Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-17
Laatst bijgewerkt 2026-08-24
State In force
Source BWB
artikelen 1509
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de intermediaire onderneming gedurende de looptijd van het investeringsproject volledige zeggenschap heeft over het investeringsproject;
  • d. de capaciteit van de door het investeringsproject te realiseren hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie minder bedraagt dan een hoeveelheid van 24.000.000 kilogram dierlijke meststoffen per kalenderjaar;
  • e. het te realiseren productieproces niet overeenkomt met een proces opgenomen in bijlage 2.18.1;
  • f. de intermediaire onderneming niet beschikt over de vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het investeringsproject.
Artikel 2.18.8. Rangschikkingscriteria
1.

De minister kent aan een investeringsproject een hoger aantal punten toe naarmate:

  • a. de kosteneffectiviteit van het investeringsproject hoger is;
  • b. de verwachte benutting van de installatie groter is, gegeven het aantal mestleveringsovereenkomsten of intentieverklaringen waarin het aanvoerplan, bedoeld in artikel 2.18.10, vierde lid, onder b, voorziet, de gemiddelde looptijd van die overeenkomsten en de omvang van de overeengekomen mestaanvoer.
2.

De minister kent aan een investeringsproject dat zich bevindt op een locatie in een concentratiegebied, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder bb, van de Meststoffenwet 10 punten toe.

3.

De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe.

4.

Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 70, en voor het eerste lid, onderdeel b, vermenigvuldigd met 25.

5.

Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het tweede lid, vermenigvuldigd met 5.

6.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het investeringsproject zijn toegekend.

7.

Indien onder het desbetreffende subsidieplafond aan twee of meer aanvragen voor een investeringsproject in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend aan onderdeel a van het eerste lid.

Artikel 2.18.9. Verplichtingen subsidieontvanger
1.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat hij gedurende de looptijd van het investeringsproject volledige zeggenschap heeft over het investeringsproject.

2.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de capaciteit van de door het investeringsproject te realiseren hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie minimaal 24.000.000 kilogram dierlijke meststoffen per kalenderjaar bedraagt.

3.

De subsidieontvanger zijnde de intermediaire onderneming, bedoeld in artikel 2.18.2, eerste lid, beschikt gedurende de looptijd van het investeringsproject over een geldige registratie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.

Artikel 2.18.10. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 2.18.2 bevat tenminste de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2.

Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de intermediaire onderneming, het nummer waarmee de intermediaire onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
  • b. een verklaring dat er sprake is van een kleine, middelgrote of grote onderneming; en
  • c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres.
3.

De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van:

  • b. een omschrijving van het investeringsproject;
  • c. een financieringsplan voor het investeringsproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
  • d. een begroting van het investeringsproject, al dan niet per mijlpaal;
  • e. een beschrijving van het mestverwerkingsproces; en
  • f. de tussen de intermediaire onderneming en leveranciers van dierlijke meststoffen afgesloten mestleveringsovereenkomsten of intentieverklaringen.
4.

De beschrijving van het mestverwerkingsproces, bedoeld in het derde lid, onder e, dient te bestaan uit:

  • a. een beschrijving van de soorten dierlijke meststoffen die worden verwerkt, de hoeveelheden dierlijke meststoffen uitgedrukt in kilogram en in kilogram stikstof en fosfaat per kalenderjaar, en de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van de eventueel tezamen met de dierlijke meststoffen behandelde stoffen;
  • b. een aanvoerplan voor de aan te leveren dierlijke meststoffen met daarin opgenomen mestleveringsovereenkomsten of intentieverklaringen;
  • c. een beschrijving van het productieproces, waaronder de keuze voor één van de in bijlage 2.18.1 bij deze regeling opgenomen processen, de volgorde waarin deze processtappen binnen het gekozen proces worden toegepast, de capaciteit per uur van de desbetreffende apparatuur, een massabalans en de wijze waarop de omvang van de productie wordt gemonitord;
  • d. een beschrijving van de eindproducten van het productieproces, waaronder het gehalte stikstof, de hoeveelheden, uitgedrukt in kilogram per kalenderjaar, de samenstelling onderscheiden naar de verschillende eindproducten en in welke sectoren de producten zullen worden afgezet.
5.

De in het vierde lid genoemde mestleveringsovereenkomsten bevatten in ieder geval:

  • a. gegevens over de leverancier van de dierlijke meststoffen, waaronder het soort bedrijf en het post- en bezoekadres;
  • b. periode waar de mestleveringsovereenkomst voor is gesloten;
  • c. de soort en hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogram stikstof en kilogram fosfaat, die de leverancier per kalenderjaar zal leveren; en
  • d. ondertekening door beide partijen alsmede de datum van ondertekening.
6.

De in het vierde lid genoemde intentieverklaringen bevatten in ieder geval:

  • a. gegevens over de leverancier van de dierlijke meststoffen, waaronder het soort bedrijf en het post- en bezoekadres;
  • b. de periode waarop de intentieverklaring ziet;
  • c. de soort en hoeveelheid dierlijke meststoffen uitgedrukt in kilogram stikstof en kilogram fosfaat, die de leverancier zal leveren;
  • d. de ondertekening door de leverancier van de dierlijke meststoffen en de datum van ondertekening.
Artikel 2.18.11. Aanvraag subsidievaststelling

Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval:

  • a. een algemene en technische beschrijving van het uitgevoerde investeringsproject; en
  • b. een document waaruit blijkt dat de hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie in gebruik is genomen voorzien van de datum waarop de hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie in gebruik is genomen.
Artikel 2.18.12. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 2.18.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.18.13. Vervaltermijn

Deze titel en bijlage 2.18.1 vervallen met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 2.19. Behoud graslandareaal

Artikel 2.19.1. Begripsbepalingen

Vervallen

Artikel 2.19.2. Subsidieverstrekking

Vervallen

Artikel 2.19.3. Aanvrager

Vervallen

Artikel 2.19.4. Hoogte subsidie

Vervallen

Artikel 2.19.5. Verdeling van het subsidieplafond

Vervallen

Artikel 2.19.6. Subsidievoorwaarden/verplichtingen ontvanger

Vervallen

Artikel 2.19.7. Informatieverplichtingen

Vervallen

Artikel 2.19.8. Bijzondere voorziening ingeval van bedrijfsoverdracht

Vervallen

Artikel 2.19.9. Staatssteun

Vervallen

Artikel 2.19.10. Vervaltermijn

Vervallen

Titel 2.20. Overbrugging voor de visserij

Artikel 2.20.1. Begripsomschrijvingen

Vervallen

Artikel 2.20.2. Subsidieverstrekking

Vervallen

Artikel 2.20.3. Hoogte subsidie

Vervallen

Artikel 2.20.4. Verdeling subsidieplafond

Vervallen

Artikel 2.20.5. Afwijzingsgronden

Vervallen

Artikel 2.20.6. Informatieverplichtingen

Vervallen

Artikel 2.20.7. Subsidievaststelling

Vervallen

Artikel 2.20.8. Staatssteun

Vervallen

Artikel 2.20.9. Vervaltermijn

Vervallen

Titel 2.21. Verbetering energie-efficiëntie van vissersvaartuigen

Artikel 2.21.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • eigenaar van een vissersvaartuig: micro-, kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in de groepsvrijstellingsverordening visserij die het eigendom heeft van een vissersvaartuig en onder wiens naam het in het register, bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998, is ingeschreven;
Artikel 2.21.2. Subsidieaanvraag

De minister verleent op aanvraag subsidie aan de eigenaar van een vissersvaartuig voor het verbeteren van de energie-efficiëntie van een vissersvaartuig met de maatregelen, bedoeld in artikel 27, tweede lid, onderdeel a, van de groepsvrijstellingsverordening visserij.

Artikel 2.21.3. Hoogte subsidie
1.

De hoogte van de subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.

2.

De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 1.250.000 per eigenaar van een vissersvaartuig.

Artikel 2.21.4. Subsidiabele kosten

De kosten, bedoeld in artikel 27, vierde lid, onder i, ii en iii, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, met uitzondering van de kosten van vistuigen, komen voor een subsidie in aanmerking.

Artikel 2.21.5. Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 2.21.6. Realisatietermijn

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is twee jaar.

Artikel 2.21.7. Afwijzingsgronden

Onverminderd de artikelen 22 en 23 van het besluit beslist de minister afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening indien:

  • a. het vissersvaartuig op het moment van indiening van de aanvraag niet behoort tot segment MFL1 of MFL2, bedoeld in de Uitvoeringsregeling zeevisserij;
  • c. er aan de eigenaar van een vissersvaartuig ten behoeve van een vissersvaartuig reeds een subsidie als bedoeld in artikel 2.21.2 voor dezelfde soort maatregel is verstrekt.
Artikel 2.21.8. Verplichtingen subsidieontvanger

Vervallen

Artikel 2.21.9. Informatieverplichtingen

Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld en bevat in ieder geval:

  • a. gegevens over de eigenaar van een vissersvaartuig, waaronder de naam van de eigenaar van een vissersvaartuig, of er sprake is van een micro-, kleine en middelgrote onderneming, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en rekeningnummer;
  • b. gegevens over de contactpersoon bij de eigenaar van een vissersvaartuig, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • c. het CFR-nummer, bedoeld in artikel 2, onderdeel l, van uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie van 6 februari 2017 inzake het vissersvlootregister van de Unie (PbEU 2017, L 34), van het vissersvaartuig ten behoeve waarvan de subsidie wordt aangevraagd;
  • d. een plan met daarin een beschrijving van de uit te voeren maatregelen en de beoogde planning;
  • e. een begroting van de kosten van de uit te uit te voeren maatregelen, voorzien van een gespecificeerde offerte.
Artikel 2.21.10. Aanvraag subsidievaststelling
1.

Onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van een afschrift van de factuur en het betalingsbewijs van de ten behoeve van de subsidiabele activiteit gemaakte en betaalde kosten.

2.

In afwijking van artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit behoeft de aanvraag niet vergezeld te gaan van een controleverklaring.

Artikel 2.21.11. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 2.21.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 27 van de groepsvrijstellingsverordening visserij.

Artikel 2.21.12. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 2.22. Geïntegreerde gewasbescherming

§ 2.22.1. Algemene bepalingen

Artikel 2.22.1. begripsbepalingen

Vervallen

§ 2.22.2. Innovatie

Artikel 2.22.2.1. Subsidieaanvraag

Vervallen

Artikel 2.22.2.2. Hoogte subsidie

Vervallen

Artikel 2.22.2.3. Subsidiabele kosten

Vervallen

Artikel 2.22.2.4. Verdeling subsidieplafond

Vervallen

Artikel 2.22.2.5. Start- en realisatietermijn

Vervallen

Artikel 2.22.2.6. Afwijzingsgronden

Vervallen

Artikel 2.22.2.7. Voorschot

Vervallen

Artikel 2.22.2.8. Informatieverplichtingen

Vervallen

Artikel 2.22.2.9. Aanvraag subsidievaststelling

Vervallen

Artikel 2.22.2.10. Staatssteun

Vervallen

§ 2.22.3. Investeringen

Artikel 2.22.3.1. Subsidieaanvraag

Vervallen

Artikel 2.22.3.2. Hoogte subsidie

Vervallen

Artikel 2.22.3.3. Subsidiabele kosten

Vervallen

Artikel 2.22.3.4. Verdeling subsidieplafond

Vervallen

Artikel 2.22.3.5. Start- en realisatietermijn

Vervallen

Artikel 2.22.3.6. Afwijzingsgronden

Vervallen

Artikel 2.22.3.7. Voorschot

Vervallen

Artikel 2.22.3.8. Informatieverplichtingen

Vervallen

Artikel 2.22.3.9. Aanvraag subsidievaststelling

Vervallen

Artikel 2.22.3.10. Staatssteun

Vervallen

§ 2.22.4. Slotbepalingen

Artikel 2.22.4.1. Vervaltermijn

Vervallen

Titel 2.23. Warmte-infrastructuur glastuinbouw

Artikel 2.23.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • aansluiting: het deel van het warmtenet dat koppelt aan de afleverset;
  • afleverset voor warmte: de fysieke aansluiting op een warmtenetwerk of -cluster;
  • energie-efficiënt warmtenet: efficiënte stadsverwarming en -koeling als bedoeld in artikel 26, tweede en vierde lid, van de EED-richtlijn;
  • financieringsbesluit: een door een daartoe bevoegd persoon ondertekend document waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt over een sluitende financiering voor de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet;
  • investeringsbesluit: een door een daartoe bevoegd persoon ondertekend document waaruit blijkt dat de aanvrager het besluit tot het doen van de investering voor de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet definitief heeft genomen;
  • koppelleiding: een warmteleiding met als voornaamste functie om warmte naar behoefte tussen twee warmtenetten te transporteren;
  • kostencomponenten: loonkosten, kosten derden, investeringen in gebouwen en gronden, investeringen in leidingdelen per DN-maat van het energie-efficiënte warmtenet, de koppelleiding en de aansluiting, investeringen in warmteoverdrachtstations en overige investeringen;
  • overdimensionering: de aanleg van een energie-efficiënt warmtenet met een dimensionering gericht op een grotere capaciteit dan nodig is om in de vraag te voorzien bij realisatie van het project;
  • projectgebied: geografisch aaneengesloten gebied waarin het energie-efficiënte warmtenet warmte kan leveren;
  • warmte: thermische energie die ten behoeve van ruimteverwarming of verwarming van tapwater wordt geleverd door middel van transport van water;
  • warmtebron: installaties voor warmte- of koudeopwekking als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • warmteopslag: thermische opslagoplossingen als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • warmteoverdrachtstation: een fysieke locatie waarbinnen de overdracht van warmte plaatsvindt tussen twee efficiënte warmtenetten, twee onderdelen van het energie-efficiënte warmtenet of het energie-efficiënte warmtenet en een ander warmtenet.
Artikel 2.23.2. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderneming voor de investering in een project gericht op:

  • a. de bouw van een energie-efficiënt warmtenet ten behoeve van de levering van warmte aan één of meerdere glastuinbouwondernemingen in een projectgebied; of
  • b. de uitbreiding van een energie-efficiënt warmtenet ten behoeve van de levering van warmte aan één of meerdere glastuinbouwondernemingen in een projectgebied.
2.

Onverminderd het eerste lid, verstrekt de minister enkel subsidie voor de bouw of uitbreiding van een energie-efficiënt warmtenet met de capaciteit die nodig is om in de verwachte warmtevraag van alle glastuinbouwondernemingen in het betreffende projectgebied in 2040 te voorzien door middel van overdimensionering, warmteopslag of de aanleg van een koppelleiding.

Artikel 2.23.3. Hoogte subsidie
1.

De subsidie bedraagt 30 procent van de subsidiabele kosten.

2.

De subsidie is niet hoger dan € 30.000.000 per project.

3.

Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en van openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximumbedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt.

Artikel 2.23.4. Subsidiabele kosten
1.

Voor subsidie komen de investeringskosten, bedoeld in artikel 46, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking.

2.

Voor zover een energie-efficiënt warmtenet wordt aangelegd of uitgebreid ten behoeve van zowel de aansluiting van glastuinbouwondernemingen als andere aansluitingen worden de subsidiabele kosten per onderdeel van het energie-efficiënte warmtenet bepaald door de kosten die niet ten behoeve van de aansluiting van de glastuinbouw zijn gemaakt in mindering te brengen op de totale kosten, bedoeld in het eerste lid, voor een onderdeel van het energie-efficiënte warmtenet.

3.

Het tweede lid geldt niet voor de berekening van de subsidiabele loonkosten, kosten derden en kosten voor gebouwen en gronden.

4.

Voor zover het energie-efficiënte warmtenet, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit de aanleg van een koppelleiding of een warmteopslag bedragen de subsidiabele kosten 50 procent van de totale kosten, bedoeld in het eerste lid.

5.

De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:

  • a. kosten ten behoeve van investeringen in:
  • 1°. de warmtebron;
  • 2°. de afleverset voor warmte; en
  • 3°. warmteleidingen of installaties die tussen de afleverset voor warmte en de glastuinbouwonderneming liggen;
  • b. kosten die niet te activeren zijn en rechtstreeks in de winst- en verliesrekening worden verantwoord;
  • c. kosten ten behoeve van investeringen in een warmteopslag, indien deze geen gebruik maakt van bewezen technieken of indien deze geen warmte opslaat afkomstig van een energie-efficiënt warmtenet en warmte levert aan dit warmtenet;
  • d. een koppelleiding die niet twee energie-efficiënte warmtenetten koppelt;
  • f. kosten voor onderdelen van het energie-efficiënte warmtenet die uitsluitend ten behoeve van andere aansluitingen dan die van glastuinbouwondernemingen worden aangelegd.
6.

Voor de berekening van de subsidiabele kosten is de vaste-uurtarief-systematiek, bedoeld in artikel 14 van het besluit, aangewezen.

7.
8.

De kosten voordat het financieringsbesluit en het investeringsbesluit, bedoeld in artikel 2.23.8, zijn genomen, zijn subsidiabel tot een opgeteld bedrag van twee procent van de totale subsidiabele kosten.

Artikel 2.23.5. Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 2.23.6. Afwijzingsgronden

De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. de kwaliteit van het project onvoldoende is, gelet op:
  • 1°. de uitwerking van:
  • –. het projectplan;
  • –. het voorlopig of definitief ontwerp;
  • –. de mijlpalenbegroting of;
  • –. de exploitatieberekening;
  • 2°. de mate waarin projectrisico’s worden geadresseerd;
  • 3°. de onderbouwing dat alle benodigde partijen die een essentiële rol spelen in de keten van de warmtelevering en stakeholders in het project vertegenwoordigd zijn;
  • 4°. de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; of
  • 5°. de juridische haalbaarheid;
  • b. de hoogte van de subsidie minder dan € 125.000,- bedraagt;
  • c. niet aannemelijk is gemaakt dat het project bij subsidievaststelling zal voldoen aan artikel 26, tweede en vierde lid, onderdelen a en b, van de EED-richtlijn;
  • d. niet aannemelijk is gemaakt dat het aan te leggen energie-efficiënte warmtenet of de uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet bij subsidievaststelling in gebruik zal worden genomen;
  • e. het niet aannemelijk wordt geacht dat kan worden voldaan aan de termijnen genoemd in artikel 2.23.8.
Artikel 2.23.7. Verplichtingen subsidieontvanger
1.

De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten.

2.

De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het project jaarlijks een voortgangsrapportage met onder andere financiële gegevens over het project die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan.

3.

De informatie, bedoeld in eerste en tweede lid, wordt verstrekt met gebruikmaking van een elektronisch formulier dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

4.

De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag.

Artikel 2.23.8. Start- en realisatietermijn
1.

Met de uitvoering van het op grond van deze titel gesubsidieerde project wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening.

2.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vijf jaar.

3.

De subsidieontvanger neemt uiterlijk anderhalf jaar na de datum van subsidieverlening een investeringsbesluit en een financieringsbesluit en meldt dit onverwijld schriftelijk aan de minister.

4.

De subsidieontvanger verstrekt binnen twee jaar na de datum van subsidieverlening de opdracht tot de bouw of uitbreiding van een energie-efficiënt warmtenet en verstrekt hiervan onverwijld een afschrift aan de minister.

5.

De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijnen, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, verlengen indien dit naar het oordeel van de minister passend en geboden is.

Artikel 2.23.9. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 2.23.2, eerste lid, bevat tenminste:

  • a. de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • b. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; en
  • c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres.
2.

De aanvraag gaat vergezeld van:

  • a. een projectplan, bestaande uit:
  • 1°. een omschrijving van het project gericht op de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet;
  • 2°. een overzicht met onderbouwing van:
  • –. de capaciteit in MW, inclusief de benodigde DN-maten, van het energie-efficiënte warmtenet bij realisatie van het project en beoogde afname van warmte in GJ van de aan te sluiten glastuinbouwondernemingen in het projectgebied bij realisatie van het project en in 2040;
  • –. voor zover het project de aanleg van een koppelleiding of warmteopslag betreft, de capaciteit van deze onderdelen in respectievelijk MW of m3 bij realisatie van het project;
  • 3°. indien het project de aanleg van een energie-efficiënt warmtenet, bedoeld in artikel 2.23.4, tweede lid, betreft, een onderbouwing van de grotere capaciteit in MW, inclusief de benodigde DN-maten, van het energie-efficiënte warmtenet bij realisatie van het project ten opzichte van de capaciteit die benodigd is om enkel glastuinbouwondernemingen in het projectgebied aan te sluiten;
  • 4°. een onderbouwing van de voor het project benodigde investeringen, waaronder een toelichting op het model exploitatieberekening, bedoeld in onderdeel d;
  • 6°. een onderbouwing van de voor de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet benodigde gebiedsgebonden maatregelen en de effecten van de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet op het openbaar gebied;
  • 7°. de resultaten van een risico-inventarisatie van de ondergrond waaruit, gescoord op kans en impact, blijkt welke risico’s zich kunnen voordoen bij het aanleggen van de leidingdelen en warmte overdrachtstations in het projectgebied van in ieder geval drukte in de ondergrond, complexe kruisingen, archeologie, explosieven, bomen en bodemverontreiniging;
  • 8°. een beschrijving van juridische en andere risico’s die zich kunnen voordoen bij het aanleggen of uitbreiden en exploiteren van het energie-efficiënte warmtenet, gescoord op de kans dat deze zich zullen voordoen en de impact hiervan op de haalbaarheid van het project, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de benodigde vergunningen voor het project;
  • b. een door de aanvrager in een door de minister beschikbaar gesteld model ingevulde mijlpalenbegroting met mijlpalen verdeeld naar kostencomponenten, gebaseerd op kostenramingen, offertes en kostencalculaties en bestaande uit de volgende onderdelen:
  • 1°. per leidingdeel of ander onderdeel van het energie-efficiënte warmtenet: investeringskosten, subsidiabele kosten en indien van toepassing de DN-maat en een onderbouwing van de grotere capaciteit van het leidingdeel ten opzichte van de situatie waarin enkel glastuinbouwondernemingen in het projectgebied zouden worden aangesloten;
  • 2°. andere investeringskosten en subsidiabele kosten;
  • 3°. de opbrengsten uit andere subsidies;
  • c. een financieringsplan, verdeeld naar eigen vermogen en vreemd vermogen, over de wijze waarop de subsidieontvanger het eigen aandeel in de investeringskosten gaat financieren;
  • d. een model exploitatieberekening met de kostencomponenten uit de mijlpalenbegroting en de opbrengsten met de vaste waarden zoals opgenomen in bijlage 2.23.1, onderdeel 1;
  • e. een voorlopig ontwerp of definitief ontwerp met daarop aangegeven de afbakening van het projectgebied met de warmteleidingen en het type afnemers die voldoet aan de eisen zoals opgenomen in bijlage 2.23.1, onderdeel 2;
  • f. een onderbouwing van het financieringsplan, bedoeld in onderdeel c;
  • g. een onderbouwing waarin aannemelijk is gemaakt dat het aan te leggen of uit te breiden energie-efficiënte warmtenet zal voldoen aan artikel 26, tweede en vierde lid, onderdelen a en b, van de EED;
  • h. een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is, als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, onderbouwd in een door de Minister ter beschikking gesteld formulier, en een organogram van de groepsstructuur waaruit de onderlinge aandelenverhoudingen blijken, onderbouwd met een enkelvoudig of geconsolideerd jaarrapport die is gebruikt voor de invulling van het formulier.
Artikel 2.23.10. Aanvraag subsidievaststelling
1.

De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend, bevat in ieder geval:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;
  • b. een ingevuld, gewaarmerkt en gedateerd kostenoverzicht in een door de minister beschikbaar gesteld model, opgesteld door een accountant, van de gemaakte en betaalde kosten, met ten minste dezelfde kostencomponenten als de mijlpalenbegroting; en
  • c. de omvang van de vast te stellen subsidie.
2.

Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval:

  • a. tekeningen van het gerealiseerde energie-efficiënte warmtenet, met een onderbouwing van de capaciteit in MW en een onderbouwing waaruit blijkt welke aansluitingen in het projectgebied gerealiseerd zijn;
  • b. de vervolgstappen die aanvrager na afloop van het project zet om te komen tot volloop van het energie-efficiënte warmtenet; en
  • c. een algemene en technische beschrijving van het uitgevoerde investeringsproject en de afwijkingen.
3.

De aanvraag gaat vergezeld van:

  • a. een document, opgesteld door een derde, deskundige partij, waaruit blijkt dat het energie-efficiënte warmtenet in gebruik is genomen;
  • b. een document gecontroleerd door een derde, deskundige partij waarin aangetoond wordt dat het aangelegde of uitgebreide energie-efficiënte warmtenet voldoet en blijft voldoen aan artikel 26, tweede en vierde lid, onderdelen a en b, van de EED;
  • d. documenten waaruit blijkt dat glastuinbouwondernemingen die volgens het projectplan aangesloten zouden worden op het energie-efficiënte warmtenet maar nog niet aangesloten zijn een aanbod hebben ontvangen om aangesloten te worden.
Artikel 2.23.11. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 2.23.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.23.12. Vervaltermijn

Deze titel en bijlage 2.23.1 vervallen met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 2.24. Agenda natuurinclusief

Artikel 2.24.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • Agenda Natuurinclusief: agenda van overheden, burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven, waarin de inzet van betrokken partijen voor de bevordering van een natuurinclusieve samenleving is beschreven;
  • domein: een maatschappelijk domein als bedoeld in bijlage 2.24;
  • domeintrekker: persoon of organisatie die de samenwerking binnen een domein organiseert, gericht op de bevordering van de transitie naar een natuurinclusieve samenleving in dat domein, die met het oog hierop samenwerkt met het Programmabureau Natuurinclusief en de domeintrekkers van de andere domeinen en die als zodanig is benoemd door het Programmabureau Natuurinclusief;
  • Programmabureau Natuurinclusief: bureau dat de inzet van betrokken partijen in de domeinen coördineert en bevordert.
Artikel 2.24.2. Subsidieverstrekking
1.

De Minister verstrekt jaarlijks op aanvraag subsidie aan een domeintrekker voor de bevordering in 2026 van een natuurinclusieve samenleving in zijn domein overeenkomstig de Agenda Natuurinclusief door uitvoering van niet-economische activiteiten:

  • a. die de werking en organisatie van het domein bevorderen en bijdragen aan het creëren van gunstige omstandigheden voor de uitvoering van de Agenda Natuurinclusief;
  • b. die de samenwerking met andere domeinen bevorderen;
  • c. voor de samenwerking met het Programmabureau Natuurinclusief.
2.

Onder de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, vallen onder meer:

  • a. de organisatie van bijeenkomsten;
  • b. communicatie;
  • c. kennisverspreiding.
3.

Geen subsidie wordt verstrekt voor de uitvoering van projecten voor de realisering van een natuurinclusieve samenleving.

4.

De Minister houdt bij de subsidieverstrekking rekening met een desgevraagd door het Programmabureau Natuurinclusief gegeven zienswijze.

Artikel 2.24.3. Hoogte subsidie
1.

De subsidie voor de uitvoering van de in artikel 2.24.2 bedoelde activiteiten in 2026 bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 200.000.

2.

Het in het eerste lid genoemde maximumbedrag van € 200.000 wordt verhoogd met de subsidiabele kosten die bestaan uit omzetbelasting die de subsidie-ontvanger niet in aftrek kan brengen.

Artikel 2.24.4. Subsidiabele kosten
1.

In afwijking van art. 2.1.1 van deze regeling bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en artikel 14 van het besluit, voor de toepassing van deze titel € 120.

2.

De kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen komen in afwijking van artikel 10, eerste lid, van het besluit niet in aanmerking voor subsidie.

3.

In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het besluit zijn de kosten van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.24.2, eerste lid, subsidiabel vanaf 1 januari van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.

Artikel 2.24.5. Verdeling
1.

Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

2.

De Minister verstrekt per domein maximaal één subsidie per jaar.

Artikel 2.24.6. Aanvraag
1.

Een aanvraag bevat ten minste een jaarplan voor het desbetreffende kalenderjaar, inclusief een begroting en een op verzoek van de aanvrager door het Programmabureau Natuurinclusief over het jaarplan gegeven zienswijze.

2.

Het jaarplan, bedoeld in het eerste lid bevat in ieder geval een beschrijving van de geplande activiteiten en hoe deze activiteiten bijdragen aan de uitvoering van de Agenda Natuurinclusief.

3.

Als de subsidiabele kosten ook bestaan uit omzetbelasting die de subsidie-ontvanger niet in aftrek kan brengen, wordt bij de subsidieaanvraag een verklaring van de Belastingdienst gevoegd waarmee dit wordt onderbouwd.

Artikel 2.24.7. Verplichtingen subsidieontvanger

Uiterlijk op 1 augustus 2026 dient de subsidieontvanger bij de Minister een voortgangsrapportage in over de voorafgaande periode van 1 januari tot 1 juli.

Artikel 2.24.8. Subsidievaststelling
1.

De aanvraag om subsidievaststelling gaat vergezeld van de bescheiden, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdelen a en b, van het besluit. Artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, is niet van toepassing.

2.

In het eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van de activiteiten, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, wordt ingegaan op de wijze waarop deze activiteiten hebben bijgedragen aan de uitvoering van de Agenda Natuurinclusief.

Artikel 2.24.9. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 2.24.2, bevat geen staatssteun.

Artikel 2.24.10. Vervaltermijn

Deze titel en bijlage 2.24 vervallen met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 2.25. Experimenteerlocaties

Artikel 2.25.1. Begripsomschrijving

In deze titel wordt verstaan onder:

  • bedrijfssysteem: een geheel van samenhangende of elkaar beïnvloedende elementen van een bedrijf om agrarische productie te bewerkstelligen, waaronder managementsystemen, productieprocessen, technologie en toegang tot afzetmarkten;
  • experimenteerlocatie: praktijkomgeving met testlocaties waar een samenwerkingsverband in een gebiedsgerichte benadering samenwerkt aan het testen, experimenteren en valideren van kennis en innovaties voor verduurzaming van de land- of tuinbouw;
  • gebiedsgerichte benadering: benadering waarbij samen met regionale stakeholders wordt gezocht naar probleemoplossingen door specifieke eigenschappen van het gebied als uitgangspunt te nemen, waaronder fysieke kenmerken zoals de aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen, de landbouwstructuur en sociaaleconomische gebiedskenmerken;
  • innovatie: vernieuwing die gebruikt wordt in de praktijk;
  • jonge landbouwer: landbouwer als bedoeld in artikel 2, onderdeel 61, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
  • kennisdeling: een proces voor het verwerven, verzamelen en delen van expliciete en impliciete kennis, met inbegrip van vaardigheden en competenties voor zowel economische als niet-economische activiteiten;
  • niet-productieve investering: investering als bedoeld in artikel 2, onderdeel 39, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
  • onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisdeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 50, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
  • praktijkproef: een onderzoeksproject op bedrijfsniveau of een realistische simulatie daarvan, waarin de ontwikkeling of demonstratie van een nieuw concept, een nieuw product, een nieuwe praktijk of een nieuwe technologie centraal staat, in een vorm die gemonitord en gevalideerd wordt;
  • toekomstbestendige land- en tuinbouw: productieve vormen van land- en tuinbouw, die een eerlijk inkomen opleveren voor de agrarische ondernemer, die voldoen aan toekomstige ecologische, maatschappelijke en economische doelen en randvoorwaarden, die samengaan met de verbetering van de kwaliteit van bodem, water, lucht en biodiversiteit en die robuust zijn met het oog op klimaatverandering en zo min mogelijk afhankelijk zijn van schaarse en eindige hulpbronnen zoals arbeid, fossiele energie, meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen.
Artikel 2.25.2. Subsidieverlening
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband, dat het zwaartepunt van de subsidiabele activiteiten heeft liggen in een of meer in bijlage 2.25 genoemde postcodegebieden, voor het verrichten van één of meer van de volgende activiteiten ten behoeve van een experimenteerlocatie:

  • a. het oprichten en in stand houden van een samenwerkingsverband als bedoeld in de aanhef, en van clusters, netwerken en samenwerking tussen ondernemingen ten behoeve van de experimenteerlocatie;
  • b. het voorbereiden, uitvoeren en meten op doelbereik van praktijkproeven die zich richten op de realisatie van toekomstbestendige land- en tuinbouw en de bijbehorende kennis- en innovatievraagstukken;
  • c. het doen van investeringen ten behoeve van de experimenteerlocatie en de praktijkproeven;
  • d. kennisdeling naar aanleiding van de resultaten van de praktijkproeven.
2.

Het samenwerkingsverband bestaat uit ten minste twee deelnemers waarvan tenminste één onderzoeksorganisatie en bestaat niet uitsluitend uit onderzoeksorganisaties.

Artikel 2.25.3. Subsidiabele kosten
1.

Voor subsidie komen uitsluitend de volgende kosten in aanmerking:

  • a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel a: de kosten, bedoeld in artikel 32, elfde lid, onderdelen a tot en met c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
  • b. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel b: de kosten, bedoeld in artikel 32, elfde lid, onderdeel d, en, voor zover van toepassing, artikel 38, zevende lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
  • c. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c: voor zover het een investering op een landbouwonderneming door een landbouwer betreft, de kosten, bedoeld in artikel 14, zesde lid, onderdelen a tot en met e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, of voor zover het een investering door een onderzoeksorganisatie betreft, de kosten, bedoeld in artikel 38, zevende lid, onderdelen b en c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
  • d. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel d: de kosten, bedoeld in artikel 21, derde lid, met uitzondering van onderdeel b en c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
2.

Voor zover sprake is van investeringskosten als bedoeld in artikel 2.25.2, onderdeel c, en artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, komen uitsluitend in aanmerking de kosten van investeringen die verband houden met de doelstellingen, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

Artikel 2.25.4. Hoogte subsidie
1.

De subsidie bedraagt:

  • c. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c, voor productieve investeringen 65 procent en voor niet-productieve investeringen 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 1.000.000, indien de investering plaatsvindt op een landbouwonderneming;
2.

De hoogte van de subsidie bedraagt in totaal maximaal € 5.000.000.

3.

Het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, wordt voor productieve investeringen verhoogd met 15 procentpunten indien:

  • a. subsidie wordt verstrekt die verband houdt met een of meer specifieke milieu- en klimaat gerelateerde doelstellingen als vermeld in artikel 14, derde lid, onderdelen e, f en g van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, of met dierenwelzijn als bedoeld in artikel 14, twaalfde lid, onderdeel a, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
  • b. subsidie wordt verstrekt aan jonge landbouwers als bedoeld in artikel 14, twaalfde lid, onderdeel b, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
4.

De subsidie voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c, bedraagt ten hoogste € 600.000 per landbouwonderneming per investering, indien de investering plaatsvindt op een landbouwonderneming.

Artikel 2.25.5. Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.25.6. Realisatietermijn
1.

Met de uitvoering van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten wordt uiterlijk binnen 6 maanden na de subsidieverlening gestart.

2.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vijf jaar na de datum van subsidieverlening.

Artikel 2.25.7. Afwijzingsgronden

De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien:

  • d. aan een aanvraag, na vermenigvuldiging met de desbetreffende wegingsfactor zoals bedoeld in artikel 2.25.8, derde lid, minder dan 6 punten zijn toegekend op grond van artikel 2.25.8, eerste lid, onderdeel e;
  • e. de verlening van subsidie niet in overeenstemming zou zijn met de artikelen 14, 21, 32 of 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
  • f. de subsidie wordt verleend aan een grote onderneming, die geen onderzoeksorganisatie is;
  • g. de subsidie minder bedraagt dan € 2.000.000;
Artikel 2.25.8. Rangschikkingscriteria
1.

De minister kent aan een aanvraag een hoger aantal punten toe naarmate:

  • a. de mate van effectiviteit hoger is;
  • b. de haalbaarheid hoger is;
  • c. de mate van efficiëntie hoger is;
  • d. de mate van innovatie hoger is; en
  • e. de mate waarin land- of tuinbouwondernemingen actief bij de experimenteerlocatie betrokken zijn, hoger is.
2.

Het aantal punten bedraagt per onderdeel van het eerste lid ten minste nul en ten hoogste 5.

3.

Voor de rangschikking van een aanvraag wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a, b, c, d en e, vermenigvuldigd met onderscheidenlijk wegingsfactoren van respectievelijk 5, 4, 3, 3 en 2.

4.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate daaraan in totaal meer punten zijn toegekend.

5.

Indien aan twee of meer aanvragen in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor een rangschikkingscriterium met een hogere wegingsfactor.

Artikel 2.25.9. Adviescommissie
1.

Er is een Adviescommissie Experimenteerlocaties die tot taak heeft de minister te adviseren omtrent de rangschikkingscriteria en de toekenning van punten, bedoeld in artikel 2.25.8.

2.

De commissie bestaat uit ten minste zes en ten hoogste twaalf leden.

3.

De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste vijf jaar benoemd.

Artikel 2.25.10. Subsidievoorwaarden
1.

Indien voor een investering als bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c, de benodigde vergunningen nog niet zijn verleend of de omgevingsrechtelijke melding nog niet is gedaan ten tijde van de aanvraag, wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger binnen één jaar na de beschikking tot subsidieverlening via bescheiden aantoont dat de voor het betrokken investeringsproject benodigde vergunningen zijn verleend of de omgevingsrechtelijke melding is gedaan.

2.

De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen tot een periode van maximaal twee jaar na de beschikking tot subsidieverlening.

3.

De subsidieontvanger verstrekt de bescheiden, bedoeld in het eerste lid, binnen één maand nadat de benodigde vergunningen zijn verleend of de omgevingsrechtelijke melding is gedaan, aan de minister.

Artikel 2.25.11. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

2.

Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

  • a. gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres;
  • b. een werkplan voor vijf jaren, gerekend vanaf de startdatum en een jaarplan voor komend jaar van realisatie;
  • c. een begroting voor de gehele projectperiode gerekend vanaf de startdatum en een gespecificeerde begroting voor komend jaar van de realisatie;
  • d. een beschrijving van de leden en werkwijze van de programmaraad of soortgelijke organisatiestructuur, die verantwoordelijk is voor de activiteitenplanning.
3.

Het werkplan bevat in ieder geval een beschrijving van:

  • a. de visie en gebiedsgerichte benadering van de experimenteerlocatie, waaronder een uiteenzetting van de gebiedskenmerken, uitdagingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur, en de toekomstbestendige bedrijfssystemen en bijbehorende verdienmodellen die passend in het gebied kunnen opereren;
  • b. de geplande activiteiten voor de gehele projectperiode en hoe deze activiteiten bijdragen aan het realiseren van de overheidsdoelstellingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit, natuur, concurrentievermogen of leefbaarheid;
  • c. de wijze waarop de effecten van de geplande activiteiten voor de gehele projectperiode op doelbereik gemonitord zullen worden;
  • d. de wijze waarop resultaten uit praktijkproeven worden verspreid;
  • e. de wijze van betrokkenheid van regionale stakeholders, specifiek land- of tuinbouwers, buiten het samenwerkingsverband bij de planning en uitvoering van beoogde activiteiten;
  • f. de kansen en mogelijke risico’s van deelname aan praktijkproeven door leden van het samenwerkingsverband en derden en de wijze waarop deze risico’s gemitigeerd worden.
Artikel 2.25.12. Verplichtingen subsidieontvanger
1.

De penvoerder dient jaarlijks een tussenrapportage in bij de minister. Deze tussenrapportage bevat een overzicht van de uitgevoerde activiteiten en een planning voor het komende jaar.

2.

Een tussenrapportage en eindverslag bevatten ten minste de volgende gegevens:

  • a. de behaalde (deel)resultaten van uitgevoerde praktijkproeven, de effecten van uitgevoerde praktijkproeven op het beoogde doelbereik en de geleerde lessen met betrekking tot gebiedsvisie op toekomstbestendige land- of tuinbouw;
  • b. het aantal betrokken partijen, specifiek het aantal en type agrarische ondernemers, bij de uitvoering van praktijkproeven;
  • c. de activiteiten die zijn uitgevoerd in het kader van kennisdeling, waaronder het soort en aantal activiteiten en het aantal en type deelnemers;
  • d. de wijze waarop invulling is gegeven aan regionale samenwerking en netwerkvorming;
  • e. het aantal en soort investeringen en het gebruik hiervan.
3.

De resultaten en tussenresultaten van de praktijkproeven worden actief en breed gedeeld op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis, in ieder geval via een openbaar toegankelijk digitaal platform vanaf de einddatum van de subsidie of vanaf de datum waarop informatie over de resultaten wordt gegeven aan leden van een specifieke organisatie.

4.

De resultaten, bedoeld in het derde lid, blijven op het internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van de subsidie.

5.

Voorlichtings- en kennisdelingsactiviteiten zijn voor eenieder zonder onderscheid toegankelijk, onder meer via een openbaar toegankelijk digitaal platform.

6.

De subsidieontvanger neemt binnen één jaar na de beschikking tot subsidieverlening deel aan het Nationaal Platform Experimenteerlocaties.

7.

De penvoerder dient voor de start van de activiteiten een ondertekende samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, tussen de deelnemers in bij de minister.

Artikel 2.25.13. Aanvraag subsidievaststelling

Vervallen

Artikel 2.25.14. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 2.25.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door:

Artikel 2.25.15. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 2 december 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 2.26. Sanering garnalenvisserij

Artikel 2.26.1. Begripsbepalingen
1.

In deze titel wordt verstaan onder:

  • CFR-nummer: CFR (common fleet register)-nummer als bedoeld in artikel 2, onderdeel l, van uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie van 6 februari 2017 inzake het vissersvlootregister van de Unie (PbEU 2017, L 34);
  • eigenaar van een vissersvaartuig: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het eigendom heeft van een vissersvaartuig en onder wiens naam het in het visserijregister is ingeschreven;
  • gemeenschappelijk visserijbeleid: gemeenschappelijk visserijbeleid als bedoeld in de basisverordening;
  • logboekgegevens: de gegevens die overeenkomstig de artikelen 14 en 15 van de controleverordening zijn verstrekt;
  • verordening (EU) 2021/1139: verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247);
  • visserijactiviteit: visserijactiviteit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt 28, van de basisverordening;
  • vismachtiging: machtiging als bedoeld in artikel 7 van de controleverordening;
  • vissersvaartuig: vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt 4 van de basisverordening, dat is ingeschreven in het visserijregister;
  • visvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de controleverordening.
  • zeedag: zeedag als bedoeld in de bijlage bij artikel 1 van gedelegeerd besluit (EU) 2021/1167 van de Commissie van 27 april 2021 tot vaststelling van het meerjarenprogramma van de Unie voor de verzameling en het beheer van biologische, ecologische, technische en socio-economische gegevens in de visserij- en de aquacultuursector vanaf 2022 (PbEU 2021, L 253).
Artikel 2.26.2. Subsidieverstrekking sanering garnalenvisserij
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de eigenaar van een vissersvaartuig voor de definitieve stopzetting van de visserijactiviteiten met dat vissersvaartuig, door sloop van dat vissersvaartuig.

2.

De subsidie wordt uitsluitend verleend indien:

  • a. uit de logboekgegevens blijkt dat de totale hoeveelheid vis die met het vissersvaartuig in het kalenderjaar 2022, 2023 of 2024 is gevangen, uitgedrukt in kilogrammen levend gewicht, voor ten minste 70 procent uit garnalen bestaat.
  • b. het vissersvaartuig op 1 januari 2024 stond geregistreerd in het visserijregister;
  • c. het vissersvaartuig op 6 oktober 2025 in eigendom is van de subsidieaanvrager en nadien in zijn eigendom is gebleven;
  • d. uit de logboekgegevens blijkt dat met het vissersvaartuig in de twee kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van indiening van de aanvraag gedurende ten minste 58 dagen per jaar visserijactiviteiten zijn bedreven;
  • e. op 6 oktober 2025 voor het vaartuig een garnalenvergunning geldt en deze garnalenvergunning nadien niet is gewijzigd of overgedragen;
  • f. de op 6 oktober 2025 voor het vissersvaartuig geldende visvergunning, vismachtigingen en schriftelijke toestemmingen nadien niet zijn gewijzigd;
  • g. de eigenaar heeft verklaard dat, ingeval de subsidie wordt verleend, hij voldoet aan de verplichtingen van artikel 2.26.9, dat de subsidie niet wordt besteed aan de vervanging of modernisering van een hoofd- of hulpmotor van een vissersvaartuig, tenzij wordt voldaan aan artikel 18 van verordening (EU) 2021/1139, en dat hij ervan op de hoogte is dat:
  • 2°. de schriftelijke toestemmingen die voor het vissen met het vissersvaartuig zijn verleend worden ingetrokken;
  • h. in het geval dat een pandrecht op een garnalenvergunning of vismachtiging is geregistreerd bij de minister, de pandhouder heeft verklaard dat de registratie van het pandrecht wordt beëindigd indien de subsidie verleend wordt.
Artikel 2.26.3. Hoogte subsidie
1.

De hoogte van de subsidie wordt bepaald door het subsidiebedrag per zeedag, genoemd in bijlage 2.26, vermenigvuldigd met het hoogste aantal zeedagen per kalenderjaar dat blijkens de logboekgegevens met het vissersvaartuig in een van de kalenderjaren 2021, 2022, 2023 of 2024 is gemaakt, te verminderen met het bedrag per brutotonnage van het vaartuig, genoemd in bijlage 2.26, vermenigvuldigd met de brutotonnage van het vaartuig.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)