Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-17
Laatst bijgewerkt 2026-08-24
State In force
Source BWB
artikelen 1509
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • e. de Verenigde Staten van Amerika;
  • –. TSH Vliegtuigmaakindustrieproject: project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 4.2.18 (TSH Vliegtuigmaakindustrieproject) opgenomen beschrijving.
Artikel 4.2.130. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband of een internationaal TSH vliegtuigmaakindustrie-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een TSH Vliegtuigmaakindustrieproject.

2.

Een samenwerkingsverband bevat tenminste één onderneming.

Artikel 4.2.131. Steunintensiteit
1.

De subsidie bedraagt voor een TSH Vliegtuigmaakindustrieproject:

  • a. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;
  • b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;
  • c. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
2.

De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen b en c, worden verhoogd met:

  • a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; of
  • b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming.
3.

De subsidie bedraagt:

  • a. ten minste:
  • i. € 125.000 per deelnemer aan het samenwerkingsverband; of
  • ii. € 125.000 per in Nederland gevestigde deelnemer aan het internationaal TSH vliegtuigmaakindustrie-samenwerkingsverband; en
  • b. ten minste € 500.000 en maximaal € 4.000.000 per TSH Vliegtuigmaakindustrieproject.
Artikel 4.2.132. Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 4.2.133. Realisatietermijn

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is 5 jaar.

Artikel 4.2.134. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • b. eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project;
  • c. er geen afspraken zijn gemaakt over het intellectueel eigendom van het TSH Vliegtuigmaakindustrieproject.
Artikel 4.2.135. Rangschikkingscriteria
1.

De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

  • a. het project meer bijdraagt aan de doelstelling van de subsidie, opgenomen in bijlage 4.2.18;
  • b. de slaagkans van de innovatie in de internationale markt groter is;
  • c. de bijdrage aan de Nederlandse economie groter is;
  • d. het project meer bijdraagt aan versterking van de positie van Nederlandse partijen in samenwerking met strategische partnerlanden;
  • e. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid, het samenwerkingsverband en de deelnemende partijen;
  • f. het project meer bijdraagt aan de realisatie van de klimaatdoelstellingen voor 2030 zoals vastgelegd in het klimaatakkoord.
2.

De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

4.

Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Artikel 4.2.136. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 4.2.130, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Titel 4.3. Risico’s dekken voor aardwarmte

Artikel 4.3.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • aardwarmteproject: mogelijk maken van de winning en toepassing van aardwarmte met een diepte van de top van de aquifer van ten minste 500 meter tot ten hoogste 3.500 meter, door het boren van een doublet of een half doublet;
  • alternatiefwerkzaamheden: activiteiten om het alternatief gebruik van een put met een lager dan verwacht gerealiseerd vermogen in MW mogelijk te maken;
  • alternatief gebruik: gebruik van een aardwarmteput voor andere doeleinden dan het overeenkomstig de aanvraag winnen en toepassen van aardwarmte;
  • diep aardwarmteproject: mogelijk maken van de winning en toepassing van aardwarmte vanaf ten minste 3.500 meter diepte van de top van de aquifer door het boren van een doublet of een half doublet;
  • doublet: productieput en injectieput;
  • droge exploratieput: put voor olie- of gasexploratie waar geen koolwaterstoffen in vrije fase zijn aangetroffen in de aquifer die gebruikt gaat worden voor de winning van aardwarmte;
  • geologisch onderzoek: geologisch onderzoek, inclusief het rapport opgesteld overeenkomstig het model in bijlage 4.3.1;
  • geologisch risico: risico op een te laag gerealiseerd vermogen voor zover dit te wijten is aan specifieke aquifer parameters bestaande uit:
  • a. de bruto aquiferdikte;
  • b. de netto-bruto verhouding van de aquifer;
  • c. de aquifer permeabiliteit;
  • d. de diepte van de top van de aquifer;
  • e. de saliniteit van het formatiewater; of
  • f. de geothermische gradient;
  • gerealiseerde subsidiabele kosten: rechtstreeks aan het aardwarmteproject toe te rekenen, door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde subsidiabele kosten;
  • gerealiseerd vermogen: uit de puttest gebleken werkelijke vermogen in MW, met een correctie op skin = 0;
  • half-doublet: eerste of tweede put van een doublet, of vervolgput;
  • maximale subsidiebedrag: in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag, bestaande uit 85 procent van de verwachte subsidiabele kosten met een maximum van € 7.225.000 voor een aardwarmteproject en € 12.750.000 voor een diep aardwarmteproject;
  • niet-geologische parameters: niet-geologische parameters, genoemd in de tabel in hoofdstuk 1, paragraaf 1.1, van het geologisch onderzoek;
  • puttest: test van het vermogen van de put of putten met als resultaat meetreeksen plus interpretatie, uitgevoerd en geïnterpreteerd overeenkomstig bijlage 4.3.2;
  • putstimulatie: uitvoeren van technieken die leiden tot een verlaagde weerstand voor het toestromen van vloeistof van het reservoir naar de put of vice versa, zodat de productiviteit of injectiviteit van de put wordt verhoogd;
  • restwaarde: opbrengst van het project bij de economisch meest rendabele alternatieve toepassing gedurende 15 jaar;
  • verbeterwerkzaamheden: werkzaamheden aan de productieput, injectieput of pompinstallatie om het gerealiseerde vermogen van het doublet in MW te verhogen;
  • vervolgput: nieuwe put vanuit of naast een productie- of injectieput van een beëindigd of bestaand aardwarmteproject of diep aardwarmteproject die gebruikt wordt voor een bestaand of nieuw aardwarmteproject of diep aardwarmteproject;
  • verwachte subsidiabele kosten: in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiabele kosten;
  • verwacht vermogen: n de beschikking tot subsidieverlening vermelde verwacht vermogen in MW.
Artikel 4.3.2. Subsidieverstrekking en verdeling van het subsidieplafond
1.

De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan degene die in Nederland uitvoert:

  • a. een aardwarmteproject;
  • b. een diep aardwarmteproject.
2.

De Minister verdeelt het subsidieplafond voor aardwarmteprojecten, respectievelijk het subsidieplafond voor diep aardwarmteprojecten, in de volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

3.

Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, respectievelijk het eerste lid onderdeel b, lager is dan het subsidieplafond dat voor de desbetreffende soort projecten is vastgesteld, wordt het voor de ene soort project overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor de andere soort project toegevoegd.

4.

De subsidie wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat door het geologische risico op het beoogde stratigrafische niveau op de beoogde locatie en bij de in de beschikking tot subsidieverlening vermelde niet-geologische parameters, het gerealiseerd vermogen lager is dan het verwacht vermogen.

Artikel 4.3.3. Realisatietermijn en afwijzingsgronden
1.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is twee jaar.

2.

De Minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. uit het geologisch onderzoek blijkt dat de geschatte kans op het realiseren van het verwachte vermogen kleiner is dan 90 procent;
  • b. op het moment van indiening van de aanvraag om subsidie geen vergunning als bedoeld in artikel 6 van de Mijnbouwwet is afgegeven voor het betreffende gebied;
  • c. in het projectplan niet aannemelijk is gemaakt dat het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject binnen twee jaar na voltooiing van de boringen zal leiden tot de start van toepassing van aardwarmte in Nederland;
  • d. het verwacht vermogen lager is dan 0,5 MW zonder putstimulatie bij aardwarmteprojecten met een diepte van de top van de aquifer van ten minste 500 meter tot ten hoogste 1.500 meter;
  • e. het verwacht vermogen lager is dan 2 MW zonder putstimulatie voor de andere aardwarmteprojecten;
  • f. bij een half doublet, als de gegarandeerde put de tweede put van een doublet of een vervolgput betreft, de resultaten van de eerste put aardwarmtewinning niet aannemelijk maken;
  • g. bij een half doublet, als de gegarandeerde put de tweede put van een doublet betreft, de eerste put van een doublet geen droge exploratieput of geen bestaande aardwarmteput is.
3.

Bij de beoordeling van de aanvragen wint de Minister advies in van TNO.

Artikel 4.3.4. Subsidiemaximum
1.

De subsidie bedraagt maximaal € 11.050.000 per aardwarmteproject.

2.

De subsidie bedraagt maximaal € 18.700.000 per diep aardwarmteproject.

3.

Het subsidiebedrag wordt zodanig verminderd, dat de som van de volgende bedragen niet meer dan 95 procent van de gerealiseerde subsidiabele kosten bedraagt:

  • –. het subsidiebedrag,
  • –. het bedrag aan overige voor het betreffende project aan de subsidieontvanger verleende dan wel vastgestelde subsidies, en
  • –. het bedrag waarop de subsidieontvanger voor het desbetreffende project op grond van een verzekering of garantstelling aanspraak kan doen.
Artikel 4.3.5. Subsidiabele kosten
1.

De artikelen 10 tot en met 14 van het besluit zijn niet van toepassing.

2.

Bij een doublet komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a. kosten boring productie- en injectieput;
  • b. premie die door de subsidieontvanger krachtens artikel 4.3.10 wordt betaald;
  • c. kosten op- en afbouwen boorinstallatie;
  • d. kosten boormanagement en -toezicht;
  • e. kosten locatie boorgereed maken;
  • f. cuttings/spoeling afvoeren;
  • g. kosten puttest en rapportage;
  • h. kosten voor de acquisitie van data ten behoeve van de geologische evaluatie van het boorgat;
  • i. additionele kosten voor de realisatie van alternatief gebruik voor ten hoogste 15 jaar;
  • j. additionele kosten voor de verbeterwerkzaamheden voor ten hoogste 15 jaar;
  • k. onvoorziene kosten tot en met de realisatie van het doublet met inbegrip van de puttesten van het doublet.
3.

Bij een half-doublet komen de volgende kosten voor de subsidie in aanmerking:

  • a. kosten boring gegarandeerde put;
  • b. premie die door de subsidieontvanger krachtens artikel 4.3.10 wordt betaald;
  • c. kosten op- of afbouwen boorinstallatie voor de gegarandeerde put;
  • d. kosten boormanagement en -toezicht voor de realisatie van de gegarandeerde put met inbegrip van de puttest van deze put;
  • e. kosten locatie boorgereed maken voor de gegarandeerde put;
  • f. kosten cuttings/spoeling afvoeren van de gegarandeerde put;
  • g. kosten puttest en rapportage van de gegarandeerde put;
  • h. kosten voor de acquisitie van data ten behoeve van de geologische evaluatie van het boorgat van de gegarandeerde put;
  • i. de additionele kosten voor de realisatie van alternatief gebruik voor de gegarandeerde put voor ten hoogste 15 jaar;
  • j. de additionele kosten voor de verbeterwerkzaamheden voor de gegarandeerde put voor ten hoogste 15 jaar;
  • k. onvoorziene kosten bij de realisatie van de gegarandeerde put van het half doublet met inbegrip van de puttest van deze put.
4.

Indien subsidie wordt verstrekt voor een doublet komt voor subsidie in aanmerking een vast bedrag van € 500.000 voor het plaatsen van een pompinstallatie of het dichten van de put of putten.

5.

Indien subsidie wordt verstrekt voor een half-doublet komt voor subsidie in aanmerking een vast bedrag van € 250.000 voor het plaatsen van een pompinstallatie voor de gegarandeerde put of het dichten van deze put.

6.

Voor zover kosten uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd van overheidswege komen zij niet in aanmerking voor subsidie.

7.

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit blijven buiten beschouwing:

  • a. de subsidies op grond van:
  • 3°. de Subsidieregeling internationaal innoveren,
  • 6°. paragraaf 4.2.10, Demonstratie energie-innovatie (DEI),
  • 7°. paragraaf 4.2.3, Hernieuwbare energie,
  • 8°. titel 2.3, Energie-efficiëntie en hernieuwbare energie glastuinbouw; en
  • b. bijdragen van de Europese Commissie op grond van:
  • 1°. het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie,
  • 2°. het Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie,
  • 3°. het meerjarenprogramma voor acties op energiegebied: ‘Intelligente energie- Europa’,
  • 4°. het financieringsinstrument voor het Milieu: ‘Life’,
  • 5°. Richtlijn 2003/87/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (Pb EG 2003/L275),
  • 7°. Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling,
  • 8°. INTERREG,
  • 9°. de Europese Structuur- en Cohesiefondsen, en
  • 10°. verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PbEU 2013, L 347).
8.

Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, worden aangemerkt als publieke cofinanciering en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximumbedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt.

Artikel 4.3.6. Subsidieomvang doublet
1.

Indien subsidie is verstrekt voor het boren van een doublet geldt dat:

  • a. indien het gerealiseerde vermogen van de eerste boring gelijk aan of meer dan 75% van het verwacht vermogen is en de subsidieontvanger het project staakt, de subsidie op nihil wordt vastgesteld;
  • b. indien het gerealiseerd vermogen van de eerste boring meer dan 50% van het verwacht vermogen is en de subsidieontvanger het project voltooit, artikel 4.3.9 van toepassing is;
  • c. indien het gerealiseerd vermogen van de eerste boring meer dan 50%, maar minder dan 75% van het verwacht vermogen is en de subsidieontvanger het project na de eerste boring staakt, artikel 4.3.8 van toepassing is;
  • d. indien het gerealiseerd vermogen van de eerste boring 50% of minder van het verwacht vermogen is, artikel 4.3.8 van toepassing is.
2.

De subsidieontvanger staakt het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject door eigen aangifte dan wel wordt geacht dit project te staken door niet binnen een jaar na voltooiing van de eerste boring het doublet te voltooien.

Artikel 4.3.7. Subsidieomvang half-doublet
1.

Indien subsidie is verstrekt voor het boren van een half-doublet en de gegarandeerde put de eerste put van het doublet is, geldt dat:

  • a. indien het gerealiseerde vermogen van de eerste put gelijk aan of meer dan 75% van het verwacht vermogen is, de subsidie op nihil wordt vastgesteld indien de subsidieontvanger niet overgaat tot het boren van het doublet en het plaatsen van een pompinstallatie;
  • b. indien de subsidieontvanger na het boren van de eerste put overgaat tot het boren van het doublet en het plaatsen van een pompinstallatie, artikel 4.3.9 van toepassing is op de eerste put;
  • c. indien het gerealiseerde vermogen van de eerste put minder dan 75% van het verwacht vermogen is, artikel 4.3.8 van toepassing is wanneer de subsidieontvanger niet overgaat tot het boren van het doublet.
2.

Indien subsidie is verstrekt voor het boren van een half doublet, en de gegarandeerde put de tweede put van het doublet, of een vervolgput is, is artikel 4.3.9 van toepassing op deze put.

3.

Artikel 4.3.6, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een aardwarmteproject en een diep aardwarmteproject waarbij de subsidie is verstrekt voor het boren van een half-doublet.

Artikel 4.3.8. Berekening subsidie-omvang
1.

De hoogte van de subsidie wordt berekend overeenkomstig de formule:

Subsidiebedrag = e/f * (a – c + d)

en maximaal:

Subsidiebedrag = e/f * (a – b)

In deze formules betekent:

  • a:. de gerealiseerde subsidiabele kosten van de eerste boring, tot een maximum van de verwachte subsidiabele kosten,
  • b:. de restwaarde bij alternatief gebruik zonder alternatiefwerkzaamheden,
  • c:. de restwaarde bij alternatief gebruik na alternatiefwerkzaamheden,
  • d:. de additionele kosten voor de realisatie van alternatief gebruik voor ten hoogste 15 jaar,
  • e:. het maximale subsidiebedrag,
  • f:. de verwachte subsidiabele kosten.
2.

Indien de put definitief wordt afgedicht is de restwaarde nul. Indien de restwaarde negatief is wordt de restwaarde op nul gesteld.

3.

Indien subsidie is verstrekt voor een doublet dan bedraagt de subsidie ten hoogste 60 procent van het maximale subsidiebedrag. Indien subsidie is verstrekt voor een half-doublet dan bedraagt het subsidiebedrag ten hoogste het maximale subsidiebedrag.

4.

Indien de formule in het eerste lid een negatieve uitkomst oplevert wordt de subsidie op nul gesteld.

5.

Indien subsidie is verstrekt voor een doublet dan wordt de betaalde premie minus 5,95 procent van de tot en met de eerste boring gerealiseerde subsidiabele kosten gerestitueerd.

Artikel 4.3.9. Berekening subsidie-omvang
1.

De hoogte van de subsidie wordt berekend overeenkomstig de formule:

Subsidiebedrag = f/g * a * (1 – d / c) + f/g * e

en maximaal:

Subsidiebedrag = f/g * a * (1 – b / c)

In deze formules betekent:

  • a:. a: de gerealiseerde subsidiabele kosten, tot een maximum van de verwachte subsidiabele kosten,
  • b:. het gerealiseerd vermogen in MW, zonder verbeterwerkzaamheden,
  • c:. het verwacht vermogen in MW, zoals vermeld in de beschikking,
  • d:. het gerealiseerd vermogen in MW, na verbeterwerkzaamheden,
  • e:. de additionele kosten voor de verbeterwerkzaamheden voor ten hoogste 15 jaar,
  • f:. het maximale subsidiebedrag,
  • g:. de verwachte subsidiabele kosten.
2.

De subsidie wordt op nul gesteld indien het gerealiseerd vermogen in MW, zonder verbeterwerkzaamheden, meer bedraagt dan het verwacht vermogen in MW, zoals vermeld in de beschikking.

3.

Indien het gerealiseerd vermogen in MW, na verbeterwerkzaamheden, meer bedraagt dan het verwacht vermogen in MW, zoals vermeld in de beschikking, wordt de term f/g * a (1 – d / c) in het eerste lid op nul gesteld.

Artikel 4.3.10. Premie
1.

De subsidieontvanger betaalt voorafgaand aan de start van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject een premie van 7 procent van het maximale subsidiebedrag.

2.

Bij verwachte subsidiabele kosten van meer dan € 8.500.000 bedraagt de premie, bedoeld in het eerste lid, € 505.750.

3.

Bij een diep aardwarmteproject en verwachte subsidiabele kosten van meer dan € 15.000.000 bedraagt de premie, bedoeld in het eerste lid, € 892.500.

Artikel 4.3.11. Aanvangstermijn
1.

De subsidieontvanger start binnen twaalf maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening de uitvoering van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject en meldt de datum van aanvang binnen twee dagen na aanvang aan de Minister. De Minister kan op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger uitstel verlenen.

2.

Het boorgereed maken van de locatie wordt aangemerkt als start van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject.

Artikel 4.3.12. Verbeter- of alternatiefwerkzaamheden en alternatief gebruik
1.

Een subsidieontvanger doet na de puttest of puttesten mededeling aan de Minister over:

  • a. het al dan niet uitvoeren van op toename van het gerealiseerde vermogen respectievelijk verhoging van de restwaarde gerichte verbeter- of alternatiefwerkzaamheden;
  • b. het al dan niet toepassen van een beter renderend alternatief gebruik van de put of putten.
2.

Aan vaststelling van de subsidie is de verplichting verbonden gedurende vijf jaar na vaststelling af te zien van werkzaamheden en van alternatief gebruik als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.3.13. Puttest
1.

De subsidieontvanger verstrekt binnen acht weken na de boring van een put, de resultaten van deze puttest aan de Minister.

2.

De subsidieontvanger verstrekt binnen acht weken na verbeterwerkzaamheden, de resultaten van deze puttest aan de Minister.

3.

Het geologisch onderzoek en de puttest worden uitgevoerd door een ISO 9001 gecertificeerde instelling.

4.

De subsidieontvanger maakt de resultaten van het geologische onderzoek en het advies van TNO binnen acht weken na de start, bedoeld in artikel 4.3.11, eerste lid, openbaar.

5.

De subsidieontvanger maakt binnen vier weken na datum van de beschikking tot subsidievaststelling de resultaten openbaar van de puttest of puttesten, voor zover van toepassing het advies van TNO over de puttest of de puttesten, en overige onderzoeksresultaten die door de subsidieontvanger als subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.3.5 worden aangemerkt.

Artikel 4.3.14. Realisatietermijn
1.

De subsidieontvanger voltooit het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject uiterlijk twaalf maanden na de datum van aanvang van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject, bedoeld in artikel 4.3.11, eerste lid.

2.

De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt met twaalf maanden verlengd indien uit de mededeling, bedoeld in artikel 4.3.12, eerste lid, blijkt dat de subsidieontvanger verbeterwerkzaamheden of alternatiefwerkzaamheden wil uitvoeren.

3.

De Minister kan voor het vertragen, essentieel wijzigen of het stopzetten van activiteiten op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 4.3.15. Voorschot

De artikelen 45 tot en met 47 van het besluit zijn niet van toepassing.

Artikel 4.3.16. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag om subsidie op grond van artikel 4.2.3 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2.

Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie op grond van artikel 4.2.3 ten minste:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
  • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • c. kerngegevens over het project.
3.

De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend bevat in ieder geval:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de Minister verstrekte referentienummer;
  • b. de omvang van de vast te stellen subsidie;
  • c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling.
Artikel 4.3.17. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 4.3.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 4.3.18. Vervaltermijn

Deze titel en de bijlagen 4.3.1 en 4.3.2 vervallen met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 4.4. Indirecte emissiekosten ETS

Artikel 4.4.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • aanvraagjaar: kalenderjaar waarin de aanvraag voor subsidie wordt ingediend;
  • CO2: CO2 of CO2-equivalent;
  • CO2-emissiefactor: 0,45 tCO2/MWh;
  • CO2-equivalent: hoeveelheid CH4, N2O, HFK’s, PFK’s en SF6, die overeenkomstig de factoren in bijlage 4.4.3 eenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa-eenheid CO2;
  • efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik: op Prodcom 8-niveau gedefinieerd productspecifiek elektriciteitsverbruik, uitgedrukt in MWh/ton output, dat wordt bereikt met de meest elektriciteitsefficiënte productiemethoden voor het beschouwde product. Voor producten in de in aanmerking komende bedrijfstakken waarvoor de uitwisselbaarheid van brandstof en elektriciteit werd vastgesteld in punt 2 van bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2019, L 59), worden de efficiëntiebenchmarks voor elektriciteitsverbruik binnen dezelfde systeemgrenzen vastgesteld, uitsluitend rekening houdend met het aandeel van elektriciteit voor de bepaling van het steunbedrag. De overeenkomstige elektriciteitsverbruikbenchmarks voor producten die vallen onder de in aanmerking komende bedrijfstakken, bedoeld in bijlage 4.4.1, zijn opgenomen in bijlage 4.4.2;
  • EUA-termijnkoers: gewone gemiddelde, in euro, van de dagelijkse 1-jaarstermijnkoersen van EUA’s (slotverkoopkoersen) voor levering in december van het jaar t, zoals waargenomen op een Europese EUA koolstofbeurs van 1 januari tot en met 31 december in het kalenderjaar voorafgaand aan jaar t;
  • fallback-efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik: 80 procent van het werkelijke elektriciteitsverbruik. De fallback-efficiëntiebenchmark wordt vanaf aanvraagjaar 2023 jaarlijks met 1,09 procent verlaagd en wordt toegepast voor alle producten die onder de in aanmerking komende bedrijfstakken vallen, maar waarvoor geen efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik is gedefinieerd.
  • indirecte emissiekosten ETS: door elektriciteitsbedrijven doorberekende CO2-kosten in de elektriciteitsprijzen als gevolg van deelname aan het Europese emissiehandelssysteem als bedoeld in Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU 2003, L275);
  • inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht;
  • jaar t: kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt verstrekt;
  • NACE-/Prodcom-code: code, bedoeld in Gedelegeerde verordening (EU) 2023/137 van de Commissie van 10 oktober 2022 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 (Pb EU, 2023, L 19);
  • scope 1-emissie: emissie door installaties die in eigendom zijn van of gecontroleerd worden door de inrichting;
  • scope 2-emissie: emissie die ontstaat door de opwekking van elektriciteit, warmte en koeling, en stoom in installaties die niet tot de inrichting behoren, maar wel door de inrichting worden gebruikt;
  • werkelijk elektriciteitsverbruik: werkelijke elektriciteitsverbruik, uitgedrukt in MWh, in de installatie in jaar t, bepaald ex post in jaar t+1;
  • werkelijke output: werkelijke productie van de installatie in jaar t, uitgedrukt in ton per jaar, bepaald ex post in jaar t+1.
Artikel 4.4.2. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor de indirecte emissiekosten aan een ondernemer die een inrichting drijft waar producten worden vervaardigd in bedrijfstakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een reëel koolstoflekkagerisico als gevolg van aanzienlijke indirecte kosten die werkelijk zijn opgelopen doordat broeikasgasemissiekosten in de elektriciteitsprijzen worden doorberekend, bedoeld in bijlage 4.4.1.

2.

Het CO2-reductieplan maakt vanaf aanvraagjaar 2023 deel uit van de aanvraag.

3.

De minister verstrekt ambtshalve een voorschot binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

4.

De hoogte van het voorschot bedraagt 100 procent van de maximale hoogte van de subsidie.

Artikel 4.4.3. Hoogte subsidie
1.

De hoogte van de subsidie wordt bepaald door de kosten die in jaar t zijn gemaakt:

  • a. voor elk product waarvoor een efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsgebruik is vastgesteld, afzonderlijk berekend overeenkomstig de volgende formule: Ai * Ct * Pt–1 * E * AOt In deze formule betekent: Ai: de steunintensiteit in jaar t, bedoeld in het derde lid, uitgedrukt als een breuk; Ct: de CO2-emissiefactor; Pt–1: de EUA-termijnkoers in jaar t–1 (Euro/tCO2); E: de toepasselijke productspecifieke efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik als omschreven in bijlage 4.4.2; AOt: de werkelijke output in jaar t.
  • b. voor producten waarvoor geen efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsgebruik is vastgesteld, berekend overeenkomstig de volgende formule: Ai * Ct * Pt–1 * EF * AECt. In deze formule betekent: Ai: de steunintensiteit in jaar t, bedoeld in het derde lid, uitgedrukt als een breuk; Ct: de CO2-emissiefactor; Pt–1: de EUA-termijnkoers in jaar t–1 (Euro/tCO2); EF: de fallback-efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik in jaar t; AECt: het werkelijke elektriciteitsverbruik (MWh) in jaar t.
2.

De hoogte van het subsidiebedrag wordt verminderd met het bedrag in euro dat overeenkomt met de indirecte emissiekosten ETS van 1.000 MWh, berekend overeenkomstig de volgende formule:

Ai Ct Pt–1 * EF *AEC.

In deze formule betekent:

Ai: de steunintensiteit in jaar t, bedoeld in het derde lid, uitgedrukt als een percentage;

Ct: de CO2-emissiefactor;

Pt–1: de EUA-termijnkoers in jaar t–1 (Euro/tCO2);

EF: de fallback-efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik in jaar t;

AEC: 1.000 (MWh).

3.

De steunintensiteit in jaar t van bedrijfstakken opgenomen in Tabel 1 van bijlage 4.4.1, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt 80 procent van de opgelopen indirecte kosten gemaakt in 2025 tot en met 2030.

4.

De steunintensiteit in jaar t van bedrijfstakken opgenomen in Tabel 2 van bijlage 4.4.1, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt 75 procent van de opgelopen indirecte kosten gemaakt in 2025 tot en met 2030.

Artikel 4.4.4. Subsidiabele kosten

In afwijking van de artikelen 10, eerste tot en met vijfde en zevende lid, en 11 tot en met 14 van het besluit komen de indirecte emissiekosten ETS in aanmerking voor subsidie voor zover deze indirecte emissiekosten:

  • a. betrekking hebben op de vervaardiging van producten die vallen onder de in bijlage 4.4.1 genoemde NACE-/Prodcom-codes;
  • b. niet het gevolg zijn van productieprocessen waarbinnen energiedragers worden verwerkt en worden geproduceerd met als doel meer dan 50 procent van de energiedragers te produceren met een fossiele oorsprong.
Artikel 4.4.5. Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond evenredig over de ingediende aanvragen.

Artikel 4.4.6. Afwijzingsgronden
1.

De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen a tot met h, van het besluit zijn niet van toepassing.

2.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:

  • d. de subsidieaanvrager een of meer in het CO2-reductieplan vastgestelde investeringen, die overeenkomstig het CO2-reductieplan gepland stonden voor jaar t, niet of gedeeltelijk niet heeft gerealiseerd en geen argument hiervoor heeft aangeleverd dat de minister als valide aanmerkt;
  • e. de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op productieprocessen waarbinnen energiedragers worden verwerkt en worden geproduceerd met als doel meer dan 50 procent van de energiedragers te produceren met een fossiele oorsprong.
Artikel 4.4.7. Subsidieverplichtingen
1.

Op een subsidie voor de indirecte emissiekosten ETS zijn de artikelen 37 tot en met 42 van het besluit niet van toepassing.

2.

De subsidieontvanger verstrekt, totdat een verzoek tot vaststelling is ingediend, jaarlijks een monitoringsrapportage, als bedoeld in artikel 4.4.9.

3.

De subsidieontvanger voert de CO2-reducerende maatregelen uit overeenkomstig het in artikel 4.4.8 opgenomen CO2-reductieplan.

Artikel 4.4.8. Co2-reductieplan
1.

Het CO2-reductieplan bestaat uit een verkenning van de mogelijkheden om de absolute CO2-emissie van de bestaande inrichting te reduceren en bevat een pakket aan technische voorzieningen waarmee tot en met 2030 de totale scope 1-emissie en scope-2 emissie van de inrichting met ten minste 3 procent per jaar wordt gereduceerd ten opzichte van de scope 1-emissie en scope 2-emissie in het kalenderjaar 2020.

2.

Het CO2-reductieplan wordt opgesteld met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld standaardformulier en bevat in ieder geval:

  • a. een beschrijving van de bedrijfsprocessen;
  • b. een overzicht van de totale scope 1-emissie en scope 2-emissie in het kalenderjaar 2020 als gevolg van de bedrijfsprocessen;
  • c. een CO2-emissie onderverdeling naar de relevante onderdelen van het bestaande bedrijfsproces, die voor minimaal 90 procent dekkend is;
  • d. een toelichting op de rekenmethodieken waarmee de CO2-emissie is bepaald;
  • e. een overzicht van de mogelijkheden tot en de kwantificering van CO2-reductie;
  • f. een raming van de te verwachten investeringskosten per technische voorziening, waarbij in totaal ten minste 50 procent van het subsidiebedrag wordt geïnvesteerd in projecten die leiden tot ten minste 3 procent reductie per jaar van de broeikasgasemissies van de inrichting;
  • g. een plan van aanpak voor de planning en uitvoering van de in het plan benoemde technische voorzieningen waaruit blijkt dat ten minste 3 procent CO2 emissiereductie per jaar waarvoor subsidie is verleend behaald wordt ten opzichte van het kalenderjaar 2020 met dien verstande dat de technische voorzieningen uiterlijk op 31 december 2030 zijn gerealiseerd.
3.

Indien uit het CO2-reductieplan blijkt dat het voldoen aan het tweede lid, onderdeel f, gedeeltelijk niet haalbaar is, kan de minister de mogelijkheid bieden om, onverminderd de uitvoering van de in het CO2-reductieplan benoemde technische voorzieningen, een aanvullend plan op te stellen waarmee wordt zeker gesteld dat uiterlijk binnen vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de onderneming subsidie als bedoeld in artikel 4.4. aanvraagt ten minste 30 procent van het elektriciteitsverbruik wordt ingevuld met elektriciteit uit koolstofvrije bronnen die:

  • a. wordt opgewekt binnen de inrichting of binnen een straal van 50 kilometer van de inrichting; of
  • b. wordt ingekocht op basis van een contract dat specificeert dat de elektriciteit uit een koolstofvrije energiebron afkomstig is.
4.

De minister biedt de mogelijkheid, genoemd in het derde lid, indien:

  • a. de subsidieaanvrager beperkt financieel draagkrachtig is doordat de subsidieaanvrager de drie jaar voorafgaand aan het jaar van aanvraag verliesgevend was;
  • b. de kosten voor het reduceren van één ton CO2 gemiddeld meer dan 300 euro bedragen; of
  • c. de subsidieaanvrager met zijn inrichting reeds een zeer efficiënt productieproces kent dat bij een jaarlijkse investering van minder dan 50 procent van het ontvangen subsidiebedrag in CO2-reductiemaatregelen lager uitkomt dan 15 procent onder de toepasselijke benchmark voor kosteloze toewijzing in het EU-ETS;
  • d. de subsidieaanvrager kan aantonen dat door netcongestie niet op tijd kan worden voldaan aan het tweede lid, onderdeel g.
Artikel 4.4.9. Monitoringsrapportage
1.

De monitoringsrapportage bestaat uit een beschrijving van de uitvoering van het CO2-reductieplan.

2.

De monitoringsrapportage wordt opgesteld met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld standaardformulier en bevat in ieder geval:

  • a. de in jaar t uitgevoerde maatregelen en de daarbij behaalde CO2-emissiereductie uitgedrukt in:
  • 1°. tonnen CO2; en
  • 2°. een percentage van de vastgestelde totale CO2-emissie in het kalenderjaar 2020;
  • b. een overzicht van de gedane investeringen ten aanzien van de in jaar t uitgevoerde maatregelen;
  • c. een overzicht van de totaal behaalde CO2-emissiereductie vanaf de start van de uitvoering van het CO2-reductieplan;
  • d. een overzicht van de totaal uitgekeerde subsidiebedragen voor de indirecte emissiekosten ETS; en
  • e. een overzicht van het totaal aan gedane investeringen vanaf de start van de uitvoering van het CO2-reductieplan.
3.

Indien artikel 4.4.8, derde lid, van toepassing is, bevat de monitoringsrapportage ook informatie over de voortgang of realisatie van het verminderen van het totaalgebruik van fossiele brandstoffen in de toeleveringsketen door ten minste 30 procent van het elektriciteitsverbruik in te vullen met elektriciteit uit koolstofvrije bronnen.

Artikel 4.4.10. Overgangsrecht

Indien de subsidieaanvrager na 2020 aanvangt met de vervaardiging van producten, bedoeld in artikel 4.4.2, eerste lid, wordt in deze regeling voor ‘het kalenderjaar 2020’ telkens gelezen ‘het eerste jaar waarin de installatie onder ontwerpomstandigheden in bedrijf is geweest’. Indien de installatie slechts een deel van het jaar in bedrijf is geweest wordt de totale CO2-emissie geëxtrapoleerd naar een volledig jaar.

Artikel 4.4.11. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag om subsidie op grond van artikel 4.4.2, bevat in ieder geval:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het KvK-nummer, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
  • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • c. kerngegevens over het project;
  • d. een onderbouwing van de werkelijke output en het werkelijke elektriciteitsverbruik;
  • e. een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is met gebruikmaking van een daartoe beschikbaar gesteld formulier.
2.

Indien het subsidiebedrag € 25.000 of meer bedraagt en minder bedraagt dan € 125.000 overlegt de subsidieontvanger bij de aanvraag ten behoeve van de onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel een door een onafhankelijke deskundige derde, zijnde accountant, accountant-administratieconsulent of fiscaal adviseur, afgegeven verklaring hierover. Indien het subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt overlegt de aanvrager hierover een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant of accountant-administratieconsulent.

Artikel 4.4.12. Subsidievaststelling
1.

De subsidieontvanger kan bij het indienen van de monitoringsrapportage, of uiterlijk 13 weken na 31 december 2030, een aanvraag doen tot vaststelling van de subsidie over een bepaald jaar.

2.

Indien de subsidieontvanger blijkens de monitoringsrapportage in een bepaald jaar met het pakket aan technische voorzieningen de totale scope 1-emissie en scope 2-emissie van de inrichting met ten minste 3 procent per jaar heeft gereduceerd ten opzichte van de scope 1-emissie en scope 2-emissie in het kalenderjaar 2020 en ten minste 50 procent van het subsidiebedrag in dat jaar heeft geïnvesteerd in projecten die hebben geleid tot deze reductie, danwel ingevolge artikel 4.4.8, derde lid, heeft aangetoond dat ten minste 30 procent van het elektriciteitsverbruik is ingevuld met elektriciteit uit koolstofvrije bronnen, stelt de minister de subsidie vast.

3.

In afwijking van artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, gaat de aanvraag niet vergezeld van een controleverklaring.

Artikel 4.4.13. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 4.4.2, bevat staatssteun en wordt niet eerder verleend dan nadat de Europese Commissie goedkeuring heeft gegeven voor deze regeling in een procedure als bedoeld in artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 4.4.14. Vervaltermijn

Deze titel en de bijlagen 4.4.1, 4.4.2 en 4.4.3, vervallen met ingang van 31 december 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 4.5. Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE)

Artikel 4.5.1. Begripsomschrijving

In deze titel wordt verstaan onder:

  • aansluiting op een warmtenet: individuele aansluiting op een warmtenet;
  • appartement:
  • a. deel van een gebouw waarop een appartementsrecht rust en waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht;
  • b. woning in een gebouw, waarvoor een wooncoöperatie is opgericht; of
  • c. woning in een gebouw van een woonvereniging;
  • biobased milieuvriendelijk isolatiemateriaal: isolatiemateriaal waarvan ten minste 70% van de massa bestaat uit biobased materiaal als bedoeld in de EN16575:2014, genoemd in de environmental product declaration van de fabrikant en met een maximale milieukostenindicator van 1,9 bepaald bij de norm EN 15804+A2, genoemd in de categorie 1-kaart als bedoeld in de Nationale Milieudatabase van het betreffende product, bij een Rd-waarde van 3,5 m2K/W;
  • blokaansluiting voor warmte:
  • a. voorziening voor de levering van warmte aan wooneenheden waarvan de bewoners niet individueel beschikken over een overeenkomst met een warmteleverancier of waarvan de bewoners beschikken over een overeenkomst met een warmteleverancier die de verhuurder is van wooneenheden die op de blokaansluiting zijn aangesloten, en tevens lid is van een vereniging van eigenaars, en warmte levert aan zijn eigen huurders en aan de andere leden van die vereniging; of
  • b. aansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Gaswet die is geregistreerd in het centraal aansluitingenregister, die in bedrijf is, en bestemd is voor de levering van gas aan twee of meer zelfstandige of onzelfstandige wooneenheden die niet individueel beschikken over een dergelijke aansluiting, ten behoeve van de productie van warmte met behulp van een individuele warmteproductie-installatie voor één wooneenheid waarvan de bewoner niet individueel beschikt over een overeenkomst met een warmteleverancier;
  • bouwbedrijf: bedrijf dat in een handelsregister van een lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is ingeschreven in de sectie bouwnijverheid of een vergelijkbare sectie;
  • bouwinstallatiebedrijf: bedrijf dat in een handelsregister van een lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is ingeschreven in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie;
  • eigenaar-bewoner: natuurlijke persoon die:
  • a. een woning in de gemeente waar de hiervoor bedoelde persoon ingeschreven staat in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning zal hebben, waarbij onder renovatie mede begrepen wordt de realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie op grond van deze regeling is aangevraagd; of
  • b. gerechtigde is in de gemeente waar de hiervoor bedoelde persoon ingeschreven staat van een bestaand appartement en in dat appartement zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van dat appartement zal hebben, waarbij onder renovatie mede begrepen wordt de realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie op grond van deze regeling is aangevraagd;
  • etiket: gedrukt etiket als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 811/2013, artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 812/2013 of artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1254/2014;
  • gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet of een aan de grond gebonden overkapping ten behoeve van het tegen weersinvloeden beschermd parkeren van voertuigen;
  • gedelegeerde verordening (EU) nr. 1254/2014: verordening (EU) nr. 1254/2014 van de Commissie van 11 juli 2014 houdende aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de energie-etikettering van residentiële ventilatie-eenheden;
  • HR++ glas: glas met een maximale U-waarde van 1,2 W/m2K;
  • isolerende kozijnpanelen: kozijnpanelen met maximaal dezelfde U-waarde als de glassoort waarmee deze worden gecombineerd in kozijnen, met uitzondering van kozijnpanelen bij monumenten waarvoor in deze titel een U-waarde wordt vastgesteld;
  • koopwoning: woning van een eigenaar-bewoner;
  • meldcode: code beschikbaar gesteld door de minister:
  • a. per type en merk installatie voor de productie van duurzame energie;
  • b. per soort isolatiemateriaal voor energiebesparende isolatiemaatregelen;
  • c. per type en merk installatie voor ventilatie;
  • monument: woning die zelfstandig of als onderdeel van een gebouw deel uitmaakt van cultureel erfgoed dat is ingeschreven als:
  • productkaart: productkaart als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 811/2013 of artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 812/2013;
  • raamoppervlakte: de binnenwerkse maat, die wordt verkregen door het van binnenuit meten van de totale oppervlakte van kozijn en glas;
  • thermisch vermogen bij bivalente temperatuur: thermisch vermogen bij bivalente temperatuur als bedoeld in tabel 8 van bijlage V van verordening (EU) nr. 811/2013 of tabel 2 van bijlage II van Verordening (EU) nr. 813/2013;
  • thermisch vermogen bij referentieontwerptemperatuur: thermisch vermogen bij referentieontwerptemperatuur als bedoeld in tabel 10 van bijlage VII van verordening (EU) nr. 811/2013 of tabel 4 van bijlage III van Verordening (EU) nr. 813/2013;
  • thermische schil: thermische schil als beschreven in ISSO 82.1, zesde druk;
  • triple-glas: glas met een maximale U-waarde van 0,7 W/m2K;
  • UF-schuim: ureumformaldehydeschuim, hetgeen een tweecomponentenschuim is op basis van ureumformaldehyde;
  • verordening (EU) nr. 305/2011: verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van de Europese Unie (PbEU 2011, L 88/5);
  • verordening (EU) nr. 811/2013: verordening (EU) nr. 811/2013 van de Commissie van 18 februari 2013 ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees parlement en de Raad wat de energie-etikettering van ruimteverwarmingstoestellen, combinatieverwarmingstoestellen, pakketten van ruimteverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties en pakketten van combinatieverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties betreft (PbEU 2013, L 239);
  • verordening (EU) nr. 812/2013: verordening (EU) nr. 812/2013 van de Commissie van 18 februari 2013 ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees parlement en de Raad wat de energie-etikettering van waterverwarmingstoestellen, warmwatertanks en pakketten van waterverwarmingstoestellen en zonne-energie-installaties betreft (PbEU 2013, L 239);
  • verordening (EU) nr. 813/2013: verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie van 2 augustus 2013 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft (PbEU 2013, L 239);
  • waterverwarmingstoestel: waterverwarmingstoestel met warmtepomp als bedoeld in artikel 2, onderdeel zeventien, van verordening (EU) nr. 812/2013;
  • woning:
  • a. gebouwde onroerende zaak die, alvorens investering als bedoeld in deze titel plaatsvindt, een zelfstandige woongelegenheid vormt, en als zodanig bewoond is geweest, en is voorzien van een eigen toegang, keuken, bad of douche, en toilet. In de basisregistratie, bedoeld in artikel 2 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, dient hiervoor bedoelde onroerende zaak met een woonfunctie te zijn geregistreerd; of
  • b. bestaand appartement dat, alvorens investering als bedoeld in deze titel plaatsvindt, een zelfstandige woongelegenheid vormt en als zodanig bewoond is geweest, en is voorzien van een eigen toegang, keuken, bad of douche, en toilet. In de basisregistratie, bedoeld in artikel 2 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, dient hiervoor bedoeld appartement met een woonfunctie te zijn geregistreerd;
  • woonvereniging: vereniging die eigenaar is van één of meer gebouwen en waarvan de leden het recht hebben om in een bepaalde woning die onderdeel uitmaakt van dat gebouw of die gebouwen te wonen.
Artikel 4.5.2. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor een investering of combinatie van investeringen die bestemd is voor:

  • a. de productie van duurzame energie;
  • b. energiebesparende isolatiemaatregelen, of energiebesparende isolatiemaatregelen in combinatie met één ventilatiemaatregel;
  • c. de aansluiting op een warmtenet; of
  • d. de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken.
2.

Voor zover de subsidie betrekking heeft op een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt deze verstrekt aan een ondernemer, vereniging, stichting, verhuurder van een woning, zijnde een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet, eigenaar-bewoner dan wel andere rechtspersoon of natuurlijke persoon ten behoeve van de aanschaf en het door een bouwinstallatiebedrijf laten installeren van één of meer van de volgende installaties:

  • a. een ruimteverwarmingstoestel of een waterverwarmingstoestel dat:
  • 1°. is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp, een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp;
  • 2°. een thermisch vermogen heeft van ten hoogste 400kW bij bivalente temperatuur in geval van een lucht-waterwarmtepomp dan wel bij een referentieontwerptemperatuur in geval van een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp;
  • 3°. is voorzien van een etiket, een productkaart en de bijbehorende technische documentatie en is geregistreerd in EPREL indien sprake is van een installatie met een thermisch vermogen tot en met 70kW;
  • 4°. is voorzien van technische documentatie, indien sprake is van een installatie met een thermisch vermogen van 71 kW tot ten hoogste 400kW;
  • 5°. geen gezamenlijk thermisch vermogen heeft dat meer is dan 500kW bij bivalente temperatuur in geval van een lucht-waterwarmtepomp dan wel bij een referentieontwerptemperatuur in geval van een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp, indien sprake is van meerdere warmtepompen aangesloten op hetzelfde verwarmings- of afgiftesysteem; en
  • 6°. een koudemiddel met een GWP kleiner dan 750 bevat, in geval van een split-warmtepomp als bedoeld in bijlage IV, onderdeel 9, subonderdeel a van verordening (EU) nr. 2024/573 met een installatiedatum op of na 1 januari 2026;
  • b. een zonneboiler, waaronder begrepen een zonneboilercombi, bestaande uit een zonne-energie-installatie die:
  • 1°. is bedoeld voor het maken van warm tapwater of voor het leveren van ruimteverwarming in combinatie met het maken van warm tapwater;
  • 2°. een totale apertuuroppervlakte van ten hoogste 200 vierkante meter per verwarmings- of afgiftesysteem heeft;
  • 3°. is voorzien van een productkaart en de bijbehorende technische documentatie; en
  • 4°. is voorzien van een etiket, indien sprake is van een zonneboilercombi;
  • c. een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met één of meer windturbines in een daarvoor bestemd gebied:
  • 1°. die wordt aangesloten op het openbare Nederlandse elektriciteitsnet via een aansluiting met ten hoogste een totale doorlaatwaarde van 3*80 A; en
  • 2°. waarvan het rotoroppervlak per windturbine ten minste 50 m2 is.
3.

Voor zover de subsidie betrekking heeft op een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in combinatie met één ventilatiemaatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt deze verstrekt aan een eigenaar-bewoner ten behoeve van de aanschaf en het door een bouwbedrijf in een koopwoning laten aanbrengen van isolatiemateriaal, dat is voorzien van een prestatieverklaring, voor één of meer van de typen energiebesparende isolatiemaatregelen, bedoeld in de onderdelen a tot en met e, eventueel in combinatie met één van de typen ventilatiemaatregelen bedoeld in onderdeel f:

  • a. dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie, waarbij:
  • 1°. ten minste 20 vierkante meter van de oppervlakte van het bestaande dak in de bestaande thermische schil dan wel, indien de zolder of vliering onverwarmd is, van ten minste 20 vierkante meter van de oppervlakte van de bestaande zolder- of vlieringvloer, wordt geïsoleerd;
  • 2°. het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft en in geval van een monument is aangebracht na 31 december 2023 en een Rd-waarde van ten minste 2,5 m2K/W heeft; en
  • 3°. het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen;
  • b. gevelisolatie, waarbij:
  • 1°. ten minste 10 vierkante meter van de oppervlakte van de binnen- of buitengevel van de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd; en
  • 2°. het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft en in geval van een monument is aangebracht na 31 december 2023 en een Rd-waarde van ten minste 2,5 m2K/W heeft;
  • c. glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie in de bestaande thermische schil door:
  • 1°. het vervangen van ten minste 8 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2023 en voor 1 januari 2025, van glas, kozijnpanelen of deuren door HR++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,5 W/m2K;
  • 2°. het vervangen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2024, van glas, kozijnpanelen of deuren door HR++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,5 W/m2K;
  • 3°. het vervangen van ten minste 8 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2023 en voor 1 januari 2025, van glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,0 W/m2K;
  • 4°. het vervangen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2024, van glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,0 W/m2K;
  • 5°. het vervangen of toevoegen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van een monument indien een maatregel is aangebracht na 31 december 2023 en voor 1 januari 2026, van glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K;
  • 6°. het vervangen of toevoegen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van een monument indien een maatregel is aangebracht na 31 december 2023 van glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K of nieuwe isolerende deuren met een U-waarde van ten hoogste 1,5W/m2K, of triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend kozijn; of
  • 7°. het vervangen of toevoegen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van een monument indien een maatregel is aangebracht na 31 december 2025, van glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 5,8 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K;
  • d. spouwmuurisolatie, waarbij:
  • 1°. ten minste 10 vierkante meter van de oppervlakte van bestaande spouwmuren in de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd;
  • 2°. het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 1,1 m2K/W heeft; en
  • 3°. het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen;
  • e. vloer- dan wel bodemisolatie, waarbij:
  • 1°. ten minste 20 vierkante meter van de oppervlakte van de bestaande vloer of de bestaande bodem in de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd;
  • 2°. het isolatiemateriaal een Rd- of Rbf-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft; en
  • 3°. het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen;
  • f. één ventilatiemaatregel geïnstalleerd op of na 1 januari 2026, niet zijnde een ruimteverwarmingstoestel of waterverwarmingstoestel als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, in combinatie met een aanvraag voor één of meer isolatiemaatregelen als bedoeld in de onderdelen a tot en met e van dit lid, of in combinatie met één of meer isolatiemaatregelen als bedoeld in de onderdelen a tot en met e van dit lid die niet meer dan 24 maanden eerder zijn aangebracht en waarvoor subsidie is verstrekt, bestaande uit:
  • 1°. een centrale CO2 gestuurde mechanische luchtafvoer-unit, met een minimale capaciteit van 125 m3/h, zoals geregistreerd in EPREL, aangestuurd met minimaal twee CO2 sensoren en is voorzien van een etiket en de bijbehorende technische documentatie;
  • 2°. een centrale balansventilatie-unit met warmteterugwinning en een minimaal rendement van 85%, getest conform EN13141-7:2021, een minimale capaciteit van 125 m3/h, zoals geregistreerd in EPREL en is voorzien van een etiket en de bijbehorende technische documentatie; of
  • 3°. een decentrale balansventilatie-unit met warmteterugwinning door middel van een recuperatieve warmtewisselaar, een minimaal rendement van 80% getest conform EN13141-8:2022, een minimale capaciteit van 80 m3/h, met gelijktijdige luchttoevoer en afvoer in de unit, zoals geregistreerd in EPREL en is voorzien van een etiket en de bijbehorende technische documentatie.
4.

Voor zover de subsidie betrekking heeft op een investering voor de aansluiting op een warmtenet als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt deze verstrekt aan een eigenaar-bewoner ten behoeve van het door een warmteleverancier aansluiten van een bestaande koopwoning op een individuele aansluiting op een warmtenet.

5.

Voor zover de subsidie betrekking heeft op een investering die bestemd is voor de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt deze verstrekt aan een eigenaar-bewoner ten behoeve van het eenmalig aanschaffen van een nieuwe volledig elektrische kookvoorziening voor een woning die op een warmtenet is aangesloten.

6.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag van een provincie of gemeente die, of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen dat, optreedt als marktpartij of als eigenaar of huurder van een roerende of onroerende zaak, onder dezelfde voorwaarden als natuurlijke personen en rechtspersonen niet zijnde medeoverheden.

7.

Subsidie voor een installatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt aan natuurlijke personen uitsluitend verstrekt voor een installatie die bestemd is voor gebruik ten behoeve van een onderneming die door de desbetreffende natuurlijke persoon in stand wordt gehouden.

8.

Het rotoroppervlak per windturbine, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 2°, wordt berekend door:

  • a. het kwadraat van de diameter van de rotor in meters te delen door vier en vervolgens te vermenigvuldigen met pi (π), indien het een windturbine met een horizontale as betreft; of
  • b. de diameter van de rotor in meters te vermenigvuldigen met de hoogte van de rotor in meters, indien het een windturbine met een verticale as betreft.
Artikel 4.5.3. Hoogte subsidie investeringen voor de productie van duurzame energie
1.

De subsidie voor een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, bedraagt voor:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)