Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-17
Laatst bijgewerkt 2026-08-24
State In force
Source BWB
artikelen 1509
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • d. een actualisatie van de wijze waarop de verduurzaamde publiek-private samenwerking wordt voortgezet na afloop van de subsidieperiode.
Artikel 3.29.14. Verplichtingen subsidieontvanger
1.

De subsidieontvanger voert met betrekking tot de financiering van en de kosten en inkomsten uit economische activiteiten een gescheiden boekhouding, indien de subsidieontvanger naast niet-economische activiteiten ook economische activiteiten verricht.

2.

De activiteiten bevoordelen geen individuele ondernemingen.

3.

De subsidieontvanger maakt alle resultaten van activiteiten voor een ieder zonder onderscheid kosteloos toegankelijk.

4.

De administratie wordt ten minste tien jaar na de datum van de betaling van de Minister aan de subsidieontvanger bewaard.

5.

De verduurzaamde PPS is een open netwerk, inhoudende in ieder geval dat geïnteresseerde partijen in de regio zich, onder transparante en redelijke voorwaarden, bij de verduurzaamde PPS kunnen aansluiten.

6.

De subsidieontvanger verleent opdrachten aan derden voor uitvoering van de activiteiten, of een deel daarvan, op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven.

7.

De subsidieontvanger monitort en evalueert op aantoonbare en systematische wijze de effecten en resultaten van de subsidiabele activiteit.

8.

De subsidieontvanger verleent gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de aan hem verleende subsidie, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.

Artikel 3.29.15. Aanvraag subsidievaststelling

Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval:

  • a. een omschrijving van de resultaten van het project;
  • c. een beschrijving op welke wijze het project heeft bijgedragen aan de doelen op de gebieden, bedoeld in artikel 3.29.2, eerste lid;
  • d. een overzicht van de totale kosten van de subsidiabele activiteiten, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten;
  • e. een omschrijving van de wijze waarop voldaan is aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 3.29.14.
Artikel 3.29.16. Staatssteun

Deze regeling bevat geen staatssteun.

Artikel 3.29.17. Vervaltermijn

Deze titel en bijlage 3.29.1 vervallen met ingang van 1 september 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Titel 3.30. Circular Plastics NL

Artikel 3.30.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • Circular Plastics NL-project: samenhangend geheel van activiteiten die een technisch en economisch risico inhouden en passen binnen een in bijlage 3.30.1 opgenomen onderwerp, waarbij die activiteiten gericht zijn op het bevorderen van recycling van plastic afval dat anders verbrand of gestort zou worden of op een minder milieuvriendelijke wijze verwerkt zou worden;
  • Circular Plastics NL-onderzoeksproject: Circular Plastics NL-project dat gericht is op onderzoek naar of ontwikkeling van processen, methodieken of technieken gericht op het verbeteren van ontwerp van materialen of producten; of gericht op het karakteriseren, sorteren en wassen van plasticafvalstromen of gericht op processen voor omzetting van plasticafvalstromen tot nieuwe grondstoffen om de efficiëntie van de recycling en de kwaliteit van het recyclaat te verhogen;
  • Circular Plastics NL-showcase: Circular Plastics NL-project gericht op het signaleren en wegnemen van knelpunten in een waardeketen van een materiaalstroom in een bepaalde (product)keten;
  • CPNL-demonstratieproject: een project bestaande uit de demonstratie van apparaten, systemen of technieken die een technisch en economisch risico inhouden, en die voor Nederland nieuw zijn of waarvan de toepassing nieuw is voor Nederland, eventueel gecombineerd met experimentele ontwikkeling in een andere vorm dan een pilot;
  • demonstratieproject: project als bedoeld in artikel 2, onderdeel 114 bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties: industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten;
  • overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties: overige projectactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten, bestaande uit brede verspreiding van onderzoeksresultaten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis;
  • overige projectactiviteiten: activiteiten die bijdragen aan het doel van een Circular Plastics NL-project, bestaande uit brede verspreiding van onderzoeksresultaten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis;
  • waardeketen: opeenvolging van activiteiten waarbij in elke schakel van het proces een waardetoevoegende activiteit plaatsvindt.
Artikel 3.30.2. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag aan een deelnemer in een samenwerkingsverband een subsidie voor het uitvoeren van een Circular Plastics NL-project.

2.

Een samenwerkingsverband bevat ten minste één onderneming.

Artikel 3.30.3. Hoogte subsidie
1.

De subsidie bedraagt voor een Circular Plastics NL-project:

  • a. 50% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;
  • b. 25% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groesvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
  • c. 40% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op een investering ten behoeve van hulpbronnenefficiëntie en een circulaire economie;
  • d. 80% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties;
  • e. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisatie met een maximum van € 25.000,– voor een Circular Plastics NL-showcase en € 50.000,– voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject;
  • f. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op overige projectactiviteiten, met een maximum van € 25.000,– voor een Circular Plastics NL-showcase en € 50.000,– voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject.
2.

De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c, worden verhoogd met:

  • a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; of
  • b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming.
3.

De subsidie voor een Circular Plastics NL-project opgenomen in bijlage 3.30.1 bedraagt ten hoogste:

  • a. € 1.500.000,– voor een onderzoeksproject;
  • b. € 7.500.000,– voor een showcase.
4.

Onverminderd het derde en vierde lid bedraagt de subsidie, voor zover het overige projectactiviteiten betreft die door een onderneming worden uitgevoerd, per onderneming in een samenwerkingsverband ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening.

Artikel 3.30.4. Verdeling van het subsidieplafond
1.

De Minister verdeelt het subsidieplafond:

  • a. voor de groep Circular Plastics NL-onderzoeksprojecten op volgorde van rangschikking van de aanvragen binnen de hiervoor bedoelde groep;
  • b. voor de groep Circular Plastics NL-showcase projecten op volgorde van rangschikking van de aanvragen binnen de hiervoor bedoelde groep.
2.

Per groep als bedoeld in het eerste lid wordt per onderwerp uit de desbetreffende groep subsidie verstrekt aan de hoogst gerangschikte aanvraag van het betreffende onderwerp.

3.

Indien na de toepassing van het tweede lid er binnen de groep Circular Plastics NL-onderzoeksprojecten of binnen de groep Circular Plastics NL-showcase projecten bedragen overblijven, worden die verdeeld op volgorde van rangschikking van de resterende aanvragen binnen de desbetreffende groep ongeacht het onderwerp.

4.

Indien na de toepassing van het derde lid bedragen overblijven in één of in beide groepen, worden die, indien van toepassing na optelling van die bedragen, verdeeld op volgorde van rangschikking over de resterende aanvragen ongeacht uit welke groep en ongeacht het onderwerp.

Artikel 3.30.5. Realisatietermijn

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is 4 jaar voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject en 5 jaar voor een Circular Plastics NL-showcase.

Artikel 3.30.6. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien na toepassing van artikel 3.30.7, eerste en tweede lid, niet aan elk criterium ten minste drie punten is toegekend.

Artikel 3.30.7. Rangschikkingscriteria
1.

De Minister kent een Circular Plastics NL-project een hoger aantal punten toe, naarmate:

  • a. het Circular Plastics NL-project meer bijdraagt aan de doelstellingen van de subsidie, opgenomen in bijlage 3.30.1.;
  • b. het Circular Plastics NL-onderzoeksproject of de Circular Plastics NL-showcase zonder onderdeel investering vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en het de Nederlandse kennispositie meer versterkt en het CPNL-demonstratieproject vernieuwender is ten opzichte van de Nederlandse stand van onderzoek of techniek en het de Nederlandse kennispositie meer versterkt;
  • c. de slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij groter is;
  • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid, de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet, het plan voor kennisverspreiding en de projectorganisatie;
  • e. de kwaliteit van het samenwerkingsverband beter is.
2.

De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3.

Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a, d en e vermenigvuldigd met 20, voor het onderdeel b voor een Circular Plastics NL-showcase vermenigvuldigd met 10 en voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject vermenigvuldigd met 30, voor het onderdeel c voor een Circular Plastics NL-showcase vermenigvuldigd met 30 en voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject vermenigvuldigd met 10, en vervolgens opgeteld.

4.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Artikel 3.30.8. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2.

Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidieverlening:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
  • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres,
  • c. een projectomschrijving die de kerngegevens over het Circular Plastics NL-project bevat;
  • d. een begroting en financieringsplan waaruit in ieder geval de wijze waarop de deelnemers in het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren blijkt;
  • e. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding en kennisdeling met de Stichting Circular Plastics NL en met partners in het Nationaal Groeifonds programma Circular Plastics NL plaatsvindt;
  • f. een formulier waarin de deelnemers de penvoerder machtigen voor het indienen van de aanvraag;
  • g. voor zover het overige projectactiviteiten betreft die worden uitgevoerd door ondernemingen, een verklaring de-minimissteun van elke onderneming in het samenwerkingsverband die deze activiteiten uitvoert;
  • h. voor zover het een aanvraag betreft van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, een verklaring de-minimissteun van elke onderneming in het samenwerkingsverband die deze subsidiabele activiteiten uitvoert;
  • i. voor zover het project investeringen voor een demonstratieproject bevat, een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van de Circular Plastics NL-showcase;
  • j. een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, inclusief een beslisschema, een organogram van de verbonden groep waaruit de aandelenverhoudingen blijken en enkelvoudige of geconsolideerde jaarcijfers van de groep die is gebruikt voor de invulling van het beslisschema.
3.

De subsidieontvanger verstrekt de minister gedurende de looptijd van het Circular Plastics NL-project jaarlijks een voortgangsrapportage.

4.

Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, bevat in ieder geval:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;
  • b. de omvang van de vast te stellen subsidie;
  • c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling.
5.

Tegelijk met de aanvraag tot subsidievaststelling voor een Circular Plastics NL-project geeft de subsidieontvanger door middel van een verslag ten minste inzicht in de vervolgstappen die na afloop van het project worden gezet om te komen tot uitvoering en implementatie in de markt van wat onderzocht of ontwikkeld is.

Artikel 3.30.8a. verplichtingen subsidieontvanger
1.

De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie in het kader van het NGF-programma CPNL van de effecten van de door hem uitgevoerde activiteiten, bedoeld in artikel 3.30.2, eerste lid, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.

2.

De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

3.

De voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 3.30.8., derde lid, kan de minister gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het Circular Plastics NL-project worden opgedaan.

4.

De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het Circular Plastics NL-project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag.

5.

Iedere publicatie door of met medewerking van de deelnemers in het Circular Plastics NL-project of hun medewerkers wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met subsidie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Artikel 3.30.9. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 3.30.2, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties of overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door:

  • a. de artikelen 25 en 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • b. de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor de overige projectactiviteiten die worden uitgevoerd door ondernemingen;
  • c. de algemene de-minimisverordening, voor zover het een aanvraag betreft van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 3.30.10. Horizonbepaling

Deze titel en bijlage 3.30.1 vervallen met ingang van 1 september 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Titel 3.31. Circular Batteries

Artikel 3.31.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • batterij: een elektrochemisch systeem dat energie opslaat en kan terug leveren als elektrische energie; het betreft alleen secundaire – opnieuw oplaadbare – batterijen, zonder verdere afbakening van hun chemische samenstelling;
  • Circular Batteries-project: samenhangend geheel van activiteiten behorende bij een onderwerp, omschreven in bijlage 3.31.1, waarbij partijen die onderdeel zijn van eenzelfde Circular Batteries-project tezamen de rollen vervullen die benoemd zijn in bijlage 3.31.1;
  • NGF-programma MICB: het Nationaal Groeifondsprogramma Material Independence and Circular Batteries, waaraan door het kabinet op 30 juni 2023 budget is toegekend, dan wel waarvoor budget is gereserveerd, zoals opgenomen in Kamerstukken II 2022/23, 30 196, nr. 812;
  • niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties: industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten;
  • overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties: overige projectactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten, bestaande uit de brede verspreiding van onderzoeksresultaten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis;
  • overige projectactiviteiten: activiteiten die bijdragen aan het doel van een Circular Batteries-project, niet zijnde fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie.
Artikel 3.31.2. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag aan een deelnemer in een samenwerkingsverband een subsidie voor het uitvoeren van een Circular Batteries-project.

2.

Een samenwerkingsverband bestaat uit:

  • a. subsidieontvangers die activiteiten voor een project uitvoeren; of
  • b. een subsidieontvanger of subsidieontvangers als bedoeld in onderdeel a, en partijen:
  • 1°. niet-zijnde subsidieontvangers, die voor eigen rekening en risico, activiteiten voor een project uitvoeren; of
  • 2°. niet-zijnde subsidieontvangers en niet-zijnde financiers, die voor eigen rekening en risico een bijdrage leveren aan de financiering van een project.
3.

Een samenwerkingsverband als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bevat ten minste:

  • a. één onderzoeksorganisatie en één onderneming; of
  • b. twee ondernemingen die niet met elkaar in een groep verbonden zijn.
Artikel 3.31.3. Hoogte subsidie
1.

De subsidie bedraagt voor een Circular Batteries-project:

  • a. voor zover de activiteiten worden uitgevoerd door een onderneming:
  • 1°. 50 procent van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;
  • 2°. 25 procent van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
  • 3°. 100 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op overige projectactiviteiten;
  • b. 80 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties;
  • c. 100 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op overige niet-economische projectactiviteiten of op overige projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties.
2.

De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, worden verhoogd met:

  • a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming;
  • b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming;
  • c. 15 procentpunten, indien het Circular Batteries-project daadwerkelijke samenwerking behelst tussen een onderneming en één of meer onderzoeksorganisaties, waarbij deze organisaties ten minste 10 procent van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren;

met dien verstande dat de percentages niet meer bedragen dan 80 procent van de subsidiabele kosten.

3.

De subsidie voor een Circular Batteries-project bedraagt ten hoogste het bedrag van het subsidieplafond dat geldt voor het onderwerp waaronder het project valt.

4.

Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband per Circular Batteries-project meer bedraagt dan het maximum subsidiebedrag, bedoeld in het derde lid, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

5.

De subsidie bedraagt per subsidieontvanger ten minste € 125.000.

6.

De subsidie voor overige projectactiviteiten bedraagt ten hoogste 5 procent van de totale subsidiabele kosten van het Circular Batteries-project, en niet meer dan € 300.000 per deelnemer van een samenwerkingsverband.

7.

Onverminderd het zesde lid, bedraagt de subsidie, voor zover het overige projectactiviteiten betreft die door een onderneming worden uitgevoerd, per onderneming in een samenwerkingsverband ten hoogste € 300.000 over een periode van drie jaar.

Artikel 3.31.4. Subsidiabele kosten
1.

Voor projectactiviteiten die bestaan uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, komen de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor subsidie in aanmerking, voor zover de activiteiten nieuw, creatief, onzeker en systematisch zijn en leiden tot overdraagbare en reproduceerbare resultaten.

2.

Voor subsidie komen niet in aanmerking de kosten voor activiteiten, voor zover eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor soortgelijke activiteiten.

Artikel 3.31.5. Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen per onderwerp opgenomen in bijlage 3.31.1.

Artikel 3.31.6. Start- en realisatietermijn
1.

Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen zes maanden na de verlening.

2.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar.

Artikel 3.31.7. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien:

  • a. de aanvrager voornemens is het eigen aandeel in de projectkosten te financieren uit het deel van de aangevraagde subsidie voor subsidiabele kosten, waarvoor het uurtarief, bedoeld in artikel 3.1.1, wordt gehanteerd;
  • b. de kwaliteit van Circular Batteries-project onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico's, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet;
  • c. de slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij onvoldoende is, waarbij onder de Nederlandse markt en maatschappij ook wordt verstaan de markt en maatschappij van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
  • d. sprake is van activiteiten die vallen onder artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en er onvoldoende sprake is van vernieuwing, blijkende uit een vernieuwende technologie of een vernieuwende toepassing van een bestaande technologie;
  • e. het plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt, van onvoldoende kwaliteit is.
Artikel 3.31.8. Verplichtingen subsidieontvanger
1.

De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie in het kader van het NGF-programma MICB van de effecten van de door hem uitgevoerde activiteiten, bedoeld in artikel 3.31.2, eerste lid, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.

2.

De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

3.

De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het Circular Batteries-project jaarlijks een voortgangsrapportage die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het Circular Batteries-project worden opgedaan.

4.

De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het Circular Batteries-project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag.

5.

Iedere publicatie door of met medewerking van de deelnemers in het Circular Batteries-project of hun medewerkers wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met subsidie van het Ministerie van Economische Zaken.

6.

Voor elk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3.31.2, tweede lid, dient een samenwerkingsovereenkomst te worden overlegd aan de minister.

Artikel 3.31.9. Informatieverplichtingen subsidieaanvraag
1.

Een aanvraag om subsidie bevat ten minste:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
  • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • c. een projectplan met de kerngegevens over het Circular Batteries-project;
  • d. een begroting en een mijlpalenbegroting, waarin een omschrijving wordt gegeven van:
  • 1°. de omvang van de gevraagde subsidie, de verwachte kosten en opbrengsten van de activiteiten per mijlpaal;
  • 2°. de kosten en de financiële bijdrage per deelnemer;
  • 3°. andere inkomsten, waaronder subsidies uit anderen hoofde, waarmee de activiteiten waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, worden gefinancierd en waarin een financieringsplan is opgenomen waaruit in ieder geval de wijze waarop de deelnemers in het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren blijkt;
  • e. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt;
  • f. voor zover het overige projectactiviteiten betreft die worden uitgevoerd door ondernemingen, een verklaring de-minimissteun van elke onderneming van het samenwerkingsverband die deze activiteiten uitvoert.
2.

Het projectplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, bevat in ieder geval de volgende onderdelen:

  • a. een omschrijving van de activiteiten en een mijlpalenplanning en een omschrijving van de activiteiten en een mijlpalenplanning per deelnemer;
  • b. een beschrijving van de deelnemers, waaronder de kennis, ervaring en capaciteiten van henzelf en van andere bij de uitvoering van de activiteiten betrokken partijen, voor zover die relevant is om de kwaliteit van de deelnemers te kunnen beoordelen.
Artikel 3.31.10. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 3.31.2, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties of overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door:

  • a. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • b. de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor de overige projectactiviteiten die worden uitgevoerd door ondernemingen.
Artikel 3.31.11. Vervaltermijn

Deze titel en bijlage 3.31.1 vervallen met ingang van 8 november 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Titel 3.32. Biobased circular: testen van circulaire biopolyesters

Artikel 3.32.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • BioBased Circular-testproject: een project, dat bestaat uit het voorbereiden en uitvoeren van een praktijktest gericht op het onderzoeken van:
  • a. de bioraffinage van suikers uit een of meerdere biogrondstoffen, voor omzetting in bouwstenen voor bestaande of nieuwe biogebaseerde polyesters;
  • b. processen voor de productie van biogebaseerde polyesters uit bouwstenen als bedoeld in onderdeel a;
  • c. de eigenschappen en prestaties van de biogebaseerde polyesters voor een beoogde verwerkingsmethode of toepassing in producten;
  • d. de functionele, technische aspecten of de marktacceptatie van een eigen product gemaakt van biogebaseerde polyesters; of
  • e. de mate waarin producten gemaakt van biogebaseerde polyesters recyclebaar of bioafbreekbaar zijn;
  • biogebaseerde polyesters: polyester kunststoffen gemaakt uit biogrondstoffen, waaronder bioPET, PEF, PLA, PHA en polyesterharsen en coatings;
  • biogrondstoffen: grondstoffen van plantaardige, dierlijke of microbiologische herkomst.
Artikel 3.32.2. Aanvrager

Subsidie op grond van deze titel kan worden aangevraagd door een onderneming actief in een circulaire waardeketen voor het uitvoeren van een BioBased Circular-testproject.

Artikel 3.32.3. Hoogte subsidie
1.

De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.

2.

De subsidie bedraagt ten hoogste € 25.000.

Artikel 3.32.4. Subsidiabele kosten
1.

Voor de subsidie komen in aanmerking de kosten die worden gemaakt voor de uitvoering van een BioBased Circular-testproject.

2.

Voor de subsidie komen niet in aanmerking:

  • a. kosten voor marketing- en salesactiviteiten;
  • b. kosten van opleidingen.
3.

In afwijking van artikel 11, eerste lid, van het besluit worden de kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.32.2, berekend overeenkomstig artikel 14 van het besluit.

Artikel 3.32.5. Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.32.6. Realisatietermijn

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is één jaar.

Artikel 3.32.7. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. het BioBased Circular-testproject voor meer dan 50% van de subsidiabele kosten betrekking heeft op bureauonderzoek;
  • b. op grond van deze titel in dezelfde openstellingsperiode reeds tweemaal subsidie is verleend aan de subsidieaanvrager;
  • d. aan de subsidieaanvrager of aan een onderneming in dezelfde groep voor hetzelfde project subsidie is verleend op grond van deze titel.
Artikel 3.32.8. Verplichtingen subsidieontvanger
1.

Indien de subsidieontvanger opdrachten verleent aan derden voor uitvoering van de activiteiten, of een deel daarvan, vindt dit plaats op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven.

2.

De subsidieontvanger neemt de resultaten van het BioBased Circular-testproject op in een testverslag.

3.

Het testverslag bevat ten minste de volgende gegevens:

  • a. projecttitel en projectperiode;
  • b. datum uitvoering van de praktijktest;
  • c. een algemene en technische beschrijving van het uitgevoerde praktijktest inclusief resultaten, inzichten en conclusie;
  • d. beeldmateriaal waaruit blijkt dat de praktijktest is uitgevoerd.
3.

Het testverslag bedoeld in het tweede lid, blijft beschikbaar gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 3.32.9. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste:

  • a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres van de subsidieaanvrager, het rekeningnummer van de subsidieaanvrager en het nummer waarmee de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel;
  • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de functie, de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • c. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager.
2.

De aanvraag gaat vergezeld van:

  • a. een projectplan;
  • b. een begroting;
  • c. een of meerdere op de datum van de subsidieaanvraag geldige offertes die betrekking hebben op de kosten van het BioBased Circular-testproject, indien de subsidieontvanger opdrachten verleent aan derden voor uitvoering van de activiteiten, of een deel daarvan.
3.

Het projectplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bevat in ieder geval de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de doelstellingen van het project, de start- en einddatum van het project en een beschrijving van de projectorganisatie.

4.

De begroting, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bevat ten minste een overzicht van de totale kosten van de subsidiabele activiteiten en de omvang van de gevraagde subsidie.

Artikel 3.32.10. Subsidievaststelling
1.

De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld.

2.

De beschikking tot subsidieverlening vermeldt de datum waarop de activiteiten uiterlijk zijn verricht en de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld.

Artikel 3.32.11. Staatssteun

Subsidie die krachtens deze titel wordt verleend bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.

Artikel 3.32.12. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 15 februari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Hoofdstuk 4. Energie en klimaat

Titel 4.1. Algemene bepalingen

Artikel 4.1.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • milieubescherming: milieubescherming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 101, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties: fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten;
  • ondernemer in de landbouwsector: ondernemer die activiteiten verricht op het gebied van de productie, verwerking en afzet van landbouwproducten als bedoeld in bijlage 1 bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met uitzondering van ondernemers in de visserij- en aquacultuursector en in de bosbouwsector;
  • onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder ff, van het O&O&I-steunkader, bestaande uit:
  • b. andere dan onder subonderdeel a bedoelde geheel of gedeeltelijk meerjarig door de rijksoverheid gefinancierde onderzoeksorganisatie die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;
  • c. geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder subonderdeel a; of
  • d. geheel of gedeeltelijk door een andere staat meerjarig gefinancierde onderzoeksorganisatie die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder subonderdeel b.
Artikel 4.1.2. Berekening van de kosten

Vervallen

Artikel 4.1.3. Uurtarief

Voor de toepassing van dit hoofdstuk bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en 14 van het besluit, € 60.

Titel 4.2. Energie-innovatie

§ 4.2.1. Algemene bepalingen

Artikel 4.2.1. Cumulatie
1.

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit worden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel buiten beschouwing gelaten:

  • a. subsidies op grond van:
  • b. bijdragen van de Europese Commissie op grond van:
  • 1°. verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014 2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PbEU 2013, L 347);
  • 2°. verordening (EU) 2019/856 van de Europese commissie van 26 februari 2019 houdende aanvulling van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de werking van het innovatiefonds (PbEU 2019, L 140/6);
  • c. bijdragen van een managementautoriteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies die worden gefinancierd door de Europese Unie overeenkomstig de artikelen 92 bis en 92 ter van verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU 2013, L347).
2.

Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximum bedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt.

Artikel 4.2.1a. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie op grond van deze titel, indien de aanvrager voornemens is het eigen aandeel in de projectkosten te financieren uit het deel van de aangevraagde subsidie voor subsidiabele kosten, waarvoor het uurtarief, bedoeld in artikel 4.2.6, wordt gehanteerd.

Artikel 4.2.2. Starttermijn, evaluatie en transparantie
1.

Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen zes maanden na de verlening.

2.

Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten en medewerking aan een evaluatie van de effecten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten.

3.

De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag.

4.

Iedere publicatie door of met medewerking van de deelnemers in het project of hun medewerkers wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met subsidie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, en voor zover van toepassing het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 4.2.3. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag om subsidie op grond van deze titel bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2.

Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie op grond van deze titel ten minste:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
  • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • c. kerngegevens over het project;
  • d. informatie over de wijze waarop de aanvrager en indien van toepassing de deelnemers van een samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren;
  • e. een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening is, inclusief een ingevuld door de minister beschikbaar gesteld beslisschema, tenzij de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is.
3.

De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend bevat in ieder geval:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;
  • b. de omvang van de vast te stellen subsidie;
  • c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling;
  • d. indien de omvang van de vast te stellen subsidie € 25.000 tot € 125.000 bedraagt, een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten, waarin de subsidieontvanger aangeeft:
  • 1°. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting;
  • 2°. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;
  • 3°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is;
  • 4°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is.
Artikel 4.2.4. Investeringssubsidie

De artikelen 10, derde lid, en 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van het besluit zijn niet van toepassing op de subsidiabele kosten voor investeringen als bedoeld in de artikelen 26bis, 36, 38, 38bis, 41, 46, 47 en 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening waarvoor op grond van deze titel subsidie wordt verleend.

Artikel 4.2.5. Subsidie aan een samenwerkingsverband
1.

Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan het in de relevante paragraaf van deze titel genoemde maximum subsidiebedrag per project, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

2.

Een samenwerkingsverband bestaat uit:

  • a. subsidieontvangers die activiteiten voor een project uitvoeren, of
  • b. een subsidieontvanger of subsidieontvangers, bedoeld in onderdeel a, en partijen:
  • 1°. niet-zijnde subsidieontvangers, die voor eigen rekening en risico activiteiten voor een project uitvoeren, of
  • 2°. niet-zijnde subsidieontvangers en niet-zijnde financiers, die voor eigen rekening en risico een bijdrage leveren aan de financiering van een project.
Artikel 4.2.6. Uurtarief

In afwijking van artikel 4.1.3 bedraagt het uurtarief, bedoeld in de artikelen 13, tweede lid, en 14 van het besluit, voor de toepassing van deze titel € 80.

Artikel 4.2.7. Vervaltermijn
1.

De paragrafen 4.2.2, 4.2.7, 4.2.10, 4.2.17 en 4.2.18, en de bijlagen 4.2.1, 4.2.6, 4.2.9 en 4.2.16, vervallen met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

2.

Paragraaf 4.2.19 en bijlage 4.2.18 vervallen met ingang van 1 april 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die tijd zijn verleend.

§ 4.2.2. Energie & Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO)

Artikel 4.2.8. Begripsbepaling

In deze paragraaf wordt verstaan onder EKOO-project: project bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, en niet primair uit een pilot of demonstratie.

Artikel 4.2.9. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een EKOO-project dat past binnen één of meer innovatiethema’s van de onderdelen, opgenomen in bijlage 4.2.1.

2.

Een samenwerkingsverband bevat ten minste één onderneming.

Artikel 4.2.10. Steunintensiteit
1.

De subsidie bedraagt voor een EKOO-project:

  • a. voor zover dit betrekking heeft op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderneming:
  • 1°. 40% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een grote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de grote onderneming;
  • 2°. 50% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming;
  • 3°. 60% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming;
  • b. 80% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties.
2.

De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, worden verlaagd met 15 procentpunten indien niet voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, aanhef en eerste of tweede streepje, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

3.

De subsidie bedraagt ten hoogste:

  • a. € 500.000 per EKOO-project dat past binnen onderdeel B of D, opgenomen in bijlage 4.2.1;
  • b. € 750.000 per EKOO-project dat past binnen onderdeel A of C, opgenomen in bijlage 4.2.1.
4.

Onverminderd het derde lid bedraagt de subsidie per onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening maximaal € 300.000 over een periode van drie jaar.

5.

Onverminderd artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening zijn de kosten voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling, bedoeld in het eerste lid, subsidiabel, voor zover die betrekking hebben op activiteiten die nieuw, creatief, onzeker en systematisch zijn en leiden tot overdraagbare en reproduceerbare resultaten.

Artikel 4.2.11. Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt de subsidieplafonds op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 4.2.12. Realisatietermijn
1.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar.

2.

In afwijking van het eerste lid is de termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit twee jaar voor EKOO-projecten die passen binnen Onderdeel D. Circulaire Economie, Innovatiethema 1. Circulaire economie anders dan circulaire plastics of biobased circular of Innovatiethema 2. Circulaire Plastics, opgenomen in bijlage 4.2.1.

Artikel 4.2.13. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • b. eerder op grond van deze titel een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project.
Artikel 4.2.14. Rangschikkingscriteria
1.

De minister kent aan een EKOO-project een hoger aantal punten toe naarmate:

  • a. het EKOO-project meer bijdraagt aan de doelstelling van de subsidie, opgenomen in bijlage 4.2.1;
  • b. de slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij groter is;
  • c. het EKOO-project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;
  • d. de kwaliteit van het EKOO-project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet.
2.

De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het EKOO-project zijn toegekend.

4.

Geen subsidie wordt verleend voor een EKOO-project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk EKOO-project.

Artikel 4.2.14a. Informatieverplichtingen

Onverminderd artikel 4.2.3, eerste en tweede lid, bevat een aanvraag om subsidie een verklaring de-minimissteun, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema, indien de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft.

Artikel 4.2.14b. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 4.2.9, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door:

  • a. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • b. artikel 3 van de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor ondernemingen in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening.

§ 4.2.3. Hernieuwbare energietransitie (HER+)

Artikel 4.2.15. Begripsomschrijving

Vervallen

Artikel 4.2.16. Subsidieverstrekking

Vervallen

Artikel 4.2.17. Steunintensiteit

Vervallen

Artikel 4.2.18. Verdeling van het subsidieplafond

Vervallen

Artikel 4.2.19. Realisatietermijn

Vervallen

Artikel 4.2.20. Afwijzingsgronden

Vervallen

Artikel 4.2.21. Staatssteun

Vervallen

§ 4.2.4. Samenwerken Topsector Energie en Maatschappij

Artikel 4.2.22. Begripsomschrijving

Vervallen

Artikel 4.2.23. Subsidieaanvraag

Vervallen

Artikel 4.2.24. Steunintensiteit

Vervallen

Artikel 4.2.25. Verdeling van het subsidieplafond

Vervallen

Artikel 4.2.26. Realisatietermijn

Vervallen

Artikel 4.2.27. Afwijzingsgronden

Vervallen

Artikel 4.2.28. Rangschikkingscriteria

Vervallen

Artikel 4.2.28a. Staatssteun

Vervallen

§ 4.2.5. Carbon capture, utilisation and storage (CCUS)

Artikel 4.2.29. Begripsomschrijving

Vervallen

Artikel 4.2.30. Subsidieaanvraag

Vervallen

Artikel 4.2.31. Steunintensiteit

Vervallen

Artikel 4.2.32. Verdeling van het subsidieplafond

Vervallen

Artikel 4.2.33. Realisatietermijn

Vervallen

Artikel 4.2.34. Afwijzingsgronden

Vervallen

Artikel 4.2.35. Rangschikkingscriteria

Vervallen

Artikel 4.2.35a. Staatssteun

Vervallen

§ 4.2.6. Upstream Gas

Artikel 4.2.36. Begripsomschrijving

Vervallen

Artikel 4.2.37. Subsidieaanvraag

Vervallen

Artikel 4.2.38. Steunintensiteit

Vervallen

Artikel 4.2.39. Verdeling van het subsidieplafond

Vervallen

Artikel 4.2.40. Realisatietermijn

Vervallen

Artikel 4.2.41. Afwijzingsgronden

Vervallen

Artikel 4.2.42. Rangschikkingscriteria

Vervallen

Artikel 4.2.42a. Staatssteun

Vervallen

§ 4.2.7. Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI)

Artikel 4.2.43. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • MOOI-missie: MOOI-missie Elektriciteit, MOOI-missie Gebouwde omgeving, MOOI-missie Industrie of MOOI-missie Systeemintegratie, opgenomen in bijlage 4.2.6;
  • MOOI-project: samenhangend geheel van activiteiten bestaande uit:
  • a. industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, niet primair een pilot zijnde; of
  • b. overige projectactiviteiten;
  • overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties: overige projectactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten, bestaande uit de brede verspreiding van onderzoeksresultaten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis;
  • overige projectactiviteiten: activiteiten die bijdragen aan het doel van een MOOI-project, niet zijnde fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie;
  • vooraanmelding: vooraanmelding als bedoeld in artikel 21 van het besluit, die betrekking heeft op ten hoogste één subsidieaanvraag.
Artikel 4.2.44. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een MOOI-project dat past binnen in elk geval één van de innovatiethema’s behorende bij één van de MOOI-missies.

2.

Een samenwerkingsverband bevat ten minste drie ondernemingen die niet met elkaar in een groep verbonden zijn, en die voor zover het gaat om overige projectactiviteiten niet actief zijn in:

  • a. de sector visserij en aquacultuur;
  • b. de primaire productie van landbouwproducten; of
  • c. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening.
3.

In afwijking van het tweede lid, bevat een samenwerkingsverband ten minste twee ondernemingen die niet met elkaar in een groep verbonden zijn, indien het een MOOI-project binnen de MOOI-missie Elektriciteit, innovatiethema 5, betreft.

Artikel 4.2.45. Hoogte subsidie
1.

De subsidie bedraagt voor een MOOI-project:

  • a. voor zover deze betrekking heeft op industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of overige projectactiviteiten die uitgevoerd worden door een onderneming:
  • 1°. 40% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een grote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de grote onderneming;
  • 2°. 50% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming;
  • 3°. 60% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming;
  • b. 80% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten of op overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties.
2.

De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, worden verlaagd met 15 procentpunten indien niet voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, aanhef en eerste of tweede streepje van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

3.

De subsidie bedraagt:

  • a. ten minste € 25.000 per deelnemer in het samenwerkingsverband; en
  • b. ten hoogste € 4.000.000 per MOOI-project.
4.

Onverminderd het derde lid bedraagt de subsidie per onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening ten hoogste € 300.000 over een periode van drie jaar.

5.

De subsidie voor overige projectactiviteiten bedraagt ten hoogste 5% van de totale subsidiabele kosten van het MOOI-project, en niet meer dan € 350.000 per MOOI-project.

6.

Onverminderd het vijfde lid bedraagt de subsidie, voor zover het overige projectactiviteiten betreft die door een onderneming worden uitgevoerd, per onderneming in een samenwerkingsverband ten hoogste € 300.000 over een periode van drie jaar.

Artikel 4.2.46. Subsidiabele kosten
1.

Voor projectactiviteiten die bestaan uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling komen de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor subsidie in aanmerking, voor zover de activiteiten nieuw, creatief, onzeker en systematisch zijn en leiden tot overdraagbare en reproduceerbare resultaten.

2.

Voor subsidie komen niet in aanmerking de kosten voor activiteiten, voor zover eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor soortgelijke activiteiten.

Artikel 4.2.47. Verdeling van de subsidieplafonds
1.

De minister verdeelt de subsidieplafonds van de MOOI-missies, op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

2.

De resterende bedragen van de subsidieplafonds van de MOOI-missies, met uitzondering van de MOOI-missie Industrie, innovatiethema 3, MOOI-missie Elektriciteit, innovatiethema 5, en MOOI-missie Koolstofverwijdering, die onvoldoende zijn om subsidie te verlenen aan het eerstvolgende MOOI-project in de rangschikking binnen de betreffende MOOI-missie, worden bij elkaar opgeteld. Het totale resterende bedrag wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van alle resterende MOOI-projecten binnen de MOOI-missies waarvan de resterende bedragen zijn opgeteld, waarbij per MOOI-missie voor maximaal één MOOI-project subsidie wordt verleend.

Artikel 4.2.48. Realisatietermijn

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar.

Artikel 4.2.49. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. een vooraanmelding niet uiterlijk is ingediend op:
  • 1°. 17 april 2025 vóór 17.00 uur voor de MOOI-missie Systeemintegratie;
  • 2°. 1 oktober 2025 vóór 17.00 uur voor de MOOI-missie Elektriciteit, innovatiethema 5; of
  • 3°. 16 april 2026 vóór 17.00 uur voor de MOOI-missie Elektriciteit, innovatiethema 1, 2, 3 of 4, MOOI-missie Gebouwde Omgeving, MOOI-missie Industrie, innovatiethema 1 of 2, of MOOI-missie Koolstofverwijdering;
  • c. in geval aan een samenwerkingsverband één of meer onderzoeksorganisaties deelnemen, de subsidiabele kosten voor meer dan 50 procent door de onderzoeksorganisatie of de onderzoeksorganisaties gezamenlijk worden gemaakt;
  • d. de subsidiabele kosten minder dan € 2.000.000 bedragen;
  • e. de aanvraag voor zover het overige projectactiviteiten betreft die worden uitgevoerd door ondernemingen, activiteiten bevat die direct verband houden met:
  • 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen;
  • 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; of
  • 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer;
  • f. het MOOI-project betrekking heeft op MOOI-missie Industrie, innovatiethema 3, opgenomen in bijlage 4.2.6, en slechts binnen één van de subthema’s daarvan past;
  • g. het MOOI-project betrekking heeft op eerste generatie biogrondstoffen uit bestaande gewassen, passend binnen MOOI-missie Industrie, innovatiethema 3, subthema 3c, opgenomen in bijlage 4.2.6, en lager is gerangschikt dan een ander MOOI-project dat hier ook betrekking op heeft.
Artikel 4.2.49a. Rangschikkingscriteria
1.

De minister kent aan een MOOI-project een hoger aantal punten toe naarmate:

  • a. het MOOI-project meer bijdraagt aan de doelstellingen van de subsidie, opgenomen in bijlage 4.2.6;
  • b. het MOOI-project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;
  • c. de slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij groter is;
  • d. de kwaliteit van het MOOI-project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet;
  • e. de kwaliteit van het samenwerkingsverband beter is, blijkend uit de samenstelling en de projectorganisatie.
2.

De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe.

3.

Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor de criteria, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en e, per criterium vermenigvuldigd met 22,5, voor de criteria, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en d, per criterium vermenigvuldigd met 16,25, en vervolgens opgeteld.

4.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het MOOI-project zijn toegekend.

5.

Geen subsidie wordt verleend voor een MOOI-project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk MOOI-project.

Artikel 4.2.49b. Adviescommissie
1.

Er is een Adviescommissie MOOI die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de beoordeling van de vooraanmelding en de aanvraag om subsidie ten aanzien van de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 23, aanhef en onderdelen d en e, van het besluit, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 4.2.49a.

2.

De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste veertig leden.

3.

De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste twee jaar benoemd.

Artikel 4.2.49c. Informatieverplichtingen
1.

De vooraanmelding, bedoeld in artikel 4.2.49, onderdeel a, bevat ten minste een beknopte omschrijving van het beoogde MOOI-project waarin de volgende informatie wordt verstrekt:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)