Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-17
Laatst bijgewerkt 2026-08-24
State In force
Source BWB
artikelen 1509
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De minister verdeelt de afzonderlijke subsidieplafonds voor de productielijnen voor batterijen, elektrolyse-installaties en zonnepanelen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 4.7.7. Start- en realisatietermijn
1.

De subsidieontvanger start met de uitvoering van het project binnen zes maanden na de subsidieverlening.

2.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vijf jaar.

3.

De minister kan de termijnen, bedoeld in het eerste en tweede lid, op verzoek van de subsidieontvanger verlengen.

Artikel 4.7.8. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico's, de uitvoerbaarheid of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet;
  • b. onomkeerbare investeringsverplichtingen voor de productielijn zijn aangegaan voor de datum waarop de aanvraag is ingediend;
  • c. met de in het projectplan opgenomen activiteiten is gestart voor de datum waarop de aanvraag is ingediend;
  • d. er een concreet risico bestaat dat het project niet binnen de Europese Economische Ruimte wordt uitgevoerd;
  • e. de subsidieaanvrager de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, of een daarmee vergelijkbare productielijn, in de twee jaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag heeft verplaatst tussen lidstaten binnen de Europese Economische Ruimte naar de vestiging waar de realisatie van de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, moet plaatsvinden;
  • f. er een concreet risico bestaat dat de subsidieaanvrager de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, of een daarmee vergelijkbare productielijn zal verplaatsen tussen lidstaten binnen de Europese Economische Ruimte binnen twee jaar na de voltooiing van het project;
  • g. het plan voor kennisverspreiding van onvoldoende kwaliteit is.
Artikel 4.7.9. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste de gegevens opgenomen in bijlage 4.7.1.

2.

Een aanvraag om subsidievaststelling bevat:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;
  • b. de omvang van de vast te stellen subsidie;
  • c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling;
  • d. een verklaring dat de subsidieaanvrager de productielijn waarvoor de subsidie is verleend, of een daarmee vergelijkbare productielijn niet zal verplaatsen tussen lidstaten binnen de Europese Economische Ruimte binnen twee jaar na de voltooiing van het project.
Artikel 4.7.10. Verplichtingen subsidieontvanger
1.

De subsidieontvanger verstrekt onverwijld na het nemen van het investeringsbesluit een afschrift hiervan aan de minister.

2.

De subsidieontvanger handhaaft de investering in de productielijn in het betrokken gebied gedurende ten minste vijf jaar na de voltooiing van het project in het geval het een grote onderneming betreft, en drie jaar na de voltooiing van het project in het geval het een kleine of middelgrote onderneming betreft.

3.

Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten en medewerking aan een evaluatie van de effecten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten.

4.

De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag.

5.

Iedere publicatie door of met medewerking van de subsidieontvanger of diens medewerkers wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met subsidie van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei.

6.

Onverminderd het derde en vierde lid verstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het project jaarlijks een voortgangsrapportage die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan.

7.

Artikel 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van het besluit zijn niet van toepassing op de administratie van de subsidieontvanger.

Artikel 4.7.11. Cumulatie
1.

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit worden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel buiten beschouwing gelaten:

  • b. subsidie van de Europese Commissie.
2.

Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximum bedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt.

Artikel 4.7.12. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 4.7.3, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door paragraaf 2.8, onderdeel 85, van het tijdelijk crisiskader.

Artikel 4.7.13. Vervaltermijn

Deze titel en bijlage 4.7.1 vervallen met ingang van 19 juli 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Titel 4.8. Energie-efficiëntieplannen

Artikel 4.8.1. Begripsomschrijvingen

Vervallen

Artikel 4.8.2. Subsidieaanvraag

Vervallen

Artikel 4.8.3. Subsidiabele kosten

Vervallen

Artikel 4.8.4. Hoogte subsidie en steunintensiteit

Vervallen

Artikel 4.8.5. Verdeling van het subsidieplafond

Vervallen

Artikel 4.8.6. Realisatietermijn

Vervallen

Artikel 4.8.7. Afwijzingsgronden

Vervallen

Artikel 4.8.8. Informatieverplichtingen

Vervallen

Artikel 4.8.9. Staatssteun

Vervallen

Artikel 4.8.10. Vervaltermijn

Vervallen

Titel 4.9. Gasopslagprojecten

Artikel 4.9.1. Begripsbepalingen

Vervallen

Artikel 4.9.2. Subsidieverstrekking

Vervallen

Artikel 4.9.3. Aanvrager

Vervallen

Artikel 4.9.4. Hoogte subsidie

Vervallen

Artikel 4.9.5. Subsidiabele kosten

Vervallen

Artikel 4.9.6. Verdeling van het subsidieplafond

Vervallen

Artikel 4.9.7. Start- en realisatietermijn

Vervallen

Artikel 4.9.8. Afwijzingsgronden betreffende de inhoud van het project

Vervallen

Artikel 4.9.9. Rangschikkingscriteria

Vervallen

Artikel 4.9.10. Verplichting subsidieontvanger

Vervallen

Artikel 4.9.11. Tender

Vervallen

Artikel 4.9.12. Informatieverplichtingen

Vervallen

Artikel 4.9.13. Aanvraag subsidievaststelling

Vervallen

Artikel 4.9.14. Vervaltermijn

Vervallen

Titel 4.10. Warmtenetten Investeringssubsidie

Artikel 4.10.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • aansluiting op een warmtenet: individuele of centrale aansluiting op een warmtenet;
  • energie-efficiënt warmtenet: energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (PbEU 2023, L 231);
  • financieringsbesluit: een door een daartoe bevoegd persoon ondertekend document waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt over een sluitende financiering voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet;
  • grootverbruikersaansluiting: een aansluiting van meer dan 100 kilowatt, niet zijnde een blokaansluiting;
  • investeringsbesluit: een door een daartoe bevoegd persoon ondertekend document waaruit blijkt dat de aanvrager het besluit tot het doen van de investering voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet, als bedoeld in artikel 4.10.2, eerste en tweede lid, heeft genomen;
  • ketenpartner: partij die bij het project, bedoeld in artikel 4.10.2, eerste lid, een essentiële rol speelt in de keten van warmtelevering;
  • kleinverbruikersaansluiting: een individuele aansluiting van een bestaand gebouw op een warmtenet van maximaal 100 kilowatt met een individuele afleverset voor warmte of een warmtepomp die gecombineerd is met de functie van een afleverset;
  • kostencomponenten: loonkosten, investeringen in primaire netten, investeringen in overdrachtstations, investeringen in secundaire netten, investeringen in thermische opslag, investeringen in aansluitingen en kosten derden;
  • levering van warmte: de aflevering van warmte aan verbruikers;
  • primair warmtenet: het transportnet waarmee warmte vanuit de primaire warmtebron wordt getransporteerd naar een secundair warmtenet of rechtstreeks naar de verbruiker;
  • projectgebied: geografisch aaneengesloten gebied waarbinnen het aan te leggen energie-efficiënte warmtenet warmte kan leveren;
  • secundair warmtenet: van het primaire warmtenet of van de bron door middel van een onderstation of warmteoverdrachtstation afgescheiden deel van het warmtenet ten behoeve van het transport van warmte naar verbruikers;
  • thermische opslag: opslag als bedoeld in artikel 2, onder 130 quinquies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • warmte: thermische energie die ten behoeve van ruimteverwarming of verwarming van tapwater wordt geleverd door middel van transport van water;
  • warmtebron: installatie waar thermische energie vrijkomt of thermische energie vrijgemaakt wordt;
  • wijkdistributienet: het secundaire warmtenet met inbegrip van het daarbij behorende onderstation of warmteoverdrachtstation en de daaraan gekoppelde aansluitingen.
Artikel 4.10.2. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderneming ten behoeve van de aanleg of uitbreiding van een energie-efficiënt wijkdistributienet, al dan niet samen met een daaraan gekoppeld primair warmtenet of systeem voor thermische opslag.

2.

Subsidie wordt slechts verstrekt ten behoeve van de investering in een project dat is gericht op de aanleg of uitbreiding van een energie-efficiënt warmtenet, mits:

  • a. de broeikasgasuitstoot van de geleverde warmte vanaf de einddatum van het project lager is dan 25 kg CO2 per eenheid geleverde warmte in GJ;
  • b. het warmtenet zorg draagt voor de levering van warmte aan ten minste 250 kleinverbruikersaansluitingen of woningen achter een blokaansluiting, verspreid over ten minste 5 gebouwen; en
  • c. de dimensionering aansluit op de voorziene warmtebehoefte in het projectgebied, indien het project mede betrekking heeft op een primair warmtenet.
Artikel 4.10.3. Hoogte subsidie
1.

De subsidie bedraagt ten hoogste 30% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 30.000.000 per project als bedoeld in artikel 4.10.2, met dien verstande dat dit percentage wordt verhoogd met:

  • a. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is;
  • b. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is.
2.

Onverminderd het eerste lid bedraagt de subsidie voor de aanleg of uitbreiding van één of meer wijkdistributienetten als bedoeld in artikel 4.10.2, eerste lid, niet meer dan de optelsom van het aantal in de wijkdistributienetten te realiseren kleinverbruikersaansluitingen voor bestaande bouw maal € 7.000.

3.

Onverminderd het eerste lid bedraagt de subsidie voor de aanleg of uitbreiding van een primair warmtenet of een systeem voor thermische opslag, niet meer dan de optelsom van het aantal te realiseren kleinverbruikersaansluitingen voor bestaande bouw maal € 4.000.

4.

De maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de vorige leden, is inclusief de loonkosten en kosten derden.

5.

Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen of openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen of van een ander bestuursorgaan, worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit buiten beschouwing bij de berekening van het maximumbedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt.

Artikel 4.10.4. Subsidiabele kosten
1.

Voor subsidie komen de investeringskosten, bedoeld in artikel 46, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking.

2.

In aanvulling op het eerste lid komen voor subsidie alleen de kosten in aanmerking voor zover deze betrekking hebben op investeringen:

  • a. in het warmtenet ten behoeve van levering van warmte aan kleinverbruikersaansluitingen in de bestaande bouw; en
  • b. in het warmtenet tot aan de gevel van een object met een blokaansluiting; en
  • c. in een systeem voor thermische opslag, indien deze gebruik maakt van bewezen technieken en thermische energie opslaat en levert aan het energie-efficiënte warmtenet.
3.

De volgende kosten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a. kosten ten behoeve van investeringen in een warmtebron, warmtepomp of een binneninstallatie;
  • b. kosten die niet te activeren zijn en rechtstreeks in de winst- en verliesrekening worden verantwoord;
  • c. kosten ten behoeve van een investering in onderdelen die uitsluitend ten behoeve van grootverbruikers, proceswarmte of nieuwbouw worden aangelegd.
4.

Voor de berekening van de subsidiabele kosten is de vaste-uurtarief-systematiek, bedoeld in artikel 14 van het besluit, aangewezen. Het vast uurtarief bedraagt € 65,–.

5.

Op de subsidiabele kosten is artikel 10, derde lid, van het besluit niet van toepassing.

Artikel 4.10.5. Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 4.10.6. Realisatietermijn
1.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is zeven jaar.

2.

De subsidieontvanger start binnen zes maanden na subsidieverlening met het maken van kosten die op grond van deze regeling voor subsidie in aanmerking komen.

3.

De subsidieontvanger neemt uiterlijk één jaar na de datum van subsidieverlening een investeringsbesluit en een financieringsbesluit en doet hiervan onverwijld melding aan de minister.

4.

De subsidieontvanger verstrekt uiterlijk drie jaar na de datum van subsidieverlening de opdracht tot het aanleggen of uitbreiden van een energie-efficiënt warmtenet, met dien verstande dat:

  • a. indien er sprake is van deelopdrachten, de eerste deelopdracht voor een substantieel deel van de totale subsidiabele investeringskosten wordt verstrekt, en
  • b. de subsidieontvanger onverwijld een afschrift hiervan verstrekt aan de minister na verstrekking van de opdracht of na verstrekking van elk van de deelopdrachten.
5.

De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, verlengen, indien dit naar het oordeel van de minister passend en geboden is.

Artikel 4.10.7. Afwijzingsgronden

De minister besluit afwijzend op een aanvraag, indien:

  • a. ten aanzien van hetzelfde project eerder subsidie is verstrekt op grond van artikel 4.10.2, eerste lid, tenzij de eerdere subsidie onherroepelijk is ingetrokken dan wel vastgesteld;
  • b. de kwaliteit van het project onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van het projectplan, het voorlopig ontwerp en de exploitatieberekening, de omgang met risico's, de uitvoerbaarheid, de aantoonbaarheid dat alle benodigde ketenpartners en stakeholders in het project vertegenwoordigd zijn of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet;
  • d. onvoldoende is onderbouwd dat de beoogde verbruikers bij de realisatie warmte via het aan te leggen warmtenet af zullen nemen;
  • e. het niet aannemelijk wordt geacht dat wordt voldaan aan de termijnen genoemd in artikel 4.10.6;
  • f. niet aannemelijk is gemaakt dat het aan te leggen of uit te breiden energie-efficiënte warmtenet bij subsidievaststelling in gebruik wordt genomen.
Artikel 4.10.8. Verplichtingen subsidieontvanger
1.

Onder essentiële wijziging als bedoeld in artikel 37, derde lid, van het besluit wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het niet uitvoeren van activiteiten waarvoor subsidie is ontvangen;
  • b. werkelijke investeringskosten die lager zijn dan de bij subsidieverlening begrote investeringskosten;
2.

In afwijking van artikel 37, derde lid, van het besluit, is een voorafgaand verzoek tot ontheffing niet vereist, maar volstaat een melding wanneer sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

3.

De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten.

4.

De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het project jaarlijks een voortgangsrapportage, inclusief financiële gegevens, over het project die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan.

5.

De informatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt verstrekt met gebruikmaking van een elektronisch formulier dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 4.10.9. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 4.10.2, eerste lid, bevat tenminste:

  • a. de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • b. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
  • c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • d. gegevens over de grootte van de onderneming van de aanvrager, indien de aanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 4.10.3, eerste lid, onderdeel a of b.
2.

De aanvraag gaat vergezeld van:

  • a. een projectplan, bestaande uit:
  • 1°. een omschrijving van het project gericht op de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet;
  • 2°. een omschrijving van het projectgebied waar het warmtenet wordt gerealiseerd en de daarop aan te sluiten bebouwing die voldoet aan de eisen zoals opgenomen in onderdeel 3, van bijlage 4.10.1;
  • 3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat:
  • −. de dimensionering van het primaire warmtenet aansluit op de voorziene warmtebehoefte binnen het projectgebied en voldoet aan de eisen, bedoeld in onderdeel 3 van bijlage 4.10.1;
  • −. indien het project tevens de aanleg van een systeem voor thermische opslag betreft, deze bijdraagt aan de energie-efficiënte werking van het warmtenet, gegeven de capaciteit van de thermische opslag in MW of m3;
  • 4°. een onderbouwing van en toelichting op de voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet benodigde investeringen, waaronder: een toelichting op de model exploitatieberekening, bedoeld in het tweede lid, onder b;
  • 5°. een omschrijving van de planning van de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet inclusief mijlpalen en meetbare indicatoren;
  • 6°. een onderbouwing van de voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet benodigde gebiedsgebonden maatregelen en de effecten van de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet op het openbaar gebied;
  • 7°. de resultaten van een risico-inventarisatie van de ondergrond waaruit, gescoord op kans en impact, blijkt welke risico’s zich kunnen voordoen bij het aanleggen van de leidingdelen en overdrachtstations op het gebied van in ieder geval drukte in de ondergrond, complexe kruisingen, archeologie, explosieven, bomen en bodemverontreiniging;
  • 8°. een beschrijving van de juridische risico’s die zich kunnen voordoen bij het aanleggen of uitbreiden en exploiteren van het warmtenet, gescoord op de kans dat dit zich zal voordoen en de impact hiervan op de haalbaarheid van het project, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de benodigde vergunningen voor de aanleg van leidingdelen en overdrachtstations of, indien deze nog moet worden aangelegd, de warmtebron.
  • 9°. een getalsmatige onderbouwing van de volloop en van de aantallen en de omschrijving van de grootverbruikersaansluitingen en de aansluitingen in nieuwbouw, overeenkomstig onderdeel 3 van bijlage 4.10.1, waarbij de getalsmatige onderbouwing aansluit op de getallen die in de exploitatieberekening worden gebruikt;
  • 10°. een met stukken onderbouwde beschrijving van de wijze waarop bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding van het project en de verwachte effecten hiervan op de volloop;
  • 11°. een beschrijving van de wijze waarop het projectplan aansluit op het gemeentelijk beleid ten aanzien van de warmtetransitie;
  • 12°. indien wordt afgeweken van de uitgangspunten van het model zoals opgenomen in onderdeel 2, van bijlage 4.10.1, een onderbouwing hiervan.
  • b. een door de aanvrager ingevuld model exploitatieberekening, inclusief mijlpalenbegroting, in overeenstemming met onderdelen 1, 2 en 4 van bijlage 4.10.1, van de subsidiabele kosten, en financieringsplan zoals beschikbaar gesteld door de minister, bestaande uit;
  • 1°. een exploitatieberekening inclusief de parameters van het warmtenet, de investeringskosten per kostencomponent van het warmtenet, de kostenopbouw toegespitst op de verschillende kostencomponenten, informatie over de verwachte subsidiabele investeringskosten en baten gedurende de levensduur van een investering;
  • 2°. een mijlpalenbegroting inclusief de subsidiabele investeringskosten op basis van de kostenraming voor de aanleg of uitbreiding van het warmtenet en de opbrengsten uit subsidies en aansluitbijdragen. De totale subsidiabele investeringskosten moeten worden uitgesplitst naar de kostencomponenten en naar de kosten voor een primair warmtenet en wijkdistributienetten in overeenstemming met onderdeel 4 van bijlage 4.10.1;
  • 3°. een financieringsplan voor de aanleg of uitbreiding van het warmtenet met informatie over de wijze waarop de onderneming het eigen aandeel, uitgesplitst in vreemd vermogen en eigen vermogen, in de totale projectkosten gaat financieren;
  • c. een voorlopig ontwerp, definitief ontwerp of bouwbestek met daarop aangegeven de afbakening van het aansluitgebied met de leidingen en het type gebouwen die voldoet aan de eisen zoals opgenomen in onderdeel 3, van bijlage 4.10.1;
  • d. de voor het project benodigde vergunning of de door de gemeente voor het project verstrekte concessie, indien aanwezig;
  • e. een onderbouwing van de wijze waarop de aanvrager het eigen aandeel voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet gaat financieren.
  • f. kostenramingen, kostencalculaties of offertes, die te herleiden zijn naar en aansluiten op de investeringskosten van de kostencomponenten; en
Artikel 4.10.10. Aanvraag subsidievaststelling
1.

De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend, bevat in ieder geval:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;
  • b. een overzicht waarin de totale subsidiabele kosten van de activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten in een door de minister beschikbaar gesteld model; en
  • c. de omvang van de vast te stellen subsidie;
  • d. een opgave van het voordeel dat is genoten op grond van de Uitvoeringsregeling Energie investeringsaftrek 2001;
  • e. een eindverslag.
2.

Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval:

  • a. de tekeningen van het gerealiseerde warmtenet;
  • b. een overzicht van de gerealiseerde aansluitingen en verwachte aansluitingen binnen vijf jaar na de einddatum van het project;
  • c. een algemene en technische beschrijving van het uitgevoerde investeringsproject en de afwijkingen;
  • d. de opschalingsmogelijkheden van het warmtenet;
  • e. een document waaruit blijkt dat het warmtenet in gebruik is genomen;
  • f. een document waarin de broeikasgasuitstoot van de geleverde warmte in GJ is aangetoond, met behulp van het door de minister beschikbaar gestelde model; en
  • g. documenten waaruit blijkt dat particuliere woningeigenaren, zoals opgegeven in het projectplan, een aanbod hebben ontvangen tot aansluiting op het warmtenet.
3.

De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag.

Artikel 4.10.11. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 4.10.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 4.10.12. Vervaltermijn

Deze titel en bijlage 4.10.1 vervallen met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 4.11. Beperking ammoniakemissie bij industriële piekbelasters

Artikel 4.11.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • depositiejaarvracht: optelsom van de totale stikstofvracht, uitgedrukt in mol per jaar, afkomstig van emissiestromen van industriële ondernemingen, op alle overbelaste en stikstofgevoelige hexagonen boven de kritische depositiewaarde van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 kilometer rond de bedrijfslocatie, gebaseerd op emissiegegevens in 2019;
  • emissiejaarvracht: vergunde emissiejaarvracht, zijnde de maximale hoeveelheid ammoniak en stikstofoxiden, die in een jaar door de betreffende fabrieksinstallatie, waarop de nageschakelde installatie wordt aangesloten, mag worden geëmitteerd naar de lucht;
  • emissiestroom: hoeveelheid chemische verbindingen, waaronder zowel verontreinigende stoffen als lucht, die uit de installatie vrijkomt en wordt geëmitteerd naar de lucht;
  • industriële onderneming: onderneming die in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als een industriële onderneming is geclassificeerd met een Standaard Bedrijfsindeling code C – Industrie, zoals gedefinieerd in de Standaard Bedrijfsindeling 2025, versie maart 2024, van het Centraal Bureau voor de Statistiek en, tenzij onderdeel van een vergunning-groep, tevens verplicht is om een PRTR-verslag op te stellen;
  • nageschakelde installatie: installatie die in staat is om een gewenste hoeveelheid van een bepaalde stof uit de emissiestroom van een industrieel proces af te vangen;
  • PRTR-verslag: rapportage aan het bevoegde gezag als bedoeld in artikel 5 van verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU 2006, L 33);
  • stikstofoxiden: stikstofoxideverbindingen NO en NO2;
  • vergunning-groep: groep van rechtspersonen die milieubelastende activiteiten onderneemt die in overeenstemming met artikel 5.7 van de Omgevingswet binnen één omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit worden gereguleerd en waarvoor de verplichting geldt dat een van de rechtspersonen binnen de groep een PRTR-verslag opstelt voor de groep;
  • vermeden emissiejaarvracht: emissie van ammoniak en stikstofoxiden die jaarlijks wordt voorkomen door het plaatsen en benutten van een nageschakelde installatie die op de gehele, of een gedeelte van de lucht emissiestroom van de industriële onderneming werkzaam is, en die bestaat uit de emissiejaarvracht vermenigvuldigd met de bij aanvraag opgegeven verwijderingsefficiëntie;
  • verwijderingsefficiëntie: percentage van stikstofoxiden en ammoniak dat, ten opzichte van de oorspronkelijke emissiestroom, door de nageschakelde installatie uit de emissiestroom verwijderd wordt;
  • werkelijke investeringskosten: investeringskosten die werkelijk gemaakt worden tijdens de uitvoering van een project voor de aanschaf en het installeren van een nageschakelde installatie met als doel het afvangen van ammoniak uit de emissiestroom;
Artikel 4.11.2. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag eenmalig subsidie aan een industriële onderneming, of een industriële onderneming die behoort tot een vergunning-groep, voor een project waarmee een nageschakelde installatie aangeschaft, geïnstalleerd en continu gebruikt wordt om ammoniak uit de emissiestroom af te vangen.

2.

In aanvulling op het eerste lid mag de aanvrager, bij het opgeven van de vermeden emissiejaarvracht, naast ammoniak, ook stikstofoxiden meerekenen, en wel tot een maximum van 40 procent van de stikstofatomen

3.

De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op één of meerdere nageschakelde installaties waarbij geldt dat:

  • a. bij de nageschakelde installatie meerdere emissiepunten naar de installatie mogen worden geleid; of
  • b. de nageschakelde installatie een additionele component mag bevatten die een behandeling van vloeistoffen uit de nageschakelde installatie bewerkstelligt, waardoor eventuele afwenteleffecten van de nageschakelde installatie kunnen worden voorkomen.
Artikel 4.11.3. Subsidiabele kosten

De subsidiabele kosten bedragen het door de aanvrager gevraagde subsidiebedrag voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4.11.2. Het gevraagde subsidiebedrag kan nooit meer dan de werkelijke investeringskosten bedragen.

Artikel 4.11.4. Hoogte van de subsidie
1.

De subsidie bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 30 miljoen.

2.

Indien de gerealiseerde verwijderingsefficiëntie van de voltooide installatie in negatieve zin groter is dan 3 procent ten opzichte van de bij de aanvraag opgegeven verwijderingsefficiëntie dan wordt naar rato het subsidiebedrag bij de subsidievaststelling lager vastgesteld.

Artikel 4.11.5. Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 4.11.6. Rangschikking

De rangschikking vindt plaats op grond van de verhouding tussen het gevraagde subsidiebedrag en het aantal kilogrammen vermeden emissiejaarvracht met dien verstande dat hoe lager het gevraagde subsidiebedrag per kilo vermeden emissiejaarvracht is, des te hoger de aanvraag wordt gerangschikt.

Artikel 4.11.7. Realisatie van het project
1.

Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening.

2.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is de periode van de datum van aanvang van het project tot en met 31 december 2028.

Artikel 4.11.8. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien:

  • a. de industriële onderneming niet zelfstandig verplicht is om een PRTR-verslag op te stellen tenzij deze onderneming onderdeel is van een vergunning-groep en voor of namens de vergunning-groep een PRTR-verslag dient te worden opgesteld;
  • b. de industriële onderneming van de subsidieaanvrager een depositiejaarvracht had van minder dan 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km van de bedrijfslocatie, gebaseerd op emissiegegevens in 2019, tenzij deze onderneming onderdeel is van een vergunning-groep die een depositiejaarvracht had van meer dan 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km, gebaseerd op emissiegegevens in 2019;
  • c. het door de subsidieaanvrager gevraagde subsidiebedrag hoger is dan de werkelijke investeringskosten die opgenomen zijn in de kostenbegroting;
  • d. het gedeelte van de voorgestelde nageschakelde installatie, dat de ammoniak en stikstofoxiden afvangt uit de emissiestroom, een lager niveau dan Technologie Readiness Level 9 (implementatiefase) heeft;
  • e. de subsidie wordt aangevraagd voor een investering die verplicht is op grond van een wettelijk voorschrift of een geldende Unienorm als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • f. voor het uitvoeren van het project, waarvoor subsidie wordt aangevraagd, vergunningen noodzakelijk zijn die niet zijn of kunnen worden verleend;
  • g. het ingediende projectplan onvolledig is of van onvoldoende kwaliteit.
Artikel 4.11.9. Verplichtingen subsidieontvanger
1.

Onverminderd artikel 39 van het besluit verschaft de subsidieontvanger op verzoek van de minister inlichtingen omtrent de voortgang of resultaten van het project.

2.

In het geval er activiteiten door derden worden uitgevoerd, dient opdrachtverlening aan deze derden plaats te vinden op basis van marktconforme tarieven.

3.

De subsidieontvanger gebruikt stikstofdepositieruimte die is vrijgemaakt door de ingebruikname van de nageschakelde installatie niet voor eigen activiteiten op de locatie.

4.

De subsidieontvanger stelt stikstofdepositieruimte die is vrijgemaakt door de ingebruikname van de nageschakelde installatie niet ter beschikking voor andere activiteiten.

5.

De subsidieontvanger komt de toezeggingen na die zijn opgenomen in de verklaringen, bedoeld in artikel 4.11.10, onderdelen d tot en met f.

Artikel 4.11.10. Informatieverplichtingen met betrekking tot de aanvraag

Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en gaat daarnaast vergezeld van:

  • a. een ingevuld projectformulier met daarin de volgende informatie:
  • 1°. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
  • 2°. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • 3°. de locatie van het project;
  • 4°. de naam van het project;
  • 5°. de start- en einddatum van het project;
  • b. een kostenbegroting met daarin opgenomen;
  • 1°. een begroting van de werkelijke investeringskosten. De kosten worden ingeschat met een nauwkeurigheid die passend is bij een conceptuele studie;
  • 2°. een begroting per mijlpaal van de subsidiabele kosten. Deze begroting per mijlpaal bevat in ieder geval de mijlpalen met onderliggende activiteiten: mijlpalen en de kosten, inclusief onderbouwing, uiteengezet in de looptijd van het project;
  • 3°. een effectiviteitsberekening van de kosten, waarin de volgende waarden opgegeven worden:
  • −. het gevraagde subsidiebedrag;
  • −. de vergunde emissiejaarvracht van de betreffende fabrieksinstallatie;
  • −. de verwijderingsefficiëntie van de voorgestelde nageschakelde installatie;
  • c. een projectplan waarin een omschrijving van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd is opgenomen en de wijze waarop het project voldoet aan de eisen opgenomen in deze titel. De omschrijving bevat tevens:
  • 1°. een onderbouwing van de gekozen technologische oplossing;
  • 2°. aanvullende informatie die onderbouwt dat de hoofdcomponent van de voorgestelde nageschakelde installatie een Technology Readiness Level 9 heeft;
  • 3°. een opgave van de vergunde emissiejaarvracht van de betreffende fabrieksinstallatie in kg/jaar ammoniak en stikstofoxiden. Indien de vergunde waarde bestaat uit een concentratie, dan dient de aanvrager een berekening van de emissiejaarvracht op te geven gebaseerd op representatieve maximale draaiuren zoals gebruikt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Indien voor de betreffende fabrieksinstallatie geen emissiewaarde in de vergunning is bepaald, dient de aanvrager een technische onderbouwing te verschaffen waarbij aannemelijk wordt gemaakt welk deel van de vergunning van toepassing is op de installatie. In dat geval is een verklaring van het bevoegd gezag vereist waarin wordt verklaard dat deze opgave aannemelijk is;
  • 4°. een opgave van de verwijderingsefficiëntie van de voorgestelde nageschakelde installatie en een technische toelichting op de daaruit volgende vermeden emissiejaarvracht;
  • 5°. informatie van een leverancier die de opgegeven verwijderingsefficiëntie kan onderbouwen. In afwezigheid van een externe leverancier dient een technische onderbouwing van de verwijderingsefficiëntie te worden verstrekt;
  • 6°. een omschrijving van de wijze en de volgorde waarop het project uitgevoerd wordt en welke onderdelen van het project door derden zullen worden uitgevoerd. Deze omschrijving dient verduidelijkt te worden met schetsmateriaal en verduidelijkende foto’s van de locatie waar de nageschakelde installatie geplaatst zal worden;
  • 7°. een opgave waardoor aannemelijk is, bijvoorbeeld door verwijzing naar het RIVM-briefrapport 2023-0313 of door overlegging van een volledige berekening in de actuele versie van AERIUS-Check, dat:
  • −. de industriële onderneming van de subsidieaanvrager een depositiejaarvracht had van minstens 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km van de bedrijfs- of clusterlocatie, gebaseerd op emissiegegevens in 2019; of
  • −. de vergunning-groep waarvan de onderneming van de subsidieaanvrager deel uitmaakt, een depositiejaarvracht had van minstens 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km, gebaseerd op emissiegegevens in 2019;
  • d. een verklaring van de aanvrager waaruit blijkt dat hij instemt met het aanpassen van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit tot een maximum-emissiejaarvracht NH3, en indien van toepassing NOx, die gebaseerd wordt op de gerealiseerde emissiereductie;
  • e. een verklaring van de aanvrager waaruit blijkt dat hij ermee instemt dat de natuurvergunning bij de eerste revisie op grond van artikel 5.43 van de Omgevingswet, of andere wijziging, zodanig wordt aangepast dat de emissiejaarvracht wordt aangepast aan de waarde die naar aanleiding van het onderhavige project is vastgelegd in de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit;
  • f. voor zover sprake is van een situatie waarbij de aanvrager zijn industriële onderneming voert op grond van een natuurvergunning verleend aan een andere rechtspersoon: een verklaring, ondertekend door zowel de aanvrager als deze rechtspersoon, houder van de betreffende omgevingsvergunning, dat zij zich beiden committeren aan de inhoud van de verklaring, bedoeld in onderdeel e, en de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.11.9, derde en vierde lid;
  • g. een verklaring van het bevoegd gezag:
  • 1°. dat het project niet wettelijk kan worden afgedwongen;
  • 2°. met daarin opgenomen een inschatting van het risico dat voor het project geen vergunning kan worden afgegeven;
  • 3°. dat er geen bron maatregel binnen het productieproces voorhanden is waarbij een navenant grote vermindering van ZZS-emissies behaald kan worden, voor zover er sprake is van ZZS-emissie;
  • 4°. dat zij positief oordelen over de afvoer van de toekomstige afvalstromen, waarbij eventuele afwenteleffecten op een goede manier worden voorkomen of opgelost;
  • 5°. waaruit blijkt dat de door de onderneming opgegeven vergunde emissiejaarvracht van de betreffende fabrieksinstallatie juist of aannemelijk is.
Artikel 4.11.11. Informatieverplichting voortgangsverslag

Het voortgangsverslag, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van het besluit, bevat in ieder geval een schriftelijk verslag omtrent de uitvoering van het project met inbegrip van een vergelijking van de daadwerkelijke uitvoering met de omschrijving, planning en kosten van het project in het projectplan. Hierbij worden veranderingen in zowel materiële als financiële zin toegelicht.

Artikel 4.11.12. Informatieverplichting bij aanvraag tot subsidievaststelling

De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van:

  • a. een gespecificeerde opgave van alle werkelijke investeringskosten, opgesteld conform de ingediende begroting ten tijde van de subsidieaanvraag;
  • b. een opgave van de gerealiseerde verwijderingsefficiëntie van de geïnstalleerde nageschakelde installatie middels een eindmeting. De eindmeting vindt plaats volgens de geldende wettelijke voorschriften voor het doen van emissiemetingen ten behoeve van omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd meetplan;
  • c. een verklaring van het bevoegd gezag:
  • 1°. dat de opgave van de verwijderingsefficiëntie, bedoeld in onderdeel b, juist is;
  • 2°. dat de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit van de betreffende fabrieksinstallatie naar aanleiding van het project is geactualiseerd op basis van de gerealiseerde verwijderingsefficiëntie, bedoeld in onderdeel b.
Artikel 4.11.13. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 4.11.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 4.11.14. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 4.12. Flexibel elektriciteitsverbruik (Flex-e)

Artikel 4.12.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • energieadviseur: onderneming die energieadvies verleent of gaat verlenen aan een aanvrager;
  • flexibel vermogen: het maximale vermogen dat een aanvrager met behulp van een flexibiliteitsmaatregel kan verhogen, verlagen of verplaatsen in de tijd ten opzichte van het oorspronkelijke verbruik, uit te drukken in kilowatt (kW);
  • flexibiliteitsmaatregel: maatregel die de mogelijkheid van een aangeslotene om zijn verbruikspatronen van elektriciteit te beïnvloeden vergroot;
  • flexibiliteitsscan: verkennende studie die inzicht geeft in het huidige en toekomstige profiel van de elektriciteitsvraag van een aangeslotene en de flexibiliteitsmaatregelen die kunnen worden getroffen;
  • haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen: studie die inzicht geeft in het huidige en toekomstige profiel van de elektriciteitsvraag van een aangeslotene en in de technische haalbaarheid en de kosten van flexibiliteitsmaatregelen;
Artikel 4.12.2. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een aangeslotene voor de volgende activiteiten:

  • a. het uitvoeren van een flexibiliteitsscan, opgesteld overeenkomstig bijlage 4.12.1;
  • b. het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen, opgesteld overeenkomstig bijlage 4.12.2;
  • c. het realiseren van een of meer flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van minder dan 100 kW;
  • d. het realiseren van een of meer flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van 100 kW of meer.
2.

De aanvrager, bedoeld in het eerste lid:

  • a. is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en
  • b. beschikt over een grote aansluiting als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet die zich bevindt in een door een transmissie- of distributiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet uitgeroepen gebied met afnamecongestie.
3.

Een flexibiliteitsmaatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, betreft:

  • 1°. energieopslag die het profiel van de elektriciteitsvraag kan beïnvloeden op een manier die de afnamecongestie vermindert;
  • 2°. energieconversie die het profiel van de elektriciteitsvraag kan beïnvloeden op een manier die de afnamecongestie vermindert, met uitzondering van energieconversie die wordt gevoed met fossiele brandstoffen; of
  • 3°. opslag of buffercapaciteit van een product of halffabricaat waarmee het productieproces flexibeler gemaakt kan worden.
Artikel 4.12.3. Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt per aanvraag:

  • a. voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan: 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 10.000;
  • b. voor het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen: 50% van de subsidiabele kosten vanaf een minimum van € 10.000 en tot een maximum van € 125.000;
  • c. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van minder dan 100 kW: 40% van de subsidiabele kosten vanaf een minimum van € 25.000 tot een maximum van € 300.000;
  • d. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van 100 kW of meer: 40% van de subsidiabele kosten vanaf een minimum van € 25.000 tot een maximum van € 300.000.
Artikel 4.12.4. Subsidiabele kosten
1.

Voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 49, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2.

Voor het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

3.

Voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen komen alleen in aanmerking de aanschaf- en installatiekosten, waarbij geldt dat alleen de kosten die direct verbonden zijn met het plaatsen en het aansluiten van een flexibiliteitsmaatregel, in aanmerking komen.

4.

Voor subsidie komen niet in aanmerking:

  • a. kosten voor eigen personeel van de aanvrager;
  • b. reguliere exploitatiekosten, waaronder beheer- en onderhoudskosten;
Artikel 4.12.5. Verdeling subsidieplafond
1.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

2.

Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan de subsidieplafonds voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel b, c of d, toegevoegd op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, ongeacht of de aanvraag binnen onderdeel b, c of d valt.

3.

Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel c, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan de subsidieplafonds voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a, b of d toegevoegd op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, ongeacht of de aanvraag binnen onderdeel a, b of d valt.

4.

Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel d, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond vermeerderd met het overblijvende bedrag, bedoeld in het vijfde lid, wordt het totale overblijvende bedrag zo nodig aan de subsidieplafonds voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a, b of c, toegevoegd op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, ongeacht of de aanvraag binnen onderdeel a, b of c valt.

5.

Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel b, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel d, toegevoegd.

Artikel 4.12.6. Realisatietermijn

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is:

  • a. 1 jaar na subsidieverlening voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan of een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen;
  • b. 2 jaar na subsidieverlening voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen.
Artikel 4.12.7. Afwijzingsgronden

De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. er geen sprake is van afnamecongestie in het gebied waar de aansluiting van de aanvraag zich bevindt;
  • c. de voorgestelde activiteit betrekking heeft op een aansluiting buiten Nederland;
  • d. de voorgestelde activiteit plaatsvindt bij een andere aansluiting dan in de aanvraag staat beschreven;
  • e. de voorgestelde activiteit plaatsvindt bij een vestiging met als primaire bedrijfsactiviteit het opwekken van energie, het handelen in energie of het aanbieden van energieopslag- of balanceringsdiensten;
  • f. redelijkerwijs te verwachten is dat de voorgestelde activiteit leidt tot een toename van het gebruik van fossiele energie door de aanvrager;
  • g. de voorgestelde activiteit, waarbij geldt dat de verschillende flexibiliteitsmaatregelen tot dezelfde soort activiteit behoren plaatsvindt bij een aansluiting of vestiging waarvoor op grond van deze titel reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde soort activiteit;
  • h. de voorgestelde activiteit betrekking heeft op een aansluiting of vestiging waarvoor op grond van deze titel reeds subsidie is verstrekt voor een activiteit en deze activiteit nog niet gerealiseerd is;
  • i. de ingehuurde energieadviseur een moeder- of dochteronderneming betreft van de aanvrager;
  • j. de energieadviseur aan wie de aanvrager de opdracht heeft gegeven een flexibiliteitsscan of haalbaarheidsstudie naar flexibiliteitsmaatregelen uit te voeren zelf flexibiliteitsmaatregelen of onderdelen daarvan produceert of levert, daarbij niet inbegrepen het installeren van door derden geleverde en geproduceerde flexibiliteitsmaatregelen of onderdelen daarvan;
  • k. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, redelijkerwijs te verwachten is dat de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel congestie op het elektriciteitsnet verergert;
  • l. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel een laadpaal voor elektrische voertuigen betreft, of primair is gericht op energiebesparing, energiehandel of energie-opwekking;
  • m. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel of onderdelen daarvan worden ingekocht bij of geproduceerd zijn door een moeder-, dochter- of zusteronderneming van de aanvrager of de aanvrager zelf;
  • n. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel enkel een batterij met een vermogen van minder dan 50 kW betreft.
Artikel 4.12.8. Verplichtingen subsidieontvanger
1.

De ontvanger van subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a en b, bewaart een kopie van de flexibiliteitsscan of de haalbaarheidsstudie voor ten minste vier jaar.

2.

De ontvanger van subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdelen c en d, houdt een gerealiseerde flexibiliteitsmaatregel ten minste vier jaar in gebruik.

3.

De ontvanger van subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel c, benut gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, de flexibiliteitsmaatregel niet primair voor energiehandel.

4.

De ontvanger van subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel d, levert gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, flexibiliteit conform de overeenkomst met de transmissie- of distributiesysteembeheerder bedoeld in artikel 4.12.9, tweede lid, onderdeel b.

5.

De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem uitgevoerde activiteiten, bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. Deze verplichting geldt gedurende vijf jaar na de dag waarop subsidie wordt vastgesteld.

Artikel 4.12.9. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 4.12.2, eerste lid, bevat ten minste:

  • b. gegevens over de contactpersoon voor de aanvraag, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • c. gegevens over de aansluiting waarop de aanvraag betrekking heeft en, indien aanwezig bij dezelfde vestiging, andere aansluitingen voor elektriciteitsafname, waaronder:
  • 1°. de EAN-code;
  • 3°. indien de aanvrager geen beschikking kan krijgen over de aansluitovereenkomst of transportovereenkomst, een factuur van de transmissie- of distributiesysteembeheerder, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, die niet ouder is dan twee maanden op het moment van indienen van de aanvraag, waarop het gecontracteerd transportvermogen, het type netvlak, de EAN-code en de klantnaam zichtbaar zijn.
  • d. een door beide partijen getekende offerte of opdracht voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, waarin is opgenomen dat deze offerte of opdracht alleen geldig is als op grond van deze titel subsidie wordt verleend, de uit te voeren activiteiten en het op te leveren eindproduct voldoende gespecificeerd worden en, indien de aanvraag een batterij of e-boiler omvat, het vermogen van de batterij of e-boiler, uitgedrukt in kW, is opgenomen;
  • e. voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan of een haalbaarheidsstudie naar flexibiliteitsmaatregelen, gegevens over de energieadviseur, waaronder de bedrijfsnaam van de energieadviseur en het nummer waarmee de energieadviseur is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel;
  • f. voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan, een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is, als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening; en
  • g. voor het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie, een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is, als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, onderbouwd in een door de minister ter beschikking gesteld formulier.
2.

Een aanvraag voor subsidie voor het realiseren van een of meer flexibiliteitsmaatregelen, bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdelen c en d bevat tevens:

  • a. een verslag waarin het verwachte effect van de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel op het energievraagprofiel beschreven wordt en waarin in ieder geval is opgenomen:
  • 1°. een kwalitatieve beschrijving van de flexibiliteitsmaatregel;
  • 2°. het jaarprofiel, maandprofiel, weekprofiel en dagprofiel op kwartierbasis van de elektriciteitsvraag en het jaarprofiel van het gasverbruik in m³ van de vestiging van een representatief jaar van de afgelopen drie jaren;
  • 3°. een kwantitatieve inschatting voor de flexibiliteitsmaatregel van de elementen bedoeld in bijlage 4.12.1., artikel 5, onderdelen a tot en met f; en
  • 4°. voor flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk vermogen van minder dan 100 kW, de beschrijvingen, bedoeld in bijlage 4.12.2, artikel 9, onderdelen a tot en met d.
  • b. voor flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk vermogen van 100 kW of meer, een kopie van een congestiemanagementcontract voor afname met een transmissiesysteem- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
  • c. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager;
  • f. voor flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk vermogen van minder dan 100 kW, indien de plichten, bedoeld in de onderdelen d of e, niet op de aanvrager van toepassing zijn, een onderbouwing waaruit blijkt dat die plichten niet van toepassing zijn, in een door de minister ter beschikking gesteld formulier.
3.

Indien voor dezelfde vestiging reeds subsidie is verstrekt voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan, het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen of het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, bevat een aanvraag voor subsidie tevens onderscheidenlijk een kopie van de flexibiliteitsscan, een kopie van de haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen of een kopie van het eindverslag bedoeld in artikel 4.12.10, onderdeel b, onder 1°.

Artikel 4.12.10. Aanvraag subsidievaststelling
1.

Een aanvraag tot subsidievaststelling bevat:

  • a. voor een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen: indien de aanvraag van subsidie ten minste € 25.000 bedraagt een kopie van de haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen;
  • b. voor een flexibiliteitsmaatregel:
  • 1°. een eindverslag, dat aantoont dat de flexibiliteitsmaatregel waarvoor subsidie is verstrekt binnen 2 jaar operationeel is, gerekend vanaf het moment van de subsidieverlening, en in ieder geval foto’s bevat van de geïnstalleerde maatregelen waarop het serienummer zichtbaar is;
2.

In afwijking van artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit gaat een aanvraag niet vergezeld van een controleverklaring.

Artikel 4.12.11. Staatssteun
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 49 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2.

De subsidie, bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel b, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

3.

De subsidie, bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel c, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening of, in voorkomend geval, door de landbouw de-minimisverordening of verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector.

4.

De subsidie, bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel d, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening of, in voorkomend geval, door de landbouw de-minimisverordening of verordening (EU) Idem nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector.

Artikel 4.12.12. Gegevensverwerking

De minister kan voor een beoordeling van de juistheid van de verklaringen, bedoeld in artikel 4.12.9, tweede lid, onderdelen d en e, gebruikmaken van de volgende gegevens en bescheiden:

Artikel 4.12.13. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 april 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Titel 4.13. Nationale Investeringsmodule Klimaatprojecten Industrie (NIKI)

Artikel 4.13.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • bod: de subsidie-intensiteit die is opgenomen in de subsidieaanvraag;
  • CO2: CO2 of CO2-equivalent;
  • CO2-equivalent: de hoeveelheid CH4, N2O, HFK’s, PFK’s en SF6, die overeenkomstig de factoren in bijlage 4.13.1, onderdeel A, eenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa eenheid CO2;
  • CO2-emissie: de optelsom van broeikasgasemissies naar de atmosfeer, uitgedrukt in CO2-equivalenten;
  • CO2-emissiereductie: de vermindering in uitstoot van broeikasgassen naar de atmosfeer;
  • NIKI CO2-emissiereductiemethode: de rekenmethode die is opgenomen in bijlage 4.13.2;
  • exploitatieactiviteiten: activiteiten die zien op exploitatie van de NIKI-installatie of -installaties na ingebruikname;
  • exploitatiefase: de exploitatie van de NIKI-installatie of -installaties gedurende de looptijd van het NIKI-project;
  • industriële onderneming: een commerciële organisatie die:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)