Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-17
Laatst bijgewerkt 2026-08-24
State In force
Source BWB
artikelen 1509
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • i. er sprake is van een gelijktijdige openstelling voor het indienen van aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikelen 3.22.2, eerste lid, 3.22.2a, eerste lid, en artikel 3.22.2b, eerste lid, en de aanvrager voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op dual-use en defensiethema’s hiervoor een aanvraag doet op grond van artikel 3.22.2, eerste lid of artikel 3.22.2a, eerste lid.
2.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, voor het uitvoeren van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, is zes jaar.

3.

Onverminderd het eerste en tweede lid beslist de minister afwijzend op het deel van een aanvraag dat ziet op subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b, indien de subsidie voor deze activiteiten niet op grond van de algemene de-minimisverordening verstrekt kan worden.

Artikel 3.22.6. Rangschikking
1.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:

  • a. het kennisoverdrachtplan beter aansluit op één of meer van de volgende prioriteiten:
  • 1°. optical systems and integrated photonics;
  • 2°. kwantum technologies;
  • 3°. process technology, including process intensification;
  • 4°. biomolecular and cell technologies;
  • 5°. imaging technologies;
  • 6°. mechatronics and optomechatronics;
  • 7°. artificial intelligence and data science;
  • 8°. energy materials;
  • 9°. semiconductor technologies;
  • 10°. cybersecurity technologies;
  • b. het kennisoverdrachtplan meer gebaseerd is op een helder afgebakend thema, waar de meest relevante en excellente onderzoeksgroepen van de onderzoeksorganisaties binnen het thema aan verbonden zijn en het plan meer bijdraagt aan het realiseren van oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken en het creëren van economische impact;
  • c. het thematisch consortium respectievelijk de onderzoeksorganisaties in het TTT-samenwerkingsverband meer in verbinding staat of staan met andere onderzoeksorganisaties of kennisinstellingen, kennisstarters, andere ondernemingen, investeerders en maatschappelijke organisaties rondom het thema;
  • d. het aannemelijker is dat de in het kennisoverdrachtplan beschreven activiteiten bijdragen aan kennisoverdracht en met name het ontstaan van kennisstarters waarin onder andere door het thematisch technology transferfonds in het TTT-samenwerkingsverband met risicokapitaal geïnvesteerd kan worden;
  • e. de kwaliteit van de uitvoering van het kennisoverdrachtplan hoger is, mede gelet op de samenstelling, competenties en het netwerk van het team dat het plan feitelijk uitvoert;
  • f. het thematisch technology transferfonds meer kan steunen op relevante ervaring en deskundigheid;
  • g. het fondsplan meer bijdraagt aan de opbouw van succesvolle kennisstarters; en
  • h. het fondsplan doelmatiger is ingericht.
2.

Voor de rangschikking kent de Minister aan het in het eerste lid, onderdeel a, vermelde criterium maximaal twintig punten toe en aan de criteria genoemd in het eerste lid, onderdelen b tot en met h, elk maximaal tien punten.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid is het criterium, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing op een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3.22.2a en kent de Minister aan de overige criteria maximaal tien punten toe.

4.

Wanneer er sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 3.22.2b, eerste lid, geldt voor het eerste lid, onderdeel a, de volgende inhoud:

  • a. het thematisch technology transferplan beter aansluit op één of meer van de door het Ministerie van Defensie vastgestelde Nationale Langetermijn Defensiethema’s als bedoeld in 3.22.2b, derde lid.
Artikel 3.22.7. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag voor subsidie op grond van deze titel bevat ten minste:

  • a. gegevens over de subsidieaanvragers, waaronder de namen van de organisaties, de nummers waarmee de ondernemingen zijn geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, de post- en bezoekadressen en de rekeningnummers;
  • b. gegevens over het thematisch technology transferfonds als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • c. gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres;
  • d. een thematisch technology transferplan, bestaande uit een kennisoverdrachtplan en een fondsplan met dezelfde thematische focus, en een omschrijving van de samenhang tussen deze twee plannen;
  • e. de gegevens en onderbouwing van het thematisch technology transferplan, waaronder de start- en einddata, de begrotingen en de omvang van de gevraagde subsidie;
  • g. een visie van het consortium op de principes die het consortium hanteert voor de omgang met intellectueel eigendom. Deze visie omvat in ieder geval een toelichting op hoe het consortium omgaat met de overdracht van intellectueel eigendom aan spin-offs.
2.

Indien een subsidieaanvrager een thematisch consortium is, bevat de aanvraag voor subsidie tevens:

  • a. de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van de onderzoeksorganisaties die het thematisch consortium hebben opgericht; en
  • b. de statuten van het thematisch consortium.
3.

Een kennisoverdrachtplan is een plan van het thematisch consortium respectievelijk de onderzoeksorganisaties in het TTT-samenwerkingsverband, dat bestaat uit een samenhangend geheel van activiteiten die kennisoverdracht bevorderen rondom een thema en dat een looptijd heeft van ten minste vijf jaar.

In het kennisoverdrachtplan is tevens opgenomen:

  • a. hoe wordt omgegaan met het verwerven en overdragen van rechten van intellectueel eigendom en het verlenen van gebruiksrechten en, in geval het TTT-samenwerkingsverband bestaat uit een thematisch technology transferfonds en drie of meer onderzoeksorganisaties, hoe de onderzoeksorganisaties de daadwerkelijke samenwerking zullen inrichten; en
4.

Een fondsplan is een plan van het thematisch technology transferfonds tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van activiteiten, die bestaan uit het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties en het begeleiden van de kennisstarters.

5.

De ontvangers van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, dienen uiterlijk 12 weken voorafgaand aan een nieuwe projectjaar een jaarplan in, dat een nadere beschrijving bevat van de subsidiabele activiteiten die gedurende het daarop volgende jaar worden verricht ter uitvoering van het kennisoverdrachtplan, inclusief een jaarbegroting.

Artikel 3.22.8. Subsidieverplichtingen onderzoeksorganisaties
1.

Een onderzoeksorganisatie investeert alle winst uit de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, opnieuw in de primaire activiteiten, bedoeld in paragraaf 2.1.1, onderdeel 20, onder a, van het O&O&I-steunkader, van de onderzoeksorganisatie.

2.

Een onderzoeksorganisatie voert met betrekking tot de financiering van en de kosten en inkomsten uit economische activiteiten een gescheiden boekhouding.

3.

De activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, bevoordelen geen individuele bedrijven.

4.

Opdrachtverlening aan een derde voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, of een deel daarvan, vindt plaats op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven.

5.

De activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel a, onder 2°, zijn voor een ieder zonder onderscheid toegankelijk.

6.

De activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel c, worden alleen binnen de onderzoeksorganisatie zelf uitgevoerd.

7.

De overdracht van of de verlening van gebruiksrechten voor de resultaten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, gebeurt tegen transparante voorwaarden en marktconforme tarieven, overeenkomstig paragraaf 2.2.2, onderdeel 30, van het O&O&I-steunkader.

8.

Indien uit de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, een kennisstarter ontstaat, informeert de onderzoeksorganisatie het thematisch technology transferfonds uit het TTT-samenwerkingsverband daarover uiterlijk bij oprichting van deze kennisstarter.

9.

De samenwerkende onderzoeksorganisaties, of het thematisch consortium, besteden ten minste een derde van het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 3.22.3, eerste lid, aan activiteiten als bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdelen c en e.

Artikel 3.22.9. Subsidieverplichtingen thematisch technology transferfonds
1.

Het thematisch technology transferfonds boekt een deel van de inkomsten uit participaties over aan de minister, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.22.10.

2.

Het thematisch technology transferfonds verricht geen andere activiteiten dan de uitvoering van het fondsplan.

3.

Het thematisch technology transferfonds doet uitsluitend vervolginvesteringen in een kennisstarter indien:

  • a. het totale bedrag aan risicofinanciering, bedoeld in artikel 21, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening niet wordt overschreden voor de desbetreffende kennisstarter;
  • b. in de mogelijkheid van vervolginvesteringen is voorzien in het oorspronkelijke ondernemingsplan van de desbetreffende kennisstarter;
  • c. de desbetreffende kennisstarter niet verbonden is geraakt in de zin van artikel 3, derde lid, van bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening, met een andere onderneming dan het thematisch technology transferfonds of een onafhankelijke particuliere investeerder die in het kader van artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening risicofinanciering verschaft, tenzij de nieuwe entiteit voldoet aan de definitie van kmo, bedoeld in artikel 2, onderdeel 2 en bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening; en
  • d. de desbetreffende kennisstarter:
  • 1°. nog steeds niet actief is of is geweest op een markt;
  • 2°. minder dan zeven jaar na zijn eerste commerciële verkoop actief is op een markt en het risicokapitaal dat het thematisch technology transferfonds verstrekt als hefboom dient voor aanvullende verstrekking van risicokapitaal door een of meer onafhankelijke particuliere investeerders op het niveau van de desbetreffende kennisstarter, zodat bij de vervolginvestering het totale particuliere deelnemingspercentage minimaal 40 procent bedraagt; of
  • 3°. zeven jaar of langer na de eerste commerciële verkoop actief is op de markt en het risicokapitaal dat het thematisch technology transferfonds verstrekt als hefboom dient voor aanvullende verstrekking van risicokapitaal door een of meer onafhankelijke particuliere investeerders op het niveau van de desbetreffende kennisstarter, zodat bij de vervolginvestering het totale particuliere deelnemingspercentage minimaal 60 procent bedraagt.
4.

Het thematisch technology transferfonds stelt zeker dat het geld dat de kennisstarter verkrijgt als gevolg van een participatie niet wordt gebruikt om bestaande financiële verplichtingen te herfinancieren.

5.

In de overeenkomst van geldlening, bedoeld in artikel 3.22.2, vijfde lid, kunnen verplichtingen worden opgenomen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

6.

Een fondsplan van een thematisch technology transferfonds is gebaseerd op de uitgangspunten dat:

  • a. het thematisch technology transferfonds participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk negen jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt;
  • b. de totale verkrijgingprijs van de participaties die gedurende de fondsperiode in één kennisstarter wordt geïnvesteerd, ten minste € 25.000 en ten hoogste € 1.500.000 bedraagt;
  • c. de gemiddelde totale verkrijgingprijs van de participaties die het thematisch technology transferfonds gedurende de investeringsperiode per kennisstarter investeert, over alle kennisstarters genomen ten hoogste € 750.000 bedraagt;
  • d. voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente;
  • e. de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat aan het eind van de fondsperiode ten hoogste 50 procent van het totaal van de verkrijgingsprijs van alle participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen;
  • f. de participaties verkregen worden in kennisstarters waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn;
  • g. bij de beslissing van het thematisch technology transferfonds inzake de verkrijging van een participatie rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende kennisstarter;
  • h. de participaties verkregen worden in kennisstarters waaraan niet eerder door een participatiemaatschappij risicokapitaal in de vorm van aandelen of een aan eigen vermogen gelijk te stellen lening is verstrekt, behoudens indien:
  • 1°. deze participatiemaatschappij een ander thematisch technology transferfonds is en voor zover het totaal aan verkrijgingsprijzen van de participaties die alle thematisch technology transferfondsen gezamenlijk in de kennisstarter investeren, niet boven € 1.500.000 uitkomt;
  • 2°. deze participatiemaatschappij, niet zijnde een thematisch technology transferfonds, een aan eigen vermogen gelijk te stellen lening voor Proof of Concept doeleinden heeft verstrekt, voor zover het totaal aan risicokapitaal dat verstrekt is aan de kennisstarter door alle participatiemaatschappijen en het thematisch technology transferfonds gezamenlijk het totale bedrag aan risicofinanciering, bedoeld in artikel 21, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening niet overschrijdt;
  • 3°. deze participatiemaatschappij een informal investor is;
  • i. de begeleidingskosten in totaal ten hoogste 10 procent bedragen van het investeringsbudget;
  • j. de fondsbeheerder geen vergoeding voor de begeleiding van kennisstarters bedingt die hoger is dan hetgeen in de markt gebruikelijk is, waarbij de betrekking in ieder geval tijdelijk is en de vergoeding berekend is op basis van een uurtarief dat gebaseerd is op het gebruikelijk loon, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964;
  • k. de fondsbeheerder voor zijn werkzaamheden een marktconforme prestatieafhankelijke beloning verkrijgt.
7.

Een thematisch technology transferfonds dient op verzoek van de Minister aan het einde van een projectjaar een overzicht in van kennisstarters waaraan risicokapitaal is verstrekt. Dit overzicht bevat ten minste de namen, KvK-nummers en postcodes van de betreffende kennisstarters.

Artikel 3.22.10. Vergoeding
1.

De vergoeding, bedoeld in artikel 33, tweede lid, van het besluit, van het thematisch technology transferfonds aan de Staat bedraagt 90 procent van de netto-inkomsten.

2.

Dit percentage wordt naar rato verlaagd, indien de geldlening minder dan 90 procent van het investeringsbudget uitmaakt.

Artikel 3.22.11. Modelovereenkomst

Het model voor de overeenkomst van geldlening, bedoeld in artikel 3.22.2, vijfde lid, is opgenomen in bijlage 3.22.1.

Artikel 3.22.12. Staatssteun
1.

De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, bevat geen staatssteun.

2.

De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel a, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

3.

De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.

Artikel 3.22.13. Voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen
1.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat bij alle op het publiek gerichte voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen die betrekking hebben op de gesubsidieerde activiteiten, duidelijk wordt gemaakt dat voor de desbetreffende activiteiten subsidie is verkregen van de minister.

2.

De subsidieontvanger verleent medewerking aan voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen met betrekking tot de gesubsidieerde activiteiten door de minister of een door de minister aangewezen derde.

3.

De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden tot één jaar na de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld.

Artikel 3.22.14. Vervaltermijn

Deze titel en bijlage 3.22.1 vervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 3.23. Venture Challenge

Artikel 3.23.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • eigen bijdrage: eigen bijdrage van de subsidieontvanger of subsidieontvangers in de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.23.5;
  • innovatieadviesdienstverklaring: verklaring van een deelnemer aan een Venture Challenge samenwerkingsverband of van een Venture Challenge startup waaruit blijkt dat subsidieverlening niet zal leiden tot overschrijding van het plafond voor innovatiediensten en diensten inzake innovatieondersteuning, bedoeld in artikel 28, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • Venture Challenge programma: in opdracht van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek georganiseerde innovatieadviesdienst als bedoeld in de artikelen 2, onderdeel 94, en 28, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bestaande uit Venture Challenge bijeenkomsten waarin de deelnemende Venture Challenge teams onder begeleiding van ervaren business coaches, andere experts en ondernemers uit de sector werken aan het opzetten of aanscherpen van het venture plan van hun al dan niet toekomstige Venture Challenge startup en dit venture plan leren presenteren;
  • Venture Challenge samenwerkingsverband: samenwerkingsverband, bestaande uit ten minste drie natuurlijke personen, waaronder in ieder geval de persoon die die de nieuwe technische vinding heeft gedaan of de nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie heeft ontdekt, en die voornemens zijn gezamenlijk een Venture Challenge startup op te richten;
  • Venture Challenge startup: kleine onderneming of middelgrote onderneming die:
  • a. ten tijde van de verstrekking van de subsidie op grond van deze titel niet actief is of is geweest op een markt; en
  • b. erop gericht is een nieuw product of proces, of nieuwe dienst op de markt te brengen, gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie, voortkomend uit wetenschappelijk onderzoek;
  • Venture Challenge team: team van minimaal drie en maximaal vier natuurlijke personen, bestaande uit:
  • a. de oprichter of oprichters en eventuele medewerkers of adviseurs van een Venture Challenge startup, waaronder in ieder geval de persoon die de nieuwe technische vinding heeft gedaan of de nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie heeft ontdekt; of
  • b. de deelnemers in een Venture Challenge samenwerkingsverband;
  • venture plan: beschrijving van de commerciële potentie van de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup met het oog op exploitatie van de nieuwe technische vinding of de nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie en het aantrekken van financiers, inhoudend in ieder geval een beschrijving van:
  • a. het probleem;
  • b. de unieke oplossing die het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst biedt;
  • c. het stadium van het ontwikkelingstraject van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst;
  • d. de financieringsbehoefte en verwachte opbrengsten van de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup;
  • e. de belangrijkste risico’s en een plan van aanpak om deze risico’s te mitigeren.
Artikel 3.23.2. Subsidieverstrekking
1.

Op aanvraag verstrekt de minister subsidie voor deelname van een Venture Challenge team aan het Venture Challenge programma aan de deelnemers in een Venture Challenge samenwerkingsverband of aan een Venture Challenge startup, dat of die erop gericht is een nieuw product of proces of een nieuwe dienst op de markt te brengen dat of die past binnen de doelstellingen van de topsector Life Sciences & Health.

2.

Een nieuw product of proces of een nieuwe dienst als bedoeld in het eerste lid, is een nieuw medicijn of nieuwe therapie, een nieuw diagnosticum, een nieuw medisch hulpmiddel, dan wel een nieuwe technologie die het ontdekken, ontwikkelen of het gebruik van medicijnen, therapieën, diagnostica of medische hulpmiddelen verbetert of mogelijk maakt.

3.

De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verstrekt, indien, na toepassing van de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van het besluit en artikel 3.23.7, ten minste vijf subsidieaanvragen in aanmerking komen voor subsidie en deze aanvragen zijn ingediend gedurende de openstellingsperiode, genoemd in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 16 van het besluit.

Artikel 3.23.3. Hoogte subsidie

De subsidie, bedoeld in artikel 3.23.2, eerste lid, bedraagt de subsidiabele kosten verminderd met de eigen bijdrage.

Artikel 3.23.4. Subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 10 van het besluit zijn de subsidiabele kosten alle kosten voor deelname van het Venture Challenge team aan het Venture Challenge programma, die verschuldigd zijn aan de derde die het Venture Challenge programma uitvoert.

Artikel 3.23.5. Eigen bijdrage

De eigen bijdrage wordt bepaald aan de hand van de opgave, bedoeld in artikel 3.23.10, tweede lid, onderdeel c, van het aantal leden van het Venture Challenge team dat deelneemt aan het Venture Challenge programma, en is vastgesteld op:

  • a. € 2000, bij deelname van drie leden;
  • b. € 2500, bij deelname van vier leden.
Artikel 3.23.6. Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.23.7. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie, indien:

  • a. de werking van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd is middels concrete, experimentele data;
  • b. een duidelijk concurrentievoordeel voor de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup ontbreekt;
  • c. de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup of het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst onvoldoende commerciële potentie heeft;
  • d. er onvoldoende vertrouwen is dat bij elke Venture Challenge bijeenkomst minimaal twee leden van het Venture Challenge team aanwezig zijn;
  • e. een of meerdere leden van het Venture Challenge team reeds eerder met dezelfde nieuwe technologische vinding of nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie mee hebben gedaan aan het Venture Challenge programma of een voorloper daarvan, zonder dat deze technologie of nieuwe toepassing sterk verbeterd is;
  • f. er onvoldoende vertrouwen bestaat dat de leden van het Venture Challenge team de capaciteiten hebben om een succesvolle Venture Challenge startup op te bouwen.
Artikel 3.23.8. Rangschikkingscriteria
1.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger, naarmate:

  • a. het commerciële perspectief van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst groter is;
  • b. het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst meer vernieuwend is;
  • c. de concurrentiepositie van de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup een beter perspectief heeft;
  • d. de financieringspotentie van de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup groter is;
  • e. de kwaliteit van het Venture Challenge team hoger is, gelet op de mate van complementariteit van de leden, de capaciteiten van de leden en de rolverdeling binnen het team;
  • f. de toegevoegde waarde van deelname aan het Venture Challenge Programma voor de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup groter is.
2.

Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid genoemde criteria even zwaar.

Artikel 3.23.9. Verplichtingen subsidieontvanger
1.

De subsidie wordt slechts aangewend ter dekking van de subsidiabele kosten van het Venture Challenge programma dat start op de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde datum.

2.

Aan iedere Venture Challenge bijeenkomst nemen minimaal twee en maximaal vier leden van het Venture Challenge team deel, doch nooit meer dan opgegeven bij de subsidieaanvraag.

3.

De leden van het Venture Challenge team houden de niet-openbare kennis van de andere deelnemende Venture Challenge teams, die gedeeld wordt tijdens het Venture Challenge programma, geheim.

4.

Indien de subsidieontvanger een Venture Challenge startup is, zorgt deze ervoor dat het Venture Challenge team voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid.

Artikel 3.23.10. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2.

Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie ten minste:

  • a. indien een subsidieaanvraag wordt gedaan door een Venture Challenge startup:
  • 1°. gegevens over de Venture Challenge startup, waaronder de naam van de Venture Challenge startup, de grootte van de onderneming, het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel en het post- en bezoekadres;
  • 2°. gegevens van de leden van het Venture Challenge team en de contactpersoon, waaronder de namen, telefoonnummers en e-mailadressen;
  • b. indien een subsidieaanvraag wordt gedaan door deelnemers in een Venture Challenge samenwerkingsverband:
  • 1°. gegevens over de deelnemers en de contactpersoon van de penvoerder, waaronder de namen, de namen van de organisaties waar zij werkzaam zijn, de post- en bezoekadressen, telefoonnummers en e-mailadressen;
  • 2°. de werktitel van de toekomstige Venture Challenge startup;
  • c. een opgave van het aantal leden van het Venture Challenge team dat zal deelnemen aan de Venture Challenge bijeenkomsten, met een minimum van drie en een maximum van vier leden;
  • d. een applicatieformulier, inhoudende:
  • 1°. een korte beschrijving van de verbetering die het product, proces of de nieuwe dienst beoogd te bewerkstelligen;
  • 2°. een korte beschrijving van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst en de achterliggende wetenschap of technologie en de mate waarin de werking van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst gevalideerd is middels concrete, experimentele data;
  • 3°. een inschatting van de markt;
  • 4°. een beschrijving van de uniciteit van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst;
  • 5°. een beschrijving van het Venture Challenge team, waaruit in ieder geval de achtergrond van, de motivatie van en de rolverdeling binnen het team blijkt;
  • e. een opgave van beschikbaarheid voor een interview als bedoeld in het derde lid;
  • f. de innovatieadviesdienstverklaring of, in geval van een Venture Challenge samenwerkingsverband, de innovatieadviesdienstverklaringen.
3.

Indien dit wenselijk wordt geacht voor de beoordeling van de aanvraag, kan een interview deel uitmaken van de aanvraagprocedure.

Artikel 3.23.11. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 3.23.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 3.23.12. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 3.24. Mkb-werkplaatsen

Artikel 3.24.1. Begripsbepalingen

Vervallen

Artikel 3.24.2. Subsidieverstrekking

Vervallen

Artikel 3.24.3. Hoogte subsidie

Vervallen

Artikel 3.24.3a. Uurtarief

Vervallen

Artikel 3.24.4. Niet-subsidiabele kosten

Vervallen

Artikel 3.24.5. Verdeling subsidieplafond

Vervallen

Artikel 3.24.6. Realisatietermijn

Vervallen

Artikel 3.24.7. Afwijzingsgronden

Vervallen

Artikel 3.24.8. Rangschikkingscriteria

Vervallen

Artikel 3.24.9. Adviescommissie

Vervallen

Artikel 3.24.10. Verplichtingen subsidieontvanger

Vervallen

Artikel 3.24.11. Informatieverplichtingen

Vervallen

Artikel 3.24.12. Staatssteun

Vervallen

Artikel 3.24.13. Vervaltermijn

Vervallen

Titel 3.25. High-performance computing-projecten (HPC-projecten)

Artikel 3.25.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • Europees goedkeuringsbesluit: besluit van de raad van bestuur van het financieringsorgaan waarin is bepaald dat een project in aanmerking kan komen voor een financiële bijdrage van het financieringsorgaan;
  • Europees HPC-project: project gericht op de verwezenlijking van de doelstellingen op de deelgebieden betreffende HPC, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, dat is voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit en wordt uitgevoerd door een Europees samenwerkingsverband;
  • Europese subsidieaanvraag: aanvraag voor een Europees goedkeuringsbesluit bij het financieringsorgaan door de deelnemers in een Europees samenwerkingsverband;
  • Europese subsidieovereenkomst: subsidieovereenkomst als bedoeld in artikel 33 van verordening (EU) 2021/695, gesloten tussen het financieringsorgaan en deelnemers uit een Europees samenwerkingsverband ten behoeve van de uitvoering van een Europees HPC-project;
  • Europees samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband van onafhankelijke juridische entiteiten, dat voldoet aan artikel 22, tweede lid, van verordening (EU) 2021/695;
  • financieringsorgaan: de gemeenschappelijke onderneming HPC, in de gevallen dat deze op grond van artikel 33, eerste lid, van verordening (EU) 2021/1173 kwalificeert als financieringsorgaan als bedoeld in artikel 2, onderdeel 14, van verordening (EU) 2021/695;
  • gemeenschappelijke onderneming HPC: de Gemeenschappelijke onderneming Europese high-performance computing, bedoeld in artikel 1 van verordening (EU) 2021/1173;
  • HPC: high-performance computing;
  • Nederlands samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde onafhankelijke juridische entiteiten, dat onderdeel uitmaakt van een Europees samenwerkingsverband;
Artikel 3.25.2. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor het uitvoeren van een Nederlands HPC-project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de doelstellingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2021/1173, op een deelgebied, opgenomen in het toepasselijke werkprogramma betreffende HPC.

2.

Een Nederlands HPC-project is een deelproject of projectonderdeel van een Europees HPC-project en omvat een samenhangend geheel van activiteiten, opgenomen in een Europese subsidieovereenkomst, dat kan bestaan uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie.

3.

De subsidieontvanger is een in Nederland gevestigde juridische entiteit uit een Europees samenwerkingsverband, die de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, zelfstandig of in een Nederlands samenwerkingsverband uitvoert en voor het uitvoeren van deze activiteiten partij is bij een Europese subsidieovereenkomst.

4.

Het derde lid is tevens van toepassing op een aanvraag van een provincie, gemeente of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 3.25.3. Hoogte subsidie
1.

De subsidie voor een Nederlands HPC-project is gelijk aan de subsidie die door het financieringsorgaan verstrekt wordt op grond van de Europese subsidieovereenkomst.

2.

De som van de totale subsidie die door de minister en het financieringsorgaan aan een Nederlands HPC-project verstrekt wordt bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 3.25.4. Subsidiabele kosten
1.

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van het Nederlandse HPC-project zoals vermeld in de Europese subsidieovereenkomst.

2.

In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het besluit, kunnen onder de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, mede worden begrepen de kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag om subsidie, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, voor zover het financieringsorgaan hiermee heeft ingestemd in de subsidieovereenkomst.

3.

In afwijking van artikel 11, eerste lid, van het besluit berekent de aanvrager de subsidiabele kosten overeenkomstig de wijze die is gebruikt in de Europese aanvraag, voor zover wordt voldaan aan de artikelen 35 en 36 van verordening (EU) 2021/695.

Artikel 3.25.5. Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.25.6. Realisatietermijn

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is zeven jaar na subsidieverlening.

Artikel 3.25.7. Afwijzingsgrond

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, indien er geen Europese subsidieovereenkomst is gesloten.

Artikel 3.25.8. Rangschikkingscriterium

De minister rangschikt de aanvragen om subsidie betreffende een Nederlands HPC-project, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, waarop niet afwijzend is beslist hoger naar mate de Europese subsidieaanvraag betreffende het bijhorende Europese HPC-project, na toepassing van artikelen 28, eerste lid, en 29, tweede lid, van verordening (EU) 2021/695, hoger is gerangschikt door het evaluatiecomité, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van verordening (EU) 2021/695.

Artikel 3.25.9. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag om subsidieverlening bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2.

Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidieverlening ten minste:

  • a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder de naam van de aanvrager, indien van toepassing het nummer waarmee de aanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
  • b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • c. een verwijzing naar de passages uit de Europese subsidieovereenkomst of, voor zover deze onvoldoende informatie bevat, een aanvullende omschrijving, waarin zich informatie bevindt over de werkzaamheden die door de subsidieaanvrager binnen het Europese en Nederlandse HPC-project worden uitgevoerd.
3.

De aanvraag gaat vergezeld van:

  • a. een voor openbare publicatie geschikte Nederlandse samenvatting van de projectomschrijving, inclusief de doelstelling of doelstellingen en de werkzaamheden van het Nederlandse HPC-project;
  • b. een financieringsplan en begroting waarin een omschrijving wordt gegeven van:
  • 1°. de omvang van de gevraagde subsidie;
  • 2°. een beschrijving van de subsidiabele kosten die betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid; en
  • 3°. informatie over de wijze waarop de subsidieaanvrager zijn eigen aandeel in de projectkosten van het Nederlandse HPC-project financiert; en
  • c. een kopie van:
  • 1°. het Europese goedkeuringsbesluit; en
  • 2°. de ondertekende Europese subsidieovereenkomst.
Artikel 3.25.10. Aanvraag subsidievaststelling
1.

Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval:

  • a. een omschrijving van de projectresultaten van het Nederlandse HPC-project;
  • b. een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten.
2.

Onverminderd artikel 50, tweede lid van het besluit, gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van de afschriften van alle tussenrapportages en het eindverslag betreffende het Europeese HPC-project, die door het Europese samenwerkingsverband verstrekt zijn aan het financieringsorgaan.

Artikel 3.25.11. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 3.25.12. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 oktober 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 3.26. Regeneratief geneeskundige onderzoeksprojecten

Artikel 3.26.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • geneeskundig leverancier: een in de Europese Unie gevestigde rechtspersoon die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt die een bijdrage levert aan de ontwikkeling van producten of diensten op het gebied van regeneratief geneeskundige behandelmethoden;
  • regeneratief geneeskundige behandelmethode: behandelmethode waarbij gebruik wordt gemaakt van het vermogen van het menselijk lichaam om geheel of gedeeltelijk van een bepaald soort ziekte of letsel te genezen door het herstellen, repareren of vervangen van cellen, weefsels of organen die beschadigd zijn door de desbetreffende ziekte of het desbetreffende letsel, waaronder mede begrepen het repareren van DNA en RNA;
  • rentemededeling: Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PbEU 2008, C 14/02);
  • uitstaand saldo: de som van de verschuldigde nog niet betaalde aflossing van de hoofdsom van de geldlening, eenmalige rente, de jaarlijkse basisrente en, voor zover van toepassing, de wettelijke rente, bedoeld in artikel 3.26.11, eerste lid;
  • wetenschappelijke instelling: een in de Europese Unie gevestigde rechtspersoon die zich op het moment van indiening van de aanvraag om subsidie al ten minste voor een aaneengesloten periode van vijf jaar actief bezighoudt met het uitvoeren van onderzoeksprojecten op het gebied van regeneratief geneeskundige behandelmethoden, waaronder tenminste worden begrepen:
Artikel 3.26.2. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een wetenschappelijke instelling of een geneeskundig leverancier voor het in een samenwerkingsverband uitvoeren van een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject dat gericht is op het vergroten van de innovatiekracht van geneeskundig leveranciers en wetenschappelijke instellingen via het ontwikkelen van producten of diensten die vernieuwend zijn ten opzichte van de internationale stand van techniek op het gebied van regeneratief geneeskundige behandelmethoden.

2.

Een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject als bedoeld in het eerste lid omvat een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling.

3.

Het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste:

  • a. een wetenschappelijke instelling; en
  • b. een geneeskundig leverancier, die als penvoerder van dit samenwerkingsverband optreedt en, voor zover deze een verklaring de-minimissteun als bedoeld in artikel 3.26.12, tweede lid, onderdeel e, heeft overgelegd, ten behoeve van de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, geen onderneming in stand houdt die actief is in:
  • 1°. de sector visserij en aquacultuur;
  • 2°. de primaire productie van landbouwproducten; of
  • 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van de algemene de-minimisverordening.
4.

De subsidie aan de geneeskundig leverancier wordt verstrekt in de vorm van een geldlening, waarbij gebruik wordt gemaakt van de modelovereenkomst van geldlening, opgenomen in bijlage 3.26.

5.

Er wordt slechts één aanvraag om subsidie ingediend per regeneratief geneeskundig onderzoeksproject.

Artikel 3.26.3. Hoogte subsidie
1.

De subsidie voor een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject bedraagt:

  • a. voor de activiteiten van een wetenschappelijke instelling:
  • 1°. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;
  • 2°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op industrieel onderzoek;
  • 3°. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
  • b. voor de activiteiten van een geneeskundig leverancier: 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling.
2.

De subsidie bedraagt:

  • a. indien geen verklaring de-minimissteun als bedoeld in artikel 3.26.12, tweede lid, onderdeel e, is overgelegd door een geneeskundig leverancier uit het samenwerkingsverband dat het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject uitvoert: ten hoogste € 3.000.000 per regeneratief geneeskundig onderzoeksproject;
  • b. indien een verklaring de-minimissteun als bedoeld in artikel 3.26.12, tweede lid, onderdeel e, is overgelegd door een geneeskundig leverancier uit het samenwerkingsverband dat het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject uitvoert: ten hoogste € 2.400.000 per regeneratief geneeskundig onderzoeksproject of, in het geval dit bedrag zou leiden tot een bruto-subsidie-equivalent als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel c, van de algemene de-minimisverordening, die het toepasselijke de-minimisplafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening, zou overschrijden ten hoogste een bedrag per regeneratief geneeskundig onderzoeksproject dat niet zou leiden tot deze overschrijding.
3.

Onverminderd het eerste en tweede lid is ten minste 50% van de totale subsidie bestemd voor de activiteiten van één of meer geneeskundig leveranciers binnen het samenwerkingsverband, dat het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject uitvoert.

Artikel 3.26.4. Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject betrekking heeft op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling.

Artikel 3.26.5. Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidie.

Artikel 3.26.6. Start- en realisatietermijn
1.

Met de uitvoering van het op grond van deze titel gesubsidieerde regeneratief geneeskundig onderzoeksproject wordt gestart binnen uiterlijk 12 weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening.

2.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar.

Artikel 3.26.7. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:

  • b. de subsidiabele kosten minder dan € 500.000 bedragen;
  • c. de te verlenen subsidie voor een subsidieaanvrager binnen het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.26.2, derde lid, minder dan € 125.000 zou bedragen;
  • 1°. waaraan eerder subsidie voor een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject verstrekt is op grond van deze titel; of
  • 2°. die al eerder tijdens de desbetreffende openstellingsperiode een subsidieaanvraag voor een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject heeft ingediend op grond van deze titel;
  • e. de activiteiten van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject niet voor ten minste 10 procent bestaan uit fundamenteel onderzoek;
  • f. de aanvraag, voor zover de subsidieaanvraag betrekking heeft op de activiteiten van een geneeskundig leverancier, activiteiten bevat die direct verband houden met:
  • 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen;
  • 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer;
  • 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer; of
  • 4°. het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen en diensten;
  • g. de geneeskundig leverancier, in het geval het een geneeskundig leverancier betreft die een verklaring de-minimissteun als bedoeld in artikel 3.26.12, tweede lid, onderdeel e, heeft overgelegd, een onderneming in stand houdt:
  • 1°. waartegen een collectieve insolventieprocedure loopt; of
  • 2°. die voldoet aan de criteria om op verzoek van zijn schuldeisers aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen;
  • 3°. die zich naar het op de rentemededeling gebaseerde oordeel van de minister bevindt in een situatie die vergelijkbaar is met een kredietrating van lager dan B.
Artikel 3.26.8. Rangschikkingscriteria
1.

De minister kent aan een aanvraag om subsidie betreffende een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject een hoger aantal punten toe naarmate:

  • b. de kwaliteit van het projectplan van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject beter is, blijkend uit:
  • 1°. de uitwerking van de aanpak en methodiek;
  • 2°. de wijze waarop wordt omgegaan met risico’s voor de succesvolle uitvoering van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject;
  • 3°. de mate van uitvoerbaarheid;
  • c. het samenwerkingsverband dat het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject uitvoert meer geschikt is om een onderzoeksproject uit te voeren, blijkend uit:
  • 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties en ervaring aanwezig zijn binnen het samenwerkingsverband;
  • 2°. de kwaliteit van de inrichting van de projectorganisatie binnen het samenwerkingsverband, waaronder mede begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling;
  • 3°. de mate van samenwerking van wetenschappelijke instellingen en geneeskundig leveranciers binnen het samenwerkingsverband;
  • d. uit een quickscan op het te ontwikkelen product of te ontwikkelen dienst, bestaande uit een vroege Health Technology Assessment, volgt dat de impact van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject op een betere beheersing van de zorgkosten groter is, blijkend uit:
  • 1°. de bijdrage aan het publieke belang van adequate, effectieve en efficiënte gezondheidzorg op het gebied van regeneratief geneeskundige behandelmethoden; en
  • 2°. de mate waarin er extern draagvlak bestaat voor het desbetreffende onderzoeksproject bij behandelend artsen of andere relevante potentiële gebruikers van het product of de dienst;
  • e. de commerciële haalbaarheid van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject naar verwachting groter is, blijkend uit ten minste:
  • 1°. de omstandigheid dat de geneeskundig leverancier eerder actief is geweest op het gebied van de ontwikkeling van producten of diensten die een bijdrage leveren aan, dan wel kwalificeren als, een regeneratief geneeskundige behandelmethode, in het geval deze producten of diensten op het moment van indiening van de aanvraag om subsidie, bedoeld in artikel 3.26.2, eerste lid, ten minste klinisch getest zijn of worden op natuurlijke personen of toegepast worden bij de behandeling van patiënten;
  • 2°. de toepassingsmogelijkheden en slaagkans van de met het project te ontwikkelen producten of diensten op de Nederlandse en internationale markt; en
  • 3°. de uitwerking en onderbouwing van de financieringsstructuur, waaronder mede begrepen de mate van zekerheid, kwaliteit en omvang van de financiering van het eigen aandeel in de kosten van het geneeskundig onderzoeksproject;
  • f. het project zich meer richt op regeneratief geneeskundige behandelmethoden op het gebied van orgaandonatie en transplantatie.
2.

De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3.

De minister rangschikt de aanvragen om subsidie waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Artikel 3.26.9. Opschortende voorwaarde

De subsidie voor een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject, bedoeld in artikel 3.26.2, eerste lid, wordt uitsluitend verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen acht weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening, een ondertekend exemplaar van de hierbij gevoegde overeenkomst van geldlening verstrekt is aan de minister door de betrokken geneeskundig leverancier of geneeskundig leveranciers uit het samenwerkingsverband.

Artikel 3.26.10. Verplichtingen betreffende verstrekking samenwerkingsovereenkomst, voortgangsrapportages en kennisverspreiding
1.

Binnen acht weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening wordt een samenwerkingsovereenkomst verstrekt aan de minister, die is gesloten tussen de deelnemers binnen het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.26.2, derde lid, ten behoeve van de uitvoering van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject waarin:

  • 1°. wordt bepaald op welke wijze wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten;
  • 2°. wordt gewaarborgd dat voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden betreffende daadwerkelijke samenwerking, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; en
  • 3°. wordt gewaarborgd dat binnen het samenwerkingsverband voldaan wordt aan de Principes voor Maatschappelijk Verantwoord Licentiëren (MVL).
2.

Onverminderd artikel 39 van het besluit verstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject op verzoek van de minister inlichtingen omtrent de voortgang van de verrichte of te verrichten activiteiten of resultaten van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject, die gebruikt kunnen worden voor het monitoren van de voortgang van het project.

3.

Binnen twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling maakt de wetenschappelijke instelling de niet bedrijfsgevoelige kennis en de resultaten die met het project zijn opgedaan, inclusief de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie over de eventueel ontwikkelde producten of diensten en mogelijke bijhorende vervolgstappen voor de doorontwikkeling hiervan, ten minste éénmalig openbaar via een daarvoor geschikte conferentie, publicatie, open access-repositories dan wel gratis of opensource-software als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 3.26.11. Verplichtingen betreffende de aflossing en rentebetaling bij een geldlening
1.

Gedurende de looptijd van de lening is Leningnemer verplicht het volgende aan Leninggever te betalen:

  • a. de aflossing van de hoofdsom van de geldlening;
  • b. een eenmalige rente van 15 procent over de hoofdsom van de geldlening, die niet-rentedragend bij het uitstaand saldo aanwast op de laatste dag van het kalenderjaar waarin subsidievaststelling heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50 van het besluit;
  • c. een jaarlijkse basisrente van 3 procent per jaar over de som van het verschuldigde nog niet afgeloste deel van de hoofdsom van de geldlening, die rentedragend bij het uitstaand saldo aanwast op de laatste dag van het kalenderjaar waarin niet voldaan is aan de bij deze rente horende betalingsverplichting uit de overeenkomst van geldlening, bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van bijlage 3.26; en
  • d. voor zover van toepassing, de bij te late betaling verschuldigde wettelijke rente.
2.

De betalingen, bedoeld in het eerste lid, vinden plaats volgens een in de overeenkomst van geldlening vastgelegd schema, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van bijlage 3.26, doch uiterlijk binnen 14 jaar nadat de lening verstrekt is.

Artikel 3.26.12. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2.

Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie ten minste:

  • a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres, het rekeningnummer en, voor zover van toepassing, het nummer waarmee de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel;
  • b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • c. kerngegevens over het project, die bestaan uit een samenvatting van de projectomschrijving en een lijst met deelnemers in het samenwerkingsverband dat het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject zal uitvoeren;
  • d. gegevens over de grootte van de onderneming van de subsidieaanvrager, indien de subsidieaanvrager een geneeskundig leverancier is;
  • e. een verklaring de-minimissteun van een geneeskundig leverancier, indien de geneeskundig leverancier de staatssteun, die met de subsidie verleend wordt, wil rechtvaardigen op grond van de algemene de-minimisverordening.
3.

De aanvraag om subsidie, bedoeld in het eerste en tweede lid, gaat vergezeld van ten minste:

  • a. een projectplan met projectomschrijving van de doelstellingen, beoogde tussenresultaten en de werkzaamheden binnen het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject;
  • b. een financieringsplan, inclusief mijlpalenbegroting, waarin een omschrijving wordt gegeven van:
  • 1°. de omvang van de gevraagde subsidie;
  • 2°. de totale kosten van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject, inclusief een beschrijving welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.26.2, tweede lid;
  • 3°. informatie over de wijze waarop elke deelnemer in het samenwerkingsverband zijn eigen aandeel in de projectkosten financiert;
  • c. documenten met daarin een beknopte beschrijving van de projectorganisatie en de kennis, ervaring en capaciteiten van de bij de uitvoering van een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject betrokken organisaties of personen;
  • e. een businessplan van de desbetreffende geneeskundig leverancier dat de strategie en ontwikkelprioriteiten van de geneeskundig leverancier beschrijft en op welke termijn het met het project te ontwikkelen product of dienst de markt naar verwachting zal bereiken en welke impact het daar zal hebben;
  • f. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding, bedoeld in artikel 3.26.10, derde lid, zal plaatsvinden.
Artikel 3.26.13. Aanvraag tot subsidievaststelling

Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval:

  • a. een omschrijving van de projectresultaten van het project;
  • c. een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten en een beschrijving welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.26.2, tweede lid.
Artikel 3.26.14. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 3.26.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door:

  • a. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidie verstrekt is voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.26.2, tweede lid, door:
  • 1°. een wetenschappelijke instelling; of
Artikel 3.26.15. Vervaltermijn

Deze titel en bijlage 3.26 vervallen met ingang van 1 juli 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Titel 3.27. Important Projects of Common European Interest (IPCEI)

Artikel 3.27.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • Europees belangrijk project: project als bedoeld in paragraaf 3.1 van het IPCEI-steunkader dat is voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit en wordt uitgevoerd door een Europees samenwerkingsverband;
  • Europees goedkeuringsbesluit: besluit waarin de Europese Commissie een project heeft gekwalificeerd als belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang en overheidssteun voor één of meer ondernemingen die deelnemen aan het desbetreffende Europese samenwerkingsverband verenigbaar heeft verklaard met de interne markt, in de zin van artikel 107, derde lid, onderdeel b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
  • Europees samenwerkingsverband: samenwerkingsverband dat bestaat uit ondernemingen of onderzoeksorganisaties die overeenkomstig paragraaf 3.2.1, onderdeel 16, van het IPCEI-steunkader gevestigd zijn in ten minste vier landen die lid zijn van de Europese Unie of Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens gevallen waarin de aard van een Europees belangrijk project vestiging in een kleiner aantal lidstaten rechtvaardigt;
  • Europees matchmakingsproces: interactief multilateraal en publiek-privaat proces:
  • a. dat door een of meerdere lidstaten van de Europese Unie geïnitieerd is en plaatsvindt tussen lidstaten van de Europese Unie, eventueel met een of meer lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie, en op vrijwillige basis participerende ondernemingen;
  • b. dat gericht is op het tot stand brengen van een Europees belangrijk project;
  • Europese centrale narratief: een narratief, paper, scopingsdocument of ander vergelijkbaar document dat:
  • a. voorafgaand aan een Europees matchmakingsproces is opgesteld door zowel de Europese Commissie als lidstaten van de Europese Unie of de Europese Vrijhandelsassociatie; en
  • b. is gericht op het tot stand brengen van een Europees belangrijk project en bijhorend Nederlands belangrijk project op een deelgebied als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, en dat informatie bevat over welke Europese doelstellingen en strategieën van toepassing zijn op dat deelgebied;
  • Europese notificatiefase: fase waarin een Nederlands belangrijk project formeel bij de Europese Commissie wordt aangemeld om een Europees goedkeuringsbesluit te krijgen;
  • Europese pre-notificatiefase: fase waarin de Minister bij de Europese Commissie informeel een Nederlands belangrijk project onder de aandacht brengt om, voorafgaand aan een eventuele Europese notificatiefase, te verkennen of dit project in aanmerking zou kunnen komen voor een Europees goedkeuringsbesluit;
  • financieringskloof: financieringskloof als bedoeld in paragraaf 4.1, onderdeel 33, van het IPCEI-steunkader;
  • Nederlands belangrijk project: deelproject of projectonderdeel van een Europees belangrijk project;
  • Nederlands samenwerkingsverband: samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde ondernemingen of onderzoeksorganisaties;
  • nul-scenario: nul-scenario als bedoeld in paragraaf 4.1, onderdeel 31, van het IPCEI-steunkader;
  • onderzoeksinfrastructuur: onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 91, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder ff, van het O&O&I-steunkader;
  • waterstofproductie door elektrolyse: productie van waterstof door middel van elektrolyse van water op basis van hernieuwbare elektriciteit.
Artikel 3.27.2. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan één of meer in Nederland gevestigde ondernemingen of onderzoeksorganisaties voor het uitvoeren van een Nederlands belangrijk project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de Europese doelstellingen en strategieën, bedoeld in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader, op één van de volgende deelgebieden, zoals uitgewerkt in het toepasselijke Europese centrale narratief:

  • a. algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën, voor zover het de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, betreft;
  • b. onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën, voor zover het de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, betreft.
2.

Een Nederlands belangrijk project omvat een samenhangend geheel van activiteiten, dat kan bestaan uit:

  • a. één of meer van de volgende activiteiten, uitgevoerd door een onderneming die voor het uitvoeren van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit:
  • 1°. onderzoek en ontwikkeling;
  • 2°. de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten;
  • 3°. infrastructuurprojectactiviteiten;
  • b. één of meer van de volgende economische activiteiten, uitgevoerd door een onderneming:
  • 1°. industrieel onderzoek door een onderneming;
  • 2°. experimentele ontwikkeling door een onderneming;
  • 3°. een haalbaarheidsstudie door een onderneming;
  • 4°. de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming;
  • 5°. uitbreidingsinvesteringen door een middelgrote of kleine onderneming voor de aanschaf of het gebruiksklaar maken van materiële of immateriële activa ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, de diversificatie van de productie van een bestaande vestiging in nieuwe, bijkomende producten, of een fundamentele wijziging van delen van of het volledige productieproces van een bestaande vestiging van deze onderneming, waarbij bij het gebruik van immateriële activa wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 17, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • c. één of meer van de volgende niet-economische onderzoeksactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht door een onderzoeksorganisatie:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)