Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)
Er is een Adviescommissie Maritieme Innovatie, die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de toekenning van punten aan maritieme innovatieprojecten op basis van de rangschikkingscriteria, genoemd in artikel 3.6.8, eerste lid.
De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden.
De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste één jaar benoemd.
Artikel 3.6.10. Verplichtingen betreffende samenwerking bij economische activiteiten door maritieme ondernemingen of onderzoeksorganisaties
Bij het uitvoeren van de economische onderzoeksactiviteiten, bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid, onderdeel a, in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.6.2, derde lid, worden:
- a. deze economische onderzoeksactiviteiten uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking, overeenkomstig de afspraken in de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 3.6.12, eerste lid en wordt voldaan aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of
- b. de projectresultaten ruim verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories, of gratis of opensource-software, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.6.11. Verplichtingen betreffende samenwerking bij niet-economische activiteiten door onderzoeksorganisaties
Bij het uitvoeren van niet-economische onderzoeksactiviteiten, bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid, onderdeel b, door een onderzoeksorganisatie in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.6.2, derde lid:
- a. worden de projectactiviteiten door de onderzoeksorganisatie uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met ondernemingen, overeenkomstig de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 3.6.12, eerste lid; en
- b. worden de projectactiviteiten door de onderzoeksorganisatie in de boekhouding opgenomen als niet-economische activiteiten; en
- c. draagt de onderzoeksorganisatie er zorg voor dat:
- 1°. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend;
- 2°. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of
- 3°. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen.
Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de onderzoeksorganisatie die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, in mindering worden gebracht.
De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, stemt overeen met de marktprijs indien:
- a. het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure;
- b. een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs;
- c. de onderzoeksorganisatie als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding, om rekening houdende met haar algemene doelstellingen, maximaal economisch voordeel te behalen op het tijdstip dat de overeenkomst betreffende de vergoeding wordt afgesloten; of
- d. in de gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door de onderzoeksorganisatie gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor de onderzoeksorganisatie het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen.
De voorwaarden van een overeenkomst, gesloten ingevolge het derde lid, onderdeel c, wijken niet af van voorwaarden die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding.
Artikel 1.9 is niet van toepassing op deze titel.
Artikel 3.6.12. Verplichtingen betreffende verstrekking van een samenwerkingsovereenkomst, voortgangsrapportages en kennisverspreiding
Binnen acht weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening wordt een samenwerkingsovereenkomst verstrekt aan de minister, die is gesloten tussen de deelnemers binnen het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.6.2, derde lid, ten behoeve van de uitvoering van het maritiem innovatieproject waarin:
- a. wordt bepaald op welke wijze wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten;
- b. wordt gewaarborgd dat voldaan wordt aan ten minste de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.6.10, en, voor zover van toepassing, de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.6.11.
Onverminderd artikel 39 van het besluit verstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het maritiem innovatieproject op verzoek van de minister inlichtingen omtrent de voortgang van de verrichte of te verrichten activiteiten of resultaten van het maritiem innovatieproject, die gebruikt kunnen worden voor het monitoren van de voortgang van het project.
Binnen één jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling maakt de subsidieontvanger de niet bedrijfsgevoelige kennis en de resultaten die met het maritiem innovatieproject zijn opgedaan, inclusief de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie over de eventueel ontwikkelde producten of diensten en mogelijke bijhorende vervolgstappen voor de doorontwikkeling hiervan, ten minste éénmalig openbaar via een daarvoor geschikte conferentie, publicatie, open access-repositories dan wel gratis of opensource-software.
Artikel 3.6.13. Informatieverplichtingen
Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie ten minste:
- a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres, het rekeningnummer en, voor zover van toepassing, het nummer waarmee de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. een samenvatting van de projectomschrijving en een lijst met deelnemers in het samenwerkingsverband dat het maritiem innovatieproject zal uitvoeren;
- d. gegevens over de grootte van de onderneming van de subsidieaanvrager, indien de subsidieaanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 3.6.3, tweede lid, onderdelen a, b en c.
De aanvraag om subsidie gaat vergezeld van:
- a. een projectomschrijving van het doel of doelen, deelgebieden en de activiteiten van het maritiem innovatieproject;
- b. een onderbouwde projectbegroting waarin een omschrijving wordt gegeven van:
- 1°. de omvang van de gevraagde subsidie;
- 2°. de totaal te maken kosten bij de uitvoering van het maritiem innovatieproject, inclusief een beschrijving van welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid;
- 3°. informatie over de wijze waarop de deelnemers in het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren, voor zover deze kosten betrekking hebben op materialen of prototypes;
- c. documenten met daarin een beknopte beschrijving van de projectorganisatie en de kennis, ervaring en capaciteiten van de bij de uitvoering van een maritiem innovatieproject betrokken organisaties;
- d. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding, bedoeld in artikel 3.6.12, derde lid, zal plaatsvinden.
Artikel 3.6.14. Aanvraag tot subsidievaststelling
Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval:
- a. een omschrijving van de projectresultaten van het maritiem innovatieproject;
- b. indien de omvang van de verleende subsidie per subsidieontvanger € 125.000 of meer bedraagt, een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten en een beschrijving van welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid;
- c. indien de omvang van de verleende subsidie per subsidieontvanger € 50.000 tot € 125.000 bedraagt, een verklaring betreffende werkelijke kosten en opbrengsten waarin wordt aangegeven:
- 1°. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting;
- 2°. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;
- 3°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is;
- 4°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is.
Artikel 3.6.15. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 3.6.2, eerste lid, bevat, met uitzondering van de niet-economische onderzoeksactiviteiten, staatsteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.6.16. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 24 oktober 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.
Titel 3.7. Eurostarsprojecten
Artikel 3.7.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- Eurostars High Level Group: door de lidstaten die deelnemen aan het Eurostars Programma opgerichte samenwerkingsorgaan dat de rangschikking van internationale samenwerkingsprojecten door het Internationaal Evaluatie Panel goedkeurt;
- Eurostars Programma: gezamenlijke Eurostars Programma van EUREKA en de Europese Unie, inhoudend een internationaal Europees stimuleringsprogramma voor internationale samenwerkingsprojecten voor innovatieve ontwikkeling binnen het EUREKA-kader;
- Eurostarsproject: internationaal samenwerkingsproject voor innovatieve ontwikkeling binnen het EUREKA-kader dat voldoet aan de criteria van het Eurostars Programma, waarvan de rangschikking door de Eurostars High Level Group is goedgekeurd, bestaande uit een samenhangend geheel van activiteiten van industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan;
- Internationaal Evaluatie Panel: panel van onafhankelijke deskundigen dat binnen het Eurostars Programma de ingediende voorstellen voor internationale samenwerkingsprojecten voor innovatieve ontwikkeling beoordeelt en rangschikt;
- niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties: industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten.
Artikel 3.7.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan:
- a. een ondernemer die bijdraagt aan een Eurostarsproject;
- b. een onderzoeksorganisatie die bijdraagt aan een Eurostarsproject in een samenwerkingsverband; of
- c. indien twee of meer binnen Nederland gevestigde partijen bijdragen aan hetzelfde Eurostarsproject, een deelnemer in het door deze partijen gevormde samenwerkingsverband, die bijdraagt aan een Eurostarsproject.
Een samenwerkingsverband bevat ten minste een ondernemer die bijdraagt aan een Eurostarsproject.
De penvoerder van een samenwerkingsverband is een ondernemer die bijdraagt aan het Eurostarproject.
Artikel 3.7.2a. Subsidiabele kosten
Het gesubsidieerde deel van het Eurostarsproject, bedoeld in artikel 3.7.2, valt volledig binnen de categorie industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, bedoeld in artikel 2 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Voor subsidie komen in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdelen a, b, d en e, van de in het eerste lid genoemde verordening.
De voor subsidie in aanmerking komende kosten van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten worden bij een specifieke categorie onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid ingedeeld.
Artikel 3.7.3. Steunintensiteit
De subsidie bedraagt:
- a. 25 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;
- b. 50 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties.
Het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt verhoogd met tien procentpunten, indien subsidie wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer.
Het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt verhoogd met vijftien procentpunten, indien het project daadwerkelijke samenwerking behelst en voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.7.4. Verdeling van subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
Artikel 3.7.5. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie jaar.
Artikel 3.7.6. Afwijzingsgronden
De minister beschikt afwijzend op een aanvraag indien:
- a. het Eurostarsproject een onvoldoende totaalscore heeft gekregen van het Internationaal Evaluatie Panel;
- b. het Eurostarsproject een onvoldoende score voor een criterium heeft gekregen van het Internationaal Evaluatie Panel;
- c. aannemelijk is dat het Eurostarsproject, voor zover het door een in Nederland gevestigde ondernemer of onderzoeksorganisatie wordt uitgevoerd, ook zonder de subsidie zonder belangrijke vertraging zou worden uitgevoerd;
- d. aannemelijk is dat het Eurostarsproject geen doorgang kan vinden om redenen die samenhangen met omstandigheden in de andere deelnemende landen van het Eurostarsproject of met financiële of technische problemen van een van de deelnemende parttijen in een ander deelnemend land.
De minister beslist tevens afwijzend op een aanvraag voor zover het gevraagde subsidiebedrag hoger is als € 500.000.
De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen c tot en met e en g, van het besluit zijn niet van toepassing.
Artikel 3.7.7. Rangschikking
De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist overeenkomstig de door de Eurostars High Level Group vastgestelde rangschikking.
Artikel 3.7.8. Schriftelijk verslag
In afwijking van artikel 39 van het besluit brengt de subsidieontvanger steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het Eurostarsproject.
Artikel 3.7.9. Subsidievoorwaarde
De subsidieontvanger voert het Eurostarsproject in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.
Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 3.7.10. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.2 ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, de grootte van de onderneming, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. de gegevens over het project, waaronder de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de locatie van het project, de start- en einddatum, een overzicht van de totale kosten van het project en de omvang van de gevraagde subsidie.
De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 3.7.2 bevat in ieder geval:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;
- b. de omvang van de vast te stellen subsidie.
Artikel 3.7.11. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 3.7.2, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.7.12. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 3.8. Internationaal innoveren
Artikel 3.8.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- AI-innovatieproject: Artificial Intelligence (AI) innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een EUREKA-label;
- EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband: samenwerkingsverband waarbij ten minste één van de partijen een in Nederland gevestigde ondernemer is en ten minste één van de partijen een ondernemer of onderzoeksorganisatie is die is gevestigd in een land dat deelneemt aan het EUREKA-netwerk;
- EUREKA-netwerkproject: innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een EUREKA-label;
- Global Stars-innovatieproject: innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een internationaal innovatiesamenwerkingsverband en dat voorzien is van een EUREKA-label;
- internationaal innovatiesamenwerkingsverband: samenwerkingsverband waarbij ten minste één van de partijen een in Nederland gevestigde ondernemer is en ten minste één van de partijen een ondernemer of onderzoeksorganisatie is die is gevestigd in een land dat niet deelneemt aan het EUREKA-netwerk;
- ITEA4-innovatieproject: innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een label van het EUREKA cluster ITEA4;
- Quantum-innovatieproject: innovatieproject op het gebied van toegepaste quantum-technologieën dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een EUREKA-label;
- TechBridge-innovatieproject: innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een TechBridge-innovatiesamenwerkingsverband en ziet op een van de volgende technologieën:
- a. optical systems and integrated photonics;
- b. quantum technologies;
- c. process technology, including process intensification;
- d. biomolecular and cell technologies;
- e. imaging technologies;
- f. mechatronics and optomechatronics;
- g. artificial intelligence and data;
- h. energy materials;
- i. semiconductor technologies; of
- j. cybersecurity technologies;
- TechBridge-innovatiesamenwerkingsverband: samenwerkingsverband waarbij ten minste één van de partijen een in Nederland gevestigde ondernemer is en ten minste één van de partijen een ondernemer of onderzoeksorganisatie is die is gevestigd buiten Nederland;
- waterstof-innovatieproject: innovatieproject dat zich richt op de infrastructuur voor het transport van waterstof dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een EUREKA-label;
- XECS-innovatieproject: innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een label van het EUREKA cluster XECS.
Artikel 3.8.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer:
- a. in een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een XECS-innovatieproject, een EUREKA-netwerkproject, een ITEA4-innovatieproject, AI-innovatieproject, Quantum-innovatieproject of een waterstof-innovatieproject;
- b. in een internationaal innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Global Stars-innovatieproject; of
- c. in een Techbridge-innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een TechBridge-innovatieproject.
Artikel 3.8.3. Penvoerder
De penvoerder is een ondernemer.
Artikel 3.8.4. Steunintensiteit
De subsidie bedraagt:
- a. 50 procent van de subsidiabele kosten van een innovatieproject voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;
- b. 35 procent van de subsidiabele kosten van een innovatieproject voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek en worden gemaakt door een ondernemer;
- c. 25 procent van de subsidiabele kosten van een innovatieproject voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.
De percentages, genoemd in het eerste lid, onder b en c, worden verhoogd met 10 procentpunten indien subsidie wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer.
Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een EUREKA-netwerkproject meer bedraagt dan € 750.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.
Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers in een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een XECS-innovatieproject, een ITEA4-innovatieproject of een AI-innovatieproject, meer bedraagt dan € 4.000.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.
Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een internationaal innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Global Stars-innovatieproject meer bedraagt dan € 350.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.
Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een internationaal innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een waterstof-innovatieproject meer bedraagt dan € 500.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.
Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een internationaal innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van Quantum-innovatieproject meer bedraagt dan € 400.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.
Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een TechBridge-innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een TechBridge-innovatieproject meer bedraagt dan:
- a. € 300.000, indien het een TechBridge-innovatieproject betreft in het kader van de TechBridge-innovatiecall Verenigd Koninkrijk 2025;
- b. € 250.000, indien het een TechBridge-innovatieproject betreft in het kader van de TechBridge-innovatiecall China, Next-Generation Battery Technologies;
- c. € 350.000, indien het een TechBridge-innovatieproject betreft in het kader van de TechBridge-innovatiecall China, Circular Chemistry and Materials;
- d. € 700.000, indien het een TechBridge-innovatieproject betreft in het kader van de TechBridge-innovatiecall Photonics Integrated Circuits;
- e. € 1.000.000, indien het een TechBridge-innovatieproject betreft in het kader van de TechBridge-innovatiecall Duitsland, Quantum Technologies in Aerospace;
wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.
Artikel 3.8.4a. In aanmerking komende kosten
Voor subsidie komen uitsluitend de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.8.5. Afwijzingsgrond
Geen subsidie wordt verstrekt indien de aanvrager vóór indiening van de aanvraag om subsidie, bedoeld in artikel 3.8.2, reeds gestart is met zijn deel van het XECS-innovatieproject, het EUREKA-netwerkproject, het Global Stars-innovatieproject, het ITEA4-innovatieproject, AI-innovatieproject, Quantum-innovatieproject, TechBridge-innovatieproject of een waterstof-innovatieproject.
Artikel 3.8.6. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
Artikel 3.8.7. Adviescommissie
Er is een Adviescommissie Internationaal Innoveren die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de beoordeling van de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23, onderdelen d tot en met g, van het besluit en in artikel 3.8.9 en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.8.10, voor aanvragen om subsidie voor AI-innovatieprojecten, ITEA4-innovatieprojecten en XECS-innovatieprojecten.
De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijftien leden.
De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar.
Artikel 3.8.8. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is drie jaar.
Artikel 3.8.9. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
- a. indien van het innovatieproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn;
- b. afkomstig van een overheid of overheidsinstelling, tenzij het een onderzoeksorganisatie betreft;
- c. indien, in het geval van een Global Stars-innovatieproject, aannemelijk is dat het Global Stars-innovatieproject geen doorgang kan vinden om redenen die samenhangen met andere omstandigheden in de andere deelnemende landen van het Global Stars-innovatieproject of met financiële of technische problemen van een van de deelnemende partijen in een ander deelnemend land;
- d. indien, in het geval van een waterstof-innovatieproject, aannemelijk is dat het waterstof-innovatieproject geen doorgang kan vinden om redenen die samenhangen met andere omstandigheden in de andere deelnemende landen van het waterstof-innovatieproject of met financiële of technische problemen van een van de deelnemende partijen in een ander deelnemend land;
- e. indien, in het geval van een TechBridge-innovatieproject, aannemelijk is dat het TechBridge-innovatieproject geen doorgang kan vinden om redenen die samenhangen met andere omstandigheden in de andere deelnemende landen van het TechBridge-innovatieproject of met financiële of technische problemen van een van de deelnemende partijen in een ander deelnemend land.
Artikel 3.8.10. Rangschikkingscriteria
De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:
- a. een innovatieproject meer bijdraagt aan technologische vernieuwing of wezenlijk nieuwe toepassingen van een bestaande technologie;
- b. de bijdrage aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van een innovatieproject, de nieuwheid van een samenwerkingsverband en de betrokkenheid van onderzoeksorganisaties groter zijn;
- c. de projectresultaten meer economische waarde creëren voor Nederland;
- d. meer wordt aangesloten bij de doelstellingen van de deelnemende ondernemingen en de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten uitgebreider zijn.
Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid vermelde criteria even zwaar.
Artikel 3.8.11. Schriftelijk verslag
Voor EUREKA-netwerkprojecten brengen de subsidieontvangers, in afwijking van artikel 39 van het besluit gezamenlijk steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van EUREKA-netwerkprojecten met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de beschikking tot subsidieverlening vermelde raming van de subsidiabele kosten.
Artikel 3.8.12. Evaluatie
De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatieonderzoek van de effecten van het door hem uitgevoerde innovatieproject, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.
De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de dag waarop subsidie wordt vastgesteld.
Artikel 3.8.13. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.8.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.8.2 ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. de gegevens over het plan, waaronder de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de start- en einddatum, de totale kosten en de omvang van de gevraagde subsidie.
De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 3.8.2 bevat in ieder geval:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;
- b. de omvang van de vast te stellen subsidie.
Artikel 3.8.14. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 3.8.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.8.15. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 3.9. Innovatiekredieten
Artikel 3.9.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- certificeringstraject: certificering op basis van de resultaten van uitvoerige beproevingen en berekeningen;
- klinisch ontwikkelingsproject: planmatig geheel van activiteiten in de fase van experimentele ontwikkeling, gericht op het omzetten van resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema’s of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten of processen, die nieuw zijn voor Nederland, en
- a. aan de ontwikkeling van welke producten en processen klinische risico’s en daarmee samenhangende financiële risico’s zijn verbonden en
- b. welke producten of processen door het goede commerciële perspectief kunnen leiden tot substantiële economische activiteiten van de onderneming;
- klinisch risico: risico voor het welslagen van het product of proces dat voortvloeit uit de noodzaak dat het nieuwe product of proces een testfase in de mens doorloopt;
- ontwikkelingsproject: een technisch ontwikkelingsproject of een klinisch ontwikkelingsproject;
- opslag: eenmalige en niet rentedragende opslag als bedoeld in artikel 3.9.8, vierde lid, in de vorm van een bij de beschikking tot subsidieverlening, overeenkomstig artikel 3.9.9, bepaald percentage van het bedrag dat in totaal is uitbetaald als subsidie in de vorm van krediet op het moment van subsidievaststelling;
- technisch ontwikkelingsproject: een planmatig geheel van activiteiten in de fase van experimentele ontwikkeling, gericht op het omzetten van resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema’s of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten, die nieuw zijn voor Nederland, en
- a. waaraan substantiële technische, maar geen klinische, risico’s en daarmee samenhangende financiële risico’s zijn verbonden en
- b. welke producten, processen of diensten door het goede commerciële perspectief kunnen leiden tot substantiële economische activiteiten van de onderneming;
- uitstaand saldo: totaalbedrag dat aan de subsidieontvanger is uitbetaald als subsidie in de vorm van krediet, verhoogd met de verschenen rente, bedoeld in artikel 3.9.8, tweede en derde lid, en, voor zover reeds van toepassing, met de opslag en verminderd met de betalingen, gedaan overeenkomstig artikel 3.9.8, vijfde lid.
Artikel 3.9.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag ten behoeve van de financiering van een ontwikkelingsproject subsidie met een terugbetalingsverplichting als bedoeld in artikel 42 van het besluit aan een ondernemer, die:
- a. een klinisch ontwikkelingsproject uitvoert, of
- b. een technisch ontwikkelingsproject uitvoert.
In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van het besluit kan ook subsidie worden verstrekt aan een ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
Artikel 3.9.3. Hoogte subsidie
De subsidie heeft betrekking op experimentele ontwikkeling en bedraagt 25% van de subsidiabele kosten.
Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt verhoogd met:
- a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; of
- b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming.
Indien het project daadwerkelijke samenwerking behelst en voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, wordt het percentage verhoogd met:
- a. 5 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming; of
- b. 15 procentpunten, indien de aanvrager een andere onderneming is.
Artikel 3.9.4. Subsidiemaximum
Het maximum subsidiebedrag bedraagt:
- a. € 5.000.000 per subsidieontvanger die een klinisch ontwikkelingsproject uitvoert, of
- b. € 10.000.000 per subsidieontvanger die een technisch ontwikkelingsproject uitvoert.
Indien door een ondernemer, dan wel door ondernemers die behoren tot eenzelfde groep, meer dan één ontwikkelingsproject wordt uitgevoerd en daarvoor subsidieaanvragen in het kader van deze titel zijn ingediend, wordt in een kalenderjaar aan die ondernemer, dan wel aan die ondernemers die tot eenzelfde groep behoren gezamenlijk, ten hoogste € 10.000.000 aan subsidie verleend.
Artikel 3.9.4a. In aanmerking komende kosten
Voor subsidie komen uitsluitend de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.9.5. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt de subsidieplafonds op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 3.9.6. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is vijf jaar.
De minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, op verzoek met ten hoogste twee jaar verlengen indien sprake is van een technisch ontwikkelingsproject met een certificeringstraject.
Artikel 3.9.7. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
- a. hij de subsidiabele kosten raamt op minder dan € 150.000;
- b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidieontvanger het ontwikkelingsproject en de daarop volgende fase van commercialisatie kan financieren;
- c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidieontvanger een ontwikkelingsproject zowel in technische als in economische zin tot een succes zal kunnen maken;
- d. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidieontvanger de subsidie terug kan betalen binnen de in artikel 3.9.8, vijfde lid, genoemde periode;
- e. van het ontwikkelingsproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.
De afwijzingsgrond, genoemd in artikel 23, onderdeel a, van het besluit is niet van toepassing.
Artikel 3.9.8. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger is verplicht de verstrekte subsidie volgens een in de beschikking tot subsidieverlening vastgelegd schema terug te betalen aan de minister.
De subsidieontvanger is verplicht over het uitstaande saldo, met uitzondering van de opslag, aan de minister jaarlijks een bij de beschikking tot subsidieverlening, overeenkomstig artikel 3.9.9, bepaald rentepercentage te betalen, dat op een ontwikkelingsproject van toepassing blijft tot aan de betalingsverplichtingen geheel is voldaan.
De rente wordt aan het eind van elk kalenderjaar rentedragend bij het uitstaande saldo bijgeschreven.
Onverminderd het tweede lid, is de subsidieontvanger eenmalig verplicht om aan de minister een bij de beschikking tot subsidieverlening, overeenkomstig artikel 3.9.9, bepaald opslagpercentage te betalen over het bedrag dat is uitbetaald als subsidie in de vorm van krediet. De opslag wordt aan het eind van het kalenderjaar waarin de subsidie is vastgesteld, bij het uitstaand saldo bijgeschreven.
De subsidieontvanger is verplicht het uitstaande saldo binnen 10 jaar na vaststelling van de subsidie aan de minister te betalen.
Artikel 3.9.9. Rente en opslag
Het rentepercentage, bedoeld in artikel 3.9.8, tweede lid, en het percentage van de opslag, worden jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld, waarbij een onderscheid gemaakt kan worden tussen technische ontwikkelingsprojecten en klinische ontwikkelingsprojecten.
Artikel 3.9.10. Versnelde aflossing
De minister kan besluiten dat de verstrekte subsidie in de vorm van krediet versneld of in een keer terugbetaald wordt, indien:
- a. de aandelen van de subsidieontvanger worden vervreemd;
- b. de resultaten van het project geheel of gedeeltelijk worden vervreemd.
Artikel 3.9.11. Verhoging subsidie
Indien ontheffing is verleend op basis van artikel 37, derde lid, van het besluit, kan de minister op aanvraag van de subsidieontvanger het bedrag van een eerder voor een ontwikkelingsproject verleende subsidie verhogen tot maximaal het bedrag dat voor dat ontwikkelingsproject kan worden verkregen.
De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt volgens eenzelfde procedure en volgens dezelfde criteria behandeld als een eerste aanvraag om subsidie voor een ontwikkelingsproject.
Artikel 3.9.11a. Cumulatie
Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit worden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Vierde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Zevende tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid en de Achtste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid.
Artikel 3.9.12. Evaluatieverplichting
De subsidieontvanger verleent medewerking aan evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde ontwikkelingsproject, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.
De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
Artikel 3.9.13. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.9.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.9.2 ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. de gegevens over het plan, waaronder de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de start- en einddatum, de totale kosten en de omvang van de gevraagde subsidie;
- d. een businessplan, een projectplan en een financieel plan;
- e. de meest recente jaarrekening en openingsbalans.
De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 3.9.2 bevat in ieder geval:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;
- b. de omvang van de vast te stellen subsidie.
Artikel 3.9.14. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 3.9.2 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.9.15. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 3.10. Seed capital technostarters
§ 3.10.1. Algemene bepalingen
Artikel 3.10.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- achtergestelde vordering: vordering van een startersfonds ten laste van een technostartersvennootschap:
- a. die het startersfonds heeft verkregen door in het kader van een participatie aan de technostartersvennootschap geld ter leen te verstrekken;
- b. die met instemming van de crediteur een lagere rang inneemt dan alle andere, niet achtergestelde vorderingen op de debiteur als bedoeld in artikel 277, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;
- c. waarop de debiteur krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening eerst verplicht is rente en aflossing te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande niet achtergestelde vorderingen op de debiteur zijn voldaan;
- d. terwijl ingevolge de vorenbedoelde akte van geldlening de crediteur afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de rente en aflossing;
- beheerskosten: alle kosten die een startersfonds maakt voor het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties, met inbegrip van de kosten van begeleiding van technostartersvennootschappen, uitgezonderd de verkrijgingprijs van de participaties;
- converteerbare lening: geldlening, steeds resulterend in een achtergestelde vordering, van het startersfonds aan een technostartersvennootschap die door het startersfonds geconverteerd kan worden in aandelen in het kapitaal van de technostartersvennootschap;
- desinvesteringsperiode: periode waarbinnen het startersfonds de participaties vervreemdt of overdraagt;
- dual-use technostarter: technostarter wiens onderneming producten, processen of diensten ontwikkelt en levert, die voor militaire toepassingen kunnen worden ingezet, ook indien de technologie primair voor civiele toepassingen wordt ontwikkeld, en die zijn gebaseerd op een onderscheidende technische vinding met:
- a. civiele toepassingsmogelijkheden en, naar redelijke verwachting in de toekomst, militaire toepassingsmogelijkheden; of
- b. enkel militaire toepassingsmogelijkheden;
- eerste commerciële verkoop: eerste verkoop door een onderneming op een product- of dienstenmarkt, met uitsluiting van beperkte verkopen om de markt te testen;
- eHealth technostarter: technostarter wiens onderneming producten, processen of diensten verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische of creatieve vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie onderscheidenlijk van een bestaande creatieve vinding onder meer op het gebied van ICT om gezondheid en gezondheidszorg te ondersteunen of te verbeteren, en die bijdragen aan zelfregie, zelfredzaamheid of zelfzorg van de patiënt;
- eigen bijdragen: particuliere geldelijke middelen die direct of indirect door de fondspartijen in een startersfonds zijn ingebracht en die door het startersfonds daadwerkelijk zijn of worden gebruikt voor het verkrijgen van participaties;
- fondsbeheerder: feitelijke uitvoerder van een fondsplan, zijnde het startersfonds of een door het startersfonds daartoe gecontracteerde derde;
- fondspartij: investeerder die eigen bijdragen inbrengt in een startersfonds en die tevens samen met de andere fondspartijen als direct of indirect aandeelhouder, hoofdelijk aansprakelijk vennoot, lid of oprichter een belang heeft in het startersfonds;
- fondsperiode: de periode bestaande uit de investeringsperiode en de desinvesteringsperiode, welke periodes gezamenlijk gelijk staan aan de looptijd van de lening van de Staat aan het startersfonds;
- fondsplan: plan van een startersfonds tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van activiteiten die bestaan uit het verkrijgen, beheren en beëindigen van participaties en het begeleiden van de desbetreffende technostartersvennootschappen;
- informal investor: een particulier die, al dan niet via een kapitaalvennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is, voor eigen rekening en risico participeert en investeert in ondernemingen;
- inkomsten: alle op geld waardeerbare voordelen die een startersfonds heeft verkregen uit een participatie, waaronder dividend, rente, aflossingen, opties, de prijs waartegen de participatie is vervreemd, de prijs waartegen de participatie door de technostartersvennootschap is ingekocht of terugbetaald en de liquidatie-uitkering;
- investeringsbudget: geldelijke middelen die een startersfonds beschikbaar heeft of zal hebben en die bestemd zijn om de verkrijgingprijs van participaties te voldoen, bestaande uit de optelsom van de eigen bijdragen en het maximale bedrag van de geldlening, bedoeld in artikel 3.10.2, vierde lid;
- investeringsperiode: periode gedurende welke een startersfonds activiteiten verricht ter verkrijging van nieuwe participaties;
- participatie: risicokapitaal in de vorm van:
- a. aandelen in het kapitaal van een technostartersvennootschap die het startersfonds rechtstreeks van de technostartersvennootschap heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een converteerbare lening,
- b. aandelen in het kapitaal van een technostartersvennootschap als bedoeld onder a in combinatie met een achtergestelde vordering, of
- c. een uit een converteerbare lening voortvloeiende achtergestelde vordering;
- referentierente: referentiepercentage als bedoeld in de Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PbEU 2008, C14), zoals laatstelijk vastgesteld voor Nederland, en vermeerderd met 4 procentpunt;
- risicokapitaal: risicofinancieringsinvestering als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- startersfonds:
- a. kapitaalvennootschap, vennootschap met een afgescheiden vermogen, of rechtspersoon met een afgescheiden vermogen niet zijnde een vennootschap, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie;
- b. die blijkens de akte waarbij zijn statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij hij is ingesteld, uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan technostartersvennootschappen teneinde winst te behalen, en
- c. waarin ten minste drie fondspartijen deelnemen respectievelijk samenwerken zonder dat twee of drie van hen tot dezelfde groep behoren en zonder dat één van hen een economisch of juridisch meerderheidsbelang in het fonds heeft;
- technostarter: rechtspersoon die een onderneming drijft die:
- a. ten tijde van de eerste participatie op grond van deze titel minder dan zeven jaar na haar eerste commerciële verkoop actief is op een producten- of dienstenmarkt;
- b. voldoet aan de definitie van niet-beursgenoteerde kmo, bedoeld in artikel 2, onderdelen 2 en 76, en bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening; en
- c. hetzij voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie,
- d. hetzij deel uitmaakt van één van de creatieve sectoren en voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe creatieve vinding of op een nieuwe toepassing van een bestaande creatieve vinding;
- technostartersvennootschap: een technostarter die behoudens voor zover de onderneming behoort tot de economische sectoren van landbouw, visserij, aquacultuur of scheepsbouw of tot de EGKS-sectoren;
- a. een onderneming drijft in de vorm van een kapitaalvennootschap of in de vorm van een vennootschap met een afgescheiden vermogen waarin door een startersfonds een participatie verkregen kan worden, en
- b. zijn primaire bedrijfsactiviteiten in Nederland uitvoert,
- verkrijgingprijs: deel van het investeringsbudget waarvoor een startersfonds een participatie heeft verkregen.
Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen een startersfonds.
§ 3.10.2. Seed capital startersfondsen
Artikel 3.10.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een startersfonds voor het uitvoeren van een fondsplan.
Indien sprake is van een specifieke openstelling voor fondsplannen voor eHealth technostarters, verstrekt de minister op aanvraag subsidie aan een startersfonds voor het uitvoeren van een fondsplan, waarbij minimaal 50 procent van het investeringsbudget bestemd is voor het verkrijgen van participaties in eHealth technostarters.
Indien sprake is van een specifieke openstelling voor fondsplannen voor dual-use technostarters, verstrekt de minister op aanvraag subsidie aan een startersfonds voor het uitvoeren van een fondsplan, waarbij minimaal 75 procent van het investeringsbudget bestemd is voor het verkrijgen van participaties in dual-use technostarters.
De subsidie wordt verleend in de vorm van een geldlening.
De beschikking tot verlening van een subsidie kan worden verleend onder voorwaarden die zijn gericht op het wegnemen of beperken van risico’s die aan de subsidieverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid, verbonden kunnen zijn.
Artikel 3.10.3. Subsidievoorwaarden
In de overeenkomst van geldlening wordt bepaald dat:
- a. de financier een deel van de inkomsten uit participaties overboekt aan de minister;
- b. de financier geen andere activiteiten verricht dan de uitvoering van het fondsplan.
In de overeenkomst van geldlening kunnen bepalingen worden opgenomen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.
Artikel 3.10.4. Hoogte subsidie
De geldlening die op grond van de overeenkomst van geldlening ten hoogste kan worden geleend, bedraagt 50 procent van het investeringsbudget, doch ten hoogste € 12.000.000 per subsidieontvanger.
Artikel 3.10.5. Verdeling subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
Artikel 3.10.6. Adviescommissie
Er is een Adviescommissie seed capital technostarters die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het besluit en in artikel 3.10.7, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.10.8.
De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste negen leden.
De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd.
Artikel 3.10.7. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
- a. onvoldoende aannemelijk is dat de financier gedurende de fondsperiode daadwerkelijk beschikt over de middelen die de financier aan het investeringsbudget bijdraagt of over de middelen ter dekking van de beheerskosten;
- b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben voor het verkrijgen van participaties en voor het beheer hiervan op een wijze zoals bij participatiefondsen gebruikelijk is;
- c. een fondsplan niet is gebaseerd op de uitgangspunten dat:
- 1°. een financier participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt;
- 2°. de totale verkrijgingprijs van de participaties die gedurende de fondsperiode in één technostartersvennootschap wordt geïnvesteerd, ten minste € 100.000 en ten hoogste € 5.000.000 bedraagt;
- 3°. de gemiddelde totale verkrijgingprijs van de participaties die een financier gedurende de investeringsperiode per technostartersvennootschap investeert, over alle technostartersvennootschappen genomen ten hoogste € 2.500.000 bedraagt;
- 4°. de middelen die door een financier over een periode van twaalf maanden aan een technostartersvennootschap worden verstrekt ten hoogste € 2.500.000 bedragen;
- 5°. de beheerskosten jaarlijks ten hoogste 5 procent bedragen van het investeringsbudget;
- 6°. de fondsbeheerder voor zijn werkzaamheden een beloning verkrijgt die afhankelijk is van zijn individuele prestatie;
- 7°. de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat aan het einde van de fondsperiode ten hoogste 50 procent van het totaal van de verkrijgingsprijzen van alle participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen;
- 8°. voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente;
- 9°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn;
- 10°. bij de beslissing van de financier inzake de verkrijging van een participatie rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende technostartersvennootschap;
- 11°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waaraan niet eerder door een participatiemaatschappij risicokapitaal is verstrekt, behoudens indien:
- –. deze participatiemaatschappij een financier is en voor zover het totaal aan verkrijgingsprijzen van de participaties die alle financiers gezamenlijk in de technostartersvennootschap investeren, niet boven € 5.000.000 uitkomt;
- –. deze participatiemaatschappij naar het oordeel van de Minister niet in staat is nieuwe participaties in de technostartersvennootschap te verkrijgen, voor zover als gevolg van de nieuwe participatie door het startersfonds het totaal aan risicokapitaal dat verstrekt is aan de technostartersvennootschap door alle participatiemaatschappijen en de financier gezamenlijk, niet boven € 5.000.000 uitkomt, of
- –. deze participatiemaatschappij een informal investor is;
- 12°. de financier uitsluitend vervolginvesteringen doet in een technostarter, indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 21, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en, ingeval de desbetreffende technostarter ten tijde van de vervolginvestering zeven jaar of langer na de eerste commerciële verkoop actief is op een producten- of dienstenmarkt, de financier tevens het minimale particuliere deelnemingspercentage, opgenomen in artikel 21, twaalfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bereikt, overeenkomstig artikel 21, twaalfde en dertiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- d. het fondsplan onvoldoende is onderbouwd;
- e. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het fondsplan naar behoren wordt uitgevoerd;
- f. de belangen van de Staat kunnen worden geschaad.
Artikel 23, onderdeel b, van het besluit is niet van toepassing.
Indien een startersfonds een aanvraag die betrekking heeft op het uitvoeren van een fondsplan voor eHealth technostarters dan wel dual-use technostarters, onder zowel een generieke openstelling voor fondsplannen voor technostarters als onder een gelijktijdige specifieke openstelling voor fondsplannen voor eHealth technostarters respectievelijk dual-use technostarters heeft ingediend, en dit fondsplan op basis van de rangschikking en hoogte van het subsidieplafond bij beide openstellingen in aanmerking komt voor subsidiëring, beslist de minister afwijzend op de aanvraag onder de generieke openstelling.
Indien sprake is van een specifieke openstelling voor fondsplannen voor dual-use technostarters, beslist de minister afwijzend op een aanvraag indien de aanvraag, bedoeld in artikel 3.10.2, derde lid, niet aantoonbaar betrekking heeft op ten minste een van de volgende:
- a. technologiegebieden:
- 1°. intelligente systemen;
- 2°. sensoren;
- 3°. slimme materialen;
- 4°. ruimtetechnologie;
- 5°. quantum; of
- b. Defensie-basisgebieden:
- 1°. cyber en elektronische oorlogsvoering;
- 2°. sensorsystemen;
- 3°. wapensystemen;
- 4°. platformsystemen;
- 5°. C3I en Digitalisering;
- 6°. bescherming;
- 7°. menselijk Presteren en Medicijnen;
- 8°. autonome en onbemande systemen;
- 9°. logistiek;
- 10°. Defensie-toepasbare sleuteltechnologieën en -methodologieën.
Artikel 3.10.8. Rangschikkingscriteria
De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger, naarmate:
- a. de aanvrager meer kan steunen op relevante ervaring en deskundigheid. Dit blijkt uit:
- 1°. de ervaring en deskundigheid van management en direct betrokkenen op financieel gebied;
- 2°. de ervaring en deskundigheid van management en direct betrokkenen met betrekking tot business aspecten van technostarters;
- 3°. de omvang en toegevoegde waarde van relatienetwerk;
- 4°. de diversiteit in de samenstelling van het fondsmanagement;
- b. het fondsplan doelmatiger is ingericht en meer bijdraagt aan de opbouw van succesvolle ondernemingen door technostartervennootschappen. Dit blijkt uit:
- 1°. de kwaliteit van het plan en de mate van zekerheid dat het plan ook daadwerkelijk zal worden uitgevoerd;
- 2°. de prijskwaliteitsverhouding en efficiency;
- 3°. het financieel-economisch rendement;
- c. het fondsplan effectiever is in relatie tot de doelstelling van de regeling. Dit blijkt uit:
- 1°. de mate van maatschappelijk rendement;
- 2°. de mate waarin het fondsplan vernieuwend is.
Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid vermelde criteria even zwaar.
Artikel 3.10.9. Termijn voor sluiten overeenkomst
De in artikel 30, eerste lid, van het besluit genoemde termijn waarbinnen een overeenkomst tot stand moet zijn gekomen, kan, indien dit naar het oordeel van de minister redelijkerwijs geoorloofd is, met maximaal acht weken verlengd worden.
Artikel 3.10.10. Vergoeding
De vergoeding, bedoeld in artikel 33, tweede lid, van het besluit, verschilt al naar gelang de inkomsten door de financier worden ontvangen in één van de volgende perioden:
- a. periode A: vanaf het tot stand komen van deze overeenkomst van geldlening totdat het totaal van de door de financier uit de participaties verkregen inkomsten na aftrek van het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan de eigen bijdragen voor de verkregen participaties, gemeten aan het einde van de fondsperiode;
- b. periode B: vanaf het einde van periode A totdat het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan het totaal op grond van de overeenkomst van lening opgenomen bedrag, gemeten aan het einde van de fondsperiode;
- c. periode C: vanaf het einde van periode B tot het einde van de fondsperiode.
De vergoeding, bedoeld in artikel 33, tweede lid, van het besluit, bedraagt:
- a. in periode A: 20 procent van de inkomsten;
- b. in periode B: 50 procent van de inkomsten;
- c. in periode C: 20 procent van de inkomsten.
De percentages, bedoeld in de onderdelen a, b en c, worden naar rato verlaagd, indien de geldlening minder dan de helft van het investeringsbudget uitmaakt.
De minister kan de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, per periode A, B en C, afwijkend vaststellen, indien de financier in strijd heeft gehandeld met hetgeen in deze regeling of in de overeenkomst tot geldlening, bedoeld in artikel 3.10.3, is bepaald.
Artikel 3.10.11. Modelovereenkomst
Het model voor een overeenkomst van geldlening is opgenomen in bijlage 3.10.1.
Artikel 3.10.12. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.10.2, eerste, tweede of derde lid, bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.10.2, eerste, tweede of derde lid, ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. een fondsplan, inclusief de start- en einddatum en de omvang van de gevraagde subsidie;
- d. een financieel plan, waaronder de investeringsbegroting en een begroting van de beheerskosten;
- e. bewijsstukken, waaruit blijkt dat de aanvrager financiële toezeggingen heeft verkregen ter hoogte van minimaal vijftig procent van de som van de eigen bijdragen en de beheerskosten; en
- f. de juridische documentatie van het startersfonds.
§ 3.10.3. Seed business angel fondsen
Artikel 3.10.12a. Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- eigen bijdragen: geldelijke middelen, met een minimum van € 100.000 per fondspartij, die door de fondspartijen in een seed business angel fonds zijn ingebracht en die door het seed business angels fonds daadwerkelijk zijn of worden gebruikt voor het verkrijgen van participaties;
- fondspartij: investeerder die eigen bijdragen inbrengt in een seed business angel fonds en die tevens samen met ten minste één andere fondspartij als aandeelhouder, hoofdelijk aansprakelijk vennoot, lid of oprichter een belang heeft in het seed business angel fonds;
- seed business angel fonds:
- a. kapitaalvennootschap, vennootschap met een afgescheiden vermogen, of rechtspersoon met een afgescheiden vermogen niet zijnde een vennootschap, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie,
- b. die blijkens de akte waarbij zijn statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij hij is ingesteld uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan technostartersvennootschappen teneinde winst te behalen, en
- c. waarin ten minste twee fondspartijen die informal investor zijn deelnemen respectievelijk samenwerken, zonder dat zij tot dezelfde groep behoren en zonder dat één van hen een economisch of juridisch meerderheidsbelang in het fonds heeft.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder startersfonds: seed business angel fonds.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als financier aangewezen een seed business angel fonds.
Artikel 3.10.12b. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een seed business angel fonds voor het uitvoeren van een fondsplan.
De subsidie wordt verleend in de vorm van een geldlening.
De beschikking tot verlening van een subsidie kan worden verleend onder voorwaarden die zijn gericht op het wegnemen of beperken van risico’s die aan de subsidieverstrekking, bedoeld in het eerste lid, verbonden kunnen zijn.
Artikel 3.10.12c. Subsidievoorwaarden en zekerheidsstelling
De subsidievoorwaarden uit artikel 3.10.3 zijn van overeenkomstige toepassing op een seed business angel fonds.
Artikel 3.10.12d. Subsidievoorwaarde
De geldlening die op grond van de overeenkomst van geldlening ten hoogste kan worden geleend, bedraagt maximaal 50 procent van het investeringsbudget.
Artikel 3.10.12e. Maximum subsidiebedrag
Het maximum subsidiebedrag bedraagt € 1.000.000 per subsidieontvanger.
Artikel 3.10.12f. Adviescommissie
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)