Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)
- b. ervoor zorg te dragen dat een aangeschafte landbouwtractor gedurende een periode van drie jaar na de vaststelling van de subsidie op zijn naam is gesteld in het kentekenregister; en
- c. een aangeschafte landbouwtractor voor ten minste 70% van de tijd in de landbouw te gebruiken gedurende een periode van drie jaar na de vaststelling van de subsidie.
De verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, geldt niet indien de subsidieontvanger de aangeschafte landbouwtractor vervangt door een andere landbouwtractor die ook in aanmerking zou zijn gekomen voor subsidie op grond van deze titel en deze vervangende landbouwtractor gedurende de nog resterende termijn van de periode, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, op zijn naam is gesteld. In dit geval wordt de vaststellingsbeschikking op verzoek van de subsidieontvanger, na verstrekking van het kenteken, de overeenkomst en de factuur van deze andere landbouwtractor, dienovereenkomstig gewijzigd.
De uitzondering van het tweede lid geldt niet wanneer de subsidieontvanger voor de vervangende landbouwtractor subsidie aanvraagt.
Artikel 2.4.10. Terugvordering
Indien niet is voldaan aan artikel 2.4.9, eerste en tweede lid, kan de minister, onverminderd de artikelen 4:46, 4:49 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, de subsidievaststelling wijzigen en het onverschuldigd betaalde deel van de subsidie terugvorderen.
Indien niet is voldaan aan de verplichting, genoemd in artikel 2.4.9, eerste lid, onderdeel b, wordt het terug te vorderen bedrag bepaald door de subsidie te verminderen met 1/36e van het verstrekte subsidiebedrag vermenigvuldigd met het aantal volledige maanden waarin niet is voldaan aan de verplichting.
Artikel 2.4.11. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 2.4.2 bevat ten minste de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam, de van toepassing zijnde SBI-code of SBI-codes, het rekeningnummer, het telefoonnummer, het e-mailadres en het bezoek- en postadres;
- b. een mkb-verklaring;
- c. een offerte en technische specificatie waaruit het merk, het type, de aanschafkosten, eventueel inclusief af-fabriekopties, de accucapaciteit en het continu elektrisch motorvermogen in kW van de aan te schaffen landbouwmachine of landbouwtractor blijken;
- d. een offerte en technische specificatie waaruit het merk, het type, de aanschaf- en installatiekosten en het vermogen in kW van het aan te schaffen DC-laadstation blijken; en
- e. een verklaring dat de aanvrager de landbouwtractor voor minstens 70% in de landbouw zal gebruiken gedurende een periode van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de vaststelling van de subsidie;
- f. een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet in moeilijkheden verkeert.
Een offerte als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is ten hoogste 90 dagen voorafgaand aan de dag van de subsidieaanvraag opgesteld.
Artikel 2.4.12. Aanvraag subsidievaststelling
Onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit bevat de aanvraag voor subsidievaststelling een afschrift van de factuur en van het betaalbewijs van de aangeschafte landbouwmachine, landbouwtractor of DC-laadstation, het serienummer van de aangeschafte landbouwmachine en het kenteken van de aangeschafte landbouwtractor.
Artikel 2.4.13. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 2.4.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
Artikel 2.4.14. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 1 april 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.
Titel 2.5. Borgstelling MKB-landbouw- en visserijkredieten
Artikel 2.5.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- LV-borgstellingskrediet: krediet dat overeenkomstig artikel 8 van bijlage 2.5.1 is verleend;
- LV-ondernemer: MKB-ondernemer die een LV-onderneming in stand houdt;
- LV-onderneming: landbouwonderneming of onderneming die actief is in de visserij- of aquacultuursector met activiteiten voor de productie van producten als bedoeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PbEU 2013, L 354);
- overnemer: natuurlijke persoon of rechtspersoon die voor het eerst voor eigen rekening en risico als MKB-ondernemer een LV-onderneming in stand gaat houden door van een bestaande LV-onderneming:
- a. zijnde een eenmanszaak, een maatschap of vennootschap onder firma de meerderheidswaarde van de activa in eigendom, pacht of erfpacht te verwerven;
- b. zijnde een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal:
- 1°. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van die vennootschap direct of indirect te verwerven, en
- 2°. de overwegende zeggenschap van die vennootschap te verkrijgen zonder op een eerder moment daarvan de enige of overwegende zeggenschap gehad te hebben;
- starter: LV-ondernemer zijnde:
- a. een natuurlijke persoon die niet langer dan drie jaar een LV-onderneming in stand houdt;
- b. een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, waarvan de bestuurder een natuurlijke persoon is die ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst direct of indirect de meerderheid van het geplaatst en gestort kapitaal houdt en deze meerderheid niet langer dan drie jaar houdt;
- verordening (EU) 2018/848: Verordening (EU) 2018/848 van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150).
Voor de toepassing van deze titel kan de minister een instelling aanwijzen als financier.
Artikel 2.5.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier voor het sluiten van kredietovereenkomsten met LV-ondernemers die betrekking hebben op LV-borgstellingskredieten.
De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een borgstelling voor de terugbetaling van een krediet dat de financier op grond van een kredietovereenkomst aan een LV-ondernemer zal verstrekken voor de duur van de kredietovereenkomst.
Artikel 2.5.3. Afwijzingsgronden
Voor subsidie komt niet in aanmerking een financier die een kredietovereenkomst sluit met een LV-ondernemer:
- a. die over voldoende financiële middelen beschikt om zijn LV-onderneming op economisch verantwoorde wijze te drijven;
- b. die een substantieel deel van de activiteiten van de LV-onderneming niet in Nederland uitvoert; of
- c. die een LV-onderneming in stand houdt waarvan de laatste jaaromzet voor 50 procent of meer is verkregen, of, indien de LV-onderneming nog geen heel jaar in stand is gehouden, waarvan de omzet naar verwachting voor 50 procent of meer zal worden verkregen, uit:
- 1°. de uitoefening van het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren van een of meer andere ondernemingen, of
- 2°. het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen van onroerende zaakprojecten.
Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die direct verband houden met:
- a. de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen;
- b. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer;
- c. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van uitvoer, of
- d. investeringen die niet in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Europese Unie en met de nationale milieubeschermingswetgeving.
Artikel 2.5.4. Provisie
Het tarief van de provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het besluit bedraagt eenmalig 3 procent.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de provisie eenmalig 1 procent indien de overeenkomst van borgtocht een LV-borgstellingskrediet betreft voor een starter of overnemer.
Artikel 2.5.5. Subsidiemaximum en verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond door vaststelling van een maximum subsidiebedrag per financier die zich bij de minister heeft aangemeld.
De minister stelt uiterlijk op 1 februari van elk kalenderjaar ambtshalve het maximum subsidiebedrag per financier vast.
De minister verdeelt het subsidieplafond voor de banken, bedoeld in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de verleningen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het model LV-borgstellingsovereenkomst, zoals opgenomen in bijlage 2.5.1.
Artikel 2.5.6. Omvang borgstelling
Er wordt borg gestaan voor 70 procent van het kredietbedrag.
Onverminderd het eerste lid, bedraagt het krediet waarvoor wordt borg gestaan ten hoogste € 2.500.000.
Artikel 2.5.7. LV-borgstellingsovereenkomst
Het model voor de LV-borgstellingsovereenkomst is opgenomen in bijlage 2.5.1.
Artikel 2.5.8. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5.2 ten minste:
- a. gegevens over de financier, waaronder de statutaire naam, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de financier, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. kerngegevens over de financier, waaronder de deskundigheid, het financieringsbeleid, het financieringsproces, het beheer en het uitwinningsbeleid van krediet.
Artikel 2.5.9. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 2.5.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 2.5.10. Vervaltermijn
Deze titel en bijlage 2.5.1 vervallen met ingang van 31 december 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 2.6. Praktijkontwikkeling van regeneratieve landbouwmethoden
Artikel 2.6.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- bedrijfsgegevens: gegevens ten aanzien van bodembeheer, gewassen, veehouderij, gebruik van inputs, management, verbredingsactiviteiten, financiën, boekhouding, economische strategie en arbeid;
- bedrijfsontwikkelplan: een door een grondgebonden landbouwonderneming in samenwerking met een onderzoeksorganisatie opgesteld plan met maatregelen voor de omschakeling van de grondgebonden landbouwonderneming naar een regeneratieve landbouwonderneming;
- grondgebonden landbouwonderneming: een landbouwonderneming waarvan de productie afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond van het bedrijf. Het betreft de volgende grondgebonden landbouwondernemingen: akkerbouwer, melkveehouder, vollegronds tuinbouwbedrijf, gemengd bedrijf, agroforestry of permacultuur.
Artikel 2.6.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een grondgebonden landbouwonderneming voor het op basis van een met een onderzoeksorganisatie gesloten uitvoeringsovereenkomst uitvoeren van een bedrijfsontwikkelplan: het betreft het voor een periode van vier jaar verzamelen van bedrijfsgegevens door middel van het uitvoeren van de in het bedrijfsontwikkelplan beschreven maatregelen en het delen van deze bedrijfsgegevens met de onderzoeksorganisatie.
Artikel 2.6.3. Subsidiabele kosten
Voor de subsidie als bedoeld in art. 2.6.2 komen uitsluitend personeelskosten als bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking.
Artikel 2.6.4. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt € 2.400,– per jaar tot een maximum van € 9.600,– per subsidieontvanger.
Artikel 2.6.5. Verdeling subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 2.6.6. Start- en realisatietermijn
Met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten wordt uiterlijk gestart binnen vier weken na de subsidieverlening.
De termijn bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is vier jaar na de subsidieverlening.
Artikel 2.6.7. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 2.6.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens, het bedrijfstype en het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel;
- b. gegevens over de onderzoeksorganisatie waar de aanvrager gegevens mee deelt, waaronder de naam en de vestigingsplaats van de onderzoeksorganisatie;
- c. een bedrijfsontwikkelplan, waarin ten minste is opgenomen welke bedrijfsgegevens de aanvrager met de onderzoeksorganisatie deelt en met welke frequentie deze gegevens worden gedeeld; en
- d. een uitvoeringsovereenkomst tussen de aanvrager en een onderzoeksorganisatie, waarin ten minste de uitvoering van het bedrijfsontwikkelplan en de verwerking van bedrijfsgegevens door de onderzoeksorganisatie is geregeld;
Artikel 2.6.8. Ambtshalve vaststelling
De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld.
Artikel 2.6.9. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 2.6.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 2.6.10. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.
Titel 2.7. Groen en doen
Artikel 2.7.1. Begripsbepalingen
Vervallen
Artikel 2.7.2. Subsidieaanvraag
Vervallen
Artikel 2.7.3. Informatieverplichtingen
Vervallen
Artikel 2.7.4. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 2.7.5. Subsidiabele kosten
Vervallen
Artikel 2.7.6. Verdeling subsidieplafond
Vervallen
Artikel 2.7.7. Hoogte subsidie
Vervallen
Artikel 2.7.8. Staatssteun
Vervallen
Artikel 2.7.9. Vervaltermijn
Vervallen
Titel 2.8. Genotypering TSE bij schapen
Artikel 2.8.1. Begripsbepalingen
Vervallen
Artikel 2.8.2. Verstrekking voucher genotypering TSE
Vervallen
Artikel 2.8.3. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 2.8.4. Verdeling vouchers genotypering TSE
Vervallen
Artikel 2.8.5. Verstrekking van subsidie aan erkende laboratoria
Vervallen
Artikel 2.8.6. Hoogte subsidie
Vervallen
Artikel 2.8.7. Staatssteun
Vervallen
Artikel 2.8.8. Vervaltermijn
Vervallen
Titel 2.9. Subsidie kosten vaccinatie pluimvee ter bestrijding van salmonella
Artikel 2.9.1. Begripsbepalingen
Vervallen
Artikel 2.9.2. Subsidieverstrekking
Vervallen
Artikel 2.9.3. Verdeling van het subsidieplafond
Vervallen
Artikel 2.9.4. Indiening aanvraag tot vaststelling
Vervallen
Artikel 2.9.5. Subsidiabele kosten
Vervallen
Artikel 2.9.6. Hoogte subsidie
Vervallen
Artikel 2.9.6a. Afwijzingsgrond
Vervallen
Artikel 2.9.7. Staatssteun
Vervallen
Artikel 2.9.8. Vervaltermijn
Vervallen
Titel 2.10. Marktintroductie energie-innovaties
Artikel 2.10.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- kasenergiesysteem: alle apparatuur, installaties of machines ten behoeve van de energievoorziening van de kas of de beheersing van het kasklimaat en energiebesparende kasconstructies waaronder kasdekmaterialen;
- kasteeltsysteem voor oogst en verwerking: geheel van maatregelen, technieken en voorzieningen voor de oogst en verwerking van gewassen, niet zijnde een kasenergiesysteem;
- kasteeltsysteem voor productie: geheel van maatregelen, technieken en voorzieningen voor de productie van gewassen, waarbij het systeem onderdelen kan bevatten die een bijdrage kunnen leveren aan de energiebesparing van een kasenergiesysteem;
- primaire energie: energie uitgedrukt in hoeveelheid fossiele brandstof berekend op basis van de benodigde productie van de afzonderlijke energiesoorten waaronder in ieder geval elektriciteit en warmte.
Artikel 2.10.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een glastuinbouwonderneming of een samenwerkingsverband van glastuinbouwondernemingen voor investeringen in een kasenergiesysteem:
- a. die tot energie-efficiëntie leiden binnen de regels die in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening zijn gesteld; of
- b. die de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen van de glastuinbouwonderneming bevorderen binnen de regels die in artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening zijn gesteld.
Per glastuinbouwonderneming of samenwerkingsverband kan één aanvraag worden ingediend voor een investering als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.10.3. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
- a. voor investeringen in een kasenergiesysteem, indien:
- 1°. de nieuwbouwkas geen glas heeft dat voldoet aan artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel i, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies;
- 2°. de kas niet is voorzien van:
- –. minimaal 2 tegelijkertijd en onafhankelijk van elkaar te sluiten energieschermen;
- –. teeltkundig vereiste verduisteringsschermen; en
- –. wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen;
- b. voor investeringen in een kasenergiesysteem, voor bestaande bouw en nieuwbouw, die niet ten minste leiden tot:
- 1°. 25 procent reductie van CO2-emissie uit de glasopstanden ten opzichte van de bestaande situatie van het project; en
- 2°. 15 procent primaire energiereductie ten opzichte van de bestaande situatie van het project;
- c. voor investeringen in een kasenergiesysteem, indien deze zich niet in de beginfase van de marktintroductie bevindt;
- d. indien de subsidie aan een glastuinbouwonderneming of per glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband van glastuinbouwondernemingen op grond van artikel 2.10.4 lager zou zijn dan € 125.000;
- e. indien het aannemelijk is dat de activiteiten waar de aanvraag tot subsidieverlening betrekking op heeft in strijd zijn met de toepasselijke wettelijke voorschriften, bedoeld in artikel 2.10.9, derde lid, onderdeel f;
- f. voor investeringen:
- 1°. in een ketel of kachel gestookt op biomassa niet zijnde een biowarmtekrachtkoppelinginstallatie, vergasser op basis van niet-houtige biomassa of wervelbed ketel;
- 2°. in een kasteeltsysteem voor oogst en verwerking;
- 3°. in een aardwarmteproject waarvoor eerder op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie subsidie verstrekt is of subsidie kan worden aangevraagd; of
- 4°. waarvoor eerder op grond van hoofdstuk 4 van deze regeling een subsidie is verstrekt;
- g. voor investeringen in energie-efficiëntie die betrekking hebben op verbeteringen die worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwondernemingen die deelnemen aan een samenwerkingsverband voldoet respectievelijk voldoen aan reeds vastgestelde Unienormen;
- h. voor investeringen ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen die bestemd zijn voor:
- 1°. de productie van biobrandstoffen, voor zover de gesteunde investering niet wordt gebruikt voor de productie van duurzame biobrandstoffen niet zijnde biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen;
- 2°. biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt;
- 3°. waterkrachtinstallaties die niet aan richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG 2000, L 327) voldoen;
- 4°. een installatie die niet nieuw is; of
- 5°. een installatie die al in bedrijf is;
- i. indien de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen die deelnemen aan een samenwerkingsverband niet overeenkomstig artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 in het handelsregister is respectievelijk zijn ingeschreven;
- j. indien de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen die deelnemen aan een samenwerkingsverband niet voldaan heeft respectievelijk hebben aan artikel 24, tweede lid, van de Landbouwwet, indien aan hem respectievelijk hen op grond van artikel 24, eerste lid, van die wet door de minister beschrijvingsbiljetten zijn uitgereikt of gezonden, voor:
- 1°. het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd; of
- 2°. het jaar voorafgaand daaraan indien de gegevens van het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd nog niet beschikbaar zijn;
- k. voor investeringen in een kasenergiesysteem:
- 1°. bij bestaande bouw indien niet alle investeringen als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies zijn gedaan;
- 2°. bij een nieuwbouwkas met lichtdoorlatend kasdek indien niet alle investeringen voor schermen en kasdek voor nieuwbouw als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies zijn gedaan;
- 3°. bij een nieuwbouwkas met een gedeeltelijk niet-lichtdoorlatend kasdek, indien:
- –. het kasdek niet volgens een logisch en efficiënt plan zo volledig mogelijk is bedekt met zonnepanelen, en de opgewekte energie voor minder dan 70% op jaarbasis wordt gebruikt in het eigen bedrijf, en
- –. een deel van het teeltproces plaatsvindt onder het niet- lichtdoorlatende kasdek met daarbij aantoonbare rendabele teelt in teelttechnische en financiële kaders;
- 4°. als deze betrekking heeft op een kasteeltsysteem voor productie indien:
- –. hiermee minder dan 5 m3 gas per m2 glasopstand per jaar wordt bespaard; of
- –. niet is onderbouwd met een berekening en op basis van onderzoek samen met KWIN of praktijkgegevens welk deel van de investering in het kasteeltsysteem voor productie toegekend wordt aan het kasenergiesysteem.
Een kasenergiesysteem bevindt zich niet in de beginfase van de marktintroductie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, indien er al op grond van artikel 2.10.2, eerste lid, voor 10 aanvragen voor een gelijksoortig kasenergiesysteem subsidie is verleend.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel h, onder 1°, komt investeringssteun om bestaande installaties voor biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen om te bouwen tot installaties voor geavanceerde biobrandstoffen wel voor subsidie in aanmerking, indien die op voedingsgewassen gebaseerde productie wordt verminderd naar rato van de nieuwe capaciteit.
De afwijzingsgrond, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel k, is niet van toepassing op een glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen die deelnemen aan een samenwerkingsverband waarop titel 16.2 van de Wet milieubeheer van toepassing is.
Artikel 2.10.4. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt:
- a. 30 procent van de subsidiabele kosten doch ten hoogste € 1.500.000: voor grote ondernemingen die investeren in energie-efficiëntiemaatregelen als bedoeld in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of
- b. 40 procent van de subsidiabele kosten doch ten hoogste € 1.500.000: voor grote ondernemingen die investeren in de productie van energie uit hernieuwbare bronnen of hernieuwbare waterstof als bedoeld in artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of
- c. 40 procent van de subsidiabele kosten doch ten hoogste € 1.500.000: voor middelgrote of kleine ondernemingen die investeren in:
- 1°. energie-efficiëntiemaatregelen als bedoeld in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of
- 2°. de productie van energie uit hernieuwbare bronnen of hernieuwbare waterstof als bedoeld in artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 2.10.5. Subsidiabele kosten
De subsidiabele kosten zijn uitsluitend:
- a. de bijkomende investeringskosten ten behoeve van energie-efficiëntiemaatregelen, bedoeld in artikel 38, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of
- b. de investeringskosten ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen, bedoeld in artikel 41, zevende lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
De subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, worden berekend in overeenstemming met artikel 38, derde lid, respectievelijk artikel 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:
- a. kosten voor grondaankoop;
- b. kosten verbonden aan het verrichten van haalbaarheidsstudies;
- c. kosten voor een warmtekrachtkoppelingsinstallatie die gebruik maakt van tropische oliën of tropische biomassa, voor zover niet voorzien van duurzaamheidscertificaten; en
- d. kosten voor in de glastuinbouwsector gangbare investeringen.
Artikel 2.10.6. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
De minister rangschikt aanvragen van subsidie voor kassen en kasenergiesystemen als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, hoger naarmate deze investering naar het oordeel van de minister:
- a. meer bijdraagt aan klimaat-neutrale glastuinbouw door:
- 1°. een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie; en
- 2°. een zo laag mogelijke CO2-uitstoot;
- b. meer bijdraagt aan de kennisontwikkeling in de glastuinbouwsector;
- c. meer technisch, teelt-technisch en economisch perspectief heeft; en
- d. gericht is op teelt-technisch of economisch inpasbare systemen die een hoger niveau van ontwikkeling of doorontwikkeling vertegenwoordigen.
Onverminderd het tweede lid rangschikt de minister aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, hoger voor zover deze aanvraag een investering in een kas betreft.
Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, toegevoegd.
Artikel 2.10.7. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie jaar.
Artikel 2.10.8. Verplichtingen
Binnen de termijn, genoemd in artikel 2.10.7:
- a. voldoet de glastuinbouwonderneming aan wie op grond van artikel 24, eerste lid, van de Landbouwwet door de minister beschrijvingsbiljetten worden uitgereikt of gezonden, telkens aan artikel 24, tweede lid, van die wet voor in ieder geval het jaar waarin de gegevens zijn opgevraagd; en
- b. dient de glastuinbouwonderneming jaarlijks een emissieaangifte in als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, van de Regeling kostenverevening reductie CO2-emissies.
De verplichting, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing op een glastuinbouwonderneming als bedoeld in artikel 15.51, tweede lid, onderdeel b, van de Wet milieubeheer.
Artikel 2.10.9. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidieverlening ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; en
- c. een begroting waarin de totale kosten van het project en de omvang van de gevraagde subsidie zijn opgenomen.
De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van:
- a. een technische beschrijving en onderbouwing van de te subsidiëren activiteiten waaruit blijkt dat:
- 1°. de investering zal leiden tot energie-efficiëntie of de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen;
- 2°. indien de investering op een kas betrekking heeft, de kas voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.10.3, eerste lid, onderdeel a; en
- 3°. de investering, indien deze op een kasenergiesysteem betrekking heeft, zal leiden tot de te bereiken CO2-reductie en primaire energiereductie, bedoeld in artikel 2.10.3, eerste lid, onderdeel b;
- b. een nader gespecificeerde begroting van:
- 1°. de bijkomende investeringskosten, bedoeld in artikel 2.10.5, eerste lid, onderdelen a en b; en
- 2°. de totale investeringskosten;
- c. offertes behorend bij de investeringskosten, bedoeld in onderdeel b;
- d. informatie over het gemiddelde energieverbruik van de afgelopen jaren door middel van:
- 1°. voor een bestaande kas: een overzicht van het energieverbruik over de afgelopen drie jaar waar de subsidie op grond van deze titel wordt uitgevoerd met een gemiddelde over deze drie jaar;
- 2°. voor een nieuwbouwkas: een overzicht van het energieverbruik over de afgelopen drie jaar waar de subsidie op grond van deze titel wordt uitgevoerd met een gemiddelde over deze drie jaar van een bestaande gelijksoortige kas;
- 3°. voor een bestaande of nieuwbouwkas kas waarbij energiebesparende of hernieuwbare energiemaatregelen zijn geïmplementeerd: teeltgemiddelden als bedoeld in de KWIN Glastuinbouw en een toelichting op het niet toe kunnen passen van subonderdeel 1° of 2° van dit onderdeel;
- e. een onderbouwing waaruit blijkt hoe de investering, bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, wordt gefinancierd; en
- f. voor zover van toepassing, de aanvragen voor bescheiden, zoals aanvragen voor vergunningen, waaruit blijkt dat de activiteiten waar de aanvraag tot subsidieverlening betrekking op heeft, uitgevoerd worden met inachtneming van de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn.
De aanvraag tot subsidievaststelling bevat in ieder geval:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;
- b. de omvang van de vast te stellen subsidie; en
- c. de onderbouwing van het vast te stellen subsidiebedrag.
Onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van:
- a. een bewijs dat het energiesysteem of de kas waarvoor subsidie is aangevraagd, in gebruik is, respectievelijk zijn genomen; en
- b. een jaarafrekening van de energieleverancier aan de betrokken glastuinbouwonderneming over het meest recente jaar.
De subsidieontvanger verleent tot drie jaar na de subsidievaststelling desgevraagd medewerking aan:
- a. een door de minister geëntameerd onderzoek; of
- b. voorlichting in het kader van het energietransitie-programma Kas als Energiebron.
Artikel 2.10.10. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 38 en 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 2.10.11. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 2.11. Innovatieprestatiecontracten ten behoeve van een duurzame visserij
Artikel 2.11.1. Begripsbepaling
In deze titel wordt verstaan onder:
- visserijactiviteit: het zoeken naar vis, het te water laten, uitzetten, slepen en ophalen van vistuig, het aan boord halen van de vangst, het overladen, het aan boord houden, het verwerken aan boord, het overbrengen, het kooien, vetmesten en aanlanden van vis en visserijproducten;
- visserijonderneming: onderneming die zich bezighoudt met visserijactiviteiten.
Artikel 2.11.2. Subsidiabele activiteiten
Artikel 3.5.17, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op IPC-projecten die gericht zijn op:
- a. vangstmethoden of vistuigen om selectiever te vissen;
- b. vangstmethoden of vistuigen die minder bodemberoering tot gevolg hebben dan de huidige in de visserij gebruikte methoden of tuigen;
- c. vermindering van de negatieve invloed op klimaat of milieu door visserijactiviteiten; of
- d. andere vangstmethoden of kweekmethoden, die bijdragen aan een duurzame visserij.
Een IPC-verband ten behoeve van een duurzame visserij bestaat, naast de IPC-penvoerder, uit ten minste twee en ten hoogste twintig niet met een andere IPC-deelnemer of de IPC-penvoerder in een groep verbonden MKB-ondernemers, van wie ten minste de helft een visserijonderneming in stand houdt.
De artikelen 3.1.1, 3.5.1, 3.5.2, 3.5.17, eerste lid, 3.5.19, 3.5.20, 3.5.21, 3.5.22, aanhef en onderdelen a, b, d en e, 3.5.25, eerste en tweede lid, en 3.5.26 zijn van overeenkomstige toepassing op deze titel.
Artikel 2.11.3. Hoogte subsidie
De subsidie voor activiteiten van een IPC-deelnemer voor de uitvoering van zijn innovatieplan bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten van de IPC-deelnemer tot een maximum van € 125.000.
De subsidie voor de activiteiten van een IPC-penvoerder bedraagt € 4.000 per IPC-deelnemer.
De som van subsidies bedraagt voor het gehele IPC-project ten hoogste € 550.000.
Artikel 2.11.4. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening, indien:
- a. er geen sprake is van daadwerkelijke samenwerking binnen het IPC-project; of
- b. een IPC-deelnemer binnen het IPC-project waaraan hij deelneemt meer dan 70 procent van het totaal van de voor alle IPC-deelnemers in aanmerking komende subsidiabele kosten voor zijn rekening neemt.
Artikel 2.11.5. Subsidievaststelling
De subsidie voor de activiteiten van een IPC-penvoerder wordt ambtshalve vastgesteld.
Artikel 2.11.5a
Artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies is niet van toepassing een op een subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid.
Artikel 2.11.6. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 2.12*. Tijdelijke ondersteuning nationale parken
Artikel 2.12.1*. Begripsbepalingen
Vervallen
Artikel 2.12.2*. Subsidieverstrekking
Vervallen
Artikel 2.12.3*. Hoogte subsidie
Vervallen
Artikel 2.12.4*. Niet-subsidiabele kosten
Vervallen
Artikel 2.12.5*. Verdeling subsidieplafond
Vervallen
Artikel 2.12.6*. Start- en realisatietermijn
Vervallen
Artikel 2.12.7*. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 2.12.8*. Verplichtingen subsidieontvangers
Vervallen
Artikel 2.12.9*. Cumulatie
Vervallen
Artikel 2.12.10*. Informatieverplichtingen
Vervallen
Artikel 2.12.11*. Staatssteun
Vervallen
Artikel 2.12.12*. Vervaltermijn
Vervallen
Titel 2.12. Subsidie pluimveevaccinatie ter voorkoming van salmonella
Artikel 2.13.1. Begripsomschrijvingen
Vervallen
Artikel 2.12.2. Subsidiabele activiteit
Vervallen
Artikel 2.13.3. Hoogte subsidie
Vervallen
Artikel 2.12.4. Subsidiabele kosten
Vervallen
Artikel 2.12.5. Verdeling subsidieplafond
Vervallen
Artikel 2.12.6. Informatieverplichtingen
Vervallen
Artikel 2.12.7. Staatssteun
Vervallen
Artikel 2.12.8. Vervaltermijn
Vervallen
Titel 2.14. Zeldzame melkkoeien
Artikel 2.14.1. Begripsomschrijving
Vervallen
Artikel 2.14.2. Subsidieverstrekking
Vervallen
Artikel 2.14.3. Hoogte subsidie
Vervallen
Artikel 2.14.4. Verdeling van het subsidieplafond
Vervallen
Artikel 2.14.5. Informatieverplichtingen
Vervallen
Artikel 2.14.6. Staatssteun
Vervallen
Artikel 2.14.7. Vervaltermijn
Vervallen
Titel 2.15. Versneld natuurherstel
Artikel 2.15.1. Begripsbepalingen
Vervallen
Artikel 2.15.2. Subsidieverstrekking
Vervallen
Artikel 2.15.3. Hoogte subsidie
Vervallen
Artikel 2.15.4. Subsidiabele kosten
Vervallen
Artikel 2.15.5. Verdeling subsidieplafond
Vervallen
Artikel 2.15.6. Realisatietermijn
Vervallen
Artikel 2.15.7. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 2.15.7a. Rangschikkingscriteria
Vervallen
Artikel 2.15.8. Adviescommissie
Vervallen
Artikel 2.15.9. Verplichtingen subsidieontvanger
Vervallen
Artikel 2.15.9a. Modelovereenkomst
Vervallen
Artikel 2.15.10. Informatieverplichtingen
Vervallen
Artikel 2.15.11. Staatssteun
Vervallen
Artikel 2.15.12. Vervaltermijn
Vervallen
Titel 2.16. Innoveren in visserijtechnieken
Artikel 2.16.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- algemeen nut beogende instelling: instelling als bedoeld in artikel 5b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
- innovatieproject: een project ter ondersteuning van de ontwikkeling of invoering van nieuwe of substantieel verbeterde producten en uitrusting, nieuwe of verbeterde processen en technieken en nieuwe of verbeterde beheer- en organisatiesystemen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij dat bijdraagt aan de verduurzaming van de visserijsector;
- marktdeelnemer: marktdeelnemer als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 30, van verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PbEU 2013, L 354);
- vispluis: een vorm van netbescherming in de demersale visserij, gemaakt van synthetisch touw dat bestaat uit ineengedraaide polyethyleendraadjes;
- visserijactiviteit: het zoeken naar vis, het te water laten, uitzetten, slepen en ophalen van vistuig, het aan boord halen van de vangst, het overladen, het aan boord houden, het verwerken aan boord, het overbrengen, het kooien, vetmesten en aanlanden van vis en visserijproducten;
- visserijonderneming: onderneming die zich bezighoudt met visserijactiviteiten;
- visserijorganisatie: organisatie waarvan uit de statuten blijkt dat zij het collectief belang van vissers of visserijondernemingen behartigt.
Artikel 2.16.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een samenwerkingsverband voor de uitvoering van een innovatieproject en de verspreiding van de resultaten daarvan.
Het innovatieproject richt zich op:
- a. vangsttechnieken of vistuigen die:
- 1°. de selectiviteit vergroten;
- 2°. minder bodemberoering tot gevolg hebben; of
- 3°. de kwaliteit van de vangst of het dierenwelzijn verbeteren; of
- b. scheepstechnieken die bijdragen aan:
- 1°. de flexibilisering van vismethoden;
- 2°. de vermindering van brandstofverbruik; of
- 3°. de vermindering van emissies van verontreinigende stoffen of broeikasgassen; of
- c. het ontwikkelen van een alternatief voor vispluis.
Een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid bestaat uit een onderzoeksorganisatie en ten minste een van onderstaande partijen:
- a. een visserijonderneming;
- b. een visserijorganisatie;
- c. een algemeen nut beogende instelling; of
- d. een marktdeelnemer.
Artikel 2.16.3. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt:
- a. voor de activiteiten van de onderzoeksorganisatie 100% van de subsidiabele kosten;
- b. voor de activiteiten van andere deelnemers in het samenwerkingsverband 75% van de subsidiabele kosten.
De subsidie bedraagt ten hoogste:
- a. € 124.999,99 per deelnemer per innovatieproject; en
- b. € 150.000,– per innovatieproject.
Artikel 2.16.4. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij.
Artikel 2.16.5. Verdeling subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 2.16.6. Start- en realisatietermijn
Met de uitvoering van het innovatieproject wordt uiterlijk gestart binnen twaalf maanden na de subsidieverlening.
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is minstens dertien maanden en hoogstens twee jaar en zes maanden na subsidieverlening. De subsidieontvanger voert de werkzaamheden binnen deze termijn uit.
Artikel 2.16.7. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
- a. de subsidiabele kosten per deelnemer per innovatieproject minder dan € 5.000,– bedragen;
- b. de subsidiabele kosten per innovatieproject minder dan € 25.000,– bedragen;
- c. de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is, gelet op de uitwerking van:
- 1°. de planning;
- 2°. de begroting;
- 3°. de activiteiten;
- 4°. het doel; of
- 5°. de gehanteerde methodiek; of
- d. uit het projectplan niet blijkt hoe het innovatieproject leidt tot een substantiële vermindering van milieubelastende effecten of verduurzaming, in vergelijking met wat kan worden bereikt door onderhoud of andere activiteiten in het kader van de gangbare bedrijfsvoering.
Artikel 2.16.8. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger verspreidt de resultaten van het innovatieproject via conferenties, publicaties, open access-repositories, of gratis of opensource-software.
De resultaten blijven op het internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar nadat de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd.
Artikel 2.16.9. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 2.16.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 2.16.2 ten minste:
- a. gegevens over de deelnemers aan het samenwerkingsverband, inclusief, voor zover van toepassing, per deelnemer het nummer waarmee de deelnemer is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, evenals de gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres;
- b. een projectplan, inclusief planning en begroting, de activiteiten, het doel, de gehanteerde methodiek, de start- en einddatum, de bijdrage van het innovatieproject aan de vermindering van milieubelastende effecten of verduurzaming, de totale kosten en de omvang van de gevraagde subsidie;
- c. een ondertekende samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemers; en
- d. een samenvatting van de projectomschrijving.
Artikel 2.16.10. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 2.16.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 15 van de groepsvrijstellingsverordening visserij.
Artikel 2.16.11. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 2.17. Programma jong leren eten
Artikel 2.17.1. Begripsomschrijving
In deze titel wordt verstaan onder:
- –. aanvrager: organisatie, gemeente of gemeentelijke gezondheidsdienst met expertise op het raakvlak van natuur en voedseleducatie of op het raakvlak van gezondheid en voedseleducatie, dan wel de deelnemer aan een samenwerkingsverband daarvan, waarvoor een aanvraag voor subsidie in het kader van deze titel is gedaan;
- –. Jong Leren Eten-makelaar: een natuurlijk persoon met aantoonbare expertise op het raakvlak van gezondheid en voedseleducatie of op het raakvlak van natuur en duurzaamheid en voedseleducatie, die in het werkplan van de aanvrager wordt genoemd;
- –. Programma Jong Leren Eten 2025–2026: tweejarig beleidsprogramma waarin de rijksoverheid provincies, onderwijsinstellingen en maatschappelijke organisaties stimuleert om samen te werken om kinderen en jongeren structureel meer kennis te bieden over de herkomst van voedsel en hen te leren over verstandige, gezonde, duurzame keuzes op het gebied van voeding;
- –. Programma Jong Leren Eten 2027–2028: tweejarig beleidsprogramma waarin de Rijksoverheid provincies, onderwijsinstellingen en maatschappelijke organisaties stimuleert om samen te werken om kinderen en jongeren structureel meer kennis te bieden over de herkomst van voedsel en hen te leren over verstandige, gezonde, duurzame keuzes op het gebied van voeding.
Artikel 2.17.2. Subsidieverstrekking
De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een aanvrager die een Jong Leren Eten-makelaar, met de benodigde competenties en kennis op minimaal HBO werk- en denkniveau, inzet ter uitvoering van het Programma Jong Leren Eten 2027–2028 of het Programma Jong Leren Eten 2025–2026 voor de volgende door die makelaar uit te voeren activiteiten:
- a. het verbinden van de vraag van scholen en kinderopvangcentra in de desbetreffende provincie met het aanbod aan educatief materiaal en activiteiten op het gebied van duurzaam en gezond voedsel;
- b. het fungeren als aanspreekpunt voor de bij het Programma Jong Leren Eten 2027–2028 of het Programma Jong Leren Eten 2025–2026 betrokken partijen;
- c. het organiseren van activiteiten ten behoeve van de samenwerking tussen regionale partijen en de Jong Leren Eten-makelaars in die provincie;
- d. het bestendigen van netwerken voor structurele ondersteuning van voedseleducatie.
Geen subsidie wordt verstrekt in geval een Jong Leren Eten-makelaar optreedt als aanbieder van projecten uit de eigen organisatie, tenzij aannemelijk is gemaakt dat er geen andere partijen voor deze projecten uit de eigen organisatie beschikbaar zijn.
De makelaar, bedoeld in het eerste lid, beschikt over aantoonbare kennis en ervaring en relevante netwerken op het terrein van het stimuleren en borgen van voedseleducatie.
Artikel 2.17.3. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste voor de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.17.4, eerste lid, onderdelen a en b samen:
€ 200.000 voor de provincies Drenthe, Flevoland, Friesland, Groningen en Zeeland afzonderlijk;
€ 260.000 voor de provincies Limburg, Overijssel en Utrecht afzonderlijk;
€ 330.000 voor de provincies Gelderland, Noord-Brabant, Noord-Holland en Zuid-Holland afzonderlijk.
Artikel 2.17.4. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking:
- a. loonkosten of de kosten van inhuur van de Jong Leren Eten-makelaar;
- b. aan derden verschuldigde kosten die direct voor de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 2.17.2, eerste lid, onder a, b, of c, worden gemaakt.
In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het besluit zijn de kosten, bedoeld in het eerste lid, voor Programma Jong Leren Eten 2022–2024 subsidiabel vanaf 1 januari 2022 en voor Programma Jong Leren Eten 2025–2026 subsidiabel vanaf 1 januari 2025.
In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het besluit zijn de kosten, bedoeld in het eerste lid, voor Programma Jong Leren Eten 2027–2028 subsidiabel vanaf 1 januari 2027.
Het vaste uurtarief, bedoeld in artikel 14 van het besluit, voor de loonkosten van een makelaar wordt voor de subsidieperiode 2027–2028 vastgesteld op 110 euro per uur.
Artikel 2.17.5. Verdeling per provincie
De minister verstrekt per provincie maximaal 1 subsidie.
De minister wijst per provincie de subsidie toe op volgorde van rangschikking.
Artikel 2.17.6. Starttermijn
Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen uiterlijk een maand na de subsidieverlening.
Artikel 2.17.7. Afwijzingsgrond
De Minister beslist afwijzend op een aanvraag indien na toepassing van artikel 2.17.8, aan de criteria, bedoeld in artikel 2.17.8, eerste lid, onderdelen a tot en met c, in totaal minder dan 15 punten zijn toegekend, dan wel afzonderlijk per criterium niet ten minste vijf punten zijn toegekend.
Artikel 2.17.8. Rangschikkingscriteria
De minister rangschikt de aanvragen hoger naarmate:
- a. het werkplan meer bijdraagt aan de doelen van het Programma Jong Leren Eten 2027–2028;
- b. de kwaliteit van het werkplan en de begroting hoger is;
- c. de makelaar meer beschikt over een voor het Programma Jong Leren Eten 2027–2028 relevant netwerk, en de benodigde competenties, kennis, en ervaring.
De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe aan een aanvraag.
Artikel 2.17.9. Informatieverplichtingen
De aanvraag voor Programma Jong Leren Eten bevat ten minste:
- a. een werkplan voor 2027 tot en met 2028, inclusief een jaarplan voor 2027;
- b. een begroting voor 2027 tot en met 2028, inclusief een specifieke begroting voor 2027;
- c. het curriculum vitae van de Jong Leren Eten-makelaar.
Het werkplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is enerzijds gericht op stimulering en continuering van voedseleducatie, anderzijds op borging en bevat in ieder geval een beschrijving van:
- a. de geplande activiteiten voor 2027–2028 en hoe deze activiteiten bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van het Programma Jong Leren Eten 2027–2028;
- b. de activiteiten die de Jong Leren Eten-makelaar voornemens is te organiseren ten behoeve van de samenwerking tussen de verschillende partijen die een rol spelen bij de uitvoering van het Programma Jong Leren Eten 2027–2028 in de provincie waarin de Jong Leren Eten-makelaar wordt ingezet en de doelstellingen van dat programma die daarmee worden bereikt;
- c. de kansen en mogelijke risico’s door samenwerking met de verschillende partijen, bedoeld in onderdeel b, voor zover zij activiteiten uitvoeren ten behoeve van kinderopvangcentra of onderwijsinstellingen.
Indien sprake is van een samenwerkingsverband, dient de aangeleverde informatie een duidelijk inzicht te geven in de organisatie van het samenwerkingsverband, waaronder het aandeel van elke deelnemer in het samenwerkingsverband in werkplan en begroting.
Artikel 2.17.10. Verplichtingen subsidieontvanger
Uiterlijk op 31 januari 2028 worden de jaarrapportage 2027 en een jaarplan en begroting voor 2028 ingediend;
De aanvraag om subsidievaststelling en de jaarrapportage 2028 worden uiterlijk ingediend voor de in de beschikking tot subsidieverlening te vermelden datum.
De subsidieontvanger waarborgt de kwaliteit en inzet van de Jong Leren Eten-makelaar.
In afwijking van artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, behoeft, indien de subsidie € 125.000 of meer bedraagt, het verzoek om subsidievaststelling niet vergezeld te gaan van een accountantsverklaring, maar wel van een directieverklaring.
Artikel 2.17.11. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 2.17.2, bevat geen staatssteun.
Artikel 2.17.12. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 29 januari 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 2.18. Hoogwaardige mestverwerking
Artikel 2.18.1. Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- bedrijf: bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder i, van de Meststoffenwet;
- concentratiegebied: concentratiegebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder bb, van de Meststoffenwet;
- dierlijke meststoffen: dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Meststoffenwet;
- herinrichting van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie: ombouwen van een bestaande mestverwerkingsinstallatie tot hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie of het realiseren van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie op een vaste locatie waar in de daaraan voorafgaande periode van 10 jaar op enig moment mestbewerking heeft plaatsgevonden;
- hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie: systeem voor het hoogwaardig verwerken van dierlijke meststoffen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een proces zoals beschreven in bijlage 2.18.1;
- inrichting van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie: realiseren van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie op een vaste locatie waar in een voorafgaande periode van 10 jaar geen mestbewerking heeft plaatsgevonden;
- intentieverklaring: verklaring waarin een leverancier van meststoffen, zijnde een andere ondernemer dan de intermediaire onderneming, verklaart voornemens te zijn na ingebruikname van de hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie dierlijke meststoffen te zullen leveren aan de intermediaire onderneming;
- intermediaire onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder o, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
- leverancier van meststoffen: leverancier van meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder u, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
- mestleveringsovereenkomst: overeenkomst tussen een leverancier van meststoffen, zijnde een andere ondernemer dan de intermediaire onderneming, en een intermediaire onderneming voor de levering van dierlijke meststoffen aan de intermediaire onderneming ten behoeve van bewerking door een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie;
- mestbewerking: het behandelen van dierlijke meststoffen tot een of meer bemestingsproducten met een andere samenstelling dan die van de dierlijke meststoffen voorafgaand aan de bewerking.
Artikel 2.18.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een intermediaire onderneming voor de uitvoering van een investeringsproject betreffende een investering of investeringen die bestemd is respectievelijk zijn voor:
- a. de inrichting van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie; of
- b. de herinrichting van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie.
Een intermediaire onderneming dient per kalenderjaar maximaal één aanvraag voor subsidie voor de uitvoering van een investeringsproject in.
Artikel 2.18.3. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt:
- a. 35% van de subsidiabele kosten voor een grote onderneming, of
- b. 40% van de subsidiabele kosten voor een kleine of middelgrote onderneming.
Onverminderd het eerste lid bedraagt de subsidie minimaal € 125.000,– en maximaal € 2.000.000,– per investeringsproject.
Artikel 2.18.4. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking.
Onverminderd het eerste lid komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:
- a. kosten die gemaakt worden om te voldoen aan wettelijke verplichtingen;
- b. kosten voor het bouwrijp maken van de grond, inclusief de kosten voor de sloop van aanwezige bebouwing;
- c. advieskosten omtrent bouwtekeningen; en
- d. kosten voor het transport of anderszins voor de aan- of aanvoer van mestproducten.
Artikel 2.18.5. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt op volgorde van rangschikking van de desbetreffende aanvragen, het plafond voor investeringsprojecten, bedoeld in artikel 2.18.2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en het plafond voor investeringsprojecten, bedoeld in artikel 2.18.2, eerste lid, aanhef en onderdeel b.
Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.18.2, eerste lid, aanhef en onder b, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het resterende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond toegevoegd voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.18.2, eerste lid, aanhef en onder a.
Artikel 2.18.6. Start en realisatietermijn
Met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd investeringsproject wordt gestart binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie jaar.
De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen tot een termijn van maximaal vier jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
Artikel 2.18.7. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien:
- a. aan de intermediaire onderneming voor de uitvoering van een investeringsproject als bedoeld in artikel 2.18.2 in het voorafgaande kalenderjaar op dezelfde locatie reeds subsidie is verstrekt;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)