Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-17
Laatst bijgewerkt 2026-08-24
State In force
Source BWB
artikelen 1509
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Waarin:

De baten (Bt)

De baten Bt in het jaar t zijn gelijk aan:

Waarin voor elk jaar t:

Bij het bepalen van de exploitatieopbrengsten wordt rekening gehouden met inflatie I.

De kosten (Kt)

De kosten Kt in het jaar t gelijk zijn aan:

Kt = Kinv + Kond + Kadm + Kbron + Koverig

Waarin voor elk jaar t:

Tabel: uitgangspunten kosten en baten exploitatieberekening

Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met inflatie I.

In de tabel hieronder zijn de uitgangspunten opgenomen die worden gehanteerd bij de hiervoor opgenomen berekening.

Voor de hoogte van de opbrengsten uit vastrecht, huur afleverset, meettarief, en verbruikstarief wordt aangesloten bij de maximumtarieven uit het meest recente tarievenbesluit warmte van de Autoriteit Consument & Markt (ACM). De opbrengsten worden geïndexeerd. Het hanteren van lagere tarieven is slechts toegestaan met een degelijke onderbouwing in het projectplan.

Onderdeel 2

In de tabel hieronder zijn de uitgangspunten opgenomen die onderdeel vormen van de mijlpalenbegroting (prijspeil 2025). Hogere kosten dan de hieronder genoemde kosten per onderdeel zijn slechts toegestaan met een degelijke onderbouwing in het projectplan.

Onderdeel 3

In dit onderdeel is uitgewerkt hoe de omschrijving van het project in het projectgebied en de bebouwing, bedoeld in artikel 4.10.9, tweede lid, onderdeel a, tweede subonderdeel en derde subonderdeel, wordt aangeleverd.

De afbakening van het projectgebied met daarin alle mogelijk aan te sluiten gebouwen en de aan te leggen infrastructuur wordt weergegeven.

Hierbij wordt de capaciteit in MW inclusief de benodigde DN-maten per onderdeel van het primaire warmtenet bij realisatie van het project omschreven. Daarnaast wordt de beoogde afname van warmte in GJ en MW van de aan te sluiten groot- en kleinverbruikers in het projectgebied bij realisatie van het project en na vaststelling omschreven. Hierbij mag voor kleinverbruikers rekening worden gehouden met gelijktijdigheidseffecten van het totale gevraagde afnamevermogen. Hieruit blijkt dat de dimensionering van het primaire warmtenet aansluit op de voorziene warmtebehoefte in het projectgebied.

Het voorlopig of definitief ontwerp, bedoeld inartikel 4.10.9, tweede lid, onderdeel c, wordt aangeleverd in PDF en bestaat in ieder geval uit:

Aansluitingen van particuliere woningeigenaren binnen het project hoeven niet te voldoen aan de hiervoor genoemde eisen. In plaats daarvan mag worden volstaan met een ontwerp van enkele veel voorkomende referentiewoningen.

Onderdeel 4

De totale subsidiabele investeringskosten worden in het model exploitatieberekening uitgesplitst naar de kostencomponenten loonkosten, investeringen in onderdelen voor primaire warmtenetten, investeringen in overdrachtstations, investeringen in thermische opslag, investeringen in onderdelen voor secundaire warmtenetten, investeringen in aansluitingen en kosten derden. Hierbij worden investeringen in overdrachtstations, onderdelen van secundaire warmtenetten en aansluitingen geacht onderdeel te zijn van het wijkdistributienet. Investeringen in onderdelen van primaire warmtenetten en thermische opslag worden geacht onderdeel te zijn van het primaire warmtenet. Loonkosten en kosten derden worden per onderdeel toegewezen aan het primaire warmtenet of de wijkdistributienetten. Deze kosten worden op grond van artikel 4.10.9, tweede lid, onderdeel b, opgenomen in de mijlpalenbegroting. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:

Vaste mijlpalen

De mijlpalenbegroting bevat in ieder geval drie verplichte mijlpalen, namelijk:

Indien het investerings- en financieringsbesluit op hetzelfde moment worden genomen, mogen mijlpaal 1 en 2 worden samengevoegd. Na de verplichte mijlpalen worden de mijlpalen door de aanvrager bepaald overeenkomstig de fasering van het project, zoals opgenomen in het projectplan. Voor het gehele project kunnen maximaal 15 mijlpalen opgenomen worden.

Aanvang en einde van de mijlpalen

Een mijlpaal vangt aan op het moment dat de aanvrager kosten begint te maken voor het behalen van een bepaald resultaat. Met het behalen van het resultaat, wordt ook de mijlpaal behaald. Een mijlpaal moet daarbij altijd aansluiten of overlappen met een volgende mijlpaal, zodat er geen fasen zijn waarin geen kosten worden opgevoerd. De concreet definieerbare startpunten en resultaten worden opgenomen in de mijlpalenbegroting en verder onderbouwd in het projectplan. Op de einddatum van een mijlpaal wordt het resultaat overgelegd aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

De eerste mijlpaal start op de startdatum van het project. Dit moment is van belang, omdat het eerste voorschot ambtshalve binnen twee weken na aanvang van de activiteiten wordt verstrekt. De einddatum van het project is ook de einddatum van de laatste mijlpaal.

Inhoud van de mijlpalen

Iedere mijlpaal vertegenwoordigt een concreet definieerbaar resultaat. Dit kan naast de resultaten zoals genoemd in de eerste drie mijlpalen, bijvoorbeeld ook zijn dat een deel van het project wordt opgeleverd. In de mijlpaal worden alle subsidiabele kosten opgenomen die gemaakt worden in aanloop naar het te behalen resultaat. Op de einddatum van een mijlpaal overlegt de aanvrager het ontwerp waarop staat aangegeven welke leidingen of leidingdelen, overdrachtstations, thermische opslagsystemen en aansluitingen met deze mijlpaal zijn gerealiseerd.

Bijlage 4.12.1. behorende bij artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

Een flexibiliteitsscan bevat ten minste de informatie die in deze bijlage is beschreven. Daarnaast dient de energieadviseur die de flexibiliteitsscan opstelt ten minste één bezoek te hebben gebracht aan de locatie waar de flexibiliteitsscan wordt uitgevoerd. De energieadviseur kan in het rapport gegevens of conclusies uit eerder uitgevoerde onderzoeken gebruiken, als die inzicht geven in het potentiële flexibele vermogen van de aanvrager. Voorbeelden van zulke onderzoeken zijn een EED-audit, energietransitieplan, elektrificatieplan of verduurzamingsplan.

1. Gegevens over de onderneming of instelling

De flexibiliteitsscan bevat ten minste de volgende gegevens:

2. Congestieproblematiek

De flexibiliteitsscan geeft een beschrijving van de congestieproblematiek en de behoefte aan flexibiliteit in het congestiegebied waar de onderneming of instelling is gevestigd. Daarvoor wordt in ieder geval geraadpleegd:

3. Hoofdprocessen van het bedrijf

De flexibiliteitsscan geeft een beschrijving van de hoofdprocessen van het bedrijf en een beschrijving van de eigen energie-opwek of -conversie en het vermogen dat hiermee wordt geleverd. Indien er geen energie-opwek of -conversie plaatsvindt bij het bedrijf, wordt dat vermeld.

4. Energievraagprofiel

De flexibiliteitsscan beschrijft het energievraagprofiel van het bedrijf. Dit profiel bevat:

5. Beschrijving van de realistische flexibiliteitsmaatregelen

De flexibiliteitsscan geeft een beschrijving van alle realistische flexibiliteitsmaatregelen die het bedrijf zou kunnen treffen. Daarnaast bevat de flexibiliteitsscan per realistische flexibiliteitsmaatregel een kwantitatieve inschatting van:

6. Financiële analyse

De flexibiliteitsscan bevat een financiële analyse. Deze analyse bevat per realistische flexibiliteitsmaatregel of combinatie van flexibiliteitsmaatregelen:

7. Voor- en nadelen

De flexibiliteitsscan beschrijft de voordelen en nadelen van de realistische flexibiliteitsmaatregelen. Op basis hiervan trekt de scan een conclusie over de meest kansrijke flexibiliteitsmaatregel of combinatie van maatregelen.

Bijlage 4.12.2. behorende bij artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

Een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen bevat ten minste de informatie die in deze bijlage is beschreven. Daarnaast dient de energieadviseur die de haalbaarheidsstudie opstelt ten minste één bezoek te hebben gebracht aan de locatie waar de haalbaarheidsstudie wordt uitgevoerd. De energieadviseur kan in het rapport gegevens of conclusies uit eerder uitgevoerde onderzoeken gebruiken, als die inzicht geven in het potentiële flexibele vermogen van de aanvrager. Voorbeelden van zulke onderzoeken zijn een EED-audit, energietransitie-plan, elektrificatieplan of verduurzamingsplan.

1. Gegevens over de onderneming of instelling

De haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen bevat ten minste de volgende gegevens:

2. Congestieproblematiek

De haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen geeft een beschrijving van de congestieproblematiek en de behoefte aan flexibiliteit in het congestiegebied waar de onderneming of de instelling is gevestigd. De energieadviseur raadpleegt daarvoor in ieder geval onderstaande bronnen om inzicht te krijgen in de netcongestiesituatie:

3. Hoofdprocessen van het bedrijf

De haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen geeft een beschrijving van de hoofdprocessen van het bedrijf en een beschrijving van de eigen energie-opwek of -conversie en het vermogen dat hiermee wordt geleverd. Indien er geen energie-opwek of -conversie plaatsvindt bij het bedrijf, wordt dat vermeld.

4. Energievraagprofiel

De haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen beschrijft het energievraagprofiel van het bedrijf. Dit profiel bevat:

5. Beschrijving van de realistische flexibiliteitsmaatregelen

De haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen geeft een beschrijving van alle realistische flexibiliteitsmaatregelen die het bedrijf zou kunnen treffen. Daarnaast bevat de haalbaarheidsstudie per realistische flexibiliteitsmaatregel een kwantitatieve inschatting van:

6. Inzet van de flexibiliteitsmaatregel voor congestiemanagement

De haalbaarheidsstudie gaat in op de eventuele mogelijkheid de realistische flexibiliteitsmaatregel(en) in te zetten voor congestiemanagement middels een congestiemanagementcontract met de systeembeheerder. Indien mogelijk wordt er ingegaan op wat congestiemanagement financieel zou kunnen opleveren.

7. Financiële analyse

De haalbaarheidsstudie bevat per realistische flexibiliteitsmaatregel of combinatie van maatregelen een overzicht van:

8. Voor- en nadelen

De haalbaarheidsstudie geeft inzicht in de voor- en nadelen van de realistische flexibiliteitsmaatregelen. De uitkomsten van de analyse onder punt 5, 6 en 7 hierboven worden daarin meegenomen. Daarnaast wordt in ieder geval de invloed van de flexibiliteitsmaatregelen op de volgende aspecten meegenomen:

Op basis van afweging van de voor- en nadelen kiest de aanvrager welke flexibiliteitsmaatregelen verder worden uitgewerkt in een conceptueel-technisch ontwerp.

9. Conceptueel-technisch ontwerp voor de geselecteerde flexibiliteitsmaatregel(en)

Per geselecteerde (combinatie van) flexibiliteitsmaatregelen wordt een conceptueel-technisch ontwerp opgesteld. Een conceptueel-technisch ontwerp bevat per flexibiliteitsmaatregel, tenzij dit vanwege de aard van de flexibiliteitsmaatregel niet mogelijk is, in ieder geval:

10. Uitvoeringsplan voor de geselecteerde flexibiliteitsmaatregel(en)

Er wordt een uitvoeringsplan gemaakt voor de geselecteerde flexibiliteitsmaatregelen, waarin in ieder geval wordt ingegaan op:

Bijlage 4.13.1. behorende bij artikel 4.13.1 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

A. Factoren CO2-equivalentie

B. NIKI-Project

1. Doelstelling

Het doel van de subsidiemodule Nationale Investeringsmodule Klimaatprojecten Industrie (NIKI) is het reduceren van CO2- en andere broeikasgasemissies (uitgedrukt in CO2-eq) in industriële productieprocessen en productketens, door ondersteuning te bieden aan de uitrol van grootschalige industriële verduurzamingsprojecten.

Hieronder volgt een overzicht van de twee NIKI-projectcategorieën en de verschillende thema’s die binnen de reikwijdte van de NIKI vallen.

2. Categorieën en thema’s

2.1. Categorie A: Directe besparing van CO2-emissies in het productieproces

In deze categorie wordt onderscheid gemaakt tussen drie thema’s.

Dit thema heeft betrekking op projecten in het productieproces van de subsidieaanvrager gericht op een sterke vermindering van CO2-emissies in het productieproces ten opzichte van de CO2-emissies van het referentieproces door verbetering van de energie-efficiëntie.

Bijvoorbeeld door toepassing van energie-intensieve productieprocessen of door radicale verandering van het productieproces waarin geïnvesteerd wordt.

Een risico van investeringen in procesefficiency maatregelen is een lock-in van het huidige fossiele productieproces. Het gaat immers vaak om investeringen met een lange afschrijvingstermijn (bijvoorbeeld tien of vijftien jaar). Om deze lock-in effecten te voorkomen moet bij de aanvraag aannemelijk worden gemaakt dat de investering past in een transitie naar een fossiel-vrij productieproces.

Binnen dit thema vallen projecten met betrekking tot het productieproces van de subsidieaanvrager gericht op een sterke vermindering van CO2-emissies in het productieproces door elektrificatie.

Bijvoorbeeld door elektrificatie van krakers/ovens en elektrificatie van aandrijfsystemen waarbij de energie- of warmtebron is vervangen door elektriciteit. Maar ook bij directe toepassing van elektronen in het productieproces zoals bijvoorbeeld bij elektrochemische en/of op plasma technologie gebaseerde productieprocessen.

Uitgesloten zijn investeringsprojecten gericht op waterstofproductie via elektrolyse.

Voor elektrificatieprojecten geldt dat deze mogelijk kunnen leiden tot fossiele lock-in. Ook hier moet daarom door de subsidieaanvrager aannemelijk gemaakt worden hoe de investering past in de transitie naar een fossiel-vrije productie.

Steun vanuit de NIKI is beschikbaar voor projecten in een innovatief productieproces voor waterstof. Het gaat hierbij om de productie van waterstof voor zover niet geproduceerd met een elektrolyser zoals bedoeld in de ‘subsidieregeling opschaling hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse’.

Daarnaast kan NIKI-steun worden aangevraagd voor investeringsprojecten in het productieproces van de aanvrager gericht op de inzet van zogenaamde low carbon waterstof in plaats van fossiele waterstof zoals geldt bij de productie van het referentieproduct, bijvoorbeeld voor de productie van ammoniak. Bij de inzet van low-carbon waterstof moet de subsidieaanvrager verklaren en aantonen dat deze waterstof over de levenscyclus ten minste 70 procent minder broeikasgasemissies levert dan uit fossiel verkregen waterstof (12,516 kg CO2/kg H2). Vanaf het jaar van publicatie van het vraagsubsidie-instrument zoals bedoeld in kamerbrief ‘Voortgang waterstofbeleid’1Kamerbrief ‘Voortgang waterstofbeleid’ van 30 mei 2024, Kamerstukken II 2023/24, 32 813, nr. 1395., zal de toepassing van renewable liquids and gaseous fuels of non-biological origin (RFNBO) (die immers ook voldoet aan de kwalificatie van low-carbon waterstof) niet langer onderdeel zijn van deze categorie. Onder RFNBO wordt verstaan waterstof die voldoet aan de RFNBO-vereisten, bedoeld in Richtlijn (EU) 2023/2413 tot wijziging tot Richtlijn (EU) 2018/2001, en die zijn gespecificeerd in de Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1184 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1185. Bij de subsidieaanvraag dient aangetoond te worden dat de in het project gebruikte waterstof hieraan voldoet door middel van een geldig certificaat. Dit certificaat moet zijn afgegeven door een conformiteitsbeoordelende instelling die is aangesloten bij een door de Europese Commissie voor dit doeleinde erkende vrijwillig systeem.

Uitgesloten zijn investeringsprojecten gericht op vergassing waarin het product, het syngas, direct wordt ingezet voor de productie van warmte en elektriciteit.

Voor waterstofprojecten geldt dat deze mogelijk kunnen leiden tot fossiele lock-in. Ook hier moet daarom door de subsidieaanvrager aannemelijk gemaakt worden hoe de investering past in de transitie naar een fossiel-vrije productie.

2.2. Categorie B) Vervangen van primaire fossiele koolstof in de productketen

Onder deze categorie vallen investeringsprojecten in productieprocessen die ervoor zorgen dat primaire fossiele koolstof voor niet-energetisch gebruik in een productketen wordt vervangen door niet primaire fossiele koolstof. Hierdoor wordt minder primaire fossiele koolstof vastgelegd in NIKI-producten dan met bestaande technologie en productketens het geval zou zijn geweest. Waarbij primaire fossiele koolstof doelt op fossiele grondstoffen, die in wel of niet bewerkte vorm worden toepast als grondstof in productieprocessen. Een vervanging kan worden bereikt door gerecyclede of biogene koolstof houdende grondstoffen toe te passen, in plaats van primaire fossiele koolstof.

Bronnen voor gerecyclede koolstof zijn bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend) koolstof uit gerecyclede (kunst)stoffen, uit teruggewonnen CO2, uit industriële productieprocessen (Carbon Capture Utilisation (CCU)) of uit de omgevingslucht via Direct Air Capture (DAC).

Voor recycling van (kunst)stoffen afvalstromen en reststromen komen verschillende vormen van recycling in aanmerking voor steun, waaronder chemische recycling. Bij chemische recycling kan gedacht worden aan: depolymerisatieprocessen, pyrolyse- en vergassingstechnologieën. Ook innovatieve nieuwe vormen van recycling, zoals bijvoorbeeld solvent recycling, kunnen in aanmerking komen voor de NIKI. Uitgesloten is recycling van afval die het opwerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als opvulmateriaal, noch toepassingen voor (dier)voeding betreft.

Bijlage 4.13.2. behorende bij artikel 4.13.1 van de Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies

Deze bijlage beschrijft de methode voor het bepalen van de reductie in broeikasgasemissies naar de atmosfeer van een NIKI-project. Als aanvrager van een NIKI-project bent u verplicht om deze methode toe te passen om de emissiereductie2Met ‘emissie’ of ‘emissiereductie’ worden in dit document altijd de emissie van broeikasgassen naar de atmosfeer en de reductie van deze broeikasgasemissies bedoeld. van uw NIKI-project te bepalen.

Ondernemingen reduceren door het uitvoeren van NIKI-projecten emissies van broeikasgassen, uitgedrukt in CO2-eq door NIKI-producten te vervaardigen, die tijdens hun levenscyclus minder emissies naar de atmosfeer veroorzaken dan producten die ze in de markt vervangen. De NIKI CO2-emissiereductiemethode houdt rekening met emissies die in verschillende fasen van de levenscyclus van een product ontstaan en de emissiereducties die in deze fasen kunnen worden behaald. Het Europese Innovation Fund (IF) is op dezelfde gedachte gebaseerd. De NIKI CO2-emissiereductiemethode is dan ook geïnspireerd op de IF-methodiek. De methode is gebaseerd op berekeningen en niet op metingen van emissies.

Een NIKI-aanvraag bestaat uit verschillende onderdelen. U dient onder andere een projectplan in, met daarin een beschrijving van de activiteiten binnen het project, de installatie of installaties die u van plan bent te bouwen of aan te passen, en de NIKI-producten die u daarmee beoogt te produceren. Het projectplan vormt tevens de basis voor het toepassen van zowel de NIKI rekenmethode als de NIKI CO2-emissiereductiemethode.

Dit document beschrijft de NIKI CO2-emissiereductiemethode en dient als instructie om de methode correct toe te passen. Naast dit document zal voor het voorbereiden van NIKI-aanvragen een NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie gepubliceerd worden, die zorgt voor een uniforme wijze van indienen. Dit rekenmodel zal tegelijk met de publicatie van de regeling in de Staatscourant worden gepubliceerd op de site van RVO. U dient het ingevulde rekenmodel bij uw aanvraag in.

De emissies van alle bekende broeikasgassen worden in deze methode meegenomen, zie ook bijlage 1 van de NIKI-regeling. De eenheid waarin de emissies worden uitgedrukt is tonnen koolstofdioxide equivalenten (ton CO2-eq.). Waar we in de tekst van CO2 spreken kan dit ook andere broeikasgassen betreffen.

U hanteert in uw NIKI-aanvraag een onderbouwde prognose van de totale productie tijdens de exploitatiefase voor het berekenen van de totale emissiereductie van uw NIKI-project. U berekent hieruit tevens de emissiereductie per eenheid NIKI-product. NIKI-projecten hebben een exploitatiefase van 10 jaar na ingebruikname van de installatie. In deze periode zal het NIKI-product vervaardigd worden. U rapporteert tijdens de projectuitvoering over de bereikte emissiereductie op basis van de daadwerkelijke productieoutput van de NIKI-installatie, en de emissiereductie per eenheid NIKI-product uit uw aanvraag. Het uit te keren voorschot op de subsidie wordt mede op de bereikte emissiereductie gebaseerd.

In onderstaande tabel staan de definities van belangrijke begrippen in deze methode, voor zover deze niet al zijn opgenomen in de regelingstekst. De begrippen zijn niet alfabetisch gerangschikt, maar worden in een volgorde behandeld die bijdraagt aan het begrijpen van de samenhang tussen de begrippen.

Om de leesbaarheid te bevorderen zullen we in dit document enkele begrippen in enkelvoud gebruiken. Dus, waar we bijvoorbeeld van product, installatie, input of referentieproces spreken, kan dit ook meerdere producten etc. betreffen.

Het vertrekpunt voor de-emissiereductiemethode is het NIKI-product, dat in het NIKI-project wordt vervaardigd. In het projectplan beschrijft u alle producten en productieprocessen. Voor de berekening van de CO2-emissiereductie worden de emissies van NIKI-producten vergeleken met referentieproducten.

De CO2-emissiereductie door het NIKI-project berekent u door het verschil tussen de emissies van het referentieproduct en de emissies van het NIKI-product, gesommeerd over de productieoutput gedurende de exploitatiefase. De formule is opgenomen in figuur 1.

Een NIKI-installatie kan een of meerdere producten vervaardigen. Voor elk product wijst u een referentieproduct aan dat dezelfde functie vervult. De producten zijn gezamenlijk de NIKI-producten, de referentieproducten vormen samen de referentie.

Voorbeeld: Een aanvrager heeft een NIKI-project met een bioraffinaderij. Deze raffinaderij maakt uit een biogene koolstofstroom (bio)gas, (bio)benzine, (bio)diesel, (bio)nafta en (bio)stookolie. Deze 5 producten zijn gezamenlijk de NIKI-producten binnen deze aanvraag.

Een referentieproduct hoeft niet noodzakelijkerwijs fysiek hetzelfde te zijn als het NIKI-product. Als de producten fysiek van elkaar verschillen en er meer of minder geproduceerd moet worden om dezelfde functie te vervullen, dan wordt hiervoor gecorrigeerd met de correctiefactor cffunctie.

De CO2-emissies van het NIKI-project en de referentie worden bepaald door de emissies gedurende de levenscyclus van de producten vast te stellen. De levenscyclus van het product bestaat uit verschillende levenscyclusfasen. Welke fasen worden meegenomen, wordt vastgelegd als systeemgrens. De totale emissie van een NIKI-product is de sommatie van de emissies van de afzonderlijke levenscyclusfasen. In de NIKI CO2-emissiereductiemethode worden de volgende levenscyclusfasen meegenomen:

De procesgrens geeft aan met welke stap het productieproces van het NIKI-product in de NIKI-installatie start en eindigt. Dit bepaalt waar de levenscyclusfase proces begint, en welke inputs daarbij horen. Als u een referentieproces moet definiëren, bepaalt u ook hiervan een procesgrens.

U stelt een massa- en energiebalans op van het productieproces van het NIKI-product. Hiermee maakt u de in- en uitgaande massa- en energiestromen inzichtelijk, die nodig zijn voor het vervaardigen van het product, zie figuur 2. Ook berekent u een koolstofbalans. Deze massa- en energiebalans dienen als basis voor het toekennen van CO2-emissies aan de verschillende stromen.

Voor alle levenscyclusfasen bepaalt u de emissies naar de atmosfeer. Dit doet u voor het NIKI-product op basis van de massa- en energiebalans in combinatie met emissiefactoren en informatie over de emissies tijdens verbranding of einde levensduur.

Om de emissies te bepalen, moet u geschikte emissiefactoren selecteren. De NIKI CO2-emissiereductiemethode schrijft een hiërarchie voor in de keuze van emissiefactoren uit verschillende bronnen. Deze emissiefactoren worden vermenigvuldigd met de hoeveelheden van de verschillende massa- en energiestromen die uit de massa- en energiebalans zijn gebleken.

Voor het bepalen van de emissies van het referentieproduct zijn er twee routes:

U gebruikt het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie om de totale CO2-emissiereductie te berekenen en de gemaakte keuzes kunt verantwoorden.

‘Transport en gebruik’ van NIKI-producten is geen onderdeel van de systeemgrens in de NIKI CO2-emissiereductiemethode. Echter is het in sommige gevallen mogelijk dat het vervangen van conventionele producten door NIKI-producten in deze levenscyclusfase additionele emissies veroorzaakt. Omdat dit buiten de systeemgrens valt, wordt dit niet meegenomen in het bepalen van de totale emissiereductie. Neveneffecten mogen echter niet groter zijn dan de totale emissiereductie van het NIKI-project. Dit dient door u te worden vastgesteld conform hoofdstuk 8 stap 7 ‘Controle op negatieve neveneffecten’.

U doorloopt aan de hand van deze methode zeven stappen om de CO2-emissiereductie van uw NIKI-project te bepalen. De zeven stappen zijn als volgt:

Deze stappen worden in de komende hoofdstukken toegelicht.

1. Stap 1: Product bepalen

Het uitgangspunt van de NIKI-regeling is dat door de productie van NIKI-producten in het NIKI-project andere producten in de markt worden vervangen, die gedurende hun levenscyclus meer CO2-emissies veroorzaken. NIKI-projecten kunnen ook de uitbreiding of nieuwbouw van conventionele productie-installaties vermijden in het geval van toenemende vraag naar het product. De functie van het NIKI-product is dan ook bepalend voor de referentie en de uiteindelijk berekende emissiereductie.

Voor het bepalen van NIKI-producten gelden de volgende voorwaarden:

Economisch verhandelbaar houdt in dat het product potentieel fysiek getransporteerd kan worden naar verschillende afnemers op de markt. Indien het product uitsluitend in een op de locatie van de aanvrager verbonden installatie verder verwerkt kan worden, wordt het product niet als verhandelbaar beschouwd.

U bepaalt NIKI-producten zodanig, dat ze samen ten minste 90% vormen van de uitgaande massastroom die een economische waarde heeft. U bepaalt zelf of en welke producten met economische waarde u niet als een NIKI-product beschouwt, tot een maximum van 10% van de uitgaande massastroom (zie Figuur 3). Deze producten vormen de restfractie. Voor de restfractie geldt dat de CO2-emissies berekend worden als de emissies die vrijkomen bij volledige verbranding daarvan.

Voorbeeld: 80% van de uitgaande massastromen heeft een economische waarde. Hier zitten echter enkele zeer kleine stromen tussen, die veel moeite kosten om los te beschrijven. U heeft de optie om een deel hiervan als restfractie aan te merken. Dit mag maximaal 10% van de uitgaande massastroom met een economische waarde zijn. De overige minimaal 90% moet u als NIKI-producten opnemen. In dit voorbeeld zal minimaal 72% (90% van de 80%) van de uitgaande massastromen van het NIKI-project NIKI-producten zijn.

2. Stap 2: Referentie bepalen

2.1. Referentieproduct en correctiefactor

Een referentieproduct is het product dat in de markt wordt vervangen door een NIKI-product. Vaak heeft dit referentieproduct (nagenoeg) dezelfde chemische samenstelling en fysieke eigenschappen als het NIKI-product, en vervult daarmee dezelfde functie.

Wanneer het referentieproduct fysiek niet identiek is of een afwijkende samenstelling heeft ten opzichte van het NIKI-product, dan moet u met bronnen onderbouwen dat de functionaliteit dezelfde is. Dit kan bijvoorbeeld door middel van afspraken met afnemers, die het product voor eenzelfde functie willen inzetten. Als het referentieproduct wel fysiek identiek is, is dit niet nodig, er wordt dan van uitgegaan dat de afzetmarkt vergelijkbaar zal zijn.

Als het product van het NIKI-project meerdere functionaliteiten heeft die niet gedekt worden door één referentieproduct, dan bepaalt u voor elke functionaliteit een referentieproduct.

Voorbeeld: Pyrolyseolie van biogene reststromen kan ingezet worden als grondstof voor plasticproductie, maar ook als brandstof voor de zeevaart. Het NIKI-project voorziet om 40% te leveren aan de plasticindustrie voor verdere verwerking tot grondstof en de overige 60% te verkopen als biobrandstof voor de zeevaart. Hiermee worden de vervangen referentieproducten respectievelijk nafta en stookolie.

U dient een correctiefactor te bepalen voor het mogelijke verschil in de benodigde hoeveelheid van het referentieproduct om dezelfde functie te vervullen als het NIKI-product. Als het referentieproduct fysiek identiek is aan het NIKI-product is de correctiefactor 1. De correctiefactor wordt bepaald aan de hand van de benodigde eenheden product van het referentieproduct dat vervangen wordt door één product-eenheid van het NIKI-product. Indien er meerdere referentieproducten zijn, kan er per referentieproduct een aparte correctiefactor van toepassing zijn.

Voorbeeld: Een producent voor een biologisch alternatief voor steenwol dient een NIKI-aanvraag in. Eerst moet worden onderbouwd welk referentieproduct vervangen wordt door de functionaliteit van het biologisch isolatieproduct. De aanvrager levert intentieverklaringen aan van meerdere bouwbedrijven die het isolatieproduct willen inzetten ter vervanging van steenwol. Uit door de aanvrager uitgevoerd onderzoek blijkt dat het biobased alternatief per m3 30% minder weegt in vergelijking met steenwol, maar dat er 10% meer volume nodig is om een equivalente isolatiewaarde te bereiken. De aanvrager past daarom een correctiefactor van 0,77 (=0,7 x 1,1) toe.

2.2. Bepalen of u een beschikbare emissiefactor toepast of een referentieproces definieert

Voor het bepalen van de emissies van het referentieproduct bepaalt u allereerst of er een standaard emissiefactor beschikbaar is, of dat u zelf een referentieproces moet opstellen (zie ook figuur 4).

Als er een voorgeschreven emissiefactor beschikbaar is, dan moet u deze gebruiken. Twee typen emissiefactoren zijn voorgeschreven:

Als u één van deze emissiefactoren moet gebruiken, dan hoeft u voor dat product geen referentieproces meer op te stellen.

Indien uit de bovenstaande bronnen geen emissiefactor voor een geschikt referentieproduct te bepalen is, doorloopt u voor het productieproces van het referentieproduct dezelfde stappen als voor NIKI-producten. Dit betekent dat u voor de referentie een of meer referentieprocessen zult moeten beschrijven waarmee alle producten met dezelfde functionaliteiten van de NIKI-producten zijn te produceren.

Voor elk NIKI-product moet u een referentieproduct aanwijzen en u moet u een referentieproces beschrijven voor elk referentieproduct waarvoor geen emissiefactor beschikbaar is. Indien een referentieproces meerdere referentieproducten in dezelfde productieverhoudingen tussen de producten als het NIKI-project produceert, volstaat dit ene referentieproces voor de desbetreffende referentieproducten. Is dit niet het geval, dan geldt als uitgangspunt dat voor elk referentieproduct een referentieproces moet worden opgesteld.

Indien het productportfolio van het NIKI-proces overeenkomt met het productportfolio van één enkel referentieproces, dan mag u de referentie met een enkel referentieproces beschrijven, zonder dat u voor een gedeelte van de producten een beschikbare emissiefactor toepast.

Voorbeeld: U vervangt de helft van een grondstof met een biobased alternatief. Het productportfolio blijft hetzelfde. Eén van de producten staat op CO2emissiefactoren.nl. Volgens bovenstaande stappen zou u hiervoor de beschikbare emissiefactor moeten gebruiken en voor de overige producten referentieprocessen moeten beschrijven. Omdat het productportfolio hetzelfde blijft, mag u in dit geval echter een referentieproces beschrijven dat alle referentieproducten vervaardigd. Als voor alle referentieproducten een emissiefactor beschikbaar is, gebruikt u de beschikbare emissiefactoren.

Let op: als de referentieproducten niet in dezelfde verhouding worden geproduceerd, of de correctiefactor niet overeenkomt, moeten de referentieproducten WEL in losse processen omschreven worden.

2.3. Definitie van een referentieproces, als geen emissiefactor beschikbaar is

Indien geen emissiefactor beschikbaar is, beschrijft u referentieprocessen. Een referentieproces dient zo veel mogelijk overeen te komen met de Best Available Technology (BAT)3https://eippcb.jrc.ec.europa.eu/reference., waaronder energiegebruik per ton product. Bij het referentieproces gaat u uit van processen zonder toepassing van Carbon Capture and Storage (CCS), omdat CCS ook bij het NIKI-project is uitgesloten.

U stelt het referentieproces vast aan de hand van de hieronder beschreven hiërarchie. Indien er meerdere gangbare productieprocessen zijn, maakt u een keuze met onderbouwing waarom het gekozen productieproces het meest geschikte vergelijkbare proces is. In het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie is er ruimte om uw keuze te onderbouwen.

Voor het bepalen van de inputs, producten en procesemissies van het referentieproces volgt u onderstaande hiërarchie. U onderbouwt hierbij steeds waarom u een bepaalde bron kiest. Bij niveau 4 van de hiërarchie onderbouwt u ook waarom op de hogere niveaus geen geschikt referentieproces te vinden was.

Voor het referentieproces stelt u vervolgens een massa- en energiebalans op, zoals in hoofdstuk 5 beschreven. Hiervoor gebruikt u zoveel mogelijk dezelfde bron voor alle benodigde data, gebaseerd op bovenstaand hiërarchie. Ingeval niet alle data in dezelfde bron beschikbaar is, mag u, wederom de hiërarchie volgend, aanvullen met andere bronnen. Door een dergelijke combinatie van bronnen kan het voorkomen dat de massa- en energiebalans en/of koolstofbalans niet sluitend zijn. In dat geval mag u afwijken van de instructie om de laagste waarde van de bandbreedte in een BREF document gebruik te maken. Binnen de bandbreedte benaderd u dan een hogere waarde, waardoor de massa- en energiebalans wel sluitend wordt.

2.3.1. Co-producten en allocatie bij het bepalen van een referentieproces

Indien het referentieproces naast het referentieproduct ook andere verhandelbare producten produceert, worden deze producten als co-producten beschouwd. Stoom of restgassen moeten bijvoorbeeld als co-producten worden beschouwd als deze zinvol toegepast kunnen worden. Als een reststroom niet als co-product wordt beschouwd, moet u dit goed onderbouwen. Let op: het gaat hier om het referentieproces en omdat we uitgaan van de BAT, is de uitgangspositie altijd dat reststromen die nog zinvol gebruikt kunnen worden, als co-product worden verhandeld.

Als het referentieproces stoom of elektriciteit exporteert, voert u dit als negatieve emissie op. U gebruikt hiervoor de emissiefactoren die in hoofdstuk 5.1.3 worden voorgeschreven en vult ze als negatieve waarde in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie in. Op het betreffende tabblad wordt dit eveneens benoemd.

De emissies van het referentieproces en inputs worden op basis van massa-allocatie toegewezen aan het referentieproduct dan wel aan de co-producten. U onderbouwt de allocatie in de aanvraag.

Voorbeeld: Een NIKI-project produceert twee producten, product A en product B. Het referentieproces produceert dezelfde producten in dezelfde verhouding als het NIKI-proces. Daarom volstaat het referentieproces voor zowel product A als voor product B van het NIKI-project. Het referentieproces produceert ook een derde product (C) als bijproduct uit het proces. Product C wordt beschouwd als een co-product uit het referentieproces, en de emissies worden verdeeld over producten A en B op basis van massa-allocatie.

Let op: bij het NIKI-proces spreken we van een restfractie, bij referentieprocessen van co-producten. Emissies worden bij co-producten anders toegewezen dan bij een restfractie. Voor de restfractie is dit beschreven in hoofdstuk 1.

3. Stap 3: Systeem- en procesgrenzen

3.1. Systeemgrens

De systeemgrens kadert welke levenscyclusfasen en de daaraan verbonden emissies meegenomen worden in de berekening en bepaalt daarbinnen ook de afbakening van de energie- en massabalans. Een levenscyclus betreft alle stappen van grondstofwinning tot afdanking over de levensduur van een product.

Voor uw NIKI-product en referentieproduct berekent u de emissies voor de volgende levenscyclusfasen:

Overige levenscyclusfasen, emissies tijdens gebruik van het product, zijn uitgesloten van de berekening. Dit heeft te maken met het feit dat de emissies in deze fase niet toerekenbaar zijn aan het NIKI-project, maar vaak het gevolg zijn van afspraken tussen ketenpartners of gedrag van eindgebruikers.

De levenscyclus begint bij grondstofwinning voor het product en eindigt bij de einde levensduur of langdurig gebruik van meer dan 50 jaar. Als de levenscyclus begint bij een afvalproduct als grondstof, begint de systeemgrens vanaf het moment van inzameling.

3.2. Procesgrenzen

De levenscyclus fase ‘proces’ heeft een sleutelpositie in de levenscyclus van een NIKI-product of referentieproduct. Wanneer u de procesgrens – het begin- en eindpunt van deze levenscyclusfase – heeft bepaald, kunt u ook de grenzen van de andere levenscyclusfasen vastleggen. Ter verduidelijking van uw aanvraag maakt u een schematische weergave van het proces, met procesgrenzen, inputs, reststromen, afvalstromen, procesemissies en producten (voor een voorbeeld zie figuur 3). Deze neemt u op in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie, waarin u de CO2-emissiereductie berekent.

De procesgrens van het NIKI-project omvat de fysieke installatie of installaties waarmee het NIKI-product wordt vervaardigd. Dit betreft in ieder geval altijd de NIKI-installatie waarin wordt geïnvesteerd, maar kan ook andere installaties betreffen die onderdeel uitmaken van het productieproces en op hetzelfde terrein staan.

De procesgrens begint op het punt waar de inputs een installatie worden ingevoerd. De procesgrens eindigt waar het NIKI-product een installatie verlaat.

Hetzelfde principe past u ook toe, als u voor een referentieproduct een proces moet beschrijven. U bepaalt hierbij volgens de hiërarchie beschreven in hoofdstuk 3.2 het referentieproces en de daarbij horende procesgrenzen.

4. Stap 4: Massa- en energiebalansen bepalen

Om op een consistente en navolgbare manier de emissies te bepalen stelt u voor het productieproces van een NIKI-product, en indien van toepassing ook voor het referentieproduct, een massa- en energiebalans (MEB) op. De MEB omvat alle relevante massa- en energiestromen voor een representatief jaar die de procesgrenzen passeren. Figuur 7 toont een voorbeeld van een MEB.

In het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie is een tabblad opgesteld voor het maken van de MEB. Hierin legt u de inputs van het proces als massa- of energiestromen vast. Uitgaande producten, restfractie, emissies naar de atmosfeer en afvalstoffen dienen vervolgens in balans te zijn met de ingaande stromen.

U moet de balans maken voor zowel de massastromen als energiestromen door het proces. Geef voor alle in- en uitgaande stromen zowel een massa- als energiestroom op, tenzij de stromen geen massa hebben (bijvoorbeeld elektriciteit) of geen energie bevatten (bijvoorbeeld CO2). Verklaar waar nodig de verschillen in de balans, bijvoorbeeld als gevolg van chemische reacties in het proces.

De koolstofinhoud per massastroom neemt u ook in de MEB op. De MEB legt hiermee vast hoe de stromen lopen tussen het proces en andere levenscyclusfasen betreffende hoeveelheid en koolstof-inhoud. Dit is inclusief het onderscheid tussen biogene en fossiele koolstof. Deze gegevens worden gebruikt om de emissies in andere levenscyclusfasen te bepalen.

Zorg ervoor dat de koolstofbalans in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie kloppend is. Bij onvolledige data zorgt u voor een kloppende koolstofbalans door inputstromen en procesemissies aan te passen, en uw keuzes hierover toe te lichten.

Voorbeeld: Uit de BREF en aanvullende bronnen leidt u af dat er CO2-uitstoot in het proces plaats vindt, maar deze is niet gekwantificeerd. Uit de koolstofbalans leidt u af hoeveel fossiele C uit het proces moet komen. U maakt de koolstofbalans kloppend door deze C-atomen als CO2 in procesemissies op te nemen.

De biogene koolstofinhoud bepaalt u op basis van de massabalans. De massa aan biogene koolstof wordt gelijk verdeeld over alle uitgaande stromen met koolstofinhoud, om tot het aandeel biogene koolstof per stroom te komen. Als u kunt aantonen dat de biogene fractie in de installatie apart behandeld wordt, dan kunt u de biogene fractie toewijzen volgens gedetailleerde (sub)MEBs.

5. Stap 5: CO2-emissies over de levenscyclusfasen bepalen

De bepaling van de emissies is onderverdeeld in de verschillende levenscyclusfasen. De totale emissies van het NIKI-project en van de referentie bepaalt u door de emissies van de levenscyclusfasen op te tellen. De totale emissiereductie van het NIKI-project is het verschil tussen de emissies van de referentie en het NIKI-project.

Voor alle emissies moet u de bronnenhiërarchie, zoals beschreven in appendix A1, toepassen, en gaat u uit van de BAT of onderbouwt u waar het NIKI-project de BAT verbetert. U onderbouwt elke gebruikte emissiefactor, op basis van een goede overeenkomst van eigenschappen en het niveau in de hiërarchie.

Voorbeeld: U kiest een emissiefactor voor een grondstof die als input dient in uw proces (levenscyclusfase inputs). Op de eerste drie niveaus van de hiërarchie is de desbetreffende grondstof niet opgenomen. Op niveau 4 (GEMIS) vindt u een emissiefactor voor de grondstof, maar de data waarop de emissiefactor is gebaseerd zijn verouderd en de kwaliteit van de grondstof komt niet overeen. U kiest daarom een emissiefactor uit het volgende hiërarchieniveau (bijvoorbeeld Ecoinvent) en beredeneert waarom deze vermelding beter aansluit.

5.1. Levenscyclusfase Inputs

Inputs zijn alle inkomende energiestromen en grondstoffen voor het proces. De emissies per input berekent u aan de hand van een emissiefactor die de CO2-emissies van de input tot aan het proces omvat.

De emissiefactor voor inputs houdt ook het transport naar de installatie in, zoals in 4.1 beschreven. Voor biogene grondstoffen, afval en CCU-inputs gelden additionele rekenregels, die hieronder in de desbetreffende hoofdstukken worden beschreven.

De NIKI CO2-emissiereductiemethode maakt bij de inputs onderscheid tussen grondstoffen en energie, waarbij specifieke rekenregels worden voorgeschreven:

5.1.1. Rigide en elastische inputs

Voor iedere input moet u bepalen of het een rigide of elastische input betreft. Daarbij gelden de volgende definities:

Een rigide input kan negatieve of positieve neveneffecten hebben in een andere productketen waardoor er juist meer of minder CO2-emissies worden veroorzaakt.

Voorbeeld: Een NIKI-project gebruikt gemeentelijk afval als input. Dit afval wordt hierdoor niet langer verbrand om te voorzien in stadsverwarming. Afval is in dit scenario een rigide input voor het NIKI-proces. Doordat het afval niet wordt verbrand, ontstaan er geen verbrandingsemissies. Echter moet de warmte die voorheen voor stadsverwarming werd gebruikt nu anders worden opgewekt, bijvoorbeeld door het gebruik van een aardgasketel. Zowel de gereduceerde verbrandingsemissies, als de nieuwe emissies voor warmteproductie, moeten worden berekend om het effect van het inzetten van afval in het NIKI-project te bepalen.

Oppervlaktewater en lucht zijn per definitie rigide inputs. In deze methode worden deze twee stromen echter uitgesloten van rigide inputs: er wordt aangenomen dat ongezuiverd oppervlaktewater en lucht functioneel oneindige stromen zijn.

Standaard gaat de berekening uit van een elastische input. U hoeft dan niets te doen. Wanneer er binnen het NIKI-proces sprake is van een rigide input moet u rekening houden met de effecten van een verandering in de vraag van deze input op processen buiten het NIKI-project (extern proces). Daarom neemt u het vervangingseffect voor rigide input bij dat externe proces mee in de berekening. Dat doet u als volgt:

Wanneer het referentieproces een rigide input gebruikt, maar het NIKI-proces niet (of het gebruik ervan vermindert) dan vermindert het NIKI-project de vraag naar een rigide grondstof of energiestroom ten opzichte van de referentie. In dit geval berekent u ook het vervangingseffect: in hoeverre leidt de afname van de vraag tot verandering van de emissies in externe processen.

5.1.2. Emissies van grondstoffen

Voor het vaststellen van de emissiefactor voor een grondstof input, inclusief brandstoffen voor energievoorziening in het proces, worden de input-emissies in kaart gebracht volgens de bronnenhiërarchie in appendix A1. Voor enkele hieronder genoemde grondstoffen wordt afgeweken van of vindt aanvulling plaats op de bronnenhiërarchie.

Mogelijk zijn er verscheidene emissiefactoren beschikbaar op hetzelfde niveau van de hiërarchie voor verschillende processen voor het hetzelfde product. In dat geval kiest u het proces dat in de markt als eerste gaat opschalen bij een toenemende vraag naar de grondstof en licht u deze keuze toe.

Water als grondstof neemt u alleen in de emissieberekening mee indien het uit een externe ontziltings-, afvalwaterzuiverings- of aanvullende pompinstallatie komt. Anders mag u de voorketenemissies van water als 0 opnemen. Input-emissies van lucht mag u ook als 0 opnemen, indien hier geen externe voorbehandeling bij plaatsvindt.

5.1.2.1. Biogene grondstoffen

De biogene grondstoffen moet zijn opgenomen in bijlage IX van de RED-II Richtlijn9Richtlijn (EU) 2018/2001, ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. en zijn gecertificeerd. De duurzaamheidsverklaring van de ingekochte biomassa moet uitgegeven zijn door een certificatiesysteem dat door de EU conform artikel 30.4 erkend is voor deze scope. Waarbij het certificaat van toepassing is op de relevante grondstof uit bijlage IX en overeenkomstig de relevante bepalingen van artikel 29.1-29.10 is opgesteld.

Op het moment dat het Besluit duurzaamheid biomassa van kracht is, hanteert de aanvrager met betrekking tot de biogrondstoffen, die ten behoeve van de NIKI worden toegepast, een duurzaamheidssysteem dat door de minister voor het werkveld, waarvoor de geregistreerde het systeem toepast, is geaccepteeerd.

Voor input van biogene oorsprong berekent u de emissiefactor op onderstaande wijze. Deze wijkt af van de bronnenhiërarchie in appendix A1.

De bijlagen V, deel D en E en bijlage VI deel C van REDII geven de standaardwaarden voor teelt, verwerking, vervoer en distributie waaruit u de emissiefactoren voor biomassa, biogas, biomethaan, vloeibare biomassa of biobrandstoffen afleidt.

In andere levenscyclusfasen moet u ook de ‘niet-CO2-emissies’ bij verbranding meenemen, omdat deze een additioneel klimaateffect hebben: niet-CO2-emissies (methaan, lachgas en andere broeikasgassen) berekent u onder de levensfase ‘verbranding’ indien beschikbaar op basis van de RED II emissiefactor voor niet-CO2-emissies bij verbranding.

Indien in de REDII geen waarden beschikbaar zijn, moet u de bronnenhiërarchie in appendix A1 alsnog volgen met inachtneming van de rekenregels betreffende transport en niet-CO2-emissies.

Voorbeeld: De emissiefactor voor houtsnippers van bosbouwresten is 5 g CO2/MJ als deze binnen 500 km zijn gewonnen van de NIKI-installatie. Echter dient er voor transport en verbranding gecorrigeerd te worden. De ‘transport’- en niet-CO2-emissies in de RED II emissiefactor zijn respectievelijk; 3,0 en 0,4 g CO2/MJ. Dus de winning- en productie-emissies volgens RED II zijn dan voor houtsnippers 5 – (3,0 + 0,4) = 1,6 g CO2/MJ. Voor het NIKI-project worden de houtsnippers binnen een straal van 350 km gewonnen, en worden vervoerd met een zware trekker + oplegger. Dit vervoer heeft een emissiefactor van 88 g CO2/tonkilometer. Hiermee komen de transportemissies voor de aanvoer van houtsnippers naar de NIKI-installatie op 88 g CO2/(ton km) * 350 km = 30,8 kg CO2/ton. Om dit uit te drukken per MJ houtsnippers passen we de en onderste verbrandingswaarde van houtsnippers toe, 13 MJ/kg. Omgerekend is het dus 2,4 g CO2/MJ. De totale emissies van houtsnippers als input bedragen dan 1,6 + 2,4 = 4,0 g CO2/MJ.

5.1.2.2. Afvalstoffen en recyclaat als grondstof

NIKI-projecten dienen de Kaderrichtlijn Afvalstoffen te volgen voor het gebruik van afval als input, waarbij u aantoont dat ‘afval’ niet op een hoger niveau behandeld kan worden. Dit wordt gedaan op basis van het Landelijke Afvalbeheerplan (LAP3).

Voorbeeld: Een kunststofresidu is niet meer geschikt voor de productie van nieuwe kunststof. Volgens de Kaderrichtlijn Afval mag dit geconverteerd worden tot een brandstof of chemische grondstof.

De emissies van afvalstoffen als input worden berekend vanaf inzameling van het afval tot en met aanlevering bij het proces. Hierbij moet u alle emissies van inzameling, verwerking, mogelijke opwerking en transport van het afval inventariseren en berekenen. De emissies van het transport van afvalstoffen neemt u mee in de berekening als deze meer dan 1% van de volledige verbrandingsemissies van de desbetreffende grondstof bedragen, inclusief biogene emissies.

Als een afvalstroom slechts gedeeltelijk wordt gebruikt voor het proces (bijvoorbeeld vanwege een onbruikbare fractie) dan baseert u de emissiereductie alleen op het deel van de afvalstroom dat werkelijk wordt gebruikt.

Omdat afvalstoffen een rigide input zijn, worden de vermeden emissies van afvalverbranding conform de beschreven stappen in 6.1.1 meegenomen in de berekening van de emissie van de input.

5.1.2.3. Afgevangen CO2 als grondstof voor CCU

Wanneer u CO2 uit een extern proces inzet worden de emissies berekend vanaf het afvangen van de CO2 tot en met de aanlevering bij het proces. Voor de CO2 moleculen past u een startwaarde van 0 toe en dus geen negatieve emissie. Ook wordt er in de MEB bijgehouden welke fractie van de afgevangen CO2 van biogene oorsprong is. Dit heeft een effect in de levenscyclusfase einde levensduur

Ook voor CO2 als grondstof moet u de werkelijke transportemissies meenemen in de berekening, als deze meer dan 1% van de getransporteerde CO2bedragen De transportafstand meet u vanaf het eerste punt van inzameling tot de aflevering aan de procesinstallatie. U bepaalt de emissiefactor van het transportmiddel door middel van de bronnenhiërarchie in appendix A1.

5.1.3. Emissies van energiestromen

Dit hoofdstuk betreft specifiek energiestromen die geen brandstof zijn. De NIKI CO2-emissiereductiemethode beschouwt brandstoffen als grondstof, waarvan de winning- en productie-emissies onder de inputs levensfase en de verbrandingsemissies onder de levenscyclusfase verbranding vallen. Overige energievormen worden hieronder beschreven.

5.1.3.1. Elektriciteit

Als emissiefactor voor elektriciteit dient u standaard 0,14 kg CO2/kWh te hanteren10Om recht te doen aan de huidige en verwachte ontwikkeling van de Nederlandse elektriciteitsmarkt, is gekozen voor een emissiefactor (EF) van 0,14 kg CO2 per kWh. Deze waarde biedt een evenwichtige benadering die rekening houdt met de voortschrijdende verduurzaming van de elektriciteitsvoorziening, terwijl tegelijkertijd een realistisch en consistent uitgangspunt wordt gehanteerd voor de berekening van emissiereducties binnen de NIKI-regeling..

5.1.3.2. Warmte en koeling

Voor warmte- en koudestromen moet u bepalen of deze rigide of elastisch zijn. Voor rigide thermische stromen, zoals restwarmte, volgt u de regels voor rigide inputs (zie 5.1.1).

De emissies als gevolg van warmte- of koudeverbruik zijn afhankelijk van het lokale systeem en de hoeveelheid afgenomen energie. Om de emissies van deze energie-input te berekenen stelt u de wijze van warmte- of koude-opwekking vast.

Voor ingezette brandstoffen gebruikt u vervolgens de bronnenhiërarchie in appendix A1 voor de bepaling van de juiste emissiefactor. Bij warmtelevering door derden gebruikt u de EU ETS warmtebenchmark11https://climate.ec.europa.eu/system/files/2021-10/policy_ets_allowances_bm_curve_factsheets_en.pdf Table ‘Key parameters for Heat benchmark sub-installation’. als emissiefactor.

5.1.4. Toerekenbaarheid van emissiereducties door gebruik van andere inputs

Voor de keuze van emissiefactoren volgt u altijd de bronnenhiërarchie in appendix A1 en gaat u uit van de BAT of onderbouwt u waar het NIKI-proces de BAT verbetert. Als het NIKI-project duurzamere inputs gebruikt dan de gangbare fysiek-identieke input op de markt en u hierom een lagere emissiefactor wilt toepassen, dan moet u aantonen dat de inkoop van de duurzamere input verbonden is aan het NIKI-project; dat de duurzamere input aansluit bij een of meerdere NIKI-thema’s, dat het een elastisch input betreft; en dat de productie van deze inputs binnen de EU plaatsvindt. Als bewijsvoering voegt u een conceptcontract of ondertekende intentieverklaring aan de aanvraag toe. Bij aanvang van productie in het NIKI-project moet u een getekend leveringscontract kunnen overhandigen. Uit de documentatie moet blijken dat de levering voor minstens 5 jaar (de helft van de exploitatiefase van het NIKI-project) is voorzien. CCS als onderdeel van het referentieproces is ook in dit geval uitgesloten (zie paragraaf 2.3). Voor elektriciteit gelden altijd de regels zoals beschreven in alinea 5.1.3.1.

5.2. Levenscyclusfase ‘proces’

De levenscyclusfase ‘proces’ bevat alle emissies ten gevolge van het vervaardigingsproces en de ondersteunende processen. Het proces omvat de emissies ontstaan door verbranding van grondstoffen, chemische of biologische processen binnen de procesgrens, verliezen in het proces, restfracties en verwerking van afval uit het proces.

Overige emissies van CO2-broeikasgassen uit het proces ten gevolge van onderhoud, storingen, fakkelen en afblazen vallen ook binnen de proces levensfase emissies. U gebruikt hiervoor actuele data, uit bijvoorbeeld rapportages voor milieuvergunningen. Indien het onbekend is hoeveel en welke overige emissies worden uitgestoten tijdens onderhoud, storingen en afblazen, wordt er 2% van de totale emissies van de proces levensfase opgeteld bij de proces levensfase emissies.

Biogene CO2-emissies van processen hebben een emissiefactor van 0, mits voldaan is aan de voorwaarden voor biogene inputs.

5.2.1. Verbranding van brandstoffen als onderdeel van het proces

Wanneer brandstoffen binnen het proces worden verbrand, worden de verbrandingsemissies meegerekend in de proces levensfase. De verbrandingsemissies van veelvoorkomende brandstoffen zijn opgegeven in appendix A1, onder brandstoffen.0 Daarnaast moet u de niet-CO2-broeikasgas- emissies meenemen (zie Bijlage 4.13.1 van de NIKI) die onder de verwachte verbrandingsomstandigheden ontstaan.

Wanneer een biogene grondstof in een proces wordt verbrand, heeft deze biogene grondstof een CO2 emissiefactor van 0, mits voldaan wordt aan de voorwaarden voor biogene grondstoffen beschreven onder 6.1.2.1. Overige broeikasgassen die ontstaan bij de verbranding van biogene grondstoffen tellen wel mee in de berekening.

5.2.2. Co2-afvang en -gebruik als onderdeel van het proces

5.2.2.1. Gebruik van afgevangen CO2 (ccu)

CO2 kan binnen een NIKI-project geïmporteerd worden (zie alinea 5.1.2.3) om vervolgens te gebruiken in een product (CCU). In dat geval wordt het beschouwd als input. Bij import neemt u de procesemissies op in de berekening, en verlaat de CO2 eveneens het proces als bestanddeel van het product.

CO2 afvang kan ook onderdeel van het proces zijn. Het NIKI-project produceert CO2 binnen het NIKI-proces. Door CO2 af te vangen uit het NIKI-proces en te gebruiken in een product wordt de uitstoot daarvan vermeden, maar niet berekend. De koolstof verlaat het proces als bestanddeel van het product.

5.2.2.2. Direct Air Capture (DAC)

Indien u CO2 produceert met DAC en vervolgens in het NIKI-proces toepast (CCU) gelden dezelfde regels als hierboven beschreven voor CCU. De procesemissies zijn onderdeel van het NIKI-proces, en de koolstof verlaat het proces als bestanddeel van het product.

5.2.2.3. Co2-afvang zonder gebruik (CCS)

In de NIKI-regeling geldt dat technieken die onder een categorie van de ‘Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie’ zijn opgenomen (SDE++) alleen in aanmerking komen voor NIKI, als de investeringskosten daarvoor minder dan 10% van de totale investeringskosten bedragen. Dit betreft ook CCS. U kunt SDE++ en NIKI nooit combineren voor dezelfde activiteiten.

Als u CCS binnen de NIKI toepast, omdat het minder dan 10% van de investeringskosten bedraagt, mag u de afgevangen CO2 in de levenscyclusfase einde levensduur als langdurig vastgelegd beschouwen (zie rekenregels alinea 5.4.4). In dat geval wijkt u af op paragraaf 5.5. Indien de BAT van de referentie CCS bevat, neemt u dit nu WEL mee bij de referentie, immers doet u dit bij het NIKI-proces ook.

5.2.3. Directe procesemissies, afvalstromen en restfractie

Tijdens het productieproces ontstaan er verschillende uitgaande stromen: de geproduceerde producten, directe procesemissies, de restfractie en afvalstromen.

Directe procesemissies van broeikasgassen neemt u in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie op met het desbetreffende CO2 equivalent, overeenkomstig met bijlage 4.13.1 bij de NIKI-regeling. Bij toepassingen van brandstoffen vult u de Tank-To-Wheel (TTW) emissies in (zie ook Appendix A1).

De restfractie zijn producten met economische waarde, die u niet als NIKI-product hebt aangewezen. Voor de restfractie geldt dat de CO2-emissies berekend worden als de emissies die vrijkomen bij volledige verbranding daarvan.

Van afvalstromen uit het proces, stromen zonder economische waarde niet zijnde emissies naar de atmosfeer, worden de CO2-emissies berekend op basis van volledige verbranding van deze stromen. Dit wordt berekend op basis van de koolstofinhoud van de afvalstroom. Zie rekenregels einde levensduur voor de berekeningsmethode bij volledige verbranding (alinea 5.4.4).

In de BREF’s van meerdere productieprocessen is waterzuivering als een processtap opgenomen waarbij de afvalwatersamenstelling is weergegeven in COD/CZV-eenheden. U mag de emissie van waterzuivering buiten beschouwing laten, tenzij waterzuivering een (hoofd)component is van het NIKI-project.

5.3. Levenscyclusfase ’verbranding’

Sommige projecten produceren een of meerdere producten bedoeld voor verbranding. Bijvoorbeeld projecten voor de productie van nieuwe transportbrandstoffen, brandstofadditieven, vaste brandstoffen en aardgassubstituten. In die situatie vallen de emissies uit de verbranding van deze producten binnen de levenscyclusfase ‘verbranding’ (product). Voor transportbrandstoffen gebruikt u de bronnenhiërarchie in appendix A1 voor de berekening van de verbrandingsemissies van het referentieproduct.

Verbranding van biogene brandstoffen neemt u mee in de MEB en de emissieberekening met emissiefactor 0. Emissies van overige broeikasgassen ten gevolge van verbranding (ook van biogene brandstoffen) rekent u mee als CO2-equivalenten, aan de hand van de default waarden in RED II in tabel C. ‘Gedeaggregeerde standaardwaarden voor biomassabrandstoffen’ van Annex VI van de RED II Richtlijn.

Voorbeeld: Een NIKI-project produceert mierenzuur uit waterstof en CO2 van deels biogene oorsprong (70%) ter vervanging van diesel. Tijdens het gebruik van mierenzuur als transportbrandstof komt er CO2 vrij. Dit wordt behandeld als verbranding van het product. Er komt 0,96 ton CO2 vrij per ton bij volledige verbranding van het mierenzuur. Aangezien 70% van de koolstof in het product van biogene oorsprong is, is de effectieve emissiefactor door verbranding van het NIKI-product 0,96 *30% = 0,29 ton CO2 per ton mierenzuur.

5.4. Levenscyclusfase: Einde levensduur

Wanneer het product koolstof bevat moet u rekening houden met de verwachte emissies bij het einde van de levensduur van het product. Dit geldt voor zowel het NIKI-product als het referentieproduct. Er zijn vier verschillende routes waarop CO2-emissies vrijkomen, of juist niet, aan het einde van de levensduur:

De route is afhankelijk van de toepassing van het product.

Indien de toepassing van uw product u onbekend is, gaat u uit van verbranding waarbij de koolstofinhoud van het product leidend is. Indien uw product meerdere toepassingen kent maar u de specifieke toepassing niet, gaat u uit van de meest voorkomende toepassingen Zie hiervoor het uitgewerkte voorbeeld. Is de toepassing wel bij u bekend en ook door u te onderbouwen dan volgt u de instructies in de onderstaande sub-paragrafen.

Voorbeeld: Een producent van PET mist het zicht op directe toepassingen van PET maar uit verschillende geraadpleegde bronnen blijkt dat de belangrijkste producten van PET zijn: flessen (42%), trays (12%), overige verpakkingen (6%) en textiel (40%). Hiervan worden alleen flessen significant gerecycled (42%). Netto wordt daarmee 18% van het PET gerecycled, de rest wordt verbrand.

Voor referentieprocessen kunt u eveneens de meest voorkomende toepassing onderbouwen, of uitgaan van verbranding.

Voor verbranding en decompositie gelden de rekenregels beschreven in 5.4.4. De andere drie opties worden hieronder beschreven.

Als de levenscyclusfase einde levensduur van een NIKI-product en het betreffende referentieproduct hetzelfde zijn, mag u de einde levensduur emissies voor dit product buiten beschouwing laten. In dat geval onderbouwt u in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie waarom de levenscyclusfases hetzelfde zijn. Dit is altijd het geval als het NIKI-product en referentieproduct fysiek identiek zijn.

5.4.1. Emissies bij einde levensduur door recycling

Als het NIKI-product fysiek identiek is aan het referentieproduct, dan is het uitgangspunt dat hetzelfde recyclingpercentage geldt voor het NIKI-product en het referentieproduct. In dat geval mag u de emissies bij einde levensduur buiten beschouwing houden.

Als het NIKI-product niet fysiek identiek is aan het referentieproduct, dan moet u het (nieuwe) recyclingpercentage onderbouwen op basis van publieke recyclingstatistieken of wetenschappelijke onderzoeksresultaten (publicaties in peer-reviewed journals of rapporten van publieke instanties, bijvoorbeeld het EC Joint Research Centre) en aannemelijk maken dat er verwerkingscapaciteit/structuur voor dit product in de markt beschikbaar is.

De emissiefactor voor einde levensduur voor gerecyclede fracties is 0. Als minimaal 90% van het geproduceerde materiaal wordt gerecycled, is de emissiefactor voor einde levensduur voor het gehele product 0.

Wanneer er een combinatie is van recycling (< 90%) en ontbinding, storting of energieterugwinning dan is er sprake van een emissie voor de einde levensduur levensfase. De emissiefactor baseert u op de koolstoffractie in het product dat niet wordt gerecycled.

Voorbeeld: Een project produceert recyclebare plastic flessen, die conventionele niet-recyclebare plastic flessen vervangen. De producten zijn dus niet fysiek identiek. De aanvrager levert bewijs dat het typische recyclingpercentage van het geproduceerde materiaal in zijn regio 85% is. 15% zal worden verbrand. De einde levensduur emissiefactor van de gerecyclede fractie is 0. Voor de verbrande fractie van 15% is de einde levensduur emissiefactor de volledige verbranding van de koolstofinhoud van de fles.

Het vermijden van primair materiaalgebruik door recycling geeft geen additionele emissiereductie in de rekenmethodiek.

5.4.2. Emissies einde levensduur bij langdurig gebruik

Een product met een levensduur van meer dan 50 jaar legt de koolstof in het product vast en vermijdt CO2-emissies. In dat geval mag u de einde levensduur emissies berekenen met de gehalveerde12De halvering van de einde levensduur emissies is overeenkomstig met de eisen van Richtlijn 2009/31/EG die beschrijft dat kan worden verwacht dat producten in sommige gevallen een verkorte nuttige levensduur zullen hebben. waarde van de emissiefactor voor verbranding.

Het is uw verantwoordelijkheid om aan te tonen dat het redelijk is om aan te nemen dat de koolstof ten minste 50 jaar in vastgelegd blijft. U moet consequent zijn in uw beweringen van langdurig gebruik van zowel het NIKI-product als van het referentieproduct. Als het NIKI-product en het referentieproduct fysiek identiek zijn, wordt verondersteld dat het koolstofgebruik op lange termijn identiek zal zijn. In dit geval vallen beide emissies tegen elkaar weg en mag u de emissies bij einde levensduur buiten beschouwing laten.

5.4.3. Einde levensduur van biogene stoffen

Een product van biogene oorsprong heeft een emissiefactor voor CO2-emissies bij einde levensduur van 0 als de koolstof volledig wordt omgezet in CO2. Echter u moet u wel een correctiefactor toepassen voor ‘niet-CO2’ emissies die bij verbranding van biogene stoffen ontstaan, zoals is aangegeven in RED II, bijlage V in tabel C ‘Gedesaggregeerde standaardwaarden voor biomassabrandstoffen’ op pagina 114 voor vloeibare en vaste stoffen en pagina 121 voor biomethaan. Als producten niet alleen biogene koolstof bevatten, maar ook fossiele koolstof of koolstof uit een CCU-proces, bepaalt u de CO2-emissie naar rato van het percentage niet-biogene koolstof, blijkend uit de koolstofbalans.

Bij het langdurig vastleggen van biogene koolstof rekent u met een negatieve CO2-emissie: -50% van de volledige verbrandingsemissies. Ook voor een (gedeeltelijk) gerecycled product van biogene oorsprong rekent u voor het biogene en gerecyclede deel een emissiefactor van -50% van de emissies bij volledige verbranding. In een gerecyclede productstroom wordt een gedeelte van de koolstof langdurig vastgelegd, waardoor (biogene) koolstof uit de atmosfeer wordt opgeslagen.

Voorbeeld: Een NIKI-project produceert bioPET-flessen ter vervanging van conventionele fossiele PET-flessen. Beide typen flessen zijn recyclebaar en de aanvrager toont aan dat het recyclingpercentage in de desbetreffende regio meer dan 90% bedraagt. Een emissie van 0 is opgenomen binnen einde levensduur van het referentieproduct, terwijl negatieve emissie is opgenomen in het kader einde levensduur van het NIKI-product gelijk aan 50% van de volledige verbrandingsemissies voor de koolstof in het PET.

5.4.4. Rekenregels einde levensduur

De onderstaande rekenregels voor de emissies ‘Einde levensduur’ past u toe voor eindproducten:

Waarbij de volgende definities gelden:

Bij de inzet van een NIKI-product, binnen de eigen productielocatie, als input voor een andere productieproces, gaat u uit van de koolstofinhoud in het product. Rekenregels voor biogene koolstof zijn dan wel van toepassing maar omdat er voor dit product geen gebruiksfase is, zijn de rekenregels voor recycling uiteraard niet van toepassing.

5.5. Emissies die uitgesloten zijn van de berekening

Bepaalde emissies zijn uitgesloten van de berekening vanwege een wettelijke kader of omdat deze emissies niet significant zijn voor de totale berekening. De volgende emissies zijn standaard uitgesloten:

Let op: Goederen die in de looptijd van het NIKI-project verbruikt worden en niet meer inzetbaar zijn aan het einde van de projectlooptijd worden als grondstoffen beschouwd. Bijvoorbeeld verbruikte katalysatoren uit het productieproces.

6. Stap 6: Berekening totale CO2-emissiereductie

Voor de beoordeling van een NIKI-project is de absolute reductie in CO2-emissies over de levenscyclus nodig. Deze wordt in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie als volgt berekend.

De absolute CO2-emissiereductie van de levenscyclus emissies van het NIKI-project volgt uit het verschil tussen de emissies van het NIKI-product en het (gecorrigeerde) referentieproduct, vermenigvuldigd met het genormaliseerde productieniveau over de exploitatiefase:

Waarbij:

CO2NIKI = CO2-emissie van het NIKI-project over het totaal van het NIKI-project, en

CO2ref = som van CO2-emissie van de referentie

Waar P het relevante referentie proces is.

J = jaar van NIKI project

Waar thx de massa of energie hoeveelheid is van de desbetreffende massa of energiestroom x, per uur, en EFx de desbetreffende emissiefactor.

7. Stap 7: Controle op negatieve neveneffecten

Transport en gebruik van NIKI-producten zijn geen onderdeel van de systeemgrens in de NIKI CO2-emissiereductiemethode. Veranderingen in emissies in deze levenscyclusfases zijn daarom geen onderdeel van de emissiereductie-berekening. Om ongewenste effecten voor de maatschappij te voorkomen, moet u in deze stap echter nog wel controleren of er negatieve neveneffecten in deze fases optreden. Dit is het geval, wanneer er door het vervangen van conventionele producten door NIKI-producten additionele emissies ontstaan tijdens transport en gebruik van de NIKI-producten. Deze additionele emissies mogen de totale emissiereductie van het NIKI-project, die in stap 6 is berekend, niet overschrijden. Als dit toch het geval is, wordt de aanvraag afgewezen.

Wanneer het NIKI-product fysiek identiek is aan het referentieproduct en het referentieproduct in de markt een-op-een zal vervangen, treden geen negatieve neveneffecten op. In dit geval hoeft u voor dit product geen verdere onderbouwing te geven

Negatieve neveneffecten kunnen bijvoorbeeld ontstaan als een NIKI-product fysiek niet identiek is aan het referentieproduct.

Voorbeeld: Een aanvrager van een NIKI-project produceert een biologisch alternatief voor steenwol als gebouwisolatie. Van dit product is 10% meer volume nodig om dezelfde isolatiewaarde te behalen als met steenwol. Hierdoor moet de isolatielaag (spouw) breder worden en is er meer isolatiemateriaal en zijn meer bakstenen nodig. De extra emissies door de productie en het transport van extra bakstenen, en de extra transportemissies door additionele ruimte die het NIKI-product inneemt dienen te worden berekend.

Afwijkingen in de benodigde hoeveelheid NIKI-product worden verrekend door toepassing van de correctiefactor, zoals beschreven in Stap 2: referentie bepalen. Emissies tijdens transport en gebruik zijn hier echter geen onderdeel van, en moeten daarom in deze stap beoordeeld worden. Dit doet u als volgt:

Appendix

De hiërarchie van emissiefactoren uitgesplitst omdat per levenscyclusfase bepaalde CO2-emissies wel of niet in scope zijn voor de desbetreffende fase:.

Voor alle bronnen dient de meest recent gepubliceerde versie gebruikt te worden.

Inputs (voorketen – Scope 2 en 3 upstream):

Transport (vervoersmiddel – WTW):

Brandstoffen (Scope 1 – verbrandingsemissies / TTW):

Bij de beoordeling van uw aanvraag wordt er gekeken naar de bronnen voor de emissiefactor die u gebruikt. Als u te veel terugvalt op laag gerangschikte bronnen zonder aanvullende onderbouwing hiervoor, kan dit een grond zijn om de aanvraag af te wijzen.

Bijlage 4.13.3. behorende bij aikel 4.13.1 van de Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies

1. Inleiding

1.1. Introductie rekenmethode voor subsidieberekening NIKI

In de kabinetsvisie basisindustrie 2050 werd de inzet op ‘flagship’ projecten voor het eerst aangekondigd, waarbij het kabinet aangeeft dat Nederland effectiever grote opschaling van industriële technieken moet kunnen ondersteunen. Specifiek gaat het om innovatieve technieken grootschalig uit te rollen in de industrie, zoals voor groene chemie of elektrificatie. Voorts is in het coalitieakkoord van 15 december 2021 de doelstelling opgenomen dat Nederland in 2050 volledig klimaatneutraal moet zijn, wat in lijn is met het gelijkluidend streven van de Europese Unie.

De subsidiemodule NIKI richt zich specifiek op het ondersteunen van projecten in Nederland, waarbij een innovatieve technologie op commerciële schaal wordt toegepast en die leiden tot aanzienlijke CO2-emissiereductie. Via de NIKI komt hiermee subsidie beschikbaar voor technieken met een groot potentieel voor CO2-emissiereductie waarvan de opschaling niet binnen bestaande subsidieregelingen past. Op deze wijze is de NIKI aanvullend op de bestaande instrumenten en worden investeringen in de opschaling van belangrijke industriële klimaatprojecten aangemoedigd.

Dit document beschrijft de NIKI rekenmethode en dient als instructie om de methode correct toe te passen. Naast dit document zal voor het voorbereiden van NIKI-aanvragen een ‘NIKI rekenmodel subsidie’ gepubliceerd worden, die zorgt voor een uniforme wijze van indienen. Dit rekenmodel zal tegelijk met de publicatie van de regeling in de Staatscourant worden gepubliceerd op de site van RVO. U dient het ingevulde rekenmodel bij uw aanvraag in.

Deze rekenmethode voor de subsidieberekening van de NIKI beschrijft de stappen die gevolgd moeten worden door de aanvrager voor het berekenen van de subsidie. De aanvrager moet de rekenmethode toepassen in verschillende fasen van het NIKI-project, zoals weergegeven in onderstaande tabel.14In alle gevallen waarin de inhoud van deze handleiding afwijkt van de officiële regelingstekst en de bijbehorende toelichting, hebben de regelingstekst en toelichting voorrang.

De NIKI is een tenderregeling. Aanvragen die positief op hun haalbaarheid worden beoordeeld, worden daarvoor uitsluitend gerangschikt op basis van het uitgebrachte bod in euro’s per ton vermeden CO2. Deze werkwijze is een inhoudelijke invulling van de voorwaarde in de CEEAG, dat bij tenders het rangschikkingscriterium een directe relatie moet hebben tot het na te streven beleidsdoel van de steunmaatregel (voor de NIKI: aanzienlijke CO2-emissiereductie).

Het is van belang te benadrukken dat voor aanvragen die worden gerangschikt, het bod in euro’s per ton vermeden CO2 niet alleen leidend is in de rangschikking, maar ook dat het bod zelf niet wordt beoordeeld en daarom ook niet kan worden gewijzigd. Wel dient het bod, of beter gezegd: de haalbaarheid daarvan, te worden onderbouwd door het benodigde subsidiebedrag te berekenen met de rekenmethode die in dit document wordt beschreven. De aanvrager dient daarbij uit te gaan van hetzelfde productievolume en verwachte CO2-emissiereductie als in de berekeningen met de NIKI CO2 reductiemethode. De gevraagde subsidie dient echter te worden berekend door het bod met de verwachte CO2-emissiereductie te vermenigvuldigen. Een te groot verschil tussen de benodigde subsidie en de gevraagde subsidie kan gezien worden als een financieel te risicovolle situatie, met name als onduidelijk is hoe het verschil tussen het bod en de benodigde subsidie opgebracht gaat worden. De aanvraag wordt dan afgewezen op onvoldoende onderbouwing van de (financiële) haalbaarheid.

De subsidie die projecten ontvangen is gebaseerd op een combinatie van investeringskosten (CAPEX) en exploitatiekosten (OPEX). De rekenmethode begint met het vaststellen van de netto contante waarde (NCW) van de kasstromen, waarbij alle toekomstige inkomsten en uitgaven naar het heden worden verdisconteerd. Door deze NCW te delen door het productievolume gedurende het project, wordt een NCW per eenheid product verkregen. Dit is een maatstaf voor de gemiddelde huidige netto productiekosten per eenheid product. Vervolgens worden deze productiekosten vergeleken met de toekomstige marktprijzen van vergelijkbare producten.

In de uitbetaling van de voorschotbedragen kunnen de investeringsfase en de exploitatiefase onderscheiden worden. In de toelichting op de NIKI zijn beide fasen nader uiteengezet. In het bijzonder voor de exploitatiefase geldt dat de voorschotten gedurende een NIKI-project een aantal keer worden bijgesteld aan de hand van de herberekening van de benodigde subsidie. Deze herberekeningen dienen om overstimulering te voorkomen en terugvordering van te veel verstrekte voorschotten zo veel mogelijk te vermijden. Benadrukt wordt dat het hierbij alleen gaat om herberekening van het voorschot en niet om tussentijdse bijstelling van de subsidie. Deze zal pas 10 jaar na de start van de exploitatiefase van het project (einde NIKI-project) definitief worden vastgesteld. Het subsidiebedrag bij vaststelling is maximaal het in de aanvraagfase toegekende subsidiebedrag. Er kan derhalve geen verhoging plaatsvinden.

1.2. Leeswijzer en inhoudsopgave

In hoofdstuk 2 wordt gedetailleerd ingegaan op de rekenmethode en de stappen die nodig zijn om deze toe te passen. Hoofdstuk 3 beschrijft in welke fasen van het NIKI-project de onderneming (de aanvrager en tevens ontvanger van de NIKI subsidie) de rekenmethode dient te gebruiken, en hoe dat bijdraagt aan verantwoording en verslaglegging van de bereikte resultaten van het NIKI-project.

1.3. Begrippenlijst

2. Rekenmethodiek subsidie NIKI

Dit hoofdstuk biedt een uiteenzetting van de rekenmethode die moet worden gehanteerd door de aanvrager om bij de subsidieaanvraag, gedurende het NIKI-project, en bij de aanvraag tot subsidievaststelling, de benodigde subsidie te berekenen. De stappen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de berekeningen worden beschreven, beginnend bij de formule voor de benodigde subsidie en de stappen zoals opgenomen in paragraaf 2.3. Het doel is om de aanvrager een grondig begrip te verschaffen van zowel de procedurele aspecten als de belangrijkste variabelen binnen het model.

2.1. Rekenmodel op basis van kasstromen

De NIKI-regeling is gebonden aan een juridisch kader dat enkel de begrippen kosten en baten kent. Echter, zoals ook in paragraaf 1.1 staat beschreven dient het ‘NIKI rekenmodel subsidie’ op kasstroombasis te worden ingevuld. Daar waar in deze handleiding de begrippen kosten en baten staan vermeld is sprake van respectievelijk uitgaven en inkomsten.

2.2. Berekening

Het model gaat uit van gebruikelijke bedrijfseconomische principes waarbij toekomstige kasstromen worden verdisconteerd op basis van de WACC en het rendement wordt berekend over de volledige economische levensduur van de investering (de NIKI-installatie). De investeringen worden daarom volledig opgevoerd, waarbij deze uitgaven niet worden verdisconteerd. De kasstromen tijdens de exploitatiefase worden wel verdisconteerd, waarbij de jaarlijkse netto kosten worden verminderd met de verkoopopbrengst van de NIKI-producten (baten). In formule:

Bij de berekening moeten alle bedragen exclusief btw worden opgenomen, tenzij de aanvrager niet in staat is de btw te verrekenen. Te betalen vennootschapsbelasting (zie paragraaf 2.3, Stap 4), dat toe te rekenen is aan het NIKI-project maakt onderdeel uit van de exploitatiekosten. Alle kosten moeten ‘technisch noodzakelijk en uitsluitend dienstbaar’ zijn aan de NIKI-installatie(s), het operationaliseren van NIKI-installaties en het exploiteren van de NIKI-installaties, zoals ook van toepassing is in de Energie-investeringsaftrek (EIA). Indien de kosten niet uitsluitend dienstbaar zijn aan het NIKI-project, dient de aanvrager de kosten in aanmerking te nemen indien en voor zover die zien op het NIKI-project. Het toegepaste allocatiemechanisme dient degelijk onderbouwd te worden in de aanvraag.

Gedurende de exploitatieperiode van het NIKI-project mag er voor elementen die in beide methodieken voorkomen geen verschil in hoeveelheden (in/output) zijn tussen de rekenmethode en de hoeveelheden waarmee de CO2-berekening is uitgevoerd. Hierbij dient men ook rekening te houden met een mogelijk verschil in hoeveelheden tussen een NIKI- en een referentieproduct, in het geval dat deze producten niet fysiek identiek zijn.

2.3. Stappenplan berekening

De rekenmethode is opgebouwd uit zeven stappen. In de volgende secties wordt elk van deze zeven stappen in nader uitgewerkt.

De NIKI geeft subsidie voor investeringsactiviteiten en voor exploitatieactiviteiten, de laatste gedurende de eerste 10 jaar van de exploitatie van de NIKI-installatie. Het benodigde subsidiebedrag wordt in de rekenmethode berekend over de gehele economische levensduur van de NIKI-installatie, de subsidie wordt verstrekt in de eerste 10 jaar van de exploitatiefase. De totale economische levensduur is minimaal 20 jaar. De methode voor het bepalen van de exploitatiekosten na 10 jaar tot einde economische levensduur staat beschreven in Stap 4 ‘Bepaal de exploitatiekosten (OPEX) voor de operationele fase’. Na 10 jaar exploitatie vindt een herberekening van het subsidiebedrag plaats op basis van werkelijk gemaakte kosten en opbrengsten en volgt een vaststelling. Het is een vereiste dat de economische levensduur van een NIKI-installatie langer zal zijn dan de exploitatiefase van 10 jaar van het NIKI-project. Hierbij is van belang dat de aanvrager bij het indienen van het bod aannemelijk maakt dat de NIKI-installatie ook na jaar 10 operationeel blijft en na die 10 jaar zonder subsidie rendabel kan opereren. Dit houdt in dat er jaarlijks, zonder subsidie, positieve operationele kasstromen gerealiseerd worden.

In stap 2 worden de investeringskosten (CAPEX) berekend voor een NIKI-project. De investeringskosten moeten ‘technisch noodzakelijk en uitsluitend dienstbaar’ zijn aan de NIKI-installatie(s) en het operationaliseren van NIKI-installaties, zoals ook van toepassing is in de EIA. Indien de kosten niet uitsluitend dienstbaar zijn aan het NIKI-project, dient de aanvrager de kosten in aanmerking te nemen voor zover die zien op het NIKI-project. NIKI-installaties zijn die installaties waarmee het milieuvoordeel in het NIKI project wordt behaald.

In deze stap worden de investeringskosten nader toegelicht. Kosten voor het vervangen of herstellen van installatie(s) mogen niet in de investeringsfase opgenomen te worden. Deze kosten maken onderdeel uit van de exploitatiekosten zoals opgenomen onder stap 4.

De investeringsfase van een NIKI-project begint uiterlijk 12 maanden na het toekennen van de beschikking en niet eerder dan het moment waarop de eerste bindende verplichting wordt aangegaan die een investering onomkeerbaar maakt, bijvoorbeeld de definitieve bestelling van apparatuur of het starten van bouwwerkzaamheden. De subsidie wordt in deze periode uitgekeerd op basis van een mijlpaalmethode. Bij het indienen van de subsidieaanvraag kan de aanvrager aangeven op welke momenten in het ontwikkelingsproces de investeringssteun nodig is. Op deze manier heeft de aanvrager de ruimte om het investeringsproces te optimaliseren met de zekerheid dat de investeringssteun op de juiste momenten wordt ontvangen. Elke mijlpaalperiode dient te worden afgesloten met een concreet definieerbaar resultaat van uitgevoerde activiteiten in het project. De mijlpalen dienen onderbouwd te worden in het NIKI-projectplan. Alle subsidiabele kosten die gemaakt zijn in aanloop naar het te behalen resultaat dienen opgenomen te worden in deze mijlpaal. De aanvrager dient minimaal 3 en maximaal 5 mijlpalen te formuleren voor het NIKI-project. Een mijlpaal kan niet het verkrijgen van een subsidiebeschikking zijn.

Het totaal van het voorschot in de investeringsfase mag niet hoger zijn dan het laagste van de volgende bedragen die bij aanvraag met de NIKI rekenmethode zijn berekend:

Na afloop van de investeringsperiode berekent de aanvrager opnieuw de benodigde subsidie. In deze berekening wordt rekening gehouden met de daadwerkelijke investeringskosten en moeten tevens nieuwe inschattingen worden aangedragen voor de exploitatiefase.

Bereken de totale aankoopprijs van de installaties en machines voor de realisatie van het project. Dit omvat betalingen aan derden voor engineeringskosten na toekenning van de subsidie, het voorbereiden van de NIKI-installaties en het zorgen dat de installaties klaar zijn voor gebruik.

De onderstaande kosten kunnen hiervoor relevant zijn, deze lijst is niet limitatief.

Aankoopprijs van installaties en machines: Dit omvat de kosten voor de aanschaf van alle fysieke activa voor het NIKI-project.

Engineering en ontwerp na FID: Kosten die gemaakt worden voor engineeringdiensten na de toekenning van de subsidie. Dit omvat het ontwerp en de optimalisatie van de NIKI-installaties, alsook eventuele aanpassingen die nodig zijn om aan specifieke projectvereisten te voldoen.

Voorbereidingskosten van de locatie: Kosten voor het klaarmaken van de locatie waar de NIKI-installaties worden geplaatst. Dit kan grondwerk, funderingen, en de inrichting van de locatie omvatten, zodat deze geschikt is voor installatie en gebruik. Kosten voor de sloop van bestaande installaties zijn uitgesloten.

Aanvragers kunnen bovenstaande kosten aantonen door middel van bijvoorbeeld offertes, inkooporders, en facturen van leveranciers, afhankelijk van de fase waarin de aanvrager zich bevindt. De documentatie moet de specificaties en prijzen van elk item omvatten, evenals de overeenkomstige betalingsbewijzen.

Onderstaande kosten maken nadrukkelijk geen onderdeel uit van de investeringskosten:

Arbeidskosten en extern ingehuurd personeel: de arbeidskosten voor eigen medewerkers en extern ingehuurd personeel die nodig zijn voor de installatie van de NIKI-installaties, dienen te zijn gebaseerd op de daadwerkelijke kosten.

Kosten van kranen, steigers en tijdelijke voorzieningen: de kosten van de kranen, steigers, tijdelijke voorzieningen ten behoeve van het NIKI-project.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)