsbeleid, het financieringsproces, het beheer, en het uitwinningsbeleid van krediet.
Een aanvraag om een bankgarantiefaciliteit op grond van deze titel, bevat in ieder geval:
- a. kerngegevens over de financier;
- b. kerngegevens over de ondernemer;
- c. een verklaring van de financier dat is voldaan aan de garantstellingsovereenkomst.
Artikel 3.14.12. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 3.14.2 bevat geen staatssteun.
Artikel 3.14.12a. Overgangsrecht
Met schriftelijke instemming van een financier zijn de wijzigingen van de artikelen 12, 13, 15, 15a en 16 van bijlage 3.14.1 ingevolge de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 9 februari 2021, nr. WJZ/ 20257211, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met aanpassing van de garant- en borgstellingsmodules aan Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176) (Stcrt. 2021, 6766) eveneens van toepassing op een garantstellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 3.14.7, die voor de inwerkingtreding van de voornoemde regeling tot stand is gekomen tussen de betreffende financier en de Staat.
Met schriftelijke instemming van een financier is de wijzigingen van artikel 10, tweede lid, van bijlage 3.14.1 ingevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 23 juni 2022, nr. WJZ/ 22203827, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022 in verband met de actualisatie van enkele subsidiemodules en de openstelling van subsidiemodule Eurostarsprojecten (Stcrt. 2022, 16518) eveneens van toepassing op een garantstellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 3.14.7, die voor de inwerkingtreding van de voornoemde regeling tot stand is gekomen tussen de betreffende financier en de Staat.
Artikel 3.14.13. Vervaltermijn
Deze titel en bijlage 3.14.1 vervallen met ingang van 1 juli 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 3.15. Beter Aanbesteden
Artikel 3.15.1. Begripsbepalingen
Vervallen
Artikel 3.15.2. Subsidieverstrekking
Vervallen
Artikel 3.15.3. Hoogte subsidie
Vervallen
Artikel 3.15.4. Subsidiabele kosten
Vervallen
Artikel 3.15.5. Verdeling van het subsidieplafond
Vervallen
Artikel 3.15.6. Starttermijn en realisatietermijn
Vervallen
Artikel 3.15.7. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 3.15.8. Verplichting subsidieontvanger
Vervallen
Artikel 3.15.9. Informatieverplichtingen
Vervallen
Artikel 3.15.10. Subsidievaststelling
Vervallen
Artikel 3.15.11. Staatssteun
Vervallen
Artikel 3.15.12. Vervaltermijn
Vervallen
Titel 3.16. Vroegefasefinanciering en haalbaarheidsstudie
§ 3.16.1. Algemene bepalingen
Artikel 3.16.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- academische innovatieve starter: innovatieve starter van wie de economische activiteiten rechtstreeks en onmiddellijk voortkomen uit onderzoek van een universiteit als bedoeld in artikel 1.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel j van de Bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, een onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 4.1 van het Reglement NWO 2002, een onderzoeksinstituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, het Nederlands Kanker Instituut, het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek te Nijmegen, onderzoekers van de Dubble-bundellijn bij de European Synchrotron Radiation Facility te Grenoble, Frankrijk, het Naturalis Biodiversity Center, of het Advanced Research Centre for NanoLithography, hetgeen blijkt uit een overeenkomst gesloten tussen de innovatieve starter en de desbetreffende universiteit, het desbetreffende academisch ziekenhuis, de desbetreffende onderzoeksorganisatie of het desbetreffende onderzoeksinstituut;
- financier: een (onderdeel met een afgescheiden boekhouding van een) kapitaalvennootschap, een vennootschap met een afgescheiden vermogen of een rechtspersoon met een afgescheiden vermogen niet zijnde een vennootschap, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die, blijkens de akte waarbij zijn statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij hij is ingesteld, tot doel heeft het op provinciaal niveau verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten;
- financieringsbudget: geldelijke middelen die een financier beschikbaar heeft of zal hebben en die bestemd zijn voor het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten en voor verrekening van de kosten, bedoeld in artikel 3.16.1h, bestaande uit de provinciale bijdrage en het bedrag van de geldlening, bedoeld in artikel 3.16.1c;
- financieringsplan: een plan van een financier tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van activiteiten in verband met de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten;
- haalbaarheidsstudie TO2-innovatieve starter: samenstel van activiteiten dat leidt tot een schriftelijk rapport met een inschatting van de commerciële en technische mogelijkheden van de door een TO2-starter voorgenomen activiteiten en de kansen voor de haalbaarheid van een vroegefasetraject;
- hbo-innovatieve starter: innovatieve starter van wie de economische activiteiten rechtstreeks en onmiddellijk voortkomen uit onderzoek van een hogeschool als bedoeld in artikel 1.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, hetgeen blijkt uit een overeenkomst gesloten tussen de innovatieve starter en de desbetreffende hogeschool;
- innovatieve starter: innovatieve onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 80, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, die tevens starter is, als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van die verordening;
- kosten: door een financier in verband met de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten te maken kosten, waaronder doch niet beperkt tot kosten voor door een financier in te zetten medewerkers en kosten voor door een financier in te schakelen externe deskundigen, welke kosten marktconform dienen te zijn;
- rekening: rekening ten name van een financier welke uitsluitend wordt gebruikt voor alle betalingsverkeer dat op welke wijze dan ook verband houdt met het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten;
- TO2-innovatieve starter: innovatieve starter van wie de economische activiteiten rechtstreeks en onmiddellijk voortkomen uit onderzoek van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO, de Stichting Deltares, de Stichting Wageningen Research, de Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland, de Stichting Maritiem Research Instituut Nederland of de Stichting Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium, hetgeen blijkt uit een overeenkomst gesloten tussen de innovatieve starter en de desbetreffende onderzoeksinstelling;
- toekomstige investeerder: persoon die in het kader van een vernieuwingsfasetraject of een vroegefasetraject van plan is na uitvoering van het vernieuwingsfaseplan of het vroegefaseplan aan de aanvrager van de subsidie financiering te verstrekken voor een bedrag dat ten minste gelijk is aan het bedrag van de maximale hoofdsom, bedoeld in de artikelen 3.16.3, 3.16.8 en 3.16.13, voor de fase na de vernieuwingsfase of de vroegefase;
- vernieuwingsfaseplan: document waarin wordt uiteengezet op welke wijze en op welke termijn de MKB-ondernemer door experimentele ontwikkeling komt tot de ontwikkeling of de verdere ontwikkeling van een product, proces of dienst op basis waarvan de toekomstige investeerder definitief kan besluiten tot financiering van het vervolgtraject;
- vernieuwingsfasetraject: samenhangend geheel van activiteiten beschreven in het vernieuwingsfaseplan;
- vroegefaseplan: document waarin:
- a. de aanvrager van de subsidie uiteenzet op welke wijze en op welke termijn een uitvinding, een resultaat van een onderzoek, een idee of een concept zo kan worden ontwikkeld dat de toekomstige investeerder in staat is te besluiten tot de voorgenomen financiering, of;
- b. indien het gaat om een uiteenzetting van een academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter, de vragen van toekomstige financiers omtrent de ontwikkeling worden beantwoord zodat de toekomstige financiers over financiering kunnen besluiten;
- vroegefasetraject: samenhangend geheel van activiteiten beschreven in het vroegefaseplan.
Artikel 3.16.1a. Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters
Er is een Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de beoordeling van de aanvragen op grond van de afwijzingsgronden voor aanvragen, bedoeld in de artikelen 22 tot en met 24 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, en de artikelen 3.16.1e, 3.16.4 en 3.16.9.
De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste twintig leden.
De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste twee jaar benoemd.
Artikel 3.16.1b. Adviescommissie vroegefasefinanciering academische innovatieve starters, hbo-innovatieve starters en TO2-innovatieve starters
Er is een Adviescommissie vroegefasefinanciering academische innovatieve starters, hbo-innovatieve starters en TO2-innovatieve starters die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de beoordeling van de aanvragen op grond van de afwijzingsgronden voor aanvragen, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies en 3.16.11d en 3.16.14, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in de artikelen 3.16.11f en 3.16.17.
De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste twintig leden.
De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste twee jaar benoemd.
§ 3.16.1a. Regionale financier
Artikel 3.16.1c. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een geldlening aan een financier voor het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers, uitgezonderd MKB-ondernemers die werkzaam zijn in de visserij- en aquacultuursector, of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten en voor verrekening van de kosten, bedoeld in artikel 3.16.1h.
Een subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt gedurende een periode van ten hoogste drie jaar. Deze periode kan worden verlengd met maximaal drie jaar indien hier goed gemotiveerde redenen voor zijn.
Artikel 3.16.1d. Subsidieomvang
De subsidie bedraagt ten hoogste 50 procent van het financieringsbudget, doch ten minste € 1.000.000 en ten hoogste € 5.000.000 per subsidieontvanger.
Het resterende financieringsbudget van ten minste 50 procent wordt door provinciale overheden ingebracht.
Artikel 3.16.1e. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
- a. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat provinciale overheden het resterende financieringsbudget van ten minste 50 procent daadwerkelijk inbrengen;
- b. indien een financieringsplan zich onvoldoende aantoonbaar richt op het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten;
- c. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat een financier de capaciteiten heeft voor het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten en voor het beheer hiervan;
- d. indien door een financier onvoldoende de term ‘vroegefasefinanciering’ wordt gehanteerd;
- e. indien een financieringsplan onvoldoende aandacht besteedt aan het converteren van geldleningen gericht op het mogelijk maken van vervolgfinanciering;
- f. indien een financieringsplan niet is gebaseerd op de uitgangspunten dat:
- 1°. geldleningen die worden verstrekt aan MKB-ondernemers, gelijk zijn aan:
- i. 35 procent van de door een MKB-ondernemer die een middelgrote onderneming in stand houdt, voorziene kosten van een vernieuwingstraject, doch ten minste € 50.000 en ten hoogste € 122.500,
- ii. 45 procent van de door een MKB-ondernemer die een kleine onderneming in stand houdt, voorziene kosten van een vernieuwingstraject, doch ten minste € 50.000 en ten hoogste € 157.500;
- 2°. geldleningen die worden verstrekt aan innovatieve starters, gelijk zijn aan het totaal van de door een innovatieve starter voorziene kosten voor een vroegefasetraject, doch ten minste € 50.000 en ten hoogste € 450.000;
- 3°. ten aanzien van geldleningen die worden verstrekt aan MKB-ondernemers of innovatieve starters, een rentevoet wordt gehanteerd van 5 procent plus referentierente;
- 4°. geldleningen die worden verstrekt aan MKB-ondernemers of innovatieve starters, worden terugbetaald in zes jaarlijkse termijnen, waarbij de eerste termijn in principe wordt afgelost drie jaar na ingang van de geldlening;
- 5°. aan MKB-ondernemers eenmaal of aan innovatieve starters tweemaal een jaar uitstel van de verplichting tot aflossing kan worden gegeven;
- 6°. bij beslissingen inzake het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters rekening wordt gehouden met het advies van een nader in te stellen onafhankelijk comité;
- 7°. geldleningen slechts worden verstrekt aan MKB-ondernemers of innovatieve starters waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn;
- 8°. geldleningen slechts worden verstrekt ten behoeve van financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten waarvan aannemelijk is dat een traject binnen 24 maanden is afgerond;
- 9°. de totale kosten die een financier maakt in verband met de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters, ten hoogste 17 procent bedragen van het financieringsbudget;
- g. indien aan een financier voor het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten minder dan drie jaar geleden al subsidie is verstrekt; uitgezonderd is een aanvraag voor een tussentijdse ophoging van het financieringsbudget;
- h. indien met de uitvoering van het financieringsplan is begonnen voor de datum van de aanvraag.
Artikel 3.16.1f. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 3.16.1g. Rente of vergoeding
De financier is aan de Staat uitsluitend verschuldigd:
- a. 50 procent van de rente die op de rekening is aangewassen en te eniger tijd is bijgeschreven, en van de lopende rente bij beëindiging van de rekening; en
- b. 50 procent van alle opbrengsten die hij ontvangt uit de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters.
Het percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt naar rato verlaagd, indien de geldlening minder dan 50 procent van het financieringsbudget uitmaakt.
Artikel 3.16.1h. Kosten
De door de financier te maken kosten in verband met de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters komen voor 50 procent voor rekening van de Staat en kunnen worden verrekend met de geldlening.
Het percentage, bedoeld in het eerste lid, wordt naar rato verlaagd, indien de geldlening minder dan 50 procent van het financieringsbudget uitmaakt.
Artikel 3.16.1i. Subsidievoorwaarden
De subsidieverlening vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt, binnen acht weken na die beschikking is ondertekend door de financier.
§ 3.16.2. MKB-ondernemer
Artikel 3.16.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een subsidie met een terugbetalingsverplichting als bedoeld in artikel 42 van het besluit aan een MKB-ondernemer, niet zijnde een MKB-ondernemer die werkzaam is in de visserij- en aquacultuursector, ten behoeve van de financiering van een vernieuwingsfasetraject.
Bij zijn aanvraag legt de MKB-ondernemer een verklaring van een toekomstige investeerder over die is opgesteld overeenkomstig het model dat in bijlage 3.16.1 is opgenomen.
Artikel 3.16.3. Subsidieomvang
De subsidie bestaat uit een geldlening voor een bedrag gelijk aan:
- a. 35 procent van de door de MKB-ondernemer die een middelgrote onderneming in stand houdt voorziene kosten van het vernieuwingsfasetraject doch ten hoogste € 122.500;
- b. 45 procent van de door de MKB-ondernemer die een kleine onderneming in stand houdt voorziene kosten van het vernieuwingsfasetraject doch ten hoogste € 157.500.
De kosten gemaakt door de MKB-ondernemer als natuurlijke persoon worden berekend door het aantal uren dat hij ten behoeve van het vernieuwingstraject heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 45.
Artikel 3.16.3a. Realisatietermijn
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)