Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-17
Laatst bijgewerkt 2026-08-24
State In force
Source BWB
artikelen 1509
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • 2°. er geen uitstel zal worden verleend voor de betaling van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, voor zover door dit uitstel de looptijd van de geldlening meer dan 14 jaar zou komen te bedragen; en
  • d. de betaling van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, achtereenvolgens in mindering worden gebracht op de eventueel verschuldigde wettelijke renten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, op eventueel nog lopende jaarlijkse basisrente, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, de eenmalige rente, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en vervolgens op de hoofdsom van de lening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
    1. Leninggever zal door Leningnemer gemachtigd worden en gedurende de looptijd van de Lening gemachtigd gehouden worden tot automatische incasso ten behoeve van de betaling van deze bedragen via overboeking naar rekeningnummer IBAN nummer NL29INGB0705001318 ten name van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, onder vermelding van [dossier en referentienummer].
Artikel 12. Verplichting tot informatieverstrekking over het gebruik van de lening
    1. Binnen 13 weken na afronding van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject of na voortijdige staking hiervan zal Leningnemer, overeenkomstig het bepaalde in artikel 50 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies en artikel 3.26.13 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies, verantwoording afleggen over de mate waarin en wijze waarop de hoofdsom van de lening is aangewend voor financiering van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject.

§ 3. Inwerkingtreding en einde van de overeenkomst

Artikel 13. Inwerkingtreding en looptijd van deze overeenkomst
    1. Deze Overeenkomst treedt in werking onmiddellijk nadat de laatste van Partijen deze heeft ondertekend.
    1. Deze overeenkomst eindigt, indien:
  • a. volledige terugbetaling heeft plaatsgevonden van het uitstaand saldo, bedoeld in artikel 11, eerste lid;
  • b. voldaan is aan de informatieverplichtingen, bedoeld in artikel 12; en
  • c. in de gevallen, bedoeld in artikel 14, tweede lid.
Artikel 14. Ontbinding, vernietiging en opzegging van deze Overeenkomst
    1. Deze overeenkomst wordt ontbonden, indien de beschikking tot subsidieverlening, uit hoofde waarvan de onderhavige overeenkomst van geldlening is gesloten, wordt gewijzigd of ingetrokken.
    1. Leninggever kan de onderhavige overeenkomst van geldlening opzeggen en de lening geheel of gedeeltelijk opeisen, zonder dat daarbij enige termijn in acht hoeft te worden genomen, indien:
  • a. er sprake is van niet-naleving door Leningnemer van (één van) haar verplichtingen uit de Overeenkomst;
  • b. ten aanzien van Leningnemer een verzoek tot faillietverklaring of surseance van betaling is ingediend;
  • c. er door Leningnemer een buitengerechtelijk akkoord aan haar crediteuren is of wordt aangeboden;
  • d. Leningnemer aan een rechtbank vraagt om een beoogd curator te benoemen ten behoeve van een zogenaamde pre-pack;
  • e. executoriaal of conservatoir beslag wordt gelegd op enig vermogensbestanddeel van Leningnemer voor een vordering van ten minste € 500.000 en, indien het een conservatoir beslag betreft, het beslag gedurende twee maanden in stand is gebleven;
  • f. ten aanzien van Leningnemer een verzoek tot ontbinding of beëindiging van de bedrijfsactiviteiten wordt ingediend of Leningnemer anderszins haar activiteiten staakt of overdraagt;
  • g. er sprake is van:
  • 1°. uitgifte, overdracht of andere overgang van de aandelen in Leningnemer;
  • 2°. overgang van stemrecht op aandelen in Leningnemer; of
  • 3°. de verkrijging van zeggenschap over de activiteiten van Leningnemer of haar aandeelhouders door één of meer anderen in de zin van het S.E.R.-besluit fusiegedragsregels 2000, ongeacht of die regels op de betreffende verkrijging van toepassing zijn;
  • h. subsidieverplichtingen zijn overtreden dan wel de Beschikking tot subsidieverlening geheel of gedeeltelijk is komen te vervallen, waaronder in ieder geval dient te worden verstaan het intrekken en ten nadele van Leningnemer wijzigen van de Beschikking tot subsidieverlening, het lager of op nihil vaststellen van de subsidie of anderszins beëindigen van de subsidierelatie.
    1. Indien de niet-naleving door Leningnemer van enige bepaling in deze overeenkomst zich leent voor herstel zal de opzeggingsgrond, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, uitsluitend worden aangewend nadat Leningnemer een redelijke termijn heeft gekregen om tot naleving over te gaan en er nog steeds sprake is van niet-nakoming.
    1. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, kan Leninggever besluiten deze Overeenkomst in stand te laten maar de lening geheel of gedeeltelijk vervroegd op te eisen.

§ 4. Slotbepalingen

Artikel 15. Kennisgevingen

Kennisgevingen met betrekking tot deze overeenkomst worden, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, gedaan aan de hierna vermelde adressen:

  • a. Kennisgevingen aan Leninggever: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, afdeling [afdelingsnaam], Postbus 93144, 2509 AC Den Haag, [e-mailadres].
  • b. Kennisgevingen aan Leningnemer: [naam rechtspersoon van Leningnemer], contactpersoon [de heer /mevrouw, naam], [correspondentieadres (straat /postbus, plaats, postcode en e-mailadres)].
Artikel 16. Rechten van Partijen en geschilbeslechting
    1. Behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van Leninggever is Leningnemer niet gerechtigd de rechten en verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst aan derden over te dragen. De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit deze Overeenkomst zijn één geheel en derhalve ondeelbaar.
    1. Ingeval enige bepaling van deze Overeenkomst nietig of onverbindend is, blijven de overige bepalingen van deze Overeenkomst van kracht. Partijen zullen hun uiterste best doen overeenstemming te bereiken over een nieuwe bepaling die, gegeven de strekking en het doel van deze Overeenkomst, zo weinig mogelijk afwijkt van de betreffende nietige of onverbindende bepaling.
    1. Deze Overeenkomst en elk geschil, elke procedure of vordering voortvloeiend uit of verband houdend met deze Overeenkomst of het daarmee gevestigde Pandrecht worden beheerst door en uitgelegd in overeenstemming met Nederlands recht.
    1. Alle geschillen welke tussen Partijen mochten ontstaan, naar aanleiding van deze Overeenkomst dan wel van nadere overeenkomsten en andere handelingen in samenhang met deze Overeenkomst, zullen worden voorgelegd aan de rechtbank te Den Haag.
Artikel 17. Wijziging

De Overeenkomst kan uitsluitend worden gewijzigd, nadat beide Partijen schriftelijk met de wijziging hebben ingestemd. De wijziging en de verklaringen tot instemming worden in afschrift als bijlage aan deze Overeenkomst gehecht. Tegen het voorgaande kan geen tegenbewijs worden geleverd. Dit is een bewijsovereenkomst in de zin van art. 7:900 BW.

Aldus in tweevoud ondertekend

LENINGNEMER

Namens deze:

[Naam ondertekenaar];

[naam Functieondertekenaar];

[statutaire naam Organisatie ondertekenaar];

[plaats, d.d. [datum]

LENINGGEVER

de Minister van Economische Zaken,

namens deze:

[Naam ondertekenaar]

[functieondertekenaar]

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Den Haag, d.d. [DATUM]

Bijlage 3.29.1. behorend bij artikel 3.29.10 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

In de regiovisie zijn onderbouwde keuzes gemaakt voor de afbakening van de regio.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de kwaliteit van de regiovisie hoger is, blijkend uit onder andere:

  • a. een heldere onderbouwing van de afbakening van de regio;
  • b. aansluiting van de regiovisie op de analyse van het werkgebied en op andere bestaande regionale en sectorale (arbeidsmarkt)agenda’s;
  • c. de regiovisie is onderbouwd met actuele kwantitatieve en kwalitatieve gegevens (inclusief bronvermelding), en er wordt (waar mogelijk) met het project aangesloten op de analyse van het werkgebied en andere bestaande regionale en sectorale (arbeidsmarkt)agenda’s.

De doelstellingen van het project vloeien voort uit de regiovisie en de nulmeting en de ambities van de doelstellingen van het project qua bereik (ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten) ten opzichte van de bestaande situatie zijn groot.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend indien de doelstellingen van het project (meer) ambitieus zijn qua bereik (ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten) en de verwachtte regionale impact, relatief gezien, groter is ten opzichte van de bestaande situatie. Dit kan blijken uit:

  • a. een heldere beschrijving van de keuzes op welke onderdelen de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt wordt verbeterd, inclusief het opleidingsaanbod;
  • b. de kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van keuzes (met behulp van actuele gegevens inclusief bronvermelding) die voortvloeien uit de regiovisie;
  • c. een heldere beschrijving van de doelstellingen en bijbehorende effecten die het project beoogt. Deze doelen zijn Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden (SMART) geformuleerd. Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden in korte termijn (voor de eerste twee jaar) en lange termijn (tot einde van de projectperiode);
  • d. een heldere beschrijving van a) de primaire doelgroep(en) (studenten en andere deelnemers) waar het project zich op richten b) het effect voor deze doelgroep(en), zowel kwantitatief (bv. meer doorstroom, gediplomeerde uitstroom, verkorte studieduur) als kwalitatief (bv. verbeterd vakmanschap, betere loopbaankeuze, talentontwikkeling, 21-century skills, toerusting docenten).

Er is een gedragen samenwerking tussen de partners in het samenwerkingsverband.

De samenstelling van het samenwerkingsverband en de overwegingen die hierbij een rol hebben gespeeld zijn duidelijk weergegeven (denk aan: welke partners maken wel of niet deel uit van de verduurzaamde PPS en waarom? Wordt er gewerkt met een groeimodel?). Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de samenwerking meer vertrouwen geeft in een succesvolle en verduurzaamde uitvoering van het plan van aanpak, blijkend uit onder andere:

  • a. de samenstelling van het samenwerkingsverband en de overwegingen die daarbij een rol hebben gespeeld (inclusief beschrijving van een al dan niet geheel of gedeeltelijk bestaand samenwerkingsverband, en de keuze voor een groeimodel);
  • b. een beschrijving van belangen en behoeften van de partners en hoe de verduurzaamde PPS in deze behoeften voorziet, zodanig dat de samenwerking voor alle partijen van meerwaarde is;
  • c. de mate waarin meer partners van de verduurzaamde PPS substantieel middelen en menskracht in het project investeren en daarbij randvoorwaarden scheppen voor de uitvoering van het project (tijd, faciliteiten, apparatuur, etc.);
  • d. de wijze waarop de rollen en inbreng van de partners zijn omschreven.

Er is draagvlak voor het plan bij interne en externe stakeholders.

Het draagvlak onder externe stakeholders wordt inzichtelijk gemaakt. Externe stakeholders zijn partners van de aanvrager uit de regio. Het gaat hier bijvoorbeeld om andere mbo-instellingen, scholen in het voorgezet onderwijs, hogescholen, regionale overheden, werkgevers en andere arbeidsorganisaties. Interne stakeholders zijn in ieder geval (vertegenwoordigers van) studenten, docenten en bij de PPS betrokken relevante partijen, zoals arbeidsorganisaties en ondernemingen. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate het draagvlak van het project onder interne en externe stakeholders groter is, blijkend uit:

  • a. een beschrijving van de wijze waarop interne en externe stakeholders bij de planvorming betrokkenen zijn geweest, onderbouwd met bijvoorbeeld documentatie hierover;
  • b. een beschrijving van de urgentie van het project voor de interne en externe stakeholders, waar mogelijk ondersteund met documenten van de betreffende stakeholders;
  • c. een beschrijving van het draagvlak onder interne stakeholders. De aanvraag toont aan in welke mate er draagvlak bestaat voor de aanvraag onder studenten, docenten en andere bij de PPS betrokken relevante partijen en de wijze waarop zij worden betrokken bij de voorbereiding en uitvoering daarvan.

De partners hebben een stevig trackrecord.

De partners hebben een trackrecord van effectieve en verduurzaamde samenwerking en van substantieel bereik van ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de basis substantieel en robuust is.

De organisatie is zodanig ingericht dat een succesvolle uitvoering van het plan van aanpak mogelijk is.

Het plan van aanpak toont aan dat er een deskundige (project)organisatie wordt ingericht voor de uitvoering van het project, inclusief sturing op een efficiënte inzet van middelen, samenwerking, planning, evaluatie en communicatie. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de kwaliteit van de voorgestelde organisatie hoger is, blijkend uit onder andere:

  • a. een heldere beschrijving van de projectorganisatie die de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden binnen het samenwerkingsverband omvat;
  • b. een heldere beschrijving van de inhoudelijke inbreng en deskundigheid van de partners en van eventuele externe partijen;
  • c. een heldere beschrijving van het profiel van de trekker(s) of projectleider(s);
  • d. de doelgroep(en) waarop de doelstellingen van het project zijn gericht een rol hebben binnen de projectorganisatie (bv. een klankbordgroep van studenten of docenten).

De doelstellingen en activiteitenplanning zijn uitvoerbaar en haalbaar binnen de gehele projectperiode.

De uitvoerbaarheid en haalbaarheid van het project zijn inzichtelijk gemaakt in een faseplan (inclusief taakverdeling tussen de partners) voor de eerste twee jaar van de projectperiode en een globale activiteitenplanning voor overige jaren van de projectperiode. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de uitvoerbaarheid en haalbaarheid van de het faseplan groter is, blijkend uit onder andere:

  • a. een uitgewerkt en realiseerbaar faseplan voor het eerste jaar van de projectperiode, bestaande uit fasering, mijlpalen, beoogde (tussentijdse) resultaten, plus taakverdeling partners (wie doet wat en wanneer) en een globaal en realiseerbaar faseplan voor de overige jaren van de projectperiode met fasering, mijlpalen en beoogde eindresultaten;
  • b. het faseplan geeft beoogde aanpakken, producten en processen voldoende weer waardoor aansluiting van de activiteiten bij de beoogde doelstellingen inzichtelijk wordt.

De project gerelateerde risico’s en de beheersmaatregelen zijn in kaart gebracht.

Uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is besteed aan de mogelijke risico’s en bijbehorende beheersmaatregelen. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de risico’s worden beschreven en ondervangen in het plan van aanpak, blijkend uit:

  • a. een heldere beschrijving van de projectgebonden risico’s, waaruit blijkt dat er goed is nagedacht over mogelijke risicofactoren en bedreigingen;
  • b. een beschrijving van mogelijke maatregelen als deze risico’s zich werkelijk voordoen;
  • c. een beschrijving van mogelijke maatregelen als deze risico’s zich werkelijk voordoen.

Er is voldoende aandacht voor evaluatie en bijsturing.

Uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is besteed aan evaluatie en bijsturing.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is besteed aan evaluatie en bijsturing, blijkend uit:

  • a. een heldere beschrijving over hoe (methoden en instrumenten) en door wie (inzet externe of interne deskundigheid) de voortgang (realisatie beoogde doelen en effecten) wordt gemonitord en bijgestuurd;
  • b. een heldere beschrijving van de wijze waarop actuele en bruikbare (voortgangs-) gegevens worden verzameld, geanalyseerd en gebruikt voor (tussentijdse) bijsturing;
  • c. evaluatie en bijsturingsmomenten zijn als onderdeel opgenomen in de activiteitenplanning.

Uit het project blijkt dat er aandacht is voor een onderzoekende en lerende organisatie (op het niveau van het project).

Uit het plan van aanpak blijkt dat systematische reflectie plaatsvindt met alle organisatiegeledingen op de voortgang in processen, activiteiten en effecten.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is voor een onderzoekende en lerende organisatie (op het niveau van het project), blijkend uit:

  • a. de verduurzaamde PPS betrekt alle geledingen (management, werknemers, docenten, studenten, bedrijvenpartners) bij de monitoring en reflectie;
  • b. de verduurzaamde PPS faciliteert kennisdeling en kennisontwikkeling tussen de deelnemers van de verschillende partners en met anderen buiten het project;
  • c. monitoring en reflectie vinden op een systematische manier plaats, bijvoorbeeld via professionele leergemeenschappen of met behulp van een practoraat of lectoraat.

Er is een realistische begroting van het project, die inzichtelijk en evenwichtig is. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de begroting realistischer is, blijkend uit onder andere:

  • a. een gedetailleerde begroting voor de eerste twee jaar van de projectperiode waarin is weergegeven welke kosten worden gemaakt en door wie;
  • b. de realiteitszin van de kosten voor de verschillende partners;
  • c. de kosten zijn voldoende gespecificeerd, sluiten aan op het activiteitenplan en zijn opgesteld volgens het principe p*q;
  • d. indien de onderwijsinstelling kosten opvoert wordt aangetoond dat het hierbij gaat om additionele, niet regulier bekostigde activiteiten van de onderwijsinstelling.

De doelstellingen worden op een zo kostenefficiënt mogelijke manier bereikt.

Uit de aanvraag blijkt dat de middelen (geld, tijd en mankracht) zo efficiënt mogelijk worden ingezet om maximale resultaten te bereiken. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de doelstellingen van de verduurzaamde PPS zo efficiënt mogelijk worden bereikt, blijkend uit onder andere:

  • a. de inzet van mankracht, geld en apparatuur/machines draagt daadwerkelijk bij aan de realisatie van het beoogde doel;
  • b. de kosten staan in verhouding tot de opbrengsten en resultaten die in het plan van aanpak zijn beschreven;
  • c. de kosten van de projectorganisatie of projectmanagement worden zo laag mogelijk gehouden.

De vereiste cofinanciering is aangetoond.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de cofinanciering beter is geborgd voor de gehele subsidieperiode, blijkend uit onder andere:

  • a. er is duidelijk weergegeven hoe de cofinanciering is opgebouwd en hoe deze verdeeld is over de partners;
  • b. de cofinanciering is realistisch voor de verschillende partners;
  • c. de cofinanciering is voor de gehele subsidieperiode inzichtelijk.

Er voldoende aandacht wordt besteed aan de verduurzaming van de activiteiten, zodat de samenwerking na afloop van de subsidieperiode kan worden voortgezet.

Uit het plan van aanpak en de meerjarenbegroting blijkt dat er voldoende aandacht wordt besteed aan toekomstverkenningen zodat de samenwerking na afloop van de subsidieperiode kan worden voortgezet. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate er een heldere beschrijving van concrete activiteiten is waaruit blijkt dat de partners in de projectperiode verduurzamingsmogelijkheden en verdienmodellen gaan verkennen.

Bijlage 3.30.1. behorende bij de artikelen 3.30.1, 3.30.3 en 3.30.7 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (Circular Plastics NL)

Aanleiding

In 2022 is het programma Circular Plastics NL toegekend vanuit het Nationaal Groeifonds. Dit programma wil de recycling van kunststoffen nationaal een impuls geven door huidige knelpunten weg te nemen.

Het programma Circular Plastics NL wil een geïntegreerde aanpak faciliteren en kent acht programmalijnen:

De subsidiemodule Circular Plastics NL heeft voor de openstelling in 2026 betrekking op de programmalijnen P1 t/m P6.

Doel

De subsidiemodule Circular Plastics NL kent twee typen projecten:

Het doel van Circular Plastics NL-onderzoeksprojecten is onderzoek naar of ontwikkeling van processen, methodieken of technieken gericht op:

Onderzoeksprojecten moeten betrekking hebben op één van de volgende onderwerpen:

Het doel van Circular Plastics NL-showcases is om knelpunten in een circulaire waardeketen van een materiaalstroom in een bepaalde (product)keten weg te nemen, door het doen van technisch onderzoek en het valideren van de technologie op pilotschaal (pilotproject) of demonstratieschaal (showcase met een onderdeel investering in een CPNL-demonstratieproject). Projecten moeten betrekking hebben op één van de volgende onderwerpen:

Het Circular Plastics NL programma is gericht op hoogwaardige recycling, waarmee plastic afvalstoffen opnieuw worden verwerkt tot producten, materialen of stoffen voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel (andere plastic toepassing). Projecten die gericht zijn op energieterugwinning uit plastic afvalstromen of het opwerken van plastic afvalstromen tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal vallen daarmee buiten de doelstelling van de subsidiemodule Circular Plastics NL en komen niet in aanmerking voor subsidie.

Voor het sluiten van plastic waardeketens is samenwerking tussen de verschillende spelers in een waardeketen van groot belang. Minimaal 1 onderneming uit de waardeketen dient vertegenwoordigd te zijn in het samenwerkingsverband om tot toepasbare projectresultaten te komen.

Bijlage 3.31.1. behorende bij artikel 3.31.1 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Circular Batteries)

Circular Batteries-project

Deze subsidie-module richt zich met de Circular Batteries-projecten op de huidige generatie batterijen en volgende generatie batterijen. Onder de huidige generatie batterijen worden verstaan de typen batterijen die bij indiening van het Nationaal Groeifondsprogramma Material Independence and Circular Batteries (het NGF-programma MICB), in 2023, tot de stand der techniek behoorden en commercieel en op grote schaal geproduceerd werden. Voorbeelden hierbij zijn de lithium-ionbatterijtypen NMC-batterij (met een kathode van nikkel, mangaan en kobalt en een anode van grafiet; omvattende in ieder geval de typen NMC 111, NMC 622, NMC 433, NMC 532 en NMC 811), de LFP-batterij (met een kathode van lithium, ijzer en fosfaat en een anode van grafiet). Batterijen die niet binnen de definitie van huidige generatie batterijen vallen en verbeterde prestaties of verminderd gebruik van kritieke materialen laten zien, worden in deze context gezien als volgende/nieuwe generatie batterijen. Deze categorie kan een verbeterde versie van de lithium-ionbatterijen omvatten (zoals de NMC 9.5.5 batterij), maar zal met name zien op geheel nieuwe batterijtypen, zoals de (semi-)vastestofbatterij, de natriumbatterij en batterijtypen met een verbeterde anode, zoals de siliciumanode of grafeenanode.

Per onderwerp is een korte beschrijving van het doel van het onderwerp opgenomen (paragraaf 1.2). Daarnaast is aangegeven voor welke samenwerkingen het onderwerp opengesteld is, welke rollen (paragraaf 1.1) aanwezig dienen te zijn in een samenwerkingsverband (tabel ‘onderwerpen subsidiemodule Circular Batteries’) en wat voor type activiteiten in de projecten binnen het onderwerp uitgevoerd mogen worden (paragraaf 1.2.1).

1.1. Rollen

Voor het stimuleren van een Nederlands batterijecosysteem en het verkrijgen van enkele control points in de batterijwaardeketen is samenwerking tussen verschillende spelers van het samenwerkingsverband van groot belang. Daarom worden per onderwerp eisen gesteld aan de samenstelling van het samenwerkingsverband, zodat de verschillende rollen die nodig zijn om tot toepasbare projectresultaten te komen, betrokken zijn. Daarbij geldt dat het gaat om de rol die een deelnemer in het samenwerkingsverband vervult binnen het project. Een onderneming kan in een project meerdere rollen vervullen of een rol vervullen die niet de hoofdactiviteit van deze onderneming is. Wel dient aannemelijk te zijn dat de onderneming de rol kan uitvoeren.

Binnen de onderwerpen kunnen de volgende rollen worden onderscheiden:

1.2. Overzicht onderwerpen

Een overzicht van de onderwerpen die onderdeel zijn van de subsidiemodule Circular Batteries, met daarbij de voorziene rollen en het aantal rollen dat ten minste dient te zijn ingevuld bij aanvang van een Circular Batteries-project is weergegeven in de onderstaande tabel ‘onderwerpen subsidiemodule Circular Batteries’. Deelnemers binnen een Circular Batteries-project worden gestimuleerd om alle rollen zoals weergegeven in de genoemde tabel in te vullen. Er geldt echter een minimum aantal rollen dat verplicht ingevuld dient te worden bij aanvang van het project, naar inzicht van de deelnemers. Na aanvang van het Circular Batteries-project geldt dat bij wijziging van de samenstelling van het samenwerkingsverband de deelnemers voldoende expertise aanwezig dienen te hebben om het Circular Batteries-project voort te zetten op een voor het project zinvolle manier.

1.2.1. Uitwerking onderwerpen

Dit onderwerp betreft het stimuleren van de recyclingsmarkt van lithiumbatterijen om een circulaire economie rondom batterijen mogelijk te maken. Met behulp van activiteiten binnen dit onderwerp wordt geprobeerd de recycling van lithiumbatterijen te ontwikkelen door concurrerende productieprocessen te ontwikkelen voor de productie van black mass met een productie van twee kiloton per jaar. Dit wordt bepaald door poorttarieven met de huidige marktprijzen te vergelijken. Binnen het project dient er aandacht te zijn voor de verbetering van processen rondom recycling met behulp van intensievere samenwerking in de keten, kennisopbouw en kennisdeling, vermindering van CO2 impact en vermindering van afvalstromen. Er dient hierbij sprake te zijn van de mogelijkheid om alle batterijchemiesoorten te kunnen verwerken, meer specifiek met betrekking tot zowel NMC, LFP als lithiumthionyl (LTC)-batterijen. Ook dient er sprake te zijn van significante reductie van chemicaliëngebruik. Alle processen binnen dit onderwerp dienen in lijn te zijn met de dan geldende regelgeving voor brand- en arboveiligheid, zoals PGS 37, Arbowet, Omgevingswet, Besluit externe veiligheid inrichtingen en de Nederlandse Brandveiligheidsnormen.

Een Circular Batteries project binnen dit onderwerp richt zich op ten minste vijf van onderstaande subthema’s:

Dit onderwerp richt zich op de ontwikkeling van langeduuropslag. Langeduuropslag betreft energieopslag van minimaal 8 uur tot meerdere dagen en mogelijk tot zelfs 1 tot 2 weken met toepassingen in ieder geval stabilisatie van het energiesysteem en bij grootverbruikers, zoals de industrie. De projecten dienen zich te richten op batterijconcepten met zo min mogelijk gebruik van kritieke materialen. De realisatie van dit onderwerp betreft langeduuropslag met een opslagcapaciteit die ten minste een factor acht groter is dan het vermogen, waarbij idealiter opslagcapaciteit en vermogen afzonderlijk van elkaar kunnen worden ontworpen. Dit onderwerp draagt bij om in de toekomst de beste technologieën te selecteren die geschikt zijn voor langeduurbatterijopslag, met het doel om in de toekomst een demonstratieproject op te zetten met die technologie (waarbij het demonstratieproject geen onderdeel is van dit onderwerp). De oprichting van een expertisecentrum heeft als doel om kennis over het gebruik van langeduuropslag in verschillende toepassingen te delen, zodat een soepele uitrol van langeduuropslag kan plaatsvinden.

Een Circular Batteries project binnen dit onderwerp richt zich op de volgende subthema’s:

Daarnaast richt een Circular batteries project zich binnen dit onderwerp op ten minste één van onderstaande subthema’s:

Dit onderwerp richt zich op de ontwikkelingen van duurzame celmaterialen, -componenten en productieprocessen, meer circulair te maken en op te schalen tot industriële schaal voor toepassing in lithium-ionbatterijcellen, in ieder geval voor de heavy duty mobiliteitsmarkt (zwaar wegvervoer, off road mobiliteit, luchtvaart en scheepvaart).

Zo dienen binnen dit onderwerp hogere energiedichtheden en kortere laadtijden te worden bereikt met doorontwikkeling van diverse nieuwe anodematerialen zoals silicium. Het project dient ook bij te dragen aan de ontwikkeling van duurzamere kathodes door reductie van het gebruik van kritieke materialen (onder andere kobalt en nikkel) en het energiegebruik tijdens de productie (dry processing, reductie CO2-uitstoot). Daarnaast dient een duurzaam elektrolyt te worden ontwikkeld dat kan worden geïntegreerd met de ontwikkelde anode- en kathodematerialen in een volledige batterijcel.

Een Circular Batteries project binnen dit onderwerp richt zich op ten minste vier van onderstaande subthema’s:

Dit onderwerp betreft de ontwikkeling van innovatieve en circulaire batterijpakketten en hun produceerbaarheid. Het gaat in dit thema niet om de verbetering van de batterijcel, maar om innovatie in de integratie van bestaande cellen in modules (een gestandaardiseerde samenstelling van batterijcellen) en pakketten (een samenstelling van batterijmodules, samengesteld voor functionaliteit in de beoogde toepassing), en integratie met systemen die de batterij aanmerkelijk verbeterd kunnen laten werken (zoals een battery management systeem (BMS)).

Toepassingen die binnen deze regeling onder heavy duty mobiliteit worden verstaan zijn voertuigen in het zwaardere vervoerssegment waaronder bussen, trucks, schepen, industriële mobiele voertuigen en vliegtuigen.

Een Circular Batteries project richt zich voor dit onderwerp op ten minste drie van onderstaande subthema’s:

Bijlage 4.2.1. behorende bij artikel 4.2.9 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (Energie & Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO))

Onderdeel A. Elektriciteit

1. Doelstelling

De doelstelling van het onderdeel ‘Elektriciteit’ binnen de subsidiemodule Energie & Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO) is om onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten te stimuleren op de hierna in hoofdstuk 2 genoemde innovatiethema’s. Deze projecten leiden binnen tien jaar na de start van het project tot een eerste toepassing en dragen bij aan een betaalbare, betrouwbare, duurzame en veilige energievoorziening.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de oplossing in een operationele omgeving door de innovatie toe te passen in een deel van een zonne- of windstroomsysteem. Dit hoeft nog geen grootschalige uitrol van de innovatie te zijn.

2. Innovatiethema’s

1. MMIP1: Hernieuwbare energie op zee

Innovatiethema 1 sluit aan op het Meerjarige Missiegedreven Innovatieprogramma (MMIP)1MMIP 1: Hernieuwbare energie op zee. Projecten binnen dit innovatiethema betreffen innovaties die leiden tot concrete oplossingen die de opschaling van hernieuwbare energieproductie op zee mogelijk maken, waarbij de (systeem)kosten aanvaardbaar zijn en aan randvoorwaarden met betrekking tot ecologie, circulariteit en ruimtelijke inpassing wordt voldaan.

Onder dit innovatiethema vallen projecten die passen binnen ten minste één van de volgende subthema’s.

1.1. Kostenverlaging en waarde-optimalisatie

Dit subthema betreft innovatieprojecten die leiden tot structurele verbetering van de business case van windparken op zee door middel van kostenreductie, opbrengst- of waardeverhoging. Projecten binnen dit subthema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

1.2. Integratie in het energiesysteem

Projecten binnen dit subthema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

1.3. Ruimtelijke, milieu- en maatschappelijke integratie

Projecten binnen dit subthema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

2. MMIP 2: Hernieuwbare elektriciteit op land en in de gebouwde omgeving

Innovatiethema 2 sluit aan op MMIP 22MMIP 2: Hernieuwbare elektriciteitsopwekking op land en in de gebouwde omgeving. Projecten binnen dit innovatiethema betreffen innovaties voor hernieuwbare elektriciteitsopwekking op land en in de gebouwde omgeving.

Onder dit innovatiethema vallen projecten die passen binnen ten minste één van de volgende subthema’s van MMIP 2.

2.1. Technologieontwikkeling zonnestroom

Projecten binnen dit subthema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

2.2. Toepassingsontwikkeling zonnestroom

Projecten binnen dit subthema betreffen de ontwikkeling van innovaties die bijdragen aan het technisch, economisch en maatschappelijk mogelijk maken van zonnestroomsystemen in de gebouwde omgeving, op land en (groot)binnenwater.

2.3. Technologie en toepassingsontwikkeling windenergie

Projecten binnen dit subthema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

Onderdeel B. Gebouwde Omgeving

1. Doelstelling

De doelstelling van dit onderdeel van de subsidiemodule Energie & Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO) is de ondersteuning van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten binnen de in hoofdstuk 2 genoemde innovatiethema’s om te komen tot nieuwe of aanmerkelijk verbeterde producten, diensten of processen die binnen vijf jaar (uiterlijk in 2029) na de start van het project) tot een eerste toepassing in Nederland leiden en daarmee bijdragen aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Dit onderdeel van de EKOO is aanvullend op de subsidiemodule Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI), opgenomen in paragraaf 4.2.7 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies. Dit onderdeel betreft innovatieve ontwikkelingen van ondernemingen die niet of nog niet in een grootschalig consortium kunnen worden opgepakt. De projecten van deze subsidiemodule dragen bij aan de deelprogramma’s van de Meerjarige Missiegedreven Innovatieprogramma’s (MMIP's) 33MMIP 3: Versnelling van energierenovaties in de gebouwde omgeving., 44MMIP 4: Duurzame warmte en koude in de gebouwde omgeving. en 55MMIP 5: Elektrificatie van het energiesysteem in de gebouwde omgeving..

2. Innovatiethema’s

1. Verduurzamingsarrangementen voor woningen en utiliteitsgebouwen

Dit innovatiethema sluit aan bij MMIP3. Het thema is gericht op innovaties die leiden tot verbeterde verduurzamingsarrangementen voor de volgende gebouwtypen:

Projecten die binnen één of meer van de volgende deelthema’s vallen, komen in aanmerking voor subsidie.

1.1. Verduurzamingsarrangementen en het verminderen van de milieu-impact van die arrangementen

Dit deelthema bevat innovatieprojecten die activiteiten uitvoeren op een of meer van de volgende onderdelen:

1.2. Industrialisatie en digitalisering van het verduurzamingsproces

Dit deelthema bevat innovatieprojecten die activiteiten uitvoeren op een of meer van de volgende onderdelen:

2. Oplossingen voor de verduurzaming van de collectieve warmte- en koudevoorziening

Dit innovatiethema sluit aan bij MMIP4. Dit thema richt zich op realiseren van een aantrekkelijk aanbod van warmte- en koudevoorzieningen voor huis- en gebouweigenaren voor het aardgasvrij maken van woningen en gebouwen.

Projecten die binnen een of meer van de volgende deelthema’s passen, komen in aanmerking voor subsidie.

2.1. Warmtepompen en afgifte-, tapwater- en ventilatiesystemen

Dit deelthema bevat innovatieprojecten die activiteiten uitvoeren op een of meer van de volgende onderdelen:

2.2. Kleinschalige warmteopslagsystemen en duurzame warmte- en koudenetten

Dit deelthema bevat innovatieprojecten die activiteiten uitvoeren op een of meer van de volgende onderdelen:

2.3. Oplossingen voor een betrouwbare, betaalbare en eerlijke elektriciteitsvoorziening

Dit innovatiethema sluit aan bij MMIP5. Het thema is gericht op innovaties die nodig zijn om een betrouwbare, betaalbare en eerlijke elektriciteitsvoorziening in de gebouwde omgeving waar te borgen, terwijl het gebruik van elektriciteit en productie uit (decentrale) hernieuwbare energiebronnen toeneemt. Het gaat om elektrificatie van gebouwen, wijken en bedrijventerreinen en elektrische infrastructuur in de gebouwde omgeving.

Dit thema bevat innovatieprojecten die activiteiten uitvoeren op een of meer van de volgende onderdelen:

Onderdeel C. Industrie

1. Doelstelling

De doelstelling van het onderdeel ‘Industrie’ binnen de subsidiemodule Energie & Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO) is om onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten op de hierna in hoofdstuk 2 genoemde innovatiethema’s te stimuleren. Deze projecten leiden binnen tien jaar na de start van het project tot een eerste toepassing en dragen bij aan een betaalbare transitie naar een klimaatneutrale en circulaire industrie die geïntegreerd is in het energiesysteem.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de oplossing in een operationele omgeving. Dit hoeft nog geen grootschalige uitrol van de innovatie te zijn, maar gaat om het implementeren van de innovatie binnen een gedeelte van een industrieel proces waarbij ook expliciet rekening wordt gehouden met de inpassing van de innovatie in het energiesysteem.

Onder het begrip ‘industrie’ wordt verstaan het geheel van ondernemingen die materiële goederen produceren, waarbij grondstoffen worden verwerkt en waarbij sprake is van een hoge graad van mechanisering en automatisering, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep B, C, D (alleen energiedistributie) of E.

2. Innovatiethema’s

1. MMIP 6: Grondstoffen en producten voor circulariteit van koolstof

Innovatiethema 1 sluit aan op het Meerjarige Missiegedreven Innovatieprogramma (MMIP) 63MMIP 6: Grondstoffen en producten voor circulariteit van koolstof. Projecten binnen dit thema betreffen technologieën die de koolstofketen sluiten en het gebruik van virgin fossiele grondstoffen vermijden door het gebruik van CO of CO2 als grondstof voor koolstofchemie. De CO kan afkomstig zijn uit restgassen of vergassing van diverse grondstoffen. CO2 kan afkomstig zijn uit geconcentreerde stromen (restgassen en rookgassen), rechtstreeks uit de atmosfeer of uit zeewater. Dit thema betreft het deelprogramma Carbon capture and Utilisation (CCU) van MMIP 6.

2. MMIP 7: CO2-vrije industriële energiehuishouding

Innovatiethema 2 sluit aan op MMIP 74MMIP 7: CO2-vrije industriële energiehuishouding. Projecten binnen dit thema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

3. MMIP 8: Keten- en systeemaspecten – Digitalisering

Innovatiethema 3 sluit aan op MMIP 85MMIP 8: Keten- en systeemaspecten. Projecten binnen dit thema betreffen digitale innovaties en technieken op het gebied van producten en diensten die keten- en systeemverandering en elektrificatie ondersteunen.

4. MMIP 13: Systeemintegratie – energieflexibiliteit in de industrie

Innovatiethema 4 sluit aan op MMIP 136MMIP 13: Een robuust en maatschappelijk gedragen energiesysteem. Projecten binnen dit thema betreffen nieuwe duurzame oplossingen voor de industrie die zorgen voor substantieel meer flexibiliteit in de industriële energievraag en deze energieflexibiliteit kunnen inzetten met aantoonbare systeemvoordelen.

Onderdeel D. Circulaire Economie

1. Doelstelling

De doelstelling van dit onderdeel van de subsidiemodule Energie & Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO) is de ondersteuning van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten binnen de in hoofdstuk 2 genoemde innovatiethema’s om te komen tot innovatieve en circulaire producten, processen en diensten die binnen tien jaar na de start van het project tot een eerste toepassing in Nederland leiden en die niet of nog niet door een grootschalig consortium kunnen worden opgepakt.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de oplossing in een operationele omgeving. Hierbij hoeft het nog niet te gaan om grootschalige uitrol van de innovatie. Daarnaast kan het, bij de beoordeling van de bijdrage van het project aan de doelstelling, positief meewegen als innovaties eerder tot een eerste toepassing leiden.

Binnen dit onderdeel gaat het om projecten met betrekking tot circulaire producten, processen of diensten die bij een eerste toepassing leiden tot:

2. Innovatiethema’s

1. Circulaire economie anders dan circulaire plastics en biobased circular

Projecten binnen dit innovatiethema zijn gericht op een toepassing binnen één of meer van de productgroepen10Dit zijn productgroepen van de Kennis- en innovatieagenda Circulaire Economie https://kia-ce.nl/wp-content/uploads/2021/02/KIA-Circulaire-Economie-versie-2.0-def-15-oktober-2019.pdf. in onderstaande tabel.

1 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2023/02/03/nationaal-programma-circulaire-economie-2023-2030

2 Kamerstukken II 2022/23, 32 852, nr. 224 (Nationale Grondstoffenstrategie) en Kamerstukken II 2023/24, 32 852, nr. 291 (Voortgang Nationale Grondstoffenstrategie).

De volgende typen projecten komen in aanmerking voor subsidie:

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen:

2. Circulaire Plastics

Dit innovatiethema betreft projecten die zijn gericht op onderzoek naar en ontwikkeling van producten waarin minimaal 25% van de fossiele grondstoffen worden vervangen door biopolymeren op basis van biogrondstoffen of door minimaal 25% recyclaat uit mechanische recycling, chemische depolymerisatie of dissolutie. Dit innovatiethema omvat ook onderzoek en ontwikkeling aan productieprocessen in alle stappen van sortering tot en met recycling van plastic afval. Het gaat om projecten die betrekking hebben op toepassing van polymeren in plastic deel- en eindproducten.

Projecten kunnen betrekking hebben op de volgende subthema's:

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen projecten gericht op:

3. Biobased Circular

Innovatiethema 3 geeft invulling aan het Nationaal Groeifondsprogramma Biobased Circular7www.biobasedcircular.com. Het thema betreft onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten om te komen tot circulaire waardeketens voor polyesters op basis van koolhydraatrijke biogrondstoffen (biogebaseerd). De biogebaseerde polyesters vinden hun toepassing in kunststoffen (nieuw of reeds in ontwikkeling, zoals PEF, bio-PET, PLA en PHA), harsen, coatings of composieten. Het gaat om toepassingsgebieden met potentiële afzetmarkten waar een gewichtsvolume in tonnen nodig is en die dus zowel economisch als wat betreft CO2-reductie en circulariteit voor Nederland van betekenis zijn.

Onder dit innovatiethema vallen projecten die passen binnen ten minste één van de volgende subthema’s.

3.1. Circulair ontwerpen van halffabricaten en producten8Programmalijn 2 van het Nationaal Groeifondsprogramma Biobased Circular.

Projecten binnen dit subthema betreffen het opnieuw ontwerpen van bestaande halffabricaten en producten en het ontwikkelen van nieuwe halffabricaten en producten met circulaire ontwerpprincipes. Het gaat om de ontwikkeling en validatie op multi-kg schaal in industriële productieprocessen van biogebaseerde polyesters en de applicatie daarvan.

3.2. Bouwstenen en polyesters 9Programmalijn 3 van het Nationaal Groeifondsprogramma Biobased Circular.

Projecten binnen dit subthema betreffen het ontwikkelen van biogebaseerde bouwstenen (zoals polyolen, dicarbonzuren of hydroxycarbonzuren) of polyesters. Dit omvat tevens projecten gericht op het ontwikkelen van bouwstenen of polymeren met een verbeterde functionaliteit en recycleerbaarheid of biodegradeerbaarheid. De ontwikkeling van deze nieuwe bouwstenen en polyesters worden tijdens het project ontwikkeld en gevalideerd.

3.3. Productieprocessen

Projecten binnen dit subthema betreffen het ontwikkelen van nieuwe of verbeteren van productieprocessen voor biogebaseerde bouwstenen (zoals polyolen, dicarbonzuren of hydroxycarbonzuren) of polyesters. Het gaat hierbij om het ontwikkelen van een geheel nieuwe technologie of het op een innovatieve manier combineren van bestaande technologieën. Het nieuwe productieproces draagt bij eerste toepassing bij aan de in hoofdstuk 1 van deze bijlage genoemde klimaatdoelstellingen.

3.4. Duurzame biogrondstoffen10Programmalijn 6 van het Nationaal Groeifondsprogramma Biobased Circular.

Projecten binnen dit subthema betreffen het ontwikkelen of opschalen van biogrondstofroutes op basis van koolhydraatrijke stromen. Onder biogrondstofroute wordt verstaan de combinatie van productie van biogrondstoffen met de verwerking van biogrondstoffen tot een suiker, bouwsteen of polyester (innovatiethema 3.2). In het geval van suiker dient deze weer als grondstof voor de productie van de in innovatiethema 3.2 genoemde bouwstenen en polymeren.

Projecten maken gebruik van de volgende biogrondstoffen:

Projecten omvatten in ieder geval de verwerking van de ruwe biogrondstof naar:

Projecten kunnen onderzoek bevatten naar de productie van de biogrondstoffen, mits dit leidt tot betere of meer grondstof voor de raffinage. Ook kunnen projecten zich deels richten op onderzoek naar de logistiek en opslag van biogrondstoffen. Voor de jaarrond productie van een biogrondstoffenverwerker is de logistieke aanvoer van biogrondstoffen en de opslag van belang, omdat biogrondstoffen snel kunnen bederven.

3.5. Recycling van biogebaseerde polyester producten en materialen11Programmalijn 7 van het Nationaal Groeifondsprogramma Biobased Circular.

Projecten binnen dit subthema betreffen het ontwikkelen van nieuwe of verbeteren van een bestaande einde levensduur-verwerkingmethode van biogebaseerde producten en materialen. Projecten betreffen het ontwikkelen en valideren van recyclingprocessen voor biogebaseerde polyesters. Onder recycling vallen mechanische, chemische en organische recycling.

3.6. Ontwikkelen closed-loop gebruikssysteem

Projecten binnen dit subthema betreffen het ontwikkelen van nieuwe diensten om biopolyester applicaties te gebruiken in closed loops. Projecten betreffen het ontwikkelen en valideren van nieuwe gebruikssystemen van biogebaseerde polyesters ter bevordering van de marktcreatie en het hergebruik ervan. Het ontwikkelde systeem omvat de volgende stappen ten minste één keer: het gebruik, de inzameling of sortering en vervolgens het hergebruik of de recycling van de biogebaseerde polyester applicaties. Onder recycling vallen mechanische, chemische en organische recycling.

Bijlage 4.2.2. behorende bij artikel 4.2.15 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Hernieuwbare energietransitie (HER+))

Vervallen

Bijlage 4.2.3. behorende bij artikel 4.2.22 van de Regeling nationale EZ-subsidies (Programma Mvi energie)

Vervallen

Bijlage 4.2.4. behorende bij artikel 4.2.29 van de regeling nationale Ez-subsidies (Programmalijn Carbon Capture, Utilisation and Storage (Ccus))

Vervallen

Bijlage 4.2.5. behorende bij artikel 4.2.36 van de Regeling nationale EZ-subsidies (Programmalijn Geo-energie)

Vervallen

Bijlage 4.2.6. behorende bij artikel 4.2.43 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI))

1. MOOI-missie Elektriciteit

A. Doelstelling

De doelstelling van het onderdeel ‘Elektriciteit’ binnen de subsidiemodule Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) is om onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten te stimuleren op de hierna in onderdeel B genoemde innovatiethema’s. Deze projecten leiden binnen tien jaar na de start van het project tot een eerste toepassing en dragen structureel bij aan een betaalbare, betrouwbare, duurzame en veilige energievoorziening.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de oplossing in een echte werkomgeving door de innovatie toe te passen in een deel van een zonne- of windstroomsysteem, een nucleaire reactor of een opslagsysteem voor radioactief afval.12De regeling MOOI-Kernenergie heeft een eigen openstelling en budget, los van dat voor MMIP 1 en 2. Dit hoeft nog geen grootschalige uitrol van de innovatie te zijn.

B. Innovatiethema’s

Innovatiethema 1: Innovaties die de business case van energieparken op zee verbeteren, de maatschappelijke impact verlagen en versnelling van aanleg bevorderen

Een energiepark op zee omvat in ieder geval windturbines voor productie van elektriciteit, het elektrische netwerk, de aansluiting op het elektriciteitsnet en de systemen die nodig zijn voor de aansturing van de installaties. Daarnaast kan een energiepark op zee ook het volgende omvatten: alternatieve technieken voor elektriciteitsproductie, elektriciteitsopslag, installaties voor conversie van elektriciteit naar andere energiedragers en transport en opslag van die andere energiedragers. Innovatieve oplossingen op land vallen eveneens binnen de reikwijdte van dit innovatiethema, mits deze bijdragen aan de business case voor het energiepark op zee.

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

Innovatiethema 2: Innovaties die de business case van geïntegreerde opweksystemen op land verbeteren, bijdragen aan een betere ruimtelijke inpassing en de veiligheid van deze systemen vergroten

Een geïntegreerd opweksysteem op land (inclusief de gebouwde omgeving) bestaat uit zonnestroomsystemen of windturbines voor elektriciteitsproductie, de aansluiting op het net of de besturing van het systeem. Daarnaast kan het systeem ook bestaan uit andere technieken voor duurzame elektriciteit, installaties voor opslag van elektriciteit, installaties die stroom omzetten in andere energiedragers, transport- en opslagsystemen voor die energiedragers, onderdelen die aanvullende diensten leveren aan het elektriciteitsnet, voorzieningen voor ruimtelijke inpassing of bescherming van landschap en natuur.

Projecten binnen dit thema betreffen innovaties die hernieuwbare elektriciteit op land beter laten aansluiten op het energiesysteem en de omgeving.

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

Innovatiethema 3: Verbetering van het asset management van opweksystemen, zodat deze systemen goed blijven werken, onderhoud gerichter en goedkoper worden en de veiligheid behouden blijft

Projecten binnen dit thema betreffen innovaties die het beheer van opweksystemen voor hernieuwbare elektriciteit op land (inclusief de gebouwde omgeving) efficiënter, goedkoper, betrouwbaarder en veiliger maken.

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen ten minste één van de volgende ontwikkelrichtingen:

Innovatiethema 4: Ontwikkeling zonnestroomtechnologie

Projecten binnen dit thema betreffen innovaties die bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe generatie zonnestroomproducten. Deze producten hebben een hoog rendement, zijn in hoge mate circulair en zijn ruimtelijk goed te integreren.

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen flexibele perovskietfolies, de producten waarin deze folies worden toegepast, de benodigde productieapparatuur en -processen.

In die projecten wordt de volledige keten betrokken: kennisinstellingen, machinebouwers, materiaalleveranciers en producenten.

Innovatiethema 5: Kernenergie

Het innovatiethema kernenergie is opgesplitst in twee onderdelen. Een project richt zich op ten minste één van de volgende subthema’s.

Dit subthema betreft projecten voor innovaties die betrekking hebben op de ontwikkeling van Generatie-IV reactoren of Small Modular Reactors (SMR’s) van ten minste Generatie III+, inclusief micro reactoren.

Dit subthema betreft projecten voor innovaties die betrekking hebben op de ontwikkeling van veilige, kosten-efficiënte berging van radioactief afval in een geologische eindberging. Het gaat hierbij om systemen die aantoonbaar de kosten voor opslag en verwerking van hoogradioactief afval verlagen binnen van toepassing zijnde internationale veiligheidseisen (zoals beschreven in de Safety Standards van het IAEA).

2. MOOI-missie Gebouwde omgeving

A. Doelstelling

De doelstelling van het onderdeel ‘Gebouwde Omgeving’ binnen de subsidiemodule Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) is om onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten te stimuleren op de hierna in onderdeel B genoemde innovatiethema’s. Deze projecten leiden binnen vijf jaar na de start van het project tot een eerste toepassing.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de innovatie in de omgeving waarvoor die is ontwikkeld, namelijk binnen een gebouw, gedeelte van een woonwijk, bedrijventerrein of andere omgeving. Dit hoeft nog geen grootschalige uitrol van de innovatie te zijn. Daarnaast draagt de innovatie bij aan een betaalbare, betrouwbare, duurzame (energiezuinige) en veilige woon-, leef- en werkomgeving en energievoorziening voor gebruikers en omwonenden.

B. Innovatiethema’s

Innovatiethema 1: Innovatieve verduurzamingsoplossingen voor de verduurzamingsopgave van de bestaande gebouwde omgeving

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen ten minste één van de volgende ontwikkelrichtingen:

Verduurzamingsoplossingen hebben betrekking op de volgende verschillende segmenten van de gebouwde omgeving:

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen projecten waarbij producten, diensten of processen worden ontwikkeld die gerelateerd zijn aan waterstof of groen gas.

Innovatiethema 2: Innovaties die bijdragen aan een toekomstbestendig energiesysteem voor woonwijken, bedrijventerreinen, kantoor- of winkelgebieden

Projecten binnen dit thema betreffen de volgende eigenschappen:

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen projecten waarbij producten, diensten of processen worden ontwikkeld die gerelateerd zijn aan waterstof of groen gas.

3. MOOI-missie Industrie

A. Doelstelling

De doelstelling van het onderdeel ‘Industrie’ binnen de subsidiemodule Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) is om onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten te stimuleren op de hierna in onderdeel B genoemde innovatiethema's. Deze projecten leiden binnen tien jaar na de start van het project tot een eerste toepassing en dragen bij aan een betaalbare transitie naar een klimaatneutrale en circulaire industrie die geïntegreerd is in het energiesysteem.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de oplossing in een operationele omgeving door middel van implementatie van de innovatie binnen een gedeelte van een industrieel proces. Dit hoeft nog geen grootschalige uitrol van de innovatie te zijn.

B. Innovatiethema’s

Innovatiethema 1: Conversieprocessen en ketens voor toepassing van nieuwe commodities****

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen conversieprocessen en ketens voor het efficiënt omzetten van nieuwe commodities in industriële eindproducten. Nieuwe commodities zijn nieuwe koolstof- en stikstofhoudende grondstoffen.

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen projecten gericht op:

Innovatiethema 2: Innovaties voor industriële Multi-commodity Energy Hubs****

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen innovaties die de realisatie van Multi-commodity Energy Hubs (hierna: MCEH’s) in de industrie helpen versnellen. Het gaat hierbij om de ontwikkeling van technologische componenten en onderzoek naar de inpassing van deze technologieën in een MCEH.

Een MCEH is een cluster van bedrijven waar meerdere energiedragers (zoals elektriciteit, warmte en waterstof) aan elkaar gekoppeld zijn (fysiek of digitaal). Binnen de hub worden energie en grondstoffen steeds afgestemd en zo efficiënt mogelijk gebruikt.

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen projecten gericht op:

Innovatiethema 3: Ontwikkeling van duurzame ketens voor productie van bouwstenen en toepassingen voor polyester biopolymeren op basis van koolhydraten (NGF BioBased Circular)

Dit innovatiethema geeft invulling aan het Nationaal Groeifondsprogramma BioBased Circular.13https://www.biobasedcircular.com Het thema betreft projecten voor innovaties met betrekking tot meerdere onderdelen van de waardeketen in Nederland voor kunststofproducten op basis van koolhydraatrijke biogrondstoffen (hierna: biogebaseerd). Het gaat bij biogebaseerde kunststofproducten om producten van kunststof, coatings of andere materialen op basis van biogebaseerde polyesters. Deze kunnen worden toegepast in onder andere de bouw en interieur, textiel of verpakkingen.

Dit subthema betreft het integreren van biogebaseerde materialen in sectoren zoals de bouw en interieur, textiel of verpakkingen door het ontwerpen of opnieuw ontwerpen van bestaande producten en het ontwikkelen van nieuwe producten met circulaire ontwerpprincipes. Het gaat om ontwikkeling en validatie op multi-kg schaal van nieuwe biogebaseerde materialen en applicatie daarvan.

Deze biogebaseerde materialen zijn gebaseerd op nieuwe biogebaseerde polyester kunststoffen, of op biogebaseerde polyester kunststoffen die reeds in ontwikkeling zijn, zoals PEF, PLA en PHA, bijvoorbeeld door specifieke aanpassingen van de structuur van deze opkomende biogebaseerde polyester kunststoffen.

Dit subthema betreft het ontwikkelen van een nieuwe generatie biogebaseerde bouwstenen (zoals polyolen, dicarbonzuren of hydroxycarbonzuren) en polyesters die daaruit worden gemaakt, waarvan de biogebaseerde routes voor productie nog niet gangbaar zijn, en die verbeterde functionaliteit en recycleerbaarheid of biodegradeerbaarheid hebben waar mogelijk. De ontwikkelde bouwstenen en polyesters dienen tijdens het project gevalideerd te worden in applicaties voor sectoren zoals de bouw en interieur, textiel en verpakkingen. De ontwikkeling moet aan het einde van het beoogde project leiden tot een conceptuele productietechnologie, gevalideerd op TRL5-niveau in een relevante omgeving, en productie van eerste monsters op kg-schaal.

Dit subthema betreft het ontwikkelen van een of meerdere nieuwe biogrondstoffen voor omzetting in de in subthema 3b genoemde bouwstenen voor polyesters.

Het gaat om de volgende biogrondstoffen:

4. MOOI-missie Systeemintegratie

A. Doelstelling

De doelstelling van het onderdeel ‘systeemintegratie’ binnen de subsidiemodule MOOI is om onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten op de in Onderdeel B genoemde innovatiethema’s te stimuleren. Deze projecten dienen binnen tien jaar na start te leiden tot een eerste toepassing die structureel bijdraagt aan de inpassing van grootschalige hernieuwbare elektriciteitsopwekking. Daarmee dragen de projecten bij aan een betaalbare, betrouwbare, duurzame en veilige energievoorziening of de transitie naar een duurzame industrie.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de oplossing in een operationele omgeving. Dit houdt de implementatie van de innovatie binnen een gedeelte van een wind- of zonnestroompark, energiesysteem, industriegebied of andere relevante omgeving in. Dit hoeft nog geen grootschalige uitrol van de innovatie te zijn.

Buiten de reikwijdte van deze MOOI-missie vallen projecten:

B. Innovatiethema’s

Het startpunt van de innovatiethema’s is de grootschalige opwek van hernieuwbare elektriciteit. Voor de drie onderstaande thema’s houdt dit in dat de oplossingen gebaseerd moeten zijn op en rekening moeten houden met weersafhankelijke variabiliteit van grootschalige hernieuwbare opwek. Onder ‘grootschalige hernieuwbare opwek’ worden zonnestroomsystemen en windparken verstaan van (gecombineerd) meer dan 1 MW aan vermogen met het potentieel van opschaling van de oplossing naar een marktomvang van groter dan 1 GW. Een project moet een bijdrage leveren aan de integratie van grootschalige hernieuwbare opwek en passen binnen één of meer van onderstaande innovatiethema's die de verschillende schakels van het energiesysteem vertegenwoordigen.

Hieronder worden oplossingen verstaan waardoor het transport- en distributiesysteem voor elektriciteit efficiënter benut kan worden.

Hieronder worden oplossingen verstaan die betrekking hebben op de opslag van hernieuwbare elektriciteit of het omzetten en opslaan van hernieuwbaar opgewekte elektriciteit in de vorm van andere energiedragers, waardoor het elektriciteitssysteem ontlast wordt.

Hieronder worden oplossingen verstaan die inzetten op het (flexibele) gebruik van energie door de industrie of door andere grote energiegebruikers. Oplossingen dienen gebruikers in staat te stellen hun elektriciteitsvraag binnen bepaalde grenzen in tijd en hoeveelheid aan te passen (vraagsturing). Hieronder valt het creëren van flexibiliteit in zowel het direct gebruik van elektriciteit als de indirecte elektriciteitsvraag door het gebruik van bijvoorbeeld geëlektrificeerde (hoge temperatuur) warmte.

5. MOOI-missie Koolstofverwijdering

A. Doelstelling

De doelstelling van het onderdeel ‘Koolstofverwijdering’ binnen de subsidiemodule Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) is om onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten op de hierna in onderdeel B genoemde innovatiethema’s te stimuleren. Deze projecten leiden binnen tien jaar na de start van het project tot een eerste toepassing en dragen bij aan de verdere uitrol van koolstofverwijdering in Nederland.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de oplossing in een operationele omgeving door middel van implementatie van de innovatie binnen een gedeelte van een industrieel proces. Dit hoeft nog geen grootschalige uitrol van de innovatie te zijn.

B. Innovatiethema’s

Innovatiethema 1: Ontwikkeling van CO2-afvangtechnieken****

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen het ontwikkelen van technieken voor het afvangen van CO2. Het gaat hierbij om het ontwikkelen van methodes voor afvangen en filteren van CO2 uit lucht, water of biogene (punt)bronnen ter voorbereiding op transport en opslag. Die projecten betreffen daarnaast ook het gebruik van CO2-afvangtechnologie in relatie tot de rest van de waardeketen waarbij ook rekening gehouden wordt met impact van het project op mens en milieu.

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen projecten gericht op:

Innovatiethema 2: Permanente koolstofverwijdering

Projecten binnen dit innovatiethema zijn gericht op het ontwikkelen van technieken die permanent koolstof verwijderen uit de lucht, het water of biogene (punt)bronnen. Het gaat hierbij om het permanent vastleggen van CO2 via mineraliseren of opslag in geologische formaties. Projecten betreffen daarnaast ook het gebruik van CO2- opslagtechnologie in relatie tot de rest van de waardeketen waarbij ook rekening gehouden wordt met impact van het project op mens en milieu.

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen projecten gericht op:

Innovatiethema 3: Langdurige opslag in producten

Projecten binnen dit thema betreffen de langdurige opslag van koolstof uit lucht, water of biomassa in producten. Het doel is dat de koolstof minimaal 35 jaar wordt vastgelegd. Projecten betreffen daarnaast ook langdurige opslag van koolstof in producten in relatie tot de rest van de waardeketen waarbij ook rekening gehouden wordt met impact van het project op mens en milieu.

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen projecten gericht op:

Bijlage 4.2.7. behorende bij artikel 4.2.51 van de Regeling nationale EZ-subsidies (Programmalijn Waterstof)

Vervallen

Bijlage 4.2.8. behorende bij artikel 4.2.57 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (TSE Gebouwde Omgeving)

Vervallen

Bijlage 4.2.9. behorende bij artikel 4.2.64 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (Demonstratie energie- en klimaatinnovatie (DEI+))

A. Factoren CO2-equivalentie

B. DEI+-project

1. Doelstelling

Het algemene doel van de subsidiemodule Demonstratie energie- en klimaatinnovatie (DEI+) is het ondersteunen van pilotprojecten, demonstratieprojecten en test- en experimenteerinfrastructuurprojecten die binnen tien jaar na de start van het project direct of indirect bijdragen aan het kosteneffectief reduceren van de CO2-emissies in Nederland.

Onder deze doelstelling valt ook:

Het doel van de DEI+ is primair directe bijdrage door projecten aan de reductie van CO2-emissies. Indirecte bijdrage daaraan is een secundaire doelstelling, maar die is gereserveerd voor specifieke projecten, namelijk: DEI+-pilotprojecten die vallen binnen de thema’s 2.2, 2.3, 2.7 en 2,9 en demonstratieprojecten van randvoorwaardelijke innovaties in thema 2.7. Voor projecten met een directe bijdrage aan de reductie van CO2-emissies moet de reductie aangetoond worden aan de hand van de referentieparkmethode. Bij het toepassen van de referentieparkmethode wordt aangenomen dat een vermindering of vermeerdering van het elektriciteitsverbruik wordt voorzien door het centrale elektriciteitsproductiepark dat ook gebruik maakt van fossiele energiebronnen. Dit productiepark wordt gezien als het referentiepark. De CO2-emissiefactor voor elektriciteit die gehanteerd moet worden, is 0,14 kg CO2/kWh. Voor projecten gericht op het reduceren van de CO2-emissies op mondiaal niveau, die passen binnen subthema 2.5.1, moet de reductie worden aangetoond aan de hand van een berekening van de mondiale voetafdruk van de grondstoffen, materialen en producten die geproduceerd worden binnen het project, afgezet tegen het gangbare minder milieuvriendelijke alternatief naar de huidige stand van de techniek.

DEI+-projecten dienen naast het algemene doel bij te dragen aan ten minste een van de volgende programma's:

Onder de reikwijdte van de doelstelling valt niet:

2. Thema’s

2.1. Energie-efficiëntie anders dan voor gebouwen (artikel 25 en 38 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit thema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten voor energie-efficiëntiemaatregelen die ervoor zorgen dat de onderneming die subsidie aanvraagt, minder energie gaat verbruiken binnen het productieproces van zijn onderneming dan voorafgaand aan de beoogde investering. Dit thema betreft dus geen maatregelen voor gebouwen. Daarop is thema 2.7 ‘Verduurzaming gebouwde omgeving’ gericht.

Bij maatregelen in een bestaand productieproces moet het DEI+-project leiden tot een lager energieverbruik van het bedrijf. Bij uitbreiding van de productiecapaciteit moet het energieverbruik lager zijn dan een vergelijkbaar gangbaar productieproces in de markt. Bij een nieuw productieproces wordt het energieverbruik eveneens vergeleken met een gangbaar productieproces. Bij de vergelijking gaat het om het energieverbruik per eenheid geproduceerde goederen.

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen de volgende projecten:

2.2. Bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen (artikel 25 en 41 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit thema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten gericht op de productie, opslag en inpassing van energie uit hernieuwbare bronnen. Onder het begrip energie uit hernieuwbare bronnen wordt verstaan energie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van de Richtlijn hernieuwbare energie. Het gaat om energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk windenergie, zonne-energie (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en geothermische energie, osmose-energie, omgevingsenergie, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, en energie uit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties, en biogas.

Onder DEI+-projecten gericht op inpassing vallen projecten die een positieve en vernieuwende bijdrage leveren aan in elk geval één van de volgende onderwerpen:

DEI+-pilots die bijdragen aan een snellere, goedkopere of meer ecologisch verantwoorde installatie van windparken op zee of aan het onderhoud of de ontmanteling ervan en een indirecte bijdrage aan het kosteneffectief reduceren van CO2-emissies hebben, vallen ook binnen dit thema.

DEI+-demonstratieprojecten die lange termijn energieopslag betreffen en waarbij de opslagcomponent direct gekoppeld is aan een productie-installatie van hernieuwbare energie (achter de meter), vallen ook binnen dit thema. Het betreft enkel projecten gericht op opslagcomponenten die op jaarbasis ten minste 75% van zijn energie uit rechtstreeks aangesloten installaties voor de opwekking van hernieuwbare energie halen.

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen de volgende projecten:

2.3. Flexibilisering van het energiesysteem (artikel 25 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit thema betreft DEI+-pilots gericht op mogelijkheden om de flexibiliteit in het energiesysteem te vergroten. Onder de flexibilisering van het energiesysteem, ofwel het inbrengen van flexibiliteit in het energiesysteem, wordt verstaan het realiseren van mogelijkheden voor partijen in het energiesysteem om met behulp van installaties en voertuigen het aanbod of de vraag naar energie zodanig te vergroten, te verkleinen of te verplaatsen in tijd of ruimte, zodat onbalans en congesties in het energiesysteem worden voorkomen. Projecten in dit thema kunnen ook een indirecte bijdrage leveren aan het kosteneffectief reduceren van CO2-emissies in Nederland.

Pilots zijn alleen subsidiabel als daarmee wordt ingespeeld op ten minste één van de volgende mogelijkheden voor meer flexibiliteit:

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen de volgende projecten:

2.4. Infrastructuurvoorzieningen (artikel 36 en 46 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit thema betreft DEI+-demonstratieprojecten gericht op de aanleg van distributienetten voor stoom, warmte of koude met industriële afnemers. Bij infrastructuurprojecten kan de toename van het niveau van milieubescherming in de vorm van de reductie van CO2-emissies ook het gevolg zijn van de activiteiten van een andere entiteit in de infrastructuurketen.

Het betreft demonstratieprojecten die betrekking hebben op:

2.5. Circulaire economie (artikel 25 en 47 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit thema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten die bijdragen aan het realiseren van een circulaire economie. Bij projecten binnen dit thema kan de toename van het niveau van milieubescherming in de vorm van de reductie van CO2-emissies ook het gevolg zijn van de activiteiten van een andere entiteit in de keten. Ook vallen onder dit thema pilots en demonstratieprojecten op het gebied van biobased grondstoffen. Bij biobased grondstoffen gaat het om het vervangen van grondstoffen van fossiele of minerale oorsprong, zoals fossiele polymeren, door grondstoffen van biotische oorsprong (biobased).

2.5.1. Circulaire economie algemeen (artikel 25 en 47 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit subthema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten ten behoeve van een circulaire economie gericht op ten minste één van de volgende onderwerpen:

Naast projecten gericht op bovenstaande onderwerpen vallen onder dit subthema ook:

Naast projecten gericht op bovenstaande onderwerpen vallen onder dit subthema ook DEI+-pilots op het gebied van circulair ontwerpen. Circulair ontwerpen is gericht op de ontwikkeling van producten die geschikt zijn voor reparatie of hergebruik en die aan het eind van hun technische levensduur geschikt zijn voor recycling en daardoor niet leiden tot de productie van afval of milieuvervuiling.

Buiten de reikwijdte van dit subthema vallen:

2.5.2. Biobased Circular (artikel 25 en 47 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit subthema geeft invulling aan het Nationaal Groeifondsprogramma BioBased Circular19Nationaal Groeifondsprogramma Biobased Circular. Het thema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten om te komen tot circulaire waardeketens voor polyesters op basis van koolhydraatrijke biogrondstoffen (biogebaseerd). Dit worden waardecirkels voor biopolyesters genoemd. De biogebaseerde polyesters vinden hun toepassing in kunststoffen (nieuw of reeds in ontwikkeling, zoals PEF, bio-PET, PLA en PHA), harsen, coatings of composieten. Het gaat om toepassingsgebieden met afzetmarkten waar een productieomvang van kilotonnen per jaar nodig is en die zowel economisch als wat betreft CO2-reductie en circulariteit voor Nederland van betekenis zijn.

Projecten zijn gericht op ten minste één van de volgende onderwerpen:

Buiten de reikwijdte van dit subthema vallen:

2.5.3. Biobased Circular grote projecten (artikel 25 en 47 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit subthema geeft invulling aan het Nationaal Groeifondsprogramma BioBased Circular1Nationaal Groeifondsprogramma Biobased Circular. Het thema betreft grote DEI+-pilots (meer dan € 1.000.000 subsidie) en grote DEI+-demonstratieprojecten (meer dan € 10.000.000 subsidie) om te komen tot circulaire waardeketens voor polyesters op basis van koolhydraatrijke biogrondstoffen (biogebaseerd). Dit worden waardecirkels voor biopolyesters genoemd. De biogebaseerde polyesters vinden hun toepassing in kunststoffen (nieuw of reeds in ontwikkeling, zoals PEF, bioPET, PLA en PHA), harsen, coatings of composieten. Het gaat om toepassingsgebieden met afzetmarkten waar een productieomvang van kilotonnen per jaar nodig is en die zowel economisch als wat betreft CO2-reductie en circulariteit voor Nederland van betekenis zijn.

Projecten in dit subthema zijn zogenaamde grote demonstratie- en pilotprojecten die zijn gericht op ten minste één van de volgende onderwerpen:

Buiten de reikwijdte van dit subthema vallen:

2.6. CC(U)S – Carbon Capture, Utilisation and Storage, inclusief koolstofverwijdering (artikel 25, 36 en 47 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit thema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten gericht op CO2-afvang, CO2-transport of CO2-toepassing en DEI+-pilots voor CO2-opslag. Met deze technieken wordt bijgedragen aan de reductie van industriële CO2-emissies, het voorzien in de toekomstige koolstofbehoefte of het realiseren van koolstofverwijdering.

Projecten binnen dit thema betreffen één of meer van de volgende onderdelen van de koolstofketen:

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen:

2.7. Verduurzaming gebouwde omgeving (artikel 25, 38 bis, 41, 46 en 56 algemene groepsvrijstellingsverordening, algemene de-minimisverordening)

Dit thema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten die bijdragen aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving en in elk geval betrekking hebben op ten minste één van de volgende onderwerpen:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)