Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit bedraagt 24 maanden.
Artikel 3.16.4. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
- a. indien het vernieuwingsfasetraject geen experimentele ontwikkeling vormt;
- b. indien aannemelijk is dat de MKB-ondernemer de financiering waarvoor de aanvraag is ingediend zelf heeft of kan verkrijgen bij anderen;
- c. indien onvoldoende aannemelijk is dat de toekomstige investeerder aan de hand van het vernieuwingsfaseplan het plan heeft opgevat de MKB-ondernemer te financieren of de toekomstige investeerder daar naar verwachting niet toe in staat zal zijn;
- d. voor zover de begrote kosten van het vernieuwingsfasetraject hoger zijn dan € 450.000 of
- 1°. lager zijn dan € 142.000 indien de MKB-ondernemer een middelgrote onderneming in stand houdt, of
- 2°. lager zijn dan € 110.000 indien de MKB-ondernemer een kleine onderneming in stand houdt;
- e. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de MKB-ondernemer een vernieuwingsfasetraject in uitvoeringstechnische zin zo zal kunnen voltooien dat hij financiering voor de fase na het vernieuwingsfasetraject zal kunnen verkrijgen van de toekomstige investeerder;
- f. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de MKB-ondernemer de geldlening bedoeld in artikel 3.16.2, eerste lid, kan terugbetalen;
- g. indien voor het vernieuwingsfasetraject reeds door de minister subsidie is verstrekt;
- h. indien voor het vernieuwingsfasetraject een geldlening bij een financier kan worden aangevraagd;
- i. indien met de uitvoering van het vernieuwingsfasetraject is begonnen voor de datum van de aanvraag.
Artikel 3.16.5. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 3.16.6. Subsidievoorwaarden
De subsidieverlening vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt binnen twee weken na die beschikking is ondertekend door de MKB-ondernemer.
De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld.
§ 3.16.3. Innovatieve starter
Artikel 3.16.7. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een subsidie met een terugbetalingsverplichting als bedoeld in artikel 42 van het besluit aan een innovatieve starter ten behoeve van de financiering van een vroegefasetraject.
Bij zijn aanvraag legt de innovatieve starter een verklaring van een toekomstige investeerder over die is opgesteld overeenkomstig het model dat in bijlage 3.16.1 is opgenomen.
Artikel 3.16.8. Subsidieomvang
De subsidie bestaat uit een geldlening voor een bedrag gelijk aan het totaal van de door de innovatieve starter voorziene kosten voor het vroegefasetraject doch ten hoogste € 450.000.
De kosten gemaakt door de innovatieve starter als natuurlijke persoon worden berekend door het aantal uren dat hij ten behoeve van het vroegefasetraject heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 45.
Artikel 3.16.8a. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit bedraagt 24 maanden.
Artikel 3.16.9. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
- a. indien aannemelijk is dat de innovatieve starter de financiering waarvoor de aanvraag is ingediend zelf heeft of kan verkrijgen bij anderen;
- b. indien onvoldoende aannemelijk is dat de toekomstige investeerder aan de hand van het vroegefaseplan het plan heeft opgevat de innovatieve starter te financieren of de toekomstige investeerder daar naar verwachting niet toe in staat zal zijn;
- c. voor zover de voorziene kosten van het vroegefasetraject hoger zijn dan € 450.000 of lager zijn dan € 50.000;
- d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de innovatieve starter het vroegefasetraject in uitvoeringstechnische zin zo zal kunnen voltooien dat hij financiering voor de fase na het vroegefasetraject zal kunnen verkrijgen van de toekomstige investeerder;
- e. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de innovatieve starter de geldlening bedoeld in artikel 3.16.7, eerste lid, kan terugbetalen;
- f. indien voor het vroegefasetraject reeds door de minister subsidie is verstrekt;
- g. indien voor het vroegefasetraject een geldlening bij een financier kan worden aangevraagd;
- h. indien met de uitvoering van het vroegefasetraject is begonnen voor de datum van de aanvraag.
Artikel 3.16.10. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 3.16.11. Subsidievoorwaarden
De subsidieverlening vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt binnen twee weken na die beschikking is ondertekend door de innovatieve starter.
De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld.
§ 3.16.3a. Haalbaarheidsstudie TO2-innovatieve starter
Artikel 3.16.11a. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een TO2-innovatieve starter voor het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie TO2-innovatieve starter.
Bij zijn aanvraag legt de TO2-innovatieve starter een overeenkomst over als bedoeld in de definitie van TO2-innovatieve starter in artikel 3.16.1.
Artikel 3.16.11b. Subsidieomvang
De subsidie bedraagt 100% van de kosten van de haalbaarheidsstudie doch ten hoogste € 40.000.
Artikel 3.16.11c. Start- en realisatietermijn
Met de uitvoering van de haalbaarheidsstudie wordt gestart binnen zes maanden nadat de subsidie is verleend.
De haalbaarheidsstudie wordt uitgevoerd binnen zes maanden na de start van de haalbaarheidsstudie.
Artikel 3.16.11d. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
- a. de voorgenomen activiteiten waarop de haalbaarheidsstudie betrekking heeft in technische of financiële zin onvoldoende risicovol zijn om de haalbaarheidsstudie te rechtvaardigen;
- b. de haalbaarheidsstudie naar verwachting onvoldoende inzicht zal geven in het commercieel perspectief en de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten waarop de haalbaarheidsstudie betrekking heeft;
- c. er op voorhand onvoldoende vertrouwen bestaat in het commercieel perspectief of de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten waarop de haalbaarheidsstudie betrekking heeft.
Artikel 3.16.11e. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
Artikel 3.16.11f. Rangschikkingscriteria
De minister rangschikt de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 3.16.11d afwijzend is beslist, zodanig dat een aanvraag voor een haalbaarheidsstudie hoger gerangschikt wordt naarmate op voorhand:
- a. het commercieel perspectief van het voorgenomen vroegefasetraject groter wordt geacht;
- b. de kennisbasis en innovativiteit van het voorgenomen vroegefasetraject groter wordt geacht;
- c. de kwaliteit van de TO2-innovatieve starter en het team dat betrokken is bij het voorgenomen vroegefasetraject hoger wordt geacht;
- d. de kwaliteit van het voorgenomen vroegefasetraject hoger wordt geacht.
Voor de rangschikking tellen de criteria, genoemd in het eerste lid, ieder voor 25 procent.
§ 3.16.4. Academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter en TO2-innovatieve starter
Artikel 3.16.12. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een geldlening aan een academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter ten behoeve van de financiering van een vroegefasetraject.
Bij zijn aanvraag legt de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter:
- a. een rapport van een haalbaarheidsstudie over;
- b. een overeenkomst over als bedoeld in de definitie van academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter in artikel 3.16.1.
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies bedraagt 24 maanden.
Geen subsidie wordt verstrekt:
- a. indien voor het vroegefasetraject reeds door de minister subsidie is verstrekt;
- b. indien met de uitvoering van het vroegefasetraject is begonnen voor de datum van de aanvraag.
Artikel 3.16.13. Subsidieomvang
De subsidie bestaat uit een geldlening voor een bedrag gelijk aan het totaal van de door de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter voorziene kosten voor het vroegefasetraject doch ten hoogste € 450.000.
De kosten gemaakt door de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter als natuurlijke persoon worden berekend door het aantal uren dat hij ten behoeve van het vroegefasetraject heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 45.
Artikel 3.16.14. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
- a. indien aannemelijk is dat de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter de financiering waarvoor de aanvraag is ingediend zelf heeft of kan verkrijgen bij anderen;
- b. voor zover de voorziene kosten van het vroegefasetraject hoger zijn dan € 450.000 of lager dan zijn € 50.000;
- c. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter het vroegefasetraject in uitvoeringstechnische zin zo zal kunnen voltooien dat hij financiering voor de fase na het vroegefasetraject zal kunnen verkrijgen;
- d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter de geldlening, bedoeld in artikel 3.16.12, eerste lid, kan terugbetalen.
Artikel 3.16.15. Adviescommissie
Vervallen
Artikel 3.16.16. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
Artikel 3.16.17. Rangschikkingscriteria
De minister rangschikt de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 3.16.14 afwijzend is beslist, zodanig dat een vroegefasetraject hoger gerangschikt wordt naarmate:
- a. het commercieel perspectief van het vroegefasetraject groter is;
- b. de kennisbasis en innovativiteit van het vroegefasetraject groter is;
- c. de kwaliteit van de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter en het team dat betrokken is bij het vroegefasetraject hoger is;
- d. de kwaliteit van het vroegefasetraject hoger is.
Voor de rangschikking telt het criterium, genoemd in onderdeel a, voor 40 procent en de criteria, genoemd in de onderdelen b tot en met d, elk voor 20 procent.
Artikel 3.16.18. Subsidievoorwaarden
De subsidieverlening aan een academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt binnen acht weken na die beschikking is ondertekend door de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter.
De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld.
§ 3.16.5. Slotbepalingen
Artikel 3.16.19. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie op grond van deze titel bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie op grond van deze titel ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. de kerngegevens en onderbouwing van het financieringsplan, vroegefaseplan of vernieuwingsfaseplan.
Artikel 3.16.20. Uitvoeringsovereenkomst
De uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 3.16.1i, bestaat uit een samenstelling van de standaardbepalingen die zijn opgenomen in bijlage 3.16.1a en andere bepalingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van deze titel.
De uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 3.16.6 bestaat uit een samenstelling van de standaardbepalingen die zijn opgenomen in bijlage 3.16.2 en andere bepalingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van deze titel.
De uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in de artikelen 3.16.11 en 3.16.18 bestaat uit een samenstelling van de standaardbepalingen die zijn opgenomen in bijlage 3.16.3 en andere bepalingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van deze titel.
Artikel 3.16.21. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in de artikelen 3.16.1c, 3.16.2, 3.16.7, 3.16.11a en 3.16.12 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 22 en 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.16.21a. Overgangsrecht
De wijzigingen van artikel 3.16.1e en artikel 3 in bijlage 3.16.1a ingevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 8 december 2024, nr. WJZ/ 89466783 tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met het toevoegen van een tender gericht op deep tech technostarters en het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Seed capital technostarters alsmede het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Vroegefasefinanciering en haalbaarheidsstudie (Stcrt. 2024, 40486) zijn eveneens van toepassing op aanvragen die in de periode 1 september 2024 tot en met 1 december 2024 zijn ingediend op grond van artikel 3.16.1c.
Artikel 3.16.22. Vervaltermijn
Deze titel en de bijlagen 3.16.1, 3.16.1a, 3.16.2 en 3.16.3 vervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 3.17. Opschaling supportprogramma’s startups en scale-ups
Artikel 3.17.1. Begripsbepalingen
Vervallen
Artikel 3.17.2. Subsidieverstrekking
Vervallen
Artikel 3.17.3. Hoogte subsidie
Vervallen
Artikel 3.17.3a. Subsidiabele kosten voor de exploitatie van een innovatiecluster
Vervallen
Artikel 3.17.4. Verdeling van het subsidieplafond
Vervallen
Artikel 3.17.5. Start- en realisatietermijn
Vervallen
Artikel 3.17.6. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 3.17.7. Rangschikkingscriteria
Vervallen
Artikel 3.17.8. Adviescommissie
Vervallen
Artikel 3.17.8a. Verplichtingen voor de beheerder van een innovatiecluster
Vervallen
Artikel 3.17.9. Informatieverplichtingen
Vervallen
Artikel 3.17.10. Aanvraag subsidievaststelling
Vervallen
Artikel 3.17.11. Staatssteun
Vervallen
Artikel 3.17.12. Vervaltermijn
Vervallen
Titel 3.18. Mijn digitale zaak
Artikel 3.18.1. Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- digitaliseringsscan: vragenlijst, beschikbaar op de website www.mijndigitalezaak.nl, waarmee de ondernemer inzicht krijgt in hoe ver zijn of haar onderneming is in de toepassing van productiviteitsverhogende technologieën, en op grond waarvan de ondernemer persoonlijk digitaliseringsadvies krijgt;
- leverancier: ondernemer, geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, die productiviteitsverhogende technologie levert;
- routekaart niveau 1: in bijlage 3.18.1 opgenomen overzicht van alle digitaliseringsmogelijkheden voor aanvragers.
Artikel 3.18.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer, die een kleine onderneming in stand houdt, voor het afnemen en implementeren van de in de routekaart niveau 1 opgenomen productiviteitsverhogende technologie, en het inwinnen van advies hierover, met als doel de productiviteit van de onderneming van de aanvrager te vergroten.
De subsidie, bedoeld in het eerste lid, kan niet worden aangevraagd voor een onderneming als bedoeld in artikel 1, onderdelen a tot en met d, van de algemene de-minimisverordening.
Het tweede lid is niet van toepassing op een bedrijfsonderdeel van de in dat lid bedoelde onderneming, wanneer de economische activiteiten van dat bedrijfsonderdeel:
- a. voornamelijk zien op de verkoop van goederen aan particulieren; en
- b. vergeleken met de overige economische activiteiten van de onderneming van ondergeschikt belang zijn.
Artikel 3.18.3. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500 per aanvrager.
Artikel 3.18.4. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking de kosten ten behoeve van:
- a. het bij een leverancier aanschaffen van producten en diensten die zijn opgenomen in de routekaart niveau 1;
- b. het inwinnen van aankoopadvies met betrekking tot de producten en diensten, bedoeld in onderdeel a, tot een maximum van € 500.
Artikel 3.18.5. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 3.18.6. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie maanden.
Artikel 3.18.7. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien:
- a. reeds op grond van deze titel subsidie is verstrekt aan de subsidieaanvrager;
- b. de subsidieaanvrager nog geen inzicht heeft verkregen, door middel van een digitaliseringsscan, in hoe ver zijn of haar bedrijf is in de toepassing van productiviteitsverhogende technologieën;
- c. de ingediende offerte niet aansluit op de in de routekaart opgenomen digitaliseringsmogelijkheden;
- d. in de aanvraag kosten zijn opgenomen voor:
- 1°. aanschaf van hardware die geen verband houden met aangeschafte software opgenomen in de routekaart niveau 1;
- 2°. aankoopadvies dat door dezelfde partij wordt geleverd als waar een product wordt aangeschaft;
- 3°. social media abonnementen waarvoor betaald moet worden;
- e. de dienst die, of het product dat, vermeld wordt op de ingediende offerte, niet aansluit bij de diensten of producten die de leverancier normaliter levert;
- f. de subsidieaanvrager, die een onderneming in stand houdt als bedoeld in artikel 3.18.2, tweede lid, subsidie aanvraagt voor een economische activiteit, als bedoeld in artikel 3.18.2, derde lid, en deze subsidieaanvrager:
- 1°. voor die economische activiteit geen aparte boekhouding voert van de overige economische activiteiten van zijn onderneming; of
- 2°. het risico bestaat dat de subsidieaanvrager de verkregen subsidie ook aanwendt voor de in artikel 3.18.2, derde lid, onderdeel b, bedoelde overige economische activiteiten.
- g. de subsidiabele kosten minder dan € 1.000 bedragen.
Artikel 3.18.8. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger verleent gedurende twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking aan een evaluatie van de effecten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.18.2, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.
Artikel 3.18.9. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste:
- a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres van de subsidieaanvrager, het rekeningnummer van de subsidieaanvrager, en het nummer waarmee de onderneming van de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager.
De aanvraag gaat vergezeld van:
- a. het resultaat van de voorgeschreven digitaliseringsscan in pdf formaat;
- b. een ingevulde vragenlijst ten behoeve van het doen van een nulmeting;
- c. een of meerdere op de datum van de subsidieaanvraag geldige offertes, behorende bij de afname van een product of een dienst opgenomen in de routekaart niveau 1, of het inwinnen van advies hierover.
Artikel 3.18.10. Subsidievaststelling
De subsidie, bedoeld in artikel 3.18.2, wordt ambtshalve vastgesteld.
De beschikking tot subsidieverlening vermeldt de datum waarop de activiteiten uiterlijk zijn verricht en de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld.
Artikel 3.18.11. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 3.18.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.
Artikel 3.18.12. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 31 december 2026 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd.
Titel 3.18a. Mijn cyberweerbare zaak
Artikel 3.18a.1. Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- CyberVeilig Check tool: vragenlijst, beschikbaar op de website www.digitaltrustcenter.nl, waarmee de ondernemer inzicht krijgt in welke maatregelen genomen kunnen worden om de cyberweerbaarheid van zijn onderneming te verhogen en op grond waarvan de ondernemer daaromtrent persoonlijk advies krijgt;
- leverancier: ondernemer, geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, die producten of diensten levert om de cyberweerbaarheidsmaatregelen te kunnen nemen;
- tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen: in bijlage 3.18a.1 opgenomen overzicht van alle cyberweerbaarheidsmaatregelen voor aanvragers.
Artikel 3.18a.2. Subsidieverstrekking
De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer, die een kleine onderneming in stand houdt, voor het afnemen en implementeren van in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen opgenomen maatregelen, met als doel de cyberweerbaarheid van de onderneming van de aanvrager te vergroten.
De subsidie, bedoeld in het eerste lid, kan niet worden aangevraagd voor een onderneming als bedoeld in artikel 1, onderdelen a tot en met d, van de algemene de-minimisverordening.
Het tweede lid is niet van toepassing op een bedrijfsonderdeel van de in dat lid bedoelde onderneming, wanneer de economische activiteiten van dat bedrijfsonderdeel:
- a. voornamelijk zien op de verkoop van goederen aan particulieren;
- b. vergeleken met de overige economische activiteiten van de onderneming van ondergeschikt belang zijn.
De kosten voor persoonsgebonden producten of diensten stemmen overeen met het aantal werkzame personen bij de onderneming ten behoeve waarvan de aanvraag is ingediend.
Artikel 3.18a.3. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 1.250 per aanvrager.
Artikel 3.18a.4. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking de kosten ten behoeve van het bij een leverancier afnemen en implementeren van producten en diensten die zijn opgenomen in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen.
Onverminderd het eerste lid, komen de kosten voor betaalde abonnementen en licenties behorend bij producten en diensten met een looptijd van meer dan één jaar met betrekking tot de in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen opgenomen maatregelen, uitsluitend voor een periode van één jaar voor subsidie in aanmerking.
Voor subsidie komen niet in aanmerking kosten voor:
- a. handmatige updates zonder structurele aanpak;
- b. algemene IT-beheercontracten zonder specifieke patchingsactiviteit;
- c. updates voor end-of-life software;
- d. cyberweerbaarheidsmaatregelen ten behoeve van websites, webshops, online platformen, betaalsystemen en cloudwerkplekken.
Artikel 3.18a.5. Verdeling van het subsidieplafond
De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 3.18a.6. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie maanden.
Artikel 3.18a.7. Afwijzingsgronden
De Minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien:
- a. reeds op grond van deze titel subsidie is verstrekt aan de subsidieaanvrager;
- b. de subsidieaanvrager nog geen inzicht heeft verkregen in welke maatregelen genomen kunnen worden om de cyberweerbaarheid van zijn onderneming te verhogen;
- c. de ingediende factuur en het ingediende betaalbewijs geen betrekking hebben op het afnemen of implementeren van een product of een dienst opgenomen in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen;
- d. de subsidieaanvrager bij de aanvraag niet heeft ingestemd met het verlenen van medewerking aan een evaluatie van de effecten van deze titel;
- e. de subsidieaanvrager, die een onderneming in stand houdt als bedoeld in artikel 3.18a.2, tweede lid, subsidie aanvraagt voor een economische activiteit, als bedoeld in artikel 3.18a.2, derde lid, en deze subsidieaanvrager:
- 1°. voor die economische activiteit geen aparte boekhouding voert ten opzichte van de overige economische activiteiten van zijn onderneming; of
- 2°. het risico bestaat dat de subsidieaanvrager de verkregen subsidie ook aanwendt voor de in artikel 3.18a.2, derde lid, onderdeel b, bedoelde overige economische activiteiten;
- f. de subsidiabele kosten minder dan € 400 bedragen;
- g. het een aanvraag voor subsidie betreft voor in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen opgenomen maatregelen die voor 18 juli 2025 zijn afgenomen en geïmplementeerd;
- h. de dienst die, of het product dat, vermeld wordt op de ingediende factuur en het betaalbewijs, niet aansluit bij de diensten of producten die de leverancier normaliter levert;
- i. eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor een dienst of product van dezelfde categorie cyberweerbaarheidsmaatregel.
Artikel 3.18a.8. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste:
- a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres van de subsidieaanvrager, het rekeningnummer van de subsidieaanvrager, en het nummer waarmee de onderneming van de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager.
De aanvraag gaat vergezeld van:
- a. het resultaat van de ingevulde CyberVeilig Check tool in pdf formaat;
- b. een factuur met daarin ten minste de naam en het adres van de ondernemer en de leverancier van de producten en diensten die zijn opgenomen in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen, een omschrijving van de afgenomen producten en diensten die te herleiden is naar de maatregelen in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen, het bedrag, inclusief en exclusief BTW en de datum van betaling van het bedrag;
- c. een betaalbewijs in de vorm van een bankafschrift met daarin ten minste de tenaamstelling van de rekening, het rekeningnummer, het betaalde bedrag, betaaldatum en het rekeningnummer van de leverancier.
Artikel 3.18a.9. Subsidievaststelling
De beschikking tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 3.18a.2, eerste lid, houdt tevens de beschikking tot subsidievaststelling in.
Artikel 3.18a.10. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 3.18a.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.
Artikel 3.18a.11. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 1 september 2028 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 3.19. Duurzame innovatieve scheepsbouw
Artikel 3.19.1. Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- drijvende en bewegende offshore-constructie: constructie voor de exploratie, exploitatie of productie van hernieuwbare energie of winning van grond- en voedingsstoffen op zee of opslag van CO2 in de zeebodem die:
- a. niet beschikt over eigen voortstuwing; en
- b. bedoeld is om meermaals op eigen drijfvermogen te worden verplaatst terwijl zij in bedrijf is;
- scheepsbouwinnovatieproject: een project dat bestaat uit de experimentele ontwikkeling van nieuwe of verbeterde onderdelen bij de bouw of verbouw van een schip of de bouw van een drijvende en bewegende offshore-constructie in vergelijking met die welke in de scheepsbouwsector gewoonlijk binnen de Europese Unie worden gebruikt of beschikbaar zijn en waarvan de implementatie of toepassing een risico op technologische of industriële mislukking inhoudt;
- scheepswerf: onderneming die schepen of drijvende en bewegende offshore-constructies ontwerpt, ontwikkelt, bouwt en uitrust;
- schip: zichzelf voortstuwend zeeschip of binnenvaartschip dat is bestemd om voor commerciële doeleinden te worden gebruikt en tot één van de volgende categorieën behoort:
- a. zeeschepen of binnenvaartschepen, niet zijnde vissersvaartuigen, met een minimaal tonnage van 100 bruto ton, bestemd voor het vervoer van passagiers of goederen of voor het verrichten van een speciale dienst;
- b. sleepboten of veerponten met een minimaal vermogen van 365 kW.
Artikel 3.19.2. Subsidieverstrekking
De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een scheepswerf voor een scheepsbouwinnovatieproject dat een bijdrage levert aan duurzame ontwikkeling op de gebieden, beschreven in bijlage 3.19.1, en gericht is op:
- a. de ontwikkeling en het ontwerp van een nieuwe scheepsklasse of een nieuwe klasse drijvende en bewegende offshore-constructies;
- b. de ontwikkeling van een nieuw onderdeel van een schip of drijvende en bewegende offshore-constructie dat als afzonderlijk element van het schip of de drijvende en bewegende offshore-constructie kan worden onderscheiden.
Artikel 3.19.3. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt 25% van de subsidiabele kosten en bedraagt maximaal € 750.000.
Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt verhoogd met:
- a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming;
- b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming.
Artikel 3.19.4. Subsidiabele kosten en uurtarief
Voor subsidie komen uitsluitend de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdelen a, b, d en e, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
In afwijking van artikel 3.1.1 bedraagt het uurtarief, bedoeld in de artikelen 13, tweede lid, en 14, van het besluit, voor deze titel € 80.
Artikel 3.19.5. Verdeling subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
Artikel 3.19.6. Subsidievoorwaarden, start- en realisatietermijn
De subsidie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger binnen 13 weken na de beschikking tot subsidieverlening aantoont dat:
- a. de opdrachtgever en de subsidieontvanger de overeenkomst tot de bouw of verbouw van een schip of de bouw van een drijvende en bewegende offshore-constructie waarvoor een scheepsbouwinnovatieproject wordt uitgevoerd hebben gesloten;
- b. de opdrachtgever ter uitvoering van de overeenkomst, bedoeld in onderdeel a, een of meer betalingen heeft gedaan, en
- c. de overeenkomst, bedoeld in onderdeel a, een volledige weergave vormt van de tussen subsidieontvanger en opdrachtgever gemaakte afspraken.
Met de uitvoering van het scheepsbouwinnovatieproject wordt gestart op het moment dat aan de opschortende voorwaarde, genoemd in het eerste lid, is voldaan.
De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen tot een periode van maximaal twee jaar na de beschikking tot subsidieverlening.
De termijn bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is drie jaar na de subsidieverlening.
De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het vierde lid, verlengen met een periode van maximaal twee jaar.
Artikel 3.19.7. Adviescommissie
Er is een Adviescommissie duurzame scheepsbouw die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in artikelen 22 en 23 van het besluit en artikel 3.19.8, alsmede de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.19.9.
De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden.
De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd.
Artikel 3.19.8. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien:
- a. tussen de subsidieontvanger en de opdrachtgever voor indiening van de aanvraag om subsidie een overeenkomst tot de bouw of verbouw van een schip of de bouw van een drijvende en bewegende offshore-constructie waarbij een scheepsbouwinnovatieproject wordt uitgevoerd is gesloten;
- b. van het scheepsbouwinnovatieproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn;
- c. het scheepsbouwinnovatieproject niet leidt tot een voldoende mate van vernieuwing van een product;
- d. het scheepsbouwinnovatieproject onvoldoende bijdraagt aan duurzame ontwikkeling op de gebieden, beschreven in bijlage 3.19.1;
- e. de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is;
- f. het scheepsbouwinnovatieproject een niveau van milieubescherming beoogt te bereiken dat niet verder gaat dan verplicht op grond van EU-rechtshandelingen;
- g. na toepassing van artikel 3.19.9, eerste lid, minder dan tien punten voor één of meer criteria zijn toegekend;
- h. na toepassing van artikel 3.19.9, eerste lid, minder dan zestig punten zijn toegekend.
Artikel 3.19.9. Rangschikkingscriteria
De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:
- a. het innovatiegehalte van het scheepsbouwinnovatieproject hoger is;
- b. de bijdrage van het scheepsbouwinnovatieproject aan de verduurzaming van de scheepvaart groter is;
- c. de economische potentie en toepassingsmogelijkheden van het scheepsbouwinnovatieproject groter zijn;
- d. de kwaliteit van de aanvraag beter is.
De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 25 punten toe.
Indien de minister in één kalenderjaar meer aanvragen van een aanvrager of aanvragers behorende tot één groep heeft ontvangen, wordt bij de tweede aanvraag vijf punten in mindering gebracht, bij de derde aanvraag tien punten en elke volgende aanvraag vijftien punten.
De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het scheepsbouwinnovatieproject zijn toegekend.
Artikel 3.19.10. Informatieverplichtingen
Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. gegevens over de bouw of verbouw van het schip of de bouw van de drijvende en bewegende offshore-constructie;
- d. een projectplan voor uitvoering van het scheepsbouwinnovatieproject;
- e. een verklaring van de scheepswerf en de opdrachtgever voor de bouw of verbouw van een schip of de bouw van een drijvende en bewegende offshore-constructie waaruit de intentie tot uitvoering van het scheepsbouwinnovatieproject blijkt; en
- f. gegevens over de grootte van de onderneming van de subsidieaanvrager, indien de subsidieaanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 3.19.3, tweede lid, onderdelen a en b.
Artikel 3.19.11. Verplichting subsidieontvanger
De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met de op grond van deze titel uitgevoerde activiteiten worden opgedaan na afloop van het scheepsbouwinnovatieproject openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag.
Artikel 3.19.12. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 3.19.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.19.13. Vervaltermijn
Deze titel en bijlage 3.19.1 vervallen met ingang van 1 juni 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 3.20. Omscholing naar ICT- en techniek-kansrijke beroepen
Artikel 3.20.1. Begripsbepalingen
Vervallen
Artikel 3.20.2. Subsidieverstrekking
Vervallen
Artikel 3.20.3. Hoogte subsidie
Vervallen
Artikel 3.20.4. Verdeling van het subsidieplafond
Vervallen
Artikel 3.20.5. Start- en realisatietermijn
Vervallen
Artikel 3.20.6. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 3.20.7. Informatieverplichtingen
Vervallen
Artikel 3.20.8. Staatssteun
Vervallen
Artikel 3.20.9. Vervaltermijn
Vervallen
Titel 3.21. Beleidsexperiment menselijk kapitaal
Artikel 3.21.1. Begripsomschrijvingen
Vervallen
Artikel 3.21.2. Subsidieverstrekking
Vervallen
Artikel 3.21.3. Hoogte subsidie
Vervallen
Artikel 3.21.4. Verdeling subsidieplafond
Vervallen
Artikel 3.21.5. Realisatietermijn
Vervallen
Artikel 3.21.6. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 3.21.7. Adviescommissie
Vervallen
Artikel 3.21.8. Rangschikkingscriteria
Vervallen
Artikel 3.21.9. Verplichtingen subsidieontvanger
Vervallen
Artikel 3.21.10. Informatieverplichtingen
Vervallen
Artikel 3.21.11. Staatssteun
Vervallen
Artikel 3.21.12. Vervaltermijn
Vervallen
Titel 3.22. Thematische Technology Transfer
Artikel 3.22.1. Algemene begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- achtergestelde vordering: vordering van een thematisch technology transferfonds ten laste van een kennisstarter:
- a. die het thematisch technology transferfonds heeft verkregen door in het kader van een participatie aan de kennisstarter geld ter leen te verstrekken;
- b. die met instemming van de crediteur een lagere rang inneemt dan alle andere, niet achtergestelde vorderingen op de debiteur als bedoeld in artikel 277, tweede lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;
- c. waarop de debiteur krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening eerst verplicht is rente en aflossing te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande niet achtergestelde vorderingen op de debiteur zijn voldaan;
- d. terwijl ingevolge de vorenbedoelde akte van geldlening de crediteur afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de rente en aflossing;
- begeleidingskosten: kosten die een thematisch technology transferfonds maakt voor de inhoudelijke begeleiding van kennisstarters;
- converteerbare lening: geldlening, steeds resulterend in een achtergestelde vordering, van een thematisch technology transferfonds aan een kennisstarter die door het thematisch technology transferfonds geconverteerd kan worden in aandelen in het kapitaal van de kennisstarter;
- desinvesteringsperiode: periode waarbinnen een thematisch technology transferfonds de participaties vervreemdt of overdraagt;
- eerste commerciële verkoop: eerste verkoop door een onderneming op een product- of dienstenmarkt, met uitsluiting van beperkte verkopen om de markt te testen;
- fondsbeheerder: feitelijke uitvoerder van een fondsplan, zijnde een door het thematisch technology transferfonds daartoe gecontracteerde derde;
- fondspartij: onafhankelijke particuliere investeerder die direct of indirect particuliere geldelijke middelen inbrengt in een thematisch technology transferfonds en die tevens direct of indirect als aandeelhouder, hoofdelijk aansprakelijk vennoot, lid of oprichter een belang heeft in het thematisch technology transferfonds;
- fondsperiode: periode bestaande uit de investeringsperiode en de desinvesteringsperiode;
- fondsplan: fondsplan als bedoeld in artikel 3.22.7, vierde lid;
- informal investor: particulier die, al dan niet via een kapitaalvennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is, voor eigen rekening en risico participeert en investeert in ondernemingen;
- inkomsten: op geld waardeerbare voordelen die een thematisch technology transferfonds heeft verkregen uit een participatie, waaronder dividend, rente, aflossingen, opties, de prijs waartegen de participatie is vervreemd, de prijs waartegen de participatie door de desbetreffende kennisstarter is ingekocht of terugbetaald en de liquidatie-uitkering;
- investeringsbudget: financiële middelen die een thematisch technology transferfonds beschikbaar heeft of zal hebben en die bestemd zijn om de verkrijgingprijs van participaties te voldoen;
- investeringsperiode: periode gedurende welke een thematisch technology transferfonds activiteiten verricht ter verkrijging van nieuwe participaties;
- kennisoverdracht: kennisoverdracht als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder w, van het O&O&I-steunkader;
- kennisoverdrachtplan: kennisoverdrachtplan als bedoeld in artikel 3.22.7, derde lid;
- kennisstarter: rechtspersoon die een onderneming drijft in de vorm van een kapitaalvennootschap en die:
- a. een substantieel deel van zijn activiteiten in Nederland uitvoert;
- b. voldoet aan de definitie van niet-beursgenoteerde kmo, bedoeld in artikel 2, onderdelen 2 en 76, en bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening en ten tijde van de eerste verstrekking van risicokapitaal door een thematisch technology transferfonds op grond van deze titel niet actief is en is geweest op een markt; en
- c. voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten, niet zijnde adviezen, verkoopt en levert of gaat verkopen en leveren, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie, voortkomend uit onderzoek van een onderzoeksorganisatie;
- managementkosten: kosten die een thematisch technology transferfonds maakt voor het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties, met uitzondering van de begeleidingskosten en de verkrijgingprijs van de participaties;
- micro-organisme: bacterie, schimmel of virus;
- netto-inkomsten: inkomsten van een thematisch technology transferfonds minus de eventuele marktconforme prestatieafhankelijke beloning voor de fondsbeheerder;
- onafhankelijke particuliere investeerder: onafhankelijke particuliere investeerder als bedoeld in artikel 2, onderdeel 72, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- participatie: risicokapitaal in de vorm van:
- a. aandelen in het kapitaal van een kennisstarter die een thematisch technology transferfonds rechtstreeks van de kennisstarter heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een converteerbare lening;
- b. aandelen in het kapitaal van een kennisstarter als bedoeld onder a in combinatie met een achtergestelde vordering; of
- c. een uit een converteerbare lening voortvloeiende achtergestelde vordering;
- referentierente: referentiepercentage als bedoeld in de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PbEU 2008, C 14), zoals laatstelijk vastgesteld voor Nederland, en vermeerderd met vier procentpunten;
- starter: natuurlijke persoon die voorbereidingen treft voor de oprichting van een kennisstarter;
- thematisch consortium: onderzoeksorganisatie met rechtspersoonlijkheid opgericht door ten minste drie onderzoeksorganisaties die niet tot dezelfde groep behoren ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtplan;
- thematisch technology transferfonds: kapitaalvennootschap, vennootschap met een afgescheiden vermogen, of rechtspersoon met een afgescheiden vermogen niet zijnde een vennootschap, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die blijkens de akte waarbij zijn statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij hij is ingesteld uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan kennisstarters die actief zijn binnen één thema teneinde winst te behalen;
- thematisch technology transferplan: thematisch technology transferplan als bedoeld in artikel 3.22.7, eerste lid, onderdeel d;
- TTT-samenwerkingsverband: TTT-samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3.22.2, tweede lid;
- validatieproject: validatieproject als bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel e;
- ziekteverwekker: micro-organisme dat of parasiet die een infectieziekte kan veroorzaken;
- ziekteverwekkers met pandemisch potentieel: ziekteverwekkers die wereldwijd een groot aantal mensen kunnen treffen en een grote bedreiging voor de volksgezondheid kunnen zijn.
Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen een thematisch technology transferfonds.
Artikel 3.22.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een TTT-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan.
Een TTT-samenwerkingsverband is een samenwerkingsverband dat bestaat uit:
- a. ten minste drie onderzoeksorganisaties of een thematisch consortium; en
- b. een thematisch technology transferfonds.
De subsidie voor een onderzoeksorganisatie is bestemd voor het uitvoeren van de volgende activiteiten uit een kennisoverdrachtplan:
- a. activiteiten ter bevordering van aanwending van kennis binnen het thema waarover de betreffende onderzoeksorganisatie beschikt, met betrekking tot:
- 1°. het beoordelen in hoeverre deze kennis geschikt is voor economische of maatschappelijke benutting;
- 2°. het zoeken naar starters, kennisstarters, andere ondernemingen en maatschappelijke organisaties om de onder 1° bedoelde kennis toe te passen en het stimuleren van het gebruik van deze kennis, voor zover deze activiteiten niet bestaan uit advisering op individuele basis;
- b. het verwerven van rechten van intellectueel eigendom met het oog op het verlenen van gebruiksrechten of latere overdracht daarvan;
- c. activiteiten ten behoeve van het creëren van spin-offs;
- d. activiteiten gericht op:
- 1°. samenwerking en informatiedeling binnen het thematisch consortium of tussen de onderzoeksorganisaties in het TTT-samenwerkingsverband;
- 2°. openbare bekendheid geven aan het thematisch consortium of aan de samenwerking tussen de onderzoeksorganisaties in het TTT-samenwerkingsverband;
- 3°. brede verspreiding van de resultaten en tussenresultaten van de gesubsidieerde activiteiten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis;
- e. het onfhankelijk uitvoeren van validatieprojecten die bestaan uit activiteiten gericht op het technisch of klinisch verbeteren van een product, procedé of dienst om de resultaten van deze activiteiten over te dragen voor bedrijfsmatige toepassing.
De subsidie voor een thematisch technology transferfonds is bestemd voor:
- a. het verkrijgen van participaties in het kader van het uitvoeren van een fondsplan; en
- b. de in het kader van het fondsplan, bedoeld onder a, gemaakte managementkosten.
De subsidie, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt verstrekt in de vorm van een geldlening op basis van een overeenkomst.
De subsidie aan een onderzoeksorganisatie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen acht weken na dagtekening van de beschikking de overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen tussen de Staat en het thematisch technology transferfonds dat deelneemt aan het TTT-samenwerkingsverband.
Artikel 3.22.2a. Thematisch technology transferplan pandemische paraatheid
Indien sprake is van een specifieke openstelling voor het indienen van aanvragen voor subsidie voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op pandemische paraatheid, verstrekt de minister op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een TTT-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van dat thematisch technology transferplan.
Een thematisch technology transferplan wordt geacht op pandemische paraatheid te zijn gericht als bedoeld in het eerste lid, indien dit plan gericht is op ontwikkelingen die bijdragen aan het bestrijden van infectieziekten die worden veroorzaakt door ziekteverwekkers met een pandemisch potentieel.
Tot de in het tweede lid bedoelde ontwikkelingen waarop een thematisch technology transferplan voor pandemische paraatheid gericht dient te zijn, worden voor de toepassing van dit artikel uitsluitend de volgende ontwikkelingen gerekend:
- a. de ontwikkeling van nieuwe, respectievelijk doorontwikkeling van bestaande therapieën die inzetbaar zijn bij mensen en die zich richten op het verkleinen van de medische schade veroorzaakt door de in het tweede lid bedoelde infectieziekten;
- b. de ontwikkeling van nieuwe, respectievelijk doorontwikkeling van bestaande, breed inzetbare technologieën die kunnen bijdragen aan, ondersteuning geven aan of leiden tot een snelle, duurzame en flexibele ontwikkeling van de onder a bedoelde therapieën.
De in het derde lid bedoelde therapieën kunnen onder meer bestaan uit geneesmiddelen en vaccins die profylactisch of therapeutisch kunnen worden ingezet.
In het in het eerste lid bedoelde thematisch technology transferplan, gericht op pandemische paraatheid, wordt rekening gehouden met de opschaalbaarheid van de te ontwikkelen therapieën, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, alsook met de beschikbaarheid voor de Europese Unie van de grondstoffen die benodigd zijn voor deze therapieën en voor de in het derde lid, onderdeel b, bedoelde technologieën.
Artikel 3.22.2b. Thematisch Technology transferplan gericht op dual-use en defensiethema’s
Indien sprake is van een specifieke openstelling voor het indienen van aanvragen voor subsidie voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op dual-use en defensiethema’s, verstrekt de minister op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een TTT-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van dat thematisch technology transferplan.
De minister verstrekt subsidie aan maximaal één TTT-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat aantoonbaar gericht is op dual-use en defensiethema’s.
Een thematisch technology transferplan wordt geacht op dual-use en defensiethema’s te zijn gericht als bedoeld in het eerste lid, indien dit plan aantoonbaar gericht is op ontwikkelingen binnen uitsluitend de vijf door het Ministerie van Defensie vastgestelde Nationale Langetermijn Defensiethema’s en bovendien ten minste twee van de volgende thema’s omvat:
- a. slimme materialen;
- b. ruimtevaarttechnologie;
- c. quantumtechnologie;
- d. intelligente systemen;
- e. sensoren.
Artikel 3.22.3. Hoogte subsidie
De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 3.125.000 per aanvraag en maximaal de helft van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid.
De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel b, bedraagt ten hoogste € 32.500 per octrooiaanvraag.
De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel e, bedraagt ten hoogste € 25.000 per validatieproject.
De geldlening, bedoeld in artikel 3.22.2, vijfde lid, die op grond van de overeenkomst van geldlening geleend kan worden, bedraagt maximaal 90 procent van het investeringsbudget, doch ten hoogste € 6.625.000.
De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b, bedraagt 100 procent van de managementkosten, doch ten hoogste € 250.000.
Artikel 3.22.3a. Hoogte subsidie Thematisch technology transferplan pandemische paraatheid
In afwijking van artikel 3.22.3, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, bedraagt de subsidie voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op pandemische paraatheid als bedoeld in artikel 3.22.2a:
- a. 100 procent van de subsidiabele kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, doch ten hoogste € 2.500.000 per aanvraag en maximaal de helft van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid;
- b. ten hoogste € 32.000 per octrooiaanvraag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel b;
- c. ten hoogste € 25.000 per validatieproject voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel e;
- d. 100 procent van de managementkosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b, doch ten hoogste € 200.000.
In afwijking van artikel 3.22.3, vierde lid, bedraagt de geldlening, bedoeld in artikel 3.22.2, vijfde lid, voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op pandemische paraatheid als bedoeld in artikel 3.22.2a, die op grond van de overeenkomst van geldlening geleend kan worden, maximaal 90 procent van het investeringsbudget, doch ten hoogste € 5.300.000.
Artikel 3.22.3b. Hoogte subsidie Thematisch technology transferplan gericht op dual-use en defensiethema’s
In afwijking van artikel 3.22.3, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, bedraagt de subsidie voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op dual-use en defensiethema’s als bedoeld in artikel 3.22.2b:
- a. 100 procent van de subsidiabele kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, doch ten hoogste € 4.312.500 per aanvraag en maximaal de helft van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid;
- b. ten hoogste € 32.500 per octrooiaanvraag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel b;
- c. ten hoogste € 25.000 per validatieproject voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel e;
- d. 100 procent van de managementkosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b, doch ten hoogste € 300.000.
In afwijking van artikel 3.22.3, vierde lid, bedraagt de geldlening, bedoeld in artikel 3.22.2, vijfde lid, voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op dual-use en defensiethema’s als bedoeld in artikel 3.22.2b, die op grond van de overeenkomst van geldlening geleend kan worden, maximaal 90 procent van het investeringsbudget, doch ten hoogste € 9.187.500.
Artikel 3.22.4. Verdeling subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
Artikel 3.22.5. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
- a. het thema waarop het thematisch technology transferplan gericht is, onvoldoende aantoonbaar sterk potentieel heeft, vanuit een excellente wetenschappelijke basis, voor innovaties van processen, producten of diensten met een hoge economisch en maatschappelijk toegevoegde waarde;
- b. het thematisch technology transferplan onvoldoende is onderbouwd;
- c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het thematisch technology transferplan naar behoren wordt uitgevoerd;
- d. uit de aanvraag niet of onvoldoende blijkt hoe de subsidieaanvragers zullen voldoen aan de toepasselijke subsidieverplichtingen, bedoeld in de artikelen 3.22.8 en 3.22.9;
- e. onvoldoende aannemelijk is dat het thematisch technology transferfonds gedurende de fondsperiode daadwerkelijk beschikt over de middelen die de fondspartij of fondspartijen aan het investeringsbudget bijdraagt of bijdragen;
- f. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen bij het thematisch technology transferfonds de capaciteiten hebben voor het verkrijgen van participaties en voor het beheer hiervan op een wijze zoals bij participatiemaatschappijen gebruikelijk is;
- g. de belangen van de Staat kunnen worden geschaad bij de uitvoering van het fondsplan;
- h. er sprake is van een gelijktijdige openstelling voor het indienen van aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikelen 3.22.2, eerste lid, en 3.22.2a, eerste lid, en de aanvrager voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op pandemische paraatheid hiervoor een aanvraag doet op grond van artikel 3.22.2, eerste lid;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)