Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)
- 1°. industrieel onderzoek door een onderzoeksorganisatie;
- 2°. experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie;
- 3°. een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie.
De subsidieontvanger, bedoeld in het eerste lid, voert de activiteiten van een Nederlands belangrijk project, bedoeld in het tweede lid, uit in een Europees samenwerkingsverband en, indien het Nederlandse belangrijke project betrekking heeft op het deelgebied onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ook in een bijhorend onderliggend Nederlands samenwerkingsverband van ten minste twee in Nederland gevestigde ondernemingen.
De penvoerder van een Nederlands samenwerkingsverband is een onderneming, indien het Nederlandse belangrijke project betrekking heeft op het deelgebied onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
Voor zover dit uit het Europees goedkeuringsbesluit volgt of naar het oordeel van de minister passend is, kan de subsidie, bedoeld in het eerste lid, aan een onderneming worden verstrekt in de vorm van:
- a. een subsidie met terugbetalingsverplichting; of
- b. een geldlening.
Artikel 3.27.3. Hoogte subsidie
De subsidie voor een Nederlands belangrijk project bedraagt:
- a. voor activiteiten van een directe partner als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a: het in het Europees goedkeuringsbesluit opgenomen percentage van de nominale financieringskloof, voor zover de kosten betrekking hebben op de activiteiten, bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a;
- b. voor economische activiteiten van een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b:
- 1°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek door een onderneming;
- 2°. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling door een onderneming;
- 3°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie door een onderneming;
- 4°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming;
- 5°. 10% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op uitbreidingsinvesteringen door een middelgrote onderneming;
- 6°. 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op uitbreidingsinvesteringen door een kleine onderneming;
- c. voor niet-economische onderzoeksactiviteiten van een onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel c: 80% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op onafhankelijk industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie.
De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, worden verhoogd met:
- a. 10 procentpunten, indien de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een middelgrote onderneming en het de ophoging van de percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen b, onder 1°, 2° en 3°, betreft;
- b. 20 procentpunten, indien de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een kleine onderneming en het de ophoging van de percentages, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° en 3°, betreft;
- c. 10 procentpunten, indien voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, aanhef en eerste of tweede gedachtestreepje, of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en het de ophoging van de percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen b, onder 1° en 2°, betreft.
De subsidie bedraagt per Nederlands belangrijk project ten hoogste het bedrag dat beschikbaar is op grond van het toepasselijke subsidieplafond en:
- a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a: niet meer dan het maximum subsidiebedrag dat voor de desbetreffende directe partner voor deze activiteiten is opgenomen in het Europees goedkeuringsbesluit en, voor zover de activiteiten betrekking hebben op het deelgebied als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel a, niet meer dan € 50.000.000;
- b. voor economische activiteiten en niet-economische onderzoeksactiviteiten van een onderneming respectievelijk onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdelen b of c, niet meer dan:
- 1°. € 15.000.000 per subsidieaanvrager in het desbetreffende Nederlandse belangrijke project, voor zover de activiteiten bestaan uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderneming of onderzoeksorganisatie;
- 2°. € 7.500.000 per subsidieaanvrager in het desbetreffende Nederlandse belangrijke project, voor zover de activiteiten bestaan uit een haalbaarheidsstudie door een onderneming of onderzoeksorganisatie;
- 3°. € 15.000.000 per subsidieaanvrager in het desbetreffende Nederlandse belangrijke project, voor zover de activiteiten bestaan uit de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming;
- 4°. € 7.500.000 per subsidieaanvrager in het desbetreffende Nederlandse belangrijke project, voor zover de activiteiten bestaan uit uitbreidingsinvesteringen door een middelgrote of kleine onderneming.
De subsidie voor een Nederlands belangrijk project als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdelen b of c, bedraagt ten hoogste € 15.000.000.
Artikel 3.27.4. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen uitsluitend de volgende kosten in aanmerking:
- a. voor activiteiten van een directe partner als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a: de kosten, bedoeld in de bijlage bij het IPCEI-steunkader, voor zover deze zijn opgenomen in het Europees goedkeuringsbesluit;
- b. voor economische activiteiten van een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b:
- 1°. de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderneming;
- 2°. de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie door een onderneming;
- 3°. de kosten, bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingverordening, voor zover deze betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming;
- 4°. de kosten, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op uitbreidingsinvesteringen door een middelgrote of kleine onderneming;
- c. voor niet-economische onderzoeksactiviteiten van een onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel c: de redelijk gemaakte kosten die, overeenkomstig artikel 10 van het besluit, direct verbonden zijn met de uitvoering van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie.
Artikel 3.27.5. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
Artikel 3.27.6. Start- en realisatietermijn
Met de uitvoering van het op grond van deze titel gesubsidieerde Nederlandse belangrijke project wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening.
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is zeven jaar.
Artikel 3.27.7. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidieverlening betreffende een Nederlands belangrijk project op elk soort deelgebied, indien:
- a. het aannemelijk is dat door het Nederlandse belangrijke project in onvoldoende mate invulling wordt gegeven aan de criteria, bedoeld in paragrafen 3.2.1, onderdelen 15, 16, 18, 19 en 20, 3.2.3, onderdelen 22, 23, 24 en 25, en 3.3, onderdeel 26, van het IPCEI-steunkader;
- b. de subsidiabele kosten per Nederlands belangrijk project minder zouden bedragen dan € 5.000.000;
- c. de te verlenen subsidie minder dan € 125.000 per subsidieaanvrager zou bedragen;
- d. in onvoldoende mate is gewaarborgd dat de uitvoering van het Europese of Nederlandse belangrijke project door de betrokken partijen in overeenstemming zal zijn met:
- 1°. internationale en Europese verdragen, waaronder in ieder geval de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens; of
- 2°. het recht van de Europese Unie, waaronder in ieder geval het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Verordening (EU) 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad (PbEU 2013, L 181), Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119), Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PbEU 2019, L 79 I), Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PbEU 2016, L 157) en Richtlijn 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PbEU 2016, L 194);
- e. in het geval er sprake is van een Nederlands samenwerkingsverband waaraan een onderzoeksorganisatie deelneemt, de samenwerking tussen die onderzoeksorganisatie en de overige deelnemers in het samenwerkingsverband onvoldoende evenwichtig is, blijkend uit de omstandigheid dat de onderzoeksorganisatie meer dan 65 procent van de subsidiabele kosten maakt.
Onverminderd het eerste lid beslist de minister afwijzend op een aanvraag om subsidieverlening betreffende een Nederlands belangrijk project op een specifiek deelgebied, indien:
- a. na toepassing van artikel 3.27.8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, en tweede lid, minder dan zes punten per criterium zijn toegekend;
- b. de aanvraag om subsidieverlening betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld inartikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel a:
- 1°. waarvoor niet een voorlopig projectvoorstel ingediend was bij de minister op uiterlijk 2 februari 2026 om 17:00 uur op grond van de oproep opgenomen in Stcrt. 2025, 41451;
- 2°. dat niet past binnen het thema ‘AI-chips en -accelerators’, ‘fotonische integrated circuits’, ‘chiplets en heterogene integratie /advanced packaging’, ‘disruptieve sensoren voor autonomie’, ‘vermogenselektronica en disruptieve energiebesparende oplossingen’, ‘secure communications’ of ‘enabling technologies’, genoemd in paragraaf 1.4 van de oproep (Stcrt. 2025, 41451);
- 3°. waarvoor de pre-notificatiefase nog niet gestart was op 30 november 2026;
- 4°. waarvan de financieringskloof minder dan € 10.000.000 zou bedragen; of
- 5°. waarvoor eerder in totaal een subsidie van ten minste € 50.000.000 is verstrekt aan één of meer van de betrokken directe partners op grond van deze titel voor het uitvoeren van dezelfde activiteiten, bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, binnen dit deelgebied, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel a;
- c. de aanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel b:
- 1°. waarvoor niet een voorlopig projectvoorstel ingediend was bij de minister op uiterlijk 2 februari 2026 om 17:00 uur op grond van de oproep, opgenomen in Stcrt. 2025, 41451; of
- 2°. dat niet past binnen het thema ‘AI-chips en -accelerators’, ‘fotonische integrated circuits’, ‘chiplets en heterogene integratie /advanced packaging’, ‘disruptieve sensoren voor autonomie’, ‘vermogenselektronica en disruptieve energiebesparende oplossingen’, ‘secure communications’ of ‘enabling technologies’ als bedoeld in paragraaf 1.4 van de oproep, opgenomen in Stcrt. 2025, 41451.
Artikel 3.27.8. Rangschikkingscriteria
De minister kent aan een aanvraag om subsidieverlening betreffende een Nederlands belangrijk project een hoger aantal punten toe naarmate:
- a. het Nederlandse belangrijke project meer bijdraagt aan de doelstellingen of de strategieën van de Europese Unie, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, aanhef, op het desbetreffende deelgebied, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid;
- b. de kwaliteit van het projectplan, financieringsplan en begroting van het Nederlandse belangrijke project beter is, blijkend uit:
- 1°. de uitwerking van het projectplan van het Nederlandse belangrijke project, waaronder ten minste begrepen een beschrijving en onderbouwing van aanpak en methodiek, de projectactiviteiten, te behalen resultaten en de uitvoerbaarheid van het Nederlandse belangrijke project en de wijze waarop binnen het Nederlandse belangrijke project wordt omgegaan met risico’s en intellectuele eigendomsrechten;
- 2°. de uitwerking van het financieringsplan en de begroting van het Nederlandse belangrijke project, waaronder ten minste begrepen de onderbouwing van de noodzakelijkheid van de benodigde subsidie per subsidieaanvrager, de mate waarin de voor het Nederlandse belangrijke project beschikbare financiële middelen effectiever en efficiënter worden ingezet en, voor zover de aanvraag om subsidieverlening betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project dat wordt uitgevoerd door een directe partner als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, de mate waarin er een financieringskloof aanwezig is en uitwerking van het nul-scenario;
- c. de subsidieaanvrager die het Nederlandse belangrijke project zelfstandig uitvoert of, voor zover van toepassing, het Nederlandse samenwerkingsverband dat het Nederlandse belangrijke project uitvoert meer geschikt is om een Nederlands belangrijk project uit te voeren, blijkend uit:
- 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties en ervaring aanwezig zijn binnen de subsidieaanvrager respectievelijk het Nederlandse samenwerkingsverband;
- 2°. de kwaliteit van de inrichting van de projectorganisatie binnen de subsidieaanvrager respectievelijk het Nederlandse samenwerkingsverband, waaronder ten minste begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling tussen de betrokken medewerkers van de subsidieaanvrager respectievelijk de deelnemers uit het Nederlandse samenwerkingsverband;
- 3°. voor zover van toepassing, een grotere mate van samenwerking van de deelnemers binnen het Nederlandse samenwerkingsverband, waaronder ten minste begrepen een adequate verdeling en verbinding van de werkpakketten tussen de deelnemers uit het Nederlandse samenwerkingsverband en de mate waarin het Nederlandse samenwerkingsverband bij de uitvoering van het Nederlandse belangrijke project kleine en middelgrote ondernemingen en startups betrekt;
- d. het Nederlandse belangrijke project naar verwachting een grotere impact heeft, blijkend uit:
- 1°. de mate waarin het in het Nederlandse belangrijke project te ontwikkelen technologie vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek;
- 2°. de toepassingsmogelijkheden en slaagkans van de met het Nederlandse belangrijke project te ontwikkelen innovatie of innovaties op de internationale markt, de verwachte bijdrage aan de ontwikkeling van omzet en arbeidsplaatsen binnen de halfgeleidersectoren in Nederland, de verwachte concurrentiepositie en het verdienvermogen van de subsidieaanvrager of het Nederlandse samenwerkingsverband en de snelheid waarmee impact kan worden gerealiseerd.
De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe.
Voor de rangschikking van aanvragen wordt het aantal punten gegeven op grond van het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 4 en het aantal punten gegeven op grond van het eerste lid, onderdelen b, c, en d, per onderdeel vermenigvuldigd met 2, waarna alle punten worden opgeteld.
De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.
Artikel 3.27.9. Verplichtingen voor onderzoeksorganisaties
Indien in het Nederlandse belangrijke project niet-economische onderzoeksactiviteiten door een onderzoeksorganisatie wordt verricht in een Europees of Nederlands samenwerkingsverband:
- a. wordt voorafgaand aan de start van het Nederlandse belangrijke project een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de deelnemers aan het samenwerkingsverband over de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten;
- b. worden de projectactiviteiten door de onderzoeksorganisatie:
- 1°. uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met ondernemingen; en
- 2°. in de boekhouding opgenomen als niet-economische activiteiten; en
- c. draagt de onderzoeksorganisatie er zorg voor dat:
- 1°. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend;
- 2°. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of
- 3°. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen.
Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de onderzoeksorganisatie die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, in mindering worden gebracht.
De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, stemt overeen met de marktprijs indien:
- a. het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure;
- b. een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs;
- c. de onderzoeksorganisatie als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding, om rekening houdende met haar algemene doelstellingen, maximaal economisch voordeel te behalen op het tijdstip dat de overeenkomst betreffende de vergoeding wordt afgesloten; of
- d. in de gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door de onderzoeksorganisatie gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor de onderzoeksorganisatie het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen.
De voorwaarden van een overeenkomst, gesloten ingevolge het derde lid, onderdeel c, wijken niet af van voorwaarden die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding.
Artikel 1.9 is niet van toepassing op deze titel.
Artikel 3.27.10. Verplichtingen betreffende de subsidiabele activiteiten van ondernemingen
In het Nederlandse belangrijke project worden de activiteiten overeenkomstig de in het Europese goedkeuringsbesluit opgenomen verplichtingen uitgevoerd, indien het de activiteiten van een directe partner, bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, betreft.
Indien in het Nederlandse belangrijke project activiteiten betreffende de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming, worden verricht:
- a. worden deze projectactiviteiten door deze onderneming in de boekhouding opgenomen als niet-economische activiteiten; en
- b. draagt deze onderneming er zorg voor dat:
- 1°. de toegang tot deze onderzoeksinfrastructuur openstaat voor meerdere gebruikers en dat deze op transparante en niet-discriminerende basis verleend wordt;
- 2°. de vergoedingen die voor de exploitatie of het gebruik van de onderzoeksinfrastructuur worden berekend, overeenstemmen met de marktprijs.
In afwijking van het tweede lid, aanhef en onderdeel b, subonderdeel 1°, kunnen ondernemingen die ten minste 10 procent van de investeringskosten van de onderzoeksinfrastructuur hebben gefinancierd preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden, indien deze toegang evenredig is aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en deze gunstigere voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld.
Artikel 3.27.11. Verplichtingen betreffende voortgangsrapportages en kennisverspreiding
Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten.
De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het Nederlandse belangrijke project jaarlijks een voortgangsrapportage over het project die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan.
De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag.
De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
De informatie, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt verstrekt met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
In afwijking van het tweede en derde lid kan de minister, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, voor zover dit noodzakelijk is voor de bescherming van wezenlijke belangen voor de veiligheid van de staat, de openbare orde en de openbare veiligheid:
- a. besluiten dat resultaten niet bekend gemaakt worden of aan derden beschikbaar gesteld worden; of
- b. op aanvraag van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het tweede of derde lid.
Artikel 3.27.12. Informatieverplichtingen
Een aanvraag om subsidie bevat ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. kerngegevens over het Nederlandse belangrijke project, die bestaan uit een samenvatting van de projectomschrijving en, voor zover van toepassing, een lijst met deelnemers aan het samenwerkingsverband dat het Nederlandse belangrijke project zal uitvoeren en de activiteiten die iedere deelnemer in het samenwerkingsverband zal verrichten;
- d. voor zover het economische activiteiten van ondernemingen of onderzoeksorganisaties betreft:
- 1°. de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- 2°. gegevens over de grootte van de onderneming van de aanvrager, indien de aanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 3.27.3, tweede lid, onderdelen a en b;
- 3°. een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, inclusief een beslisschema, een organogram van de verbonden groep waaruit de aandelenverhoudingen blijken en enkelvoudige of geconsolideerde jaarcijfers van de groep die is gebruikt voor de invulling van het beslisschema.
De aanvraag gaat vergezeld van:
- a. een projectomschrijving van de doelstelling of doelstellingen en de werkzaamheden van het Nederlandse belangrijke project en aanvullend een beknopte onderbouwing en omschrijving van de strategie en ontwikkelprioriteiten van de subsidieaanvrager of, voor zover van toepassing, het Nederlandse samenwerkingsverband, en op welke termijn het met het project te ontwikkelen product of dienst de markt naar verwachting zal bereiken en welke impact het daar zal hebben;
- b. een financieringsplan en een projectbegroting of, indien de aangevraagde subsidie meer dan € 2.000.000 bedraagt, een mijlpalenbegroting waarin een omschrijving per kwartaal respectievelijk mijlpaal wordt gegeven van:
- 1°. de omvang van de gevraagde subsidie;
- 2°. de totale kosten van het Nederlandse belangrijke project, inclusief een beschrijving van welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid;
- 3°. informatie over de wijze waarop de deelnemers in het Europees of Nederlands samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten van het Nederlandse belangrijke project financieren;
- 4°. voor zover van toepassing, het nul-scenario, waaronder mede begrepen een beschrijving van de wijze van financiering voor de situatie waarin geen subsidie op grond van deze titel verstrekt zou worden;
- 5°. voor zover van toepassing, de aanwezige financieringskloof, waaronder, voor zover van toepassing, mede begrepen informatie over de verwachte opbrengsten gedurende de levensduur van een investering;
- 6°. voor zover van toepassing, een overzicht van de werkelijke te maken subsidiabele kosten binnen het desbetreffende Nederlandse belangrijke project;
- c. documenten met daarin een beknopte beschrijving van de projectorganisatie en de kennis, ervaring en capaciteiten van de bij de uitvoering van het Nederlandse belangrijke project betrokken organisaties of personen, voor zover deze relevant zijn voor de toepassing van artikel 3.27.8, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid;
- d. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt.
Artikel 3.27.13. Aanvraag subsidievaststelling
Onverminderd artikel 50 van het besluit bevat een aanvraag tot subsidievaststelling ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. de omvang van de vast te stellen subsidie;
- d. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling.
Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval:
- a. een omschrijving van de projectresultaten van het Nederlandse belangrijke project;
- b. op welke wijze het Nederlandse belangrijke project heeft bijgedragen aan de doelen op de gebieden, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid;
- c. een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten;
- d. een omschrijving van de wijze waarop voldaan is aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 3.27.9 en 3.27.10.
Artikel 3.27.14. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, bevat, met uitzondering van niet-economisch onderzoeksactiviteiten door een onderzoeksorganisatie, staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de volgende Europese steunkaders:
- a. voor zover het de activiteiten van een directe partner, bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, betreft, door paragraaf 3.2.3, onderdelen 22, 23, 24 of 25, van het IPCEI-steunkader;
- b. voor zover het de economische activiteiten van een onderneming, bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b, betreft:
- 1°. door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderneming;
- 2°. door artikel 17 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op investeringen door een middelgrote of kleine onderneming;
- 3°. door artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming.
Artikel 3.27.15. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 23 december 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 3.28. Programma Digitaal Europa
Artikel 3.28.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- alliantie voor taaltechnologieën: project inzake een alliantie voor taaltechnologieën zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt;
- beschikbaar maken van een hoog presterend open source Europees basismodel voor nauwkeurige afstemming: project inzake het beschikbaar maken van een hoog presterend open source Europees basismodel voor nauwkeurige afstemming zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt;
- cybersecurity vaardigheden academie: project inzake het opzetten van een vaardigheden-academie zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Advanced Digital Skills bestrijkt;
- dataruimte voor de energie-industrie: project inzake de EU-markt voor cloud-to-edge-diensten zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt;
- dataruimte voor de Green Deal: project inzake de implementatie van een dataruimte voor de Green Deal zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt;
- dataruimte voor de maakindustrie: project inzake de dataruimte voor de maakindustrie zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt;
- dataruimte voor de maakindustrie (implementatie): project inzake de implementatie van een dataruimte voor de maakindustrie zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt;
- digitaal product-paspoort: project inzake ontwikkeling van een digitaal product-paspoort zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt;
- digitale oplossingen voor naleving van regelgeving via data: project inzake digitale oplossingen voor geautomatiseerde naleving van regelgeving door middel van data, kunstmatige intelligentie en cloud technologieën zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI of Deployment and Best Use bestrijkt;
- Europese digitale-innovatiehub: Europese digitale-innovatiehub als bedoeld in artikel 2, punt 5, van verordening (EU) nr. 2021/694, voor zover in Nederland gevestigd;
- gespecialiseerde Opleidingsprogramma's in Sleutelcapaciteitsgebieden: project inzake het ontwikkelen van gespecialiseerde Opleidingsprogramma's in Sleutelcapaciteitsgebieden zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Advanced Digital Skills bestrijkt;
- grootschalig proefproject voor cloud-to-edge-diensten: project inzake een grootschalig proefproject voor cloud-to-edge-diensten zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt;
- hulpmiddelen voor naleving van CRA-vereisten en -verplichtingen: project inzake de ontwikkeling van hulpmiddelen voor naleving van CRA-vereisten en -verplichtingen zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt;
- implementatie van Post-Quantum Cryptografie in systemen in industriële sectoren: project inzake de implementatie van Post-Quantum Cryptografie in systemen in industriële sectoren zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt;
- markt voor cloud-to-edge-diensten: project inzake de EU-markt voor cloud-to-edge-diensten zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt;
- ondersteuning bij de implementatie van Multi-Landen Projecten: project inzake ondersteuning bij de implementatie van Multi-Landen Projecten, inclusief European Digital Infrastructure Consortiums, zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Deployment and Best use bestrijkt;
- ondersteuning van het uitrollen van de NIS 2-richtlijn en nationale strategieën voor cyberveiligheid: project inzake de ondersteuning bij de implementatie van de NIS 2-richtlijn (richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 910/2014 en Richtlijn (EU) 2018/1972 en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2016/1148 (PbEU 2022, L 333)) en nationale cybersecurity strategieën zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt;
- ontwikkeling van een Citiverse; project inzake de ontwikkeling van een Citiverse zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt;
- programma Digitaal Europa: programma zoals vastgesteld bij verordening (EU) nr. 2021/694;
- referentie-implementaties van Europese cloud edge-diensten: project inzake de referentie-implementaties van Europese cloud edge-diensten voor industriële Internet of Things Edge en Telecommunicatie edge zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt;
- sectorale digitale vaardigheden academies: project inzake de ontwikkeling en uitvoering van sectorale opleidings- en samenwerkingsprogramma’s ter versterking van geavanceerde digitale vaardigheden, zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Advanced Digital Skills bestrijkt;
- test- en experimenteerfaciliteit voor de maakindustrie: project inzake de test- en experimenteerfaciliteit voor de maakindustrie zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt;
- toepassen van innovatieve oplossingen voor cyberveiligheid: project inzake de ingebruikname van innovatieve cybersecurity oplossingen zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt;
- transitie naar post-quantum publieke sleutelinfrastructuren: project inzake de ontwikkeling, implementatie en toepassing van post-quantum publieke sleutel infrastructuur ten behoeve van veilige, toekomstbestendige en betrouwbare digitale infrastructuur zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt;
- veerkracht, coördinatie en oefenfaciliteiten in de EU voor cyberveiligheid: project inzake de Europese Cybersecurity Veerkracht, Coördinatie en Cybersecurity Ranges zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt;
- verordening (EU) nr. 2021/694: verordening (EU) 2021/694 van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240 (PbEU 2021, L 166);
- versterken van de cybersecurity-capaciteiten van Europese MKB-ondernemingen in lijn met CRA-vereisten en -verplichtingen: project inzake het versterken van de cybersecurity-capaciteiten van Europese MKB-ondernemingen in lijn met CRA-vereisten en -verplichtingen zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt.
Artikel 3.28.2. Subsidieverstrekking
De Minister verstrekt op aanvraag subsidie voor het uitvoeren van een project binnen het programma Digitaal Europa aan een in Nederland gevestigde aanvrager die voor dat project een bijdrage ontvangt van de Europese Commissie, inzake:
- a. de markt voor cloud-to-edge-diensten;
- b. een Europese digitale-innovatiehub;
- c. een test- en experimenteerfaciliteit voor de maakindustrie;
- d. een dataruimte voor de maakindustrie;
- e. een grootschalig proefproject voor cloud-to-edge-diensten;
- f. de ondersteuning van het uitrollen van de NIS 2-richtlijn en nationale strategieën voor cyberveiligheid;
- g. het toepassen van innovatieve oplossingen voor cyberveiligheid;
- h. de veerkracht, coördinatie en oefenfaciliteiten in de EU voor cyberveiligheid;
- i. een digitaal product-paspoort;
- j. de ontwikkeling van een Citiverse;
- k. hulpmiddelen voor naleving van CRA-vereisten en -verplichtingen;
- l. de implementatie van Post-Quantum Cryptografie in systemen in industriële sectoren;
- m. het versterken van de cybersecurity-capaciteiten van Europese MKB-ondernemingen in lijn met CRA-vereisten en -verplichtingen;
- n. gespecialiseerde opleidingsprogramma's in sleutelcapaciteitsgebieden;
- o. een cybersecurity vaardigheden academie;
- p. ondersteuning bij de implementatie van Multi-Landen Projecten;
- q. referentie-implementaties van Europese cloud edge diensten;
- r. een dataruimte voor de energie-industrie;
- s. een dataruimte voor de maakindustrie (implementatie);
- t. een dataruimte voor de Green Deal;
- u. een alliantie voor taaltechnologieën; of
- v. het beschikbaar maken van een hoog presterend open source Europees basismodel voor nauwkeurige afstemming;
- w. digitale oplossingen voor naleving van regelgeving via data;
- x. transitie naar post-quantum publieke sleutelinfrastructuren;
- y. sectorale digitale vaardigheden academies.
Het eerste lid is tevens van toepassing op een aanvraag van een provincie, gemeente of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Indien de aanvrager samenwerkt in een samenwerkingsverband dat een bijdrage van de Europese Commissie ontvangt, verstrekt de Minister uitsluitend subsidie indien de aanvrager het project, waarvoor overeenkomstig het eerste lid subsidie wordt gevraagd, zal uitvoeren met deelnemers in dat samenwerkingsverband.
De Minister verstrekt geen subsidie voor het uitvoeren van een project inzake een Europese digitale-innovatiehub, indien het project dienstverlening aan overheden betreft.
Artikel 3.28.3. Hoogte subsidie
De subsidie voor het uitvoeren van een project, niet zijnde een project inzake een Europese digitale-innovatiehub, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.
De subsidie voor het uitvoeren van een project inzake een Europese digitale-innovatiehub bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten.
in afwijking van het eerste en tweede lid, bedraagt de subsidie:
- a. voor een project, als bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid, onderdeel b, ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
- b. voor een project, als bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid, onderdelen w en y, ten hoogste:
- i. 25% van de subsidiabele kosten; of
- ii. 35% van de subsidiabele kosten, indien de kosten worden gemaakt en betaald door een kleine of middelgrote onderneming.
- c. in afwijking van onderdeel b, voor een project, als bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid, onderdelen w, x en y, ten hoogste:
- i. 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op investeringssteun voor een kleine onderneming;
- ii. 10% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op investeringssteun voor een middelgrote onderneming;
- iii. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
- iv. 15% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op proces- en organisatie-innovatie en de subsidie wordt verleend aan een grote onderneming; of
- v. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten.
Het derde lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de voorwaarden uit de algemene de-minimisverordening.
De subsidie bedraagt ten hoogste:
- a. € 200.000 voor een aanvraag inzake de markt voor cloud-to-edge-diensten;
- b. € 1.636.418,80 voor een project inzake een Europese digitale-innovatiehub;
- c. € 5.000.000 voor een aanvraag inzake een test- en experimenteerfaciliteit voor de maakindustrie;
- d. € 200.000 voor een aanvraag inzake een dataruimte voor de maakindustrie;
- e. € 200.000 voor een aanvraag inzake een grootschalig proefproject voor cloud-to-edge-diensten;
- f. € 200.000 voor een aanvraag inzake de ondersteuning van het uitrollen van de NIS 2-richtlijn en nationale strategieën voor cyberveiligheid;
- g. € 200.000 voor een aanvraag inzake het toepassen van innovatieve oplossingen voor cyberveiligheid;
- h. € 200.000 voor een aanvraag inzake de veerkracht, coördinatie en oefenfaciliteiten in de EU voor cyberveiligheid;
- i. € 750.000 voor een aanvraag inzake een digitaal product-paspoort.
In aanvulling op het vijfde lid bedraagt de subsidie, niet zijnde een subsidie aan een Europese digitale-innovatiehub als bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid onderdeel b, niet meer dan de bijdrage die de Europese Commissie reeds heeft verstrekt als onderdeel van het programma Digitaal Europa.
Artikel 3.28.4. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking de subsidiabele kosten waarvoor de Europese Commissie reeds een bijdrage heeft verstrekt als onderdeel van het programma Digitaal Europa.
Voor subsidie, bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid, onderdeel b, komen uitsluitend in aanmerking:
- a. de kosten, die betrekking hebben op een niet-economische activiteit;
- b. de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel of industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;
- c. de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie;
- d. de kosten, bedoeld in artikel 27, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of
- e. de kosten bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Voor subsidie, bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid onderdelen w, x en y, komen uitsluitend in aanmerking:
- a. de kosten, die betrekking hebben op een niet-economische activiteit;
- b. de kosten, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- c. de kosten, bedoeld in artikel 18, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- d. de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of haalbaarheidsstudies;
- e. de kosten, bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- f. de kosten, bedoeld in artikel 26bis, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- g. de kosten, bedoeld in artikel 27, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- h. de kosten, bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- i. de kosten, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of
- j. de kosten, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Het derde lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de voorwaarden uit de algemene de-minimisverordening of als er sprake is van niet-economische activiteiten, bedoeld in artikel 3.28.2, derde lid, onderdeel b, subonderdeel v.
In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het besluit komen kosten in aanmerking voor subsidie die door de subsidieontvanger zijn gemaakt vóór indiening van de aanvraag voor subsidie, doch na indiening van de aanvraag voor de bijdrage van de Europese Commissie, indien de Europese Commissie de subsidieontvanger toestemming heeft verleend om het project te starten voordat de bijdrage van de Europese Commissie is vastgesteld.
In afwijking van artikel 11, eerste lid, van het besluit berekent de aanvrager de subsidiabele kosten overeenkomstig de wijze die is gebruikt bij de aanvraag van de bijdrage van de Europese Commissie.
Artikel 3.28.5. Verdeling subsidieplafond
De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist overeenkomstig de door de Europese Commissie vastgestelde rangschikking.
Indien de Europese Commissie uitsluitend samenwerkingsverbanden heeft gerangschikt, verdeelt de Minister het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de samenwerkingsverbanden, waarbij de aanvragen van de deelnemers van een samenwerkingsverband worden gerangschikt overeenkomstig de rangschikking van dat betreffende samenwerkingsverband. Indien bij deze verdeling een bedrag resteert, wordt dit verdeeld door het te verdelen over de deelnemers in het eerstvolgende gerangschikte samenwerkingsverband via een procentuele verlaging.
Artikel 3.28.6. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is zeven jaar.
Artikel 3.28.7. Subsidievoorwaarden
De subsidieverlening vindt plaats onder de voorwaarde dat wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen die zijn verbonden aan de bijdrage van de Europese Commissie.
De subsidieverlening voor een project inzake een Europese digitale-innovatiehub vindt plaats onder de voorwaarde dat de Europese digitale-innovatiehub het samenwerkingsplan, bedoeld in artikel 3.28.9, tweede lid, naleeft.
Artikel 3.28.7a. Europese verplichtingen
De ontvanger van de subsidie, bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid, onderdeel b, draagt er zorg voor dat bij de levering van diensten aan ondernemingen de voorwaarden van hoofdstuk I en artikelen 25 en 28, van de algemene groepsvrijstellingsverordening worden nageleefd door deze ondernemingen.
De ontvanger van de subsidie, als bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid, onderdelen i tot en met y, draagt er zorg voor dat wordt voldaan aan alle op het project van toepassing zijnde voorwaarden uit het betreffende artikel van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.28.7b. Europese informatieverplichtingen
De ontvanger van de subsidie, bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid, onderdeel b, verleent, op verzoek van de minister, medewerking in verband met de verplichtingen die zijn opgenomen in hoofdstuk I van de algemene groepsvrijstellingsverordening en draagt er zorg voor dat hij alle maatregelen neemt om die medewerking te kunnen verlenen.
Artikel 3.28.8. Cumulatie
Bijdragen van de Europese Commissie op grond van het programma Digitaal Europa blijven buiten beschouwing bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit.
Onverminderd het eerste lid blijven subsidies van bestuursorganen voor een project inzake een Europese digitale-innovatiehub buiten beschouwing bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit.
Artikel 3.28.9. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. de gegevens over het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waaronder:
- 1°. de start- en einddatum;
- 2°. de totale kosten;
- 3°. de omvang van de gevraagde subsidie en het samenwerkingsverband;
- 4°. een omschrijving van de subsidiabele activiteiten; en
- 5°. indien van toepassing: een voorlopige inschatting op welke wijze de staatssteun wordt gerechtvaardigd door een van de artikelen, bedoeld in artikel 3.28.10, derde lid;
- 6°. Indien van toepassing, een verklaring de-minimissteun;
- d. gegevens over de door de Europese Commissie verstrekte bijdrage voor het project, waaronder de subsidieovereenkomst;
- e. de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Een aanvraag voor subsidie voor het uitvoeren van een project inzake een Europese digitale-innovatiehub bevat, onverminderd het eerste lid, ten minste een samenwerkingsplan tussen de Europese digitale-innovatiehubs die is gericht op effectieve samenwerking voor het bereiken van de doelstellingen van de subsidie en die ten minste:
- a. een samenwerkingsverband tussen de Europese digitale-innovatiehubs opricht;
- b. concrete gezamenlijke doelstellingen bevat;
- c. de afspraak bevat dat uitsluitend een in de overeenkomst aangewezen digitaal administratiesysteem wordt gebruikt voor het beheren van de gegevens over de diensten en van de afnemers van de diensten en voor het bijhouden van de financiële en organisatorische administratie;
- d. afspraken bevat over de uitwisseling van kennis en goede praktijken;
- e. afspraken bevat over hoe de Europese digitale-innovatiehubs elkaars diensten aanprijzen;
- f. de afspraak bevat om meerdere keren per jaar overleg te voeren over de samenwerking;
- g. afspraken bevat over de organisatie van activiteiten met meerdere Europese digitale-innovatiehubs samen.
De aanvraag voor subsidievaststelling bevat ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de Minister verstrekte referentienummer;
- b. de omvang van de vast te stellen subsidie.
Met toepassing van artikel 50, zesde lid, van het besluit wordt de controleverklaring bij de aanvraag voor subsidievaststelling vervangen door een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant of accountant-administratieconsulent over de in artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde voorschriften.
Het eindverslag dat de aanvraag voor subsidievaststelling vergezelt als bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, is gelijk aan het eindverslag dat de subsidieontvanger voor het project heeft ingediend bij de Europese Commissie.
Artikel 3.28.10. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 3.28.2, onderdelen a, d en e tot en met h, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.
De subsidie, bedoeld in artikel 3.28.2, onderdelen b en c, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 25, 27 en 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
De subsidie, bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid, onderdelen i tot en met y, voor zover deze wordt verstrekt aan een onderneming, bevat staatssteun die wordt gerechtvaardigd door de artikelen 17, 18, 25, 26, 26 bis, 27, 28, 29 of 31 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, of de algemene de-minimisverordening.
Artikel 3.28.11. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.
Titel 3.29. Opschaling verduurzaamde PPS in het beroepsonderwijs
Artikel 3.29.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- adviescommissie: commissie als bedoeld in artikel 3.29.11;
- contextrijke infrastructuur: inspirerende leer- en werkomgeving om in te leren aangeboden vanuit de verduurzaamde PPS;
- innovatie van de beroepspraktijk: praktijk waarbij studenten projecten uitvoeren voor en met het bedrijfsleven en die bijdragen aan innovatievraagstukken met als doel om oplossingen aan te dragen die bij ondernemingen kunnen worden geïmplementeerd;
- loonverletkosten: loonkosten voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten, voor zover die hebben geleid tot een vermindering van de werkbare uren voor de werkgever;
- ondernemersvereniging: vereniging van ondernemers die krachtens haar statuten de gemeenschappelijke belangen behartigt van de aangesloten ondernemers;
- onderwijsinstelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft;
- project: project als bedoeld in artikel 3.29.2, waarvoor op grond van deze regeling subsidie kan worden verstrekt;
- verduurzaamde PPS: verduurzaamde publiek-private samenwerking als bedoeld in artikel 3.29.3.
Artikel 3.29.2. Subsidieverstrekking en voorschot
De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderwijsinstelling die verbonden is aan een verduurzaamde PPS of aan deelnemers van een verduurzaamde PPS voor een project, dat bestaat uit activiteiten die bijdragen aan een betere aansluiting van het onderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt door middel van of door in te zetten op:
- a. versterking van ketens en ecosystemen;
- b. talentontwikkeling van aankomende en huidige werknemers;
- c. een leven lang leren voor werknemers en werkzoekenden;
- d. innovatie van de beroepspraktijk; of
- e. een contextrijke infrastructuur.
Het project is ten minste gericht op klimaat- en energietransitie of digitale transitie.
De Minister verstrekt ambtshalve jaarlijks een voorschot. Het eerste voorschot wordt verstrekt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
De hoogte van het voorschot bedraagt in het eerste en tweede jaar 27 procent van de maximale hoogte van de subsidie en in het derde en vierde jaar 23 procent.
Artikel 3.29.3. Verduurzaamde PPS
Bij de uitvoering van het project werken onderwijsinstellingen en ondernemingen samen in een verduurzaamde PPS, die ten minste bestaat uit:
- a. een instelling voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- b. een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- c. een instelling voor middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- d. twee ondernemersverenigingen die elk ten minste 25 ondernemingen vertegenwoordigen.
De partijen in de verduurzaamde PPS hebben een stevig trackrecord en gezamenlijk een jaarlijks bereik van ten minste:
- a. 100 werknemers;
- b. 500 studenten; en
- c. 30 docenten of onderzoekers.
Artikel 3.29.4. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt maximaal 100 procent van de subsidiabele kosten en is per aanvraag minimaal € 4 miljoen en maximaal € 9 miljoen.
De verhouding subsidie ten opzichte van de totale kosten van het project bedraagt maximaal 42 procent.
Ten minste 33 procent van de totale kosten van het project wordt gedragen door private partijen in de verduurzaamde PPS, niet zijnde de onderwijsinstellingen.
Artikel 3.29.5. Uurtarief
In afwijking van artikel 3.1.1 bedraagt het uurtarief, bedoeld in de artikelen 13, tweede lid, en 14, van het besluit, voor deze titel € 80.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de urenbijdrage van alle deelnemers aan het project.
Artikel 3.29.6. Niet-subsidiabele kosten
Voor subsidie komen niet in aanmerking:
- a. kosten van reguliere activiteiten van de onderwijsinstelling die op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek gefinancierd worden;
- b. kosten voor economische activiteiten;
- c. kosten van een onderneming voor de begeleiding van studenten of werknemers gedurende de beroepspraktijkvorming, beroepsbegeleidende leerweg, duale leerroute of stage en daarbij verstrekte vergoedingen aan studenten;
- d. kosten die een onderneming betaalt aan een onderwijsinstelling voor het afnemen van opleidingsactiviteiten of contractonderzoek;
- e. loonverletkosten.
Artikel 3.29.7. Informatieverplichting
De aanvraag om subsidie bevat ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager of aanvragers, waaronder het post- en bezoekadres en het rekeningnummer van de aanvrager of aanvragers;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager of aanvragers, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. indien van toepassing: gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres;
- d. een regiovisie;
- e. een nulmeting;
- f. een plan van aanpak;
- g. een begroting;
- h. een samenwerkingsovereenkomst;
- i. een faseplan als bedoeld in artikel 3.29.12;
- j. een schriftelijke adhesiebetuiging van een provincie; en
- k. een publieksvriendelijke samenvatting van het plan van aanpak.
De regiovisie bevat:
- a. een beschrijving van de regio waarop de subsidiabele activiteit is gericht;
- b. een analyse van de kwalitatieve en kwantitatieve vraag van de arbeidsmarkt naar gediplomeerden waar de activiteiten van de verduurzaamde PPS zich op richten;
- c. een overzicht van de relevante partijen in de regio en in de betreffende sector;
- d. een beschrijving van de wijze waarop wordt voortgebouwd op de regionale en sectorale agenda’s ten aanzien van de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt die relevant zijn voor de verduurzaamde PPS; en
- e. een beschrijving van de afstemming met andere relevante partijen in de regio en in de betreffende sector die niet deelnemen aan de publiek private samenwerking.
De nulmeting bevat een beschrijving van de situatie bij de startdatum van de uitvoering van de het project.
Het plan van aanpak bevat:
- a. een beschrijving van het project en de daarmee beoogde doelstellingen in relatie tot de analyse uit de regiovisie;
- b. een planning over de totale projectperiode en de daaraan verbonden kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd;
- c. de wijze waarop de aanvrager de partijen uit de verduurzaamde PPS betrekt bij de uitvoering van het project; en
- d. de wijze waarop de aanvrager of aanvragers het project na de subsidieperiode structureel inbedt en continueert binnen de verduurzaamde PPS.
De begroting bevat:
- a. een overzicht van de kosten van de activiteiten, voorzien van een toelichting;
- b. een overzicht van de financiële bijdrage en overige bijdragen in natura van de partijen uit de verduurzaamde PPS, waarbij voor de gehele projectperiode is aangegeven waaruit die bestaat en hoe deze verdeeld is over de partijen uit het samenwerkingsverband.
De samenwerkingsovereenkomst is door de deelnemende partijen ondertekend en bevat ten minste afspraken over:
- a. de aard en de omvang van de verduurzaamde PPS en de verdeling van rollen, taken en verantwoordelijkheden van de deelnemende partijen;
- b. de organisatie van periodiek overleg over de voortgang, financiering, monitoring en evaluatie van het project en de verslaglegging ervan;
- c. een analyse van de risico’s van de verduurzaamde PPS en een beschrijving van de wijze waarop deze potentiële risico’s worden aangepakt;
- d. de wijze waarop de voortgang van de verduurzaamde PPS door het samenwerkingsverband wordt geëvalueerd;
- e. de voortzetting van het samenwerkingsverband na afloop van het project;
- f. dat de partijen op verzoek van de subsidieontvanger meewerken aan rapportages en gegevens aanleveren die daarvoor noodzakelijk zijn.
Artikel 3.29.8. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar.
Met de uitvoering van het project wordt uiterlijk bij aanvang van het school-, leer- of studiejaar 2023–2024 gestart.
Artikel 3.29.9. Verdeling subsidieplafond
De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
Artikel 3.29.10. Rangschikkingscriteria
De Minister kent een aanvraag om subsidie een hoger aantal punten toe naarmate:
- a. de regionale impact, uitgedrukt in procenten, groter is ten opzichte van de bestaande situatie, blijkend uit:
- 1°. de kwaliteit van de regiovisie, bedoeld in artikel 3.29.7, tweede lid;
- 2°. de ambities van de doelstellingen van het project qua bereik voor ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten ten opzichte van de nulmeting;
- b. de samenwerking en het draagvlak geschikter is om de doelen van het project te kunnen behalen, blijkend uit:
- 1°. de samenstelling van het samenwerkingsverband en de overwegingen die hierbij een rol hebben gespeeld;
- 2°. het draagvlak voor het project bij interne en externe stakeholders;
- c. de kwaliteit van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 3.29.7, vierde lid, groter is, door de inzichtelijkheid van de haalbaarheid en de uitvoerbaarheid van het project, blijkend uit:
- 1°. het trackrecord van de verduurzaamde PPS;
- 2°. de wijze waarop de projectorganisatie is vormgegeven;
- 3°. de realiteitszin van doelstellingen en activiteitenplanning;
- 4°. dat op het niveau van het project aandacht is voor een onderzoekende en lerende organisatie;
- d. de financiële middelen effectiever en efficiënter worden ingezet, waarbij uit de begroting, bedoeld in artikel 3.29.7, vijfde lid, blijkt dat het project op een zo kostenefficiënt mogelijke manier wordt uitgevoerd;
- e. er voldoende aandacht is voor de verduurzaming van de activiteiten, blijkend uit de wijze waarop invulling is gegeven aan artikel 3.29.7, vierde lid, onderdeel d, en zesde lid, onderdeel e.
De Minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe. De Minister wijst een aanvraag af als niet elk onderdeel ten minste zes punten toegekend heeft gekregen.
De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate in totaal meer punten aan de aanvraag zijn toegekend.
De criteria, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgewerkt in een beoordelingskader, dat als bijlage 3.29.1 bij deze regeling is gevoegd.
Artikel 3.29.11. Adviescommissie
Er is een adviescommissie die tot taak heeft de Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van het besluit en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.29.10.
De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste zeven leden.
Als de commissie uit een even aantal leden bestaat, heeft de voorzitter een doorslaggevende stem.
De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar.
De adviescommissie beoordeelt alleen aanvragen die volledig zijn.
Artikel 3.29.12. Faseplan
De subsidieontvanger stelt voor elke twee jaar van de looptijd van het plan van aanpak een faseplan op dat een nadere beschrijving bevat van de subsidiabele activiteiten, inclusief het bereik van die activiteiten, die gedurende de desbetreffende jaren worden verricht ter uitvoering van het plan van aanpak, onder vermelding van de desbetreffende kosten.
Het faseplan wordt uiterlijk in mei voor de start van het desbetreffende school-, leer- of studiejaar ingediend. Het faseplan voor de eerste twee jaar wordt bij de aanvraag ingediend.
Artikel 3.29.13. Voortgangsrapportage
De subsidieontvanger dient op een in de beschikking vastgelegde datum een voortgangsrapportage in.
De voortgangsrapportage bevat in ieder geval:
- a. een overzicht van de mate waarin de activiteiten, bedoeld in artikel 3.29.2, zijn gerealiseerd;
- b. een overzicht van het bereikte aantal ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten;
- c. een beschrijving van de mate waarin de activiteiten tot dusver hebben bijgedragen aan het behalen van de doelstellingen van het project, bedoeld in artikel 3.29.10, eerste lid, onderdeel a, en de voortgang daarvan;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)