Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-17
Laatst bijgewerkt 2026-08-24
State In force
Source BWB
artikelen 1509
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten binnen dit thema kunnen betrekking hebben op energie-efficiëntiemaatregelen in gebouwen, de bevordering van productie, opslag en inpassing van energie uit hernieuwbare bronnen en energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling en lokale infrastructuur. DEI+-pilots kunnen ook betrekking hebben op arbeidsbesparing, digitalisering en klimaatadaptatie en hiermee veelal een indirecte bijdrage leveren aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving.

DEI+-demonstratieprojecten kunnen door kleine en middelgrote ondernemingen worden gecombineerd met demonstratie van randvoorwaardelijke innovaties. Die innovaties zijn randvoorwaardelijk, omdat ze indirect kunnen leiden tot CO2-reductie. Het gaat om demonstratie van randvoorwaardelijke innovaties:

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen:

2.8. Overige maatregelen (artikel 25 en 36 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit thema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten gericht op andere CO2-reducerende maatregelen die genomen worden in de industrie, de gebouwde omgeving of de elektriciteitssector, dan maatregelen die vallen binnen een ander thema. Hieronder vallen ook maatregelen gericht op emissiereductie van andere broeikasgassen zoals methaan en lachgas.

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen:

DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten voor de installatie van uitbreidingen die het niveau van milieubescherming van bestaande uitrusting, machines en industriële productie-installaties op fossiele brandstoffen verbeteren, vallen wel binnen dit thema, als die niet leiden tot een uitbreiding van de productiecapaciteit of tot een hoger verbruik van fossiele brandstoffen.

Bij DEI+-demonstratieprojecten binnen dit thema moet de investering leiden tot een reductie van de CO2-uitstoot binnen (het productieproces van) de onderneming die subsidie aanvraagt. Demonstratieprojecten die leiden tot reductie van broeikasgasemissies elders in de productieketen vallen daarom niet binnen dit thema.

2.9. Waterstof en groene chemie (artikel 25, 26bis, 36, en 41 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit thema geeft invulling aan het Nationaal Groeifondsprogramma ‘Groenvermogen van de Nederlandse economie’20Nationaal Groeifondsprogramma GroenvermogenNL. DEI+-pilots, DEI+-demonstratieprojecten en DEI+-testfaciliteiten richten zich op een bijdrage aan de versnelde en veilige toepassing van waterelektrolysetechnologie, elektrochemie, en transport21Infrastructuur zoals transmissieleidingen en distributienetten., opslag en eindtoepassingen van groene waterstof.

Onder groene waterstof wordt binnen dit thema verstaan hernieuwbare waterstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Het gaat om waterstof geproduceerd uit hernieuwbare energie overeenkomstig de methoden die zijn uiteengezet voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong in Richtlijn hernieuwbare energie.

Pilotprojecten in dit thema kunnen ook een indirecte bijdrage leveren aan de versnelde en veilige toepassing van waterelektrolysetechnologie, en transport, opslag en eindtoepassingen van groene waterstof.

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen:

Onder dit thema vallen projecten die passen binnen ten minste één van de volgende subthema’s.

2.9.1. Transport en opslag van waterstof(dragers) inclusief conversiestap (artikel 25, 36, en 41 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit subthema is gericht op projecten die inzetten op grootschalige energieopslag of conversie naar andere waterstofdragers of producten. Het gaat om waterstofdragers zoals ‘liquid organic hydrogen carriers’ (LOHC), ammoniak, methanol en waterstofopslag in vaste vorm, maar niet om fossiele brandstoffen als waterstofdrager.

2.9.2. Toepassen van waterstof(dragers) en groene elektronen in elektro- en plasmachemie22Met toepassing van ‘groene elektronen’ wordt bedoeld de directe toepassing van groene elektronen (uit hernieuwbaar opgewekte elektriciteit) in elektrochemische reacties, ter vervanging van processen in de industrie die nu waterstof als grondstof gebruiken. Het gaat hierbij dus niet om elektrificatie van processen door hernieuwbare elektriciteit als energiebron te gebruiken in plaats van aardgas of een andere brandstof.

Dit subthema is gericht op diverse grootschalige toepassingen van hernieuwbare waterstof in sectoren waar weinig alternatieven voor verduurzaming zijn. Het gaat in dit subthema om de volgende toepassingen:

2.9.3. Bouwen en upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur (artikel 26bis algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit subthema is gericht op de bouw en het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 98a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor het testen van (onderdelen van) innovatieve waterstoftechnologie benodigd voor productie, opslag, transport of gebruik van hernieuwbare waterstof, en voor de toepassing van waterstof en groene elektronen.

2.9.4. Productie van waterstof

Dit subthema is gericht op de productie van hernieuwbare waterstof en innovaties die direct verbonden zijn aan de versnelde inpassing van deze waterstofproductie-installaties. Het gaat om waterstofproductie via waterelektrolyse (hierna: elektrolyse) op basis van hernieuwbare elektriciteit.

Ook projecten gericht op innovaties die direct verbonden zijn met de toepassing van elektrolysers en die onderdeel uitmaken van de zogenaamde ‘balance of plant’, vallen binnen dit thema. DEI+-demonstratieprojecten gericht op deze gekoppelde innovaties zijn enkel mogelijk, indien die innovatie onderdeel is van een elektrolyse-installatie die ook met het project wordt gedemonstreerd. DEI+-pilotprojecten kunnen zijn gericht op de ‘balance of plant’, ongeacht of die onderdeel uitmaken van een elektrolyse-installatie waar de pilot op ziet.

Waterstof kan op basis van hernieuwbare elektriciteit worden geproduceerd op drie manieren:

Voor zowel pilotprojecten waarbij de waterstofproductie-installatie naar verwachting na afloop van het project in gebruik blijft, als voor demonstratieprojecten dient een milieuvoordeel behaald te worden. Om het milieuvoordeel te waarborgen gelden per type elektrolyser voorwaarden. Als een opslagfaciliteit voor hernieuwbare elektriciteit onderdeel uitmaakt van de elektrolyse-installatie gelden daarnaast extra voorwaarden.

Dit betreft elektrolysers die elektriciteit uitsluitend met een directe lijn afnemen van een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit uit wind- of zonne-energie. Een directe lijn houdt in dat de elektrolyser fysiek aangesloten is op de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit zonder tussenkomst van het net; een zogenoemde aansluiting ‘achter de meter’. Dat betekent dat de elektrolyser alleen waterstof produceert op basis van elektriciteit die is opgewekt met de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit waarop de elektrolyser via de directe lijn is aangesloten.

Om het milieuvoordeel te waarborgen moet voor dit type elektrolysers voldaan zijn aan de volgende voorwaarden:

Dit betreft elektrolysers die de benodigde elektriciteit uitsluitend van het net afnemen en voor 1 januari 2028 in gebruik worden genomen.

Er kan binnen deze categorie sprake zijn van: 1) productie van enkel hernieuwbare waterstof of 2) productie van zowel hernieuwbare als niet-hernieuwbare waterstof of enkel niet-hernieuwbare waterstof. Voor die subcategorieën gelden aparte voorwaarden om het milieuvoordeel te waarborgen en in aanmerking voor subsidie te komen.

Een elektrolyser die enkel hernieuwbare waterstof produceert, komt in aanmerking voor subsidie als de door de elektrolyser gebruikte elektriciteit aan de volgende drie voorwaarden voldoet:23De CO2-emissie van de verbruikte elektriciteit mag dan op nul gesteld worden.

Een elektrolyser die zowel hernieuwbare als niet-hernieuwbare waterstof25Het toestaan van ook een gedeelte niet-hernieuwbare waterstof past binnen de doelstelling van thema 2.9 omdat – gezien de samenstelling van de Nederlandse elektriciteitsmix – het overgrote deel van de geproduceerde waterstof hernieuwbare waterstof zal moeten zijn om aan de eis van 70% CO2-reductie te kunnen voldoen. Enkel niet-hernieuwbare waterstof is op grond van artikel 36 van de AGVV ook toegestaan, maar levert voor de huidige Nederlandse situatie zo weinig draaiuren op dat dit in praktijk waarschijnlijk niet zal voorkomen, omdat de businesscase dan niet rendabel genoeg is. produceert of enkel niet-hernieuwbare waterstof, komt in aanmerking voor subsidie als aangetoond wordt dat de waterstof die wordt geproduceerd, gedurende de levenscyclus een broeikasgasemissiereductie van ten minste 70% bewerkstelligt ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ (2,256 tCO2eq/tH2). Om de broeikasgasemissiereductie gedurende de levenscyclus te bepalen, worden de broeikasgasemissies die verband houden met de productie van elektriciteit die wordt gebruikt om waterstof te produceren, bepaald door de marginale opwekkingseenheid in de biedzone26Dit is de biedzone, bedoeld in de Begrippencode elektriciteit: gebied als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Verordening (EU) 543/2013 voor Nederland, omvattende het geografische gebied van Nederland en de Nederlandse exclusieve economische zone. waar de elektrolyser zich bevindt (Nederland) in de onbalansverrekeningsperioden27Dit is de onbalansverrekeningsperiode, bedoeld in de Begrippencode elektriciteit: tijdseenheid waarmee de onbalansverrekening plaatsvindt, te weten 15 minuten, ofwel per klokkwartier. wanneer de elektrolyser elektriciteit van het net verbruikt. Het hernieuwbare deel van de geproduceerde waterstof moet voldoen aan de voorwaarden onder B1.

Dit betreft elektrolysers die zowel elektriciteit met een directe lijn afnemen van een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit als van het net en voor 1 januari 2028 in gebruik worden genomen. Het gaat daarbij om elektriciteit uit wind- of zonne-energie.

Om het milieuvoordeel te waarborgen geldt dat:

Een opslagfaciliteit voor hernieuwbare elektriciteit als onderdeel van de elektrolyse-installatie is mogelijk op voorwaarde dat de opslagfaciliteit:

2.10. Vergassing van reststromen (artikel 41 en 47 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit thema betreft DEI+-demonstratieprojecten gericht op de vergassing van reststromen waarvan in elk geval een deel van biogene oorsprong is. Onder vergassing wordt verstaan het thermochemisch proces, waarbij grondstoffen op hoge druk of temperatuur met een ondermaat aan zuurstof worden gekraakt tot een mengsel van gassen. Dit gasmengsel kan vervolgens verder worden opgewaardeerd tot verschillende eindproducten, namelijk groen gas, methanol, (geavanceerde) transportbrandstoffen, of in de vorm van chemicaliën of syngas als grondstof voor de industrie.

De projecten binnen dit thema kunnen vergassing van biogene reststromen betreffen voor de productie van hernieuwbare energiebronnen in de vorm van groen gas of biobrandstoffen. Daarnaast kunnen projecten zijn gericht op vergassing van biogene reststromen of deels biogene, ook wel gemengde, reststromen, ten behoeve van het gebruik van het eindproduct als grondstof in het kader van een circulaire economie. Projecten kunnen ook zien op de vergassing van biogene of gemengde reststromen voor zowel energiedoeleinden als voor gebruik als grondstof. Projecten binnen dit thema moeten passen in één van de zes categorieën uit onderstaande tabel, afhankelijk van de te verwerken grondstoffen, oftewel de input, en het doel waarvoor deze stoffen worden verwerkt, oftewel de output, van de productie-installatie.

Projecten kunnen betrekking hebben op de hele keten van vergassing, inclusief voorbehandeling, torrefactie, vergassing, reiniging en opwaardering.

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen DEI+-demonstratieprojecten:

Met primair wordt bedoeld dat op basis van de massabalans of op basis van energie-inhoud minimaal de helft van de voeding wordt ingezet voor één of meer van de bovenstaande toepassingen.

Bijlage 4.2.10. behorende bij artikel 4.2.71 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Programmalijnen Systeemintegratie)

Vervallen

Bijlage 4.2.11. behorende bij artikel 4.2.78 van de Regeling nationale EZ-subsidies (Programmalijnen Energie en industrie: joint industry projects (JIP))

Vervallen

Bijlage 4.2.12. behorende bij artikel 4.2.85 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Programmalijnen Wind op Zee)

Vervallen

Bijlage 4.2.13. , behorende bij artikel 4.2.92 van de Regeling nationale EZ-subsidies

Vervallen

Bijlage 4.2.14. , behorende bij artikel 4.2.99 van de Regeling nationale EZ-subsidies

Vervallen

Bijlage 4.2.15. behorende bij artikel 4.2.106 van de Regeling nationale EZ-subsidies (Programmalijnen Energie en industrie: Early adopterprojecten)

Vervallen

Bijlage 4.2.16. behorende bij artikel 4.2.113 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (Studies voor duurzame industrie (STUDI))

1. Doel

Het algemene doel van de subsidiemodule Studies voor duurzame industrie (STUDI) is het ondersteunen van studies naar de haalbaarheid van pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie die bijdragen aan het kosteneffectief reduceren van de CO2-emissies in industriële processen binnen tien jaar na de afloop van de studie in de industrie in Nederland.

Met behulp van een haalbaarheidsstudie, milieustudie of vergelijkbare studie kan worden besloten om te starten met een pilotproject, demonstratieproject of een project met betrekking tot uitontwikkelde technologie of verder te gaan naar de volgende fase van detailed engineering en constructie in voorbereiding op een dergelijk project.

De studies binnen deze programmalijnen bestaan in hoofdzaak uit bureaustudie, zoals literatuuronderzoek, marktverkenning, concurrentieanalyse, juridisch haalbaarheidsonderzoek, pre-engineering en onderdelen van Front End Engineering Design (FEED).

Onder de CO2-reductiedoelstelling van deze subsidiemodule valt ook:

Onder de reikwijdte van de doelstelling vallen geen studies voor pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie die investeringen betreffen in milieubescherming als bedoeld in artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening of energie-efficiëntiemaatregelen anders dan in gebouwen als bedoeld in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en die tevens betrekking hebben op uitrusting, machines en industriële productiefaciliteiten die van fossiele brandstoffen gebruikmaken, met inbegrip van die welke van aardgas gebruikmaken.

Studies voor projecten die de installatie van uitbreidingen betreffen die het niveau van milieubescherming van bestaande uitrusting, machines en industriële productie-installaties verbeteren, vallen wel binnen de doelstelling, mits die niet leiden tot een uitbreiding van de productiecapaciteit of tot een hoger verbruik van fossiele brandstoffen.

Onder de industrie wordt verstaan het geheel van ondernemingen die materiële goederen produceren, waarbij grondstoffen worden verwerkt en waarbij sprake is van een hoge graad van mechanisering en automatisering. Dit betreft ondernemingen die activiteiten uitvoeren die worden genoemd in de Standaardbedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep B, C, D (alleen energiedistributie en productie van gas) of E.

In aanvulling op het algemene doel van deze module heeft Programmalijn 2: Waterstof en groene chemie (GroenvermogenNL) specifiek het doel om haalbaarheidsstudies naar pilotprojecten en milieustudies en vergelijkbare studies naar demonstratieprojecten te ondersteunen die bijdragen aan de versnelde en veilige toepassing van waterstofproductie via elektrolyse, elektrochemie, transport en opslag (inclusief import) en eindtoepassingen van waterstof. Hiermee draagt de programmalijn bij aan het doel van het Nationaal Groeifondsprogramma ‘Groenvermogen van de Nederlandse economie’ (hierna: GroenvermogenNL).

2. Programmalijnen

Onder deze programmalijn vallen studies naar pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie die andere CO2-reducerende maatregelen in de industrie betreffen, dan maatregelen met betrekking tot waterstof en groene chemie en vergassing van reststromen.

Buiten de reikwijdte van deze programmalijn vallen:

Deze programmalijn geeft invulling aan het Nationaal Groeifondsprogramma GroenvermogenNL. Studies met betrekking tot waterstof die in deze programmalijn passen, kunnen zowel hernieuwbare als niet-hernieuwbare waterstof geproduceerd uit hernieuwbare elektriciteit betreffen. Onder hernieuwbare waterstof wordt verstaan hernieuwbare waterstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening: waterstof geproduceerd uit hernieuwbare energie overeenkomstig de methoden die zijn uiteengezet voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong in Richtlijn 2018/2001/EU. Voor niet-hernieuwbare waterstof moet worden aangetoond dat gedurende de levenscyclus een broeikasgasemissiereductie van ten minste 70% bewerkstelligd wordt ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ.

Programmalijn 2 bevat de volgende vier deelprogramma’s.

Dit deelprogramma is gericht op grootschalige toepassingen van grootschalige energieopslag of conversie naar andere waterstofdragers of producten en de importketens van deze producten. Importfaciliteiten moeten voldoen aan de definitie van energie-infrastructuur als bedoeld in artikel 2, onder 130, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening of specifieke infrastructuur als bedoeld in artikel 2, onder 33, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Dit deelprogramma is gericht op diverse grootschalige toepassingen van hernieuwbare waterstof in sectoren waar weinig alternatieven voor verduurzaming zijn en op de toepassing van groene elektronen in elektrochemische reacties en plasmatechnologie en bestaat uit drie onderdelen:

Dit deelprogramma is gericht op de productie van hernieuwbare waterstof en innovaties die direct verbonden zijn aan de versnelde inpassing van installaties voor de productie van waterstof door middel van elektrolyse (hierna: elektrolysers) op basis van hernieuwbare elektriciteit.

Dit deelprogramma is gericht op de realisatie van fabrieksomgevingen voor de productie van elektrolysers en onderdelen van elektrolysers.

Onder deze programmalijn vallen studies naar pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie gericht op de vergassing van reststromen waarvan ten minste een deel van biogene oorsprong is. Onder reststromen van biogene oorsprong wordt verstaan biogene grondstoffen die voldoen aan bijlage IX van de Richtlijn hernieuwbare energie. Onder vergassing wordt verstaan het thermochemisch proces, waarbij grondstoffen op hoge druk of temperatuur met een ondermaat aan zuurstof worden gekraakt tot een mengsel van gassen. Dit gasmengsel kan vervolgens verder worden opgewaardeerd tot verschillende eindproducten, namelijk groen gas, methanol, (geavanceerde) transportbrandstoffen, of in de vorm van chemicaliën of syngas als grondstof voor de industrie.

De studies binnen deze programmalijn kunnen gericht zijn op vergassing van biogene reststromen voor de productie van hernieuwbare energiebronnen in de vorm van groen gas of biobrandstoffen. Daarnaast kunnen studies gericht zijn op vergassing van biogene reststromen of deels biogene, ook wel gemengde, reststromen, met als doel het eindproduct in te zetten als grondstof in het kader van een circulaire economie. Ook zijn studies mogelijk waarbij de vergassing van biogene of gemengde reststromen zowel wordt toegepast voor energiedoeleinden als voor gebruik als grondstof.

Studies kunnen betrekking hebben op de hele keten van vergassing, inclusief voorbehandeling, torrefactie, vergassing, reiniging en opwaardering.

Buiten de reikwijdte van deze programmalijn vallen studies gericht op:

Met primair wordt bedoeld dat op basis van de massabalans of op basis van energie-inhoud minimaal de helft van de voeding wordt ingezet voor één of meer van de bovenstaande toepassingen.

Bijlage 4.2.17. , behorende bij artikel 4.2.119 van de Regeling nationale EZ-subsidies (prioriteitsthema’s pv-projecten)

Vervallen

Bijlage 4.2.18. behorende bij artikel 4.2.129 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (TSH Vliegtuigmaakindustrieproject)

Doelstelling en subsidiabele projecten

Het doel van deze subsidiemodule is onderzoeks- en ontwikkelprojecten te stimuleren die bijdragen aan de verduurzaming van de luchtvaart en daarmee ook ten goede komen aan de positionering van de Nederlandse vliegtuigmaakindustrie in de supply chains van Original Equipment Manufacturer (OEM’s). Alle type vliegtuigen worden meegenomen in deze subsidiemodule, inclusief Advanced Air Mobility.

Onderzoeks- en technologieontwikkelingsprojecten die zich kunnen kwalificeren voor subsidie op grond van deze subsidiemodule dienen gericht te zijn op:

Bijlage 4.3.1. behorend bij artikel 4.3.1 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

Model Geologisch Onderzoek

Bij uw subsidieaanvraag moet u als bijlage bij het aanvraagformulier een geologisch onderzoek toevoegen. In dit Model Geologisch Onderzoek staat aangegeven welke aspecten u daarin dient te behandelen.

U moet deze bijlage ook op USB-stick bijvoegen.

Het geologisch onderzoek concentreert zich uiteraard op het inschatten van de geologische parameters. Met deze parameters, en met de niet-geologische parameters uit het projectplan (Bijlage A bij uw aanvraag), berekent u de P90 waarde. Het resultaat presenteert u eveneens in het geologisch onderzoek.

Als u aanvraagt voor een half doublet, moet u in dit rapport duidelijk aangeven voor welke put de garantie moet gelden. Als u aanvraagt voor de tweede put of een vervolgput, dan presenteert u ook de resultaten van (de) voorgaande put(ten).

Voor het geologisch onderzoek geldt een verplichte hoofdstukindeling. Belangrijk is dat u telkens motiveert waarom u een bepaalde keuze gemaakt heeft. Als het onderwerp van een bepaalde paragraaf niet relevant is voor uw situatie, dan moet u dit met een korte motivatie noemen.

TNO faciliteert het samenstellen van het geologisch onderzoek door via www.nlog.nl de volgende hulpmiddelen beschikbaar te stellen:

Verplichte inhoudsopgave ‘Geologisch Onderzoek’

Verplichte onderdelen samenvatting ‘geologisch onderzoek’

1.1. Gepland doublet en gebruikte parameters

1.2. Verwacht vermogen en overschrijdingskansgrafiek

Hier geeft u aan voor welk vermogen u aanspraak wilt maken op ondersteuning uit de Garantieregeling Geothermie ‘Risico’s dekken voor Aardwarmte’. U presenteert:

Bijlage 4.3.2. behorend bij artikel 4.3.1 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

Model Puttestrapportage

Bij uw vaststellingsaanvraag moet u als bijlage de puttestrapportage toevoegen, voor zover die nog niet bij ons in bezit is. In dit Model Puttestrapportage staat aangegeven welke resultaten u moet laten zien en welke onderbouwing wij van u nodig hebben.

Uit artikel 4.3.13, eerste lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies volgt dat u binnen 8 weken na een puttest de resultaten incl. puttestinterpretatie toezendt aan RVO. Als u verbeterwerkzaamheden uitvoert, moet u ook na afloop daarvan vastleggen wat het nieuwe vermogen is, door een nieuwe puttest of nieuwe puttesten uit te voeren. Uit artikel 4.3.13, tweede lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies volgt dat u binnen acht weken na de verbeterwerkzaamheden, de resultaten van deze puttest aan RVO dient te verstrekken.

TNO faciliteert het samenstellen van deze Bijlage b door via www.nlog.nl de volgende hulpmiddelen beschikbaar te stellen:

De beschrijving van de hoofdlijnen van de technische eisen aan boring en puttest is onderdeel van dit document.

Zorg ervoor dat boorders en boormanagement op de hoogte zijn van de technische eisen aan de boring en puttest, voorafgaand aan de werkzaamheden!

Resultaattabel puttest

1 Deze temperatuur wordt als gemiddelde aquifertemperatuur

1 In een apart document of bijlage

2 Inclusief een schema van het boorgat met verbuizing en pomplocatie als bijlage

1 In deze tabel dienen het debiet en drukverschil te worden opgegeven van de verschillende stappen. De totale meetreeksen van de test (druk, temperatuur en debiet) dienen in een aparte bijlage (ook digitaal) te worden aangeleverd.

1 Zie uitvoerscherm DoubletCalc – Geotechnics – base case. Het uitvoerscherm van de realisatiecase in DoubletCalc dient bijgevoegd te worden.

2 Dit is de ‘median value’, het vermogen dat op het uitvoerscherm is te vinden onder het kopje ‘base case (median input values)’.

Als de geologische parameters significant verschillen tussen beide putten moet u het doubletvermogen met een alternatieve methode bepalen, zie Paragraaf 5.2 van de ‘Actualisatie van de richtlijnen voor de uitvoering en interpretatie van een puttest’1Beschikbaar via www.nlog.nl/rnes-garantieregeling.

De volgende onderbouwing van de resultaattabel puttest is minimaal vereist:

Hierbij moeten de geologische gegevens zijn ingevoerd conform de interpretatie van de puttest en data uit het boorgat. De installatieparameters dienen zoveel mogelijk de realisatie te volgen tenzij zij aantoonbaar ongunstiger zijn dan parameters die onderdeel vormen van de garantiebeschikking (acceptatiescenario).

Als bepaalde onderdelen al bij RVO in bezit zijn, kunt u daarnaar verwijzen. Meetreeksen moeten ookdigitaalworden toegezonden.

Technische eisen aan boring en puttest

1. Inleiding

De onderstaande paragrafen geven u een samenvatting van wat u moet doen om een adequate puttest en puttestinterpretatie uit te voeren. In het document ‘Actualisatie van de richtlijnen voor de uitvoering en interpretatie van een puttest’ is uitvoerig beschreven hoe deze puttesten en interpretaties daarvan gerealiseerd moeten worden.

De puttest moet valide en acceptabele resultaten voor de subsidiemodule Risico’s dekken voor aardwarmte van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (hierna: subsidiemodule Aardwarmte) opleveren om aan de resultaatverplichting, bedoeld in paragraaf 2, te voldoen.

2. Resultaatverplichting

Om aanspraak te kunnen maken op een subsidie op grond van de subsidiemodule Aardwarmte dient de aanvrager een vaststellingsverzoek in met een zo nauwkeurig mogelijke berekening van het gerealiseerde vermogen. De uitvoering van een puttest of puttesten is daarvoor een vereiste en verplichting voor de subsidiemodule Aardwarmte. Het resultaat hiervan is leidend in de beoordeling van een eventuele vaststellingsaanvraag. Ook als er geen aanspraak wordt gemaakt op subsidie zijn de puttesten overigens vereist.

De puttest dient op een dusdanige manier te worden uitgevoerd en geïnterpreteerd, dat een eenduidige en reproduceerbare kwantificering van de transmissiviteit, en daaruit afgeleid de permeabiliteit, van de beoogde aquifer kan worden gemaakt. Daarnaast dient de mechanische skin, die gekoppeld is aan de transmissiviteit, eenduidig te worden bepaald. Met behulp van overige bronnen van data-acquisitie moet de aquiferdefinitie (top, basis, bruto en netto dikte) en de temperatuur van het formatiewater eenduidig worden afgeleid. Dit geheel wordt de resultaatverplichting genoemd.

2.1. Aan te leveren gegevens

Het volgende dient bij de aanvraag voor vaststelling van de subsidie te worden aangeleverd aan RVO:

Indien RVO naast genoemde data en informatie nog andere kern gegevens nodig heeft moet u die toezenden.

3. Technische eisen aan boring en puttest

Het is van belang dat de puttest op een adequate manier wordt uitgevoerd, zodanig dat het testontwerp aansluit bij de verwachte reservoircondities en dat de resultaten (transmissiviteit en skin) leiden tot een nauwkeurige berekening van het gerealiseerde geothermisch vermogen. In dit hoofdstuk worden minimale eisen en richtlijnen gegeven voor het boren van de put en de uitvoering van de puttest. Desalniettemin staat het de uitvoerder vrij de test op een alternatieve manier uit te voeren, zolang er wordt voldaan aan de resultaatverplichting.

3.1. Definitie puttesttypen

Er wordt onderscheid gemaakt tussen individuele puttesten (productie- en injectietest) en doublettesten, waarbij meerdere putten gebruikt worden (interferentie- of operationele test).

3.2. Eisen aan de boring

U moet zorgen dat de aquifer bij het boren en het plaatsen van de benodigde installatie zo min mogelijk beschadigt en de doorlatendheid dus niet vermindert. Technisch gesproken zorgt u voor een zo laag mogelijke mechanische skin.

Het te testen interval dient gecompleteerd te worden over de beoogde aquifer(s). Om eenduidig vast te kunnen stellen dat het geteste interval de aquifer(s) betreft (en of het filter of de perforatie goed voor de aquifer is geplaatst) dient de diepte van de top en basis van de aquifer eenduidig te worden bepaald. Dit gebeurt op basis van een Gamma-Ray log. Indien het resultaat van de Gamma-Ray log niet toereikend is, kan het dieptebereik ook worden bepaald aan de hand van gesteentemonsters opgevangen tijdens het boorproces.

Voor de uitvoering van de puttest is het generen van vloeistofstroming een vereiste. Dit wordt doorgaans bewerkstelligd middels een ‘Electrical Submersible Pump’ (ESP). Het gebruik van een ESP wordt sterk aanbevolen. Op zich is een Airlift Pump ook mogelijk maar die brengt een hoog risico met zich mee dat niet aan de resultaatverplichting kan worden voldaan. Gebruik hiervan wordt vooralsnog ontraden. Andere pompuitvoeringen zoals een Mud Pump kunnen gebruikt worden bij een injectietest.

3.3. Eisen aan de Puttest

De puttest moet met betrekking tot duur, debiet en drukval zodanig worden ontworpen en uitgevoerd dat uit de meetresultaten de volgende aquifer-/puteigenschappen betrouwbaar kunnen worden bepaald en dus aan de resultaatverplichting wordt voldaan:

Het testontwerp moet zodanig zijn dat:

3.4. Puttest en puttesttype

Omdat een productietest de grootste kans geeft op een betrouwbare interpretatie van de transmissiviteit en skin van een reservoir is de uitvoering hiervan een vereiste. In het geval er specifieke geologische reservoircondities zijn aangetroffen (zoals bijvoorbeeld een ‘fractured reservoir’) en de put beoogd is als een injectieput dan dient ook een injectietest uitgevoerd te worden om de effectiviteit van het duale permeabiliteits-systeem (matrix- en fracturepermeabiliteit) goed te kunnen interpreteren.

Een interferentie- of operationele test wordt alleen uitgevoerd als additionele test of in het uiterste geval als een productie- en/of injectietest geen bruikbaar resultaat heeft opgeleverd, om communicatie tussen beide putten te bewijzen en de gemiddelde reservoirpermeabiliteit tussen de twee putten in te schatten. De voorkeur gaat daarbij uit naar een interferentietest, omdat in dat geval telkens één individuele put wordt getest.

Er dient een ´clean-up´ gedaan te worden, waarbij er zeker gesteld wordt dat de put schoon is. Dit kan bepaald worden door te constateren dat er (vrijwel) geen afname meer is van de mee geproduceerde boorspoeling en geen bijbehorende afname van de drukval bij gelijkblijvend debiet.

Het voorkeursontwerp voor een puttest in een geothermische put wordt door de volgende stappen beschreven (een gedetailleerdere beschrijving wordt gegeven in Paragraaf 3.4.3 van de ‘Actualisatie van de richtlijnen voor de uitvoering en interpretatie van een puttest’):

In het geval een injectietest wordt uitgevoerd kan hetzelfde voorkeursontwerp worden gebruikt als hierboven beschreven staat. De drawdown periodes worden in dat geval injectieperiodes en de ‘build-ups’ worden ‘fall-offs’. Bij een injectietest staan de pomp en stroommeters aan de oppervlakte. De drukmeter kan zowel bij de well head als op reservoirniveau geplaatst worden.

Het maximaal opgelegde drukverschil moet binnen de geldende veiligheidsnormen blijven voor de injectietest. Hoe het maximaal op te leggen drukverschil kan worden bepaald staat beschreven in het injectieprotocol, opgesteld door Staatstoezicht op de Mijnen (SodM, 2013).

In het geval de drukmeter op of dichtbij reservoirdiepte wordt geïnstalleerd is het niet strikt noodzakelijk een multi-rate test uit te voeren omdat de debietsafhankelijke skin, die het drukverlies door wrijving met de verbuizing representeert, verwaarloosbaar is. In plaats daarvan wordt aanbevolen om eerst een korte build-up van 4 uur uit te voeren, gevolgd door een draw-down periode (minimaal 8 uur) en een langere build-up van minimaal 24 uur (maar tenminste totdat IARF is bereikt). In dit geval kan in essentie ook volstaan worden met één enkele build-up en draw-down cyclus. Er dient echter wel zeker gesteld te worden dat de resulterende data goed is voor interpretatie om te voldoen aan de resultaatverplichting van subsidiemodule Aardwarmte, bedoeld in artikel 4.3.13 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. Indien dit niet is gerealiseerd dan dient nog een draw-down en build-up cyclus te worden uitgevoerd.

In het geval er specifieke geologische reservoircondities zijn aangetroffen (bijvoorbeeld een ‘fractured reservoir’) dient een multi-rate injectietest uitgevoerd te worden om de mogelijke debietsafhankelijke skin ten gevolge van het openen (progressief conductief worden) van fractures onder opgelegde druk te bepalen.

3.5. Puttest na verbeterwerkzaamheden

Als verbeterwerkzaamheden worden gerealiseerd dient de put opnieuw getest te worden. Dit moet gebeuren volgens de specificatie zoals beschreven in de bovenstaande paragrafen 3.3 en 3.4.

4. Puttest interpretatie

4.1. Software en interpretatiemethode

Bij voorkeur wordt de Pressure Transient Analysis (PTA) methodiek gebruikt voor de interpretatie van de puttest. Deze methodiek maakt onder andere gebruik van de Bourdet derivative in een log-log plot (Bourdet, 2002). Daarmee kunnen de sequentiële stromingsregimes in de put, het reservoir en eventuele reservoirgrenzen worden geïdentificeerd.

Het is tevens mogelijk numerieke reservoirmodellen toe te passen. Het gebruik van deze methodiek is aanbevolen voor de interpretatie van interferentietesten. Hieruit kan, naast een inschatting van de gemiddelde reservoirpermeabiliteit, mogelijk ook een indicatie van de totale reservoircompressibiliteit en porositeit afgeleid worden.

De eenvoudige straight-line fitting (Horner plot) evaluatie kan ook worden gebruikt voor het bepalen van de permeabiliteit, skin en gemiddelde initiële reservoirdruk. Dit wordt echter gezien als een suboptimale interpretatiemethode omdat het IARF regime niet altijd met zekerheid bepaald kan worden. Dit vanwege de onzekerheid in de duur van de wellbore storage en grenseffecten in een semi-log plot.

Indien de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling indient zal op verzoek van RVO ter verificatie van de resultaten een puttest interpretatie uitgevoerd worden die 1) test of de meetreeksen adequaat zijn en aan de resultaatverplichting voldoen en 2) gebruik maakt van minimaal de PTA methodiek.

4.2. Correcties

Afhankelijk van het type en uitvoering van de puttest zijn correcties nodig voordat de well test analyses kunnen worden uitgevoerd, om zodanig een betrouwbaar resultaat te verkrijgen (een gedetailleerdere beschrijving wordt gegeven in Paragraaf 4.2 van de ‘Actualisatie van de richtlijnen voor de uitvoering en interpretatie van een puttest’).

5. Vermogensberekening en beoordeling van de vaststellingsaanvraag

Met de gegevens van de putten en de resultaten van de puttestinterpretaties wordt in DoubletCalc het gerealiseerde vermogen van het doublet (of vermogensscenario van het verzekerde halve doublet) berekend. Wanneer alle gerealiseerde geologische parameters ingevoerd worden als mediane waarden kan het ‘Garantiefonds’ gerealiseerde vermogen afgelezen worden van het uitvoerscherm ‘Geotechnics’- kolom (Output) – vak ‘base case (median value inputs)’.

5.1. Niet-geologische parameters

Bij de berekening van het gerealiseerde vermogen (op basis van de puttests) zal gerekend worden met de vooraf opgegeven (installatie/niet-geologische) parameters indien ongunstigere waardes worden toegepast of gerealiseerd. Indien er gunstigere waarden zijn gerealiseerd zullen die wel in het afrekenscenario worden gebruikt. Welke van de twee putten beschouwd wordt als injectieput c.q. productieput wordt bepaald door de configuratie die het meeste vermogen oplevert.

Indien het gerealiseerde vermogen lager is dan het verwachte (P90) vermogen en aanspraak gemaakt wordt op subsidie op basis van de subsidiemodule Aardwarmte, moet uitgesloten worden dat het lagere vermogen aan niet-geologische oorzaken te wijten is, te weten:

5.2. Significant verschil in geologische parameters tussen putten

Wanneer de geologische parameters, voortvloeiend uit de interpretatie van de put- of doublettest, significant verschillen tussen beide putten dient een passende gemiddelde waarde voor de aquifereigenschappen te worden bepaald. De resultaten uit de interferentietest of de productiegegevens kunnen hierbij richtinggevend zijn. Tevens is het mogelijk het vermogen te berekenen met behulp van een reservoirsimulator.

Indien er geen interferentietest is uitgevoerd kan er mogelijk gebruik worden gemaakt van andere methoden om een indicatie van de gemiddelde reservoirpermeabiliteit te verkrijgen. Bijvoorbeeld door de resultaten van de puttesten en productiedata van de eerste operationele maanden te combineren.

Onder de aanname dat de skin in de eerste paar maanden van productie niet drastisch verandert ten opzichte van de skins bepaald uit de puttests, kunnen deze skins worden ingevuld in het DoubletCalc. Door vervolgens het gemiddelde drukverschil over de pomp van een bepaalde productiemaand in te vullen in dit DoubletCalc scenario kan de permeabiliteit bepaald worden die nodig is om het gemiddelde debiet van die betreffende productiemaand te produceren. Wanneer zodanig voor een aantal opeenvolgende maanden eenzelfde permeabiliteit wordt bepaald, kan deze worden aangenomen als de gemiddelde reservoirpermeabiliteit.

Als de permeabiliteit sterk varieert binnen een paar maanden, kan dit ook verklaard worden door een variërende skin en is de bepaling van de permeabiliteit onbetrouwbaar.

Door de aanname van een constante skin uit de puttesten kent deze bepaling een hoge mate van onzekerheid. Het gebruik hiervan is daarom enkel van toepassing in bovengenoemd geval, of ter verificatie van de resultaten van een andere bepalingsmethodiek.

5.3. Skin in het afrekenscenario

De subsidiemodule Aardwarmte gaat uit van een mechanische skin niet hoger dan nul. Een positieve mechanische skin, bepaald in de puttest, wordt bij de berekening van het gerealiseerde vermogen dus genegeerd.

Alternatieve putconfiguraties worden in het algemeen vertaald naar een negatieve skin. Deze factor wordt in het acceptatiescenario vastgesteld, en in het afrekenscenario onveranderd meegenomen. De negatieve skin van de deviatie is de enige skin parameter die in een claimscenario kan afwijken van het acceptatiescenario vanwege de gerealiseerde geologische parameters.

In het geval hydraulische stimulatie of het plaatsen van radials onderdeel is van het projectplan, dient zowel voor als na de realisatie hiervan een puttest te worden uitgevoerd. Indien de puttest na het stimuleren of het plaatsen van radials leidt tot een vermogen dat groter is of gelijk aan het in het kader van de subsidiemodule Aardwarmte gegarandeerde vermogen, dan wordt van dit vermogen uitgegaan bij het besluit tot subsidievaststelling.

6. Slotopmerking

Leidend in de subsidiemodule Aardwarmte is de resultaatverplichting van de puttest, bedoeld in artikel 4.3.13 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. Deze resultaatverplichting is nader uitgewerkt in paragraaf 2. Indien niet aan de resultaatverplichting is voldaan, dan kan de subsidie op basis van de puttest op nul worden vastgesteld.

Bijlage 4.4.1. behorende bij de artikelen 4.4.1, 4.4.2 en 4.4.4 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

NACE-/Prodcom-code Omschrijving
1. 14.11 Vervaardiging van kleding van leer
2. 24.42 Productie van aluminium
3. 20.13 Vervaardiging van overige anorganische chemische basisproducten
4. 24.43 Productie van lood, zink en tin
5. 17.11 Vervaardiging van papierpulp
6. 17.12 Vervaardiging van papier en karton
7. 24.10 Vervaardiging van ijzer en staal en van ferrolegeringen
8. 19.20 Vervaardiging van geraffineerde aardolieproducten
9. 24.44 Productie van koper
10. 24.45 Productie van andere non-ferrometalen
11. De volgende deeltakken binnen de bedrijfstak kunststoffen (20.16):
20.16.40.15 Polyethyleenglycolen en andere polyetheralcoholen, in primaire vormen
12. Alle productcategorieën in de bedrijfstak gieten van ijzer (24.51)
13. De volgende deeltakken binnen de bedrijfstak glasvezels (23.14):
23.14.12.10 Matten van glasvezels
23.14.12.30 Vliezen van glasvezels
14. De volgende deeltakken binnen de bedrijfstak industriële gassen (20.11):
20.11.11.50 Waterstof
20.11.12.90 Anorganische zuurstofverbindingen van niet-metalen
NACE-/Prodcom-code Omschrijving
--- --- ---
1. 07.29 Winning van andere non-ferrometaalertsen
2. 07.10 Winning van ijzererts
3. 20.17 Vervaardiging van synthetische rubber in primaire vormen
4. 20.60 Vervaardiging van synthetische en kunstmatige vezels
5. 20.16 Vervaardiging van kunststoffen in primaire vormen
6. 13.10 Bewerken en spinnen van textielvezels
7. 23.31 Vervaardiging van keramische tegels en plavuizen
8. 20.12 Vervaardiging van kleurstoffen en pigmenten
9. 13.95 Vervaardiging van gebonden textielvlies en van artikelen van gebonden textielvlies, exclusief kleding
10. 23.14 Vervaardiging van glasvezels (met uitzondering van deeltakken uit deze bedrijfstak die al in tabel 1 zijn vermeld)
11. 27.20 Vervaardiging van batterijen en accumulatoren
12. 20.14 Vervaardiging van andere organische chemische basisproducten
13. 20.15 Vervaardiging van kunstmeststoffen en stikstofverbindingen
14. 10.41 Vervaardiging van oliën en vetten
15. 11.06 Vervaardiging van mout
16. 16.21 Vervaardiging van fineer en van panelen op basis van hout
17. 23.11 Vervaardiging van vlakglas
18. 23.13 Vervaardiging van holglas
19. 24.31 Koudtrekken van staven
20. 24.34 Koudtrekken van draad
21. De volgende deeltakken binnen de bedrijfstak overige chemische producten (20.59):
20.59.56.70 Alkylbenzenen en alkylnaftalenen, van gemengde samenstelling (excl. die bedoeld bij GS-post 2707 of 2902)
22. De volgende deeltak binnen de bedrijfstak overige niet-metaalhoudende minerale producten (23.99):
23.99.19.10 Slakkenwol, steenwol en dergelijke minerale wol, ook indien onderling vermengd, in bulk, in bladen of op rollen

Bijlage 4.4.2. behorende bij de artikelen 4.4.1 en 4.4.3 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

NACE4 Product-benchmark Bench-mark-waarde in 2021 Benchmark-eenheid Productie-eenheid Jaarlijks vermin-derings-percen-tage [%] Product-omschrijving Onder de productbench-mark vallende procedés Relevante Prodcom-code Beschrijving
17.11 Houtcellulose 0,904 MWh/t 90% sdt Ton houtcellulose 1,09 Houtcellulose voor oplossingen (“dissolving grades”) Alle processen die direct of indirect verband houden met de productie van houtcellulose, met inbegrip van drogen, wassen en zeven, en bleken 17.11.11.00 Houtcellulose voor oplossingen (“dissolving grades”)
17.11 Houtcellulose 0,329 MWh/t 90% sdt Ton houtcellulose 1,09 Natron- en sulfaathoutcellulose, andere dan die voor oplossingen Alle processen die direct of indirect verband houden met de productie van houtcellulose, met inbegrip van drogen, wassen en zeven, en bleken 17.11.12.00 Natron- en sulfaathoutcellulose, andere dan die voor oplossingen
17.11 Houtcellulose 0,443 MWh/t 90% sdt Ton houtcellulose 1,09 Sulfiet-houtcellulose, andere dan die voor oplossingen Alle processen die direct of indirect verband houden met de productie van houtcellulose, met inbegrip van drogen, wassen en zeven, en bleken 17.11.13.00 Sulfiet-houtcellulose, andere dan die voor oplossingen
17.11 Gedeeltelijk chemisch ontsloten houtslijp (halfmechanische houtpulp) 0,443 MWh/t 90% sdt Ton gedeeltelijk chemisch ontsloten houtslijp (halfchemische houtpulp) 1,09 Gedeeltelijk chemisch ontsloten houtslijp (halfmechanische houtpulp) Alle processen die direct of indirect verband houden met de productie van houtcellulose, met inbegrip van drogen, wassen en zeven, en bleken 17.11.14.00 Houtslijp; gedeeltelijk chemisch ontsloten houtslijp (halfchemische houtpulp); pulp van andere cellulosehoudende vezelstoffen dan hout
17.11 Mechanische pulp Fallbackbenadering Fallbackbenadering Fallbackbenadering 1,09 Mechanische pulp Alle processen die direct of indirect verband houden met de productie van mechanische pulp, met inbegrip van houtbehandeling, raffinage, wassen, bleken, warmteterugwinning 17.11.14.00 Houtslijp; gedeeltelijk chemisch ontsloten houtslijp (halfchemische houtpulp); pulp van andere cellulosehoudende vezelstoffen dan hout
17.11 Teruggewonnen papier 0,260 MWh/t 90% sdt Ton teruggewonnen papier 1,09 Teruggewonnen papier Alle processen die direct of indirect verband houden met de productie van teruggewonnen papier, met inbegrip van verdikking en dispersie, en bleken 17.11.14.00 Houtslijp; gedeeltelijk chemisch ontsloten houtslijp (halfchemische houtpulp); pulp van andere cellulosehoudende vezelstoffen dan hout
17.11 Ontinkt teruggewonnen papier 0,390 MWh/t 90% sdt Ton ontinkt teruggewonnen papier 1,09 Ontinkt teruggewonnen papier Alle processen die direct of indirect verband houden met de productie van teruggewonnen papier, met inbegrip van verdikking en dispersie, en bleken 17.11.14.00 Houtslijp; gedeeltelijk chemisch ontsloten houtslijp (halfchemische houtpulp); pulp van andere cellulosehoudende vezelstoffen dan hout
17.12 Krantenpapier 0,801 MWh/t product Ton krantenpapier 1,09 Krantenpapier Alle processen die direct of indirect verband houden met de productie van papier, met inbegrip van raffinage, persen en thermische droging 17.12.11.00 Krantenpapier
17.12 Ongecoat fijnpapier 0,645 MWh/t product Ton ongecoat fijnpapier 1,09 Ongecoat fijnpapier Alle processen die direct of indirect verband houden met de productie van papier, met inbegrip van raffinage, persen en thermische droging 17.12.12.00 17.12.13.00 17.12.14.10 17.12.14.35 17.12.14.39 17.12.14.50 17.12.14.70 Ongecoat fijnpapier
17.12 Gecoat fijnpapier 0,538 MWh/t product Ton gecoat fijnpapier 1,09 Gecoat fijnpapier Alle processen die direct of indirect verband houden met de productie van papier, met inbegrip van raffinage, persen en thermische droging 17.12.73.35 17.12.73.37 17.12.73.60 17.12.73.75 17.12.73.79 17.12.76.00 Gecoat fijnpapier
17.12 Tissuepapier 0,925 MWh/t product Ton tissuepapier 1,09 Tissuepapier Alle processen die direct of indirect verband houden met de productie van papier, met inbegrip van raffinage, persen en thermische droging 17.12.20.30 17.12.20.55 17.12.20.57 17.12.20.90 Tissuepapier
17.12 Testliner en golfblad 0,260 MWh/t product Ton papier 1,09 Testliner en golfblad Alle processen die direct of indirect verband houden met de productie van papier, met inbegrip van raffinage, persen en thermische droging 17.12.33.00 17.12.34.00 17.12.35.20 17.12.35.40 Testliner en golfblad
17.12 Ongecoat karton 0,268 MWh/t product Ton karton 1,09 Ongecoat karton Alle processen die direct of indirect verband houden met de productie van papier, met inbegrip van raffinage, persen en thermische droging 17.12.31.00 17.12.32.00 17.12.42.60 17.12.42.80 17.12.51.10 17.12.59.10 Ongecoat karton
17.12 Gecoat karton 0,403 MWh/t product Ton karton 1,09 Gecoat karton Alle processen die direct of indirect verband houden met de productie van papier, met inbegrip van raffinage, persen en thermische droging 17.12.75.00 17.12.77.55 17.12.77.59 17.12.78.20 17.12.78.50 17.12.79.53 17.12.79.55 Gecoat karton
20.13 Zwavelzuur 0,056 MWh/t product Ton zwavelzuur 1,09 Zwavelzuur; oleum (rokend zwavelzuur) Dit omvat alle procedés die direct of indirect verband houden met de productie van zwavelzuur 20.13.24.34 Zwavelzuur; oleum (rokend zwavelzuur)
20.13 Chloor 1,846 MWh/t product Ton chloor 1,09 Chloor Dit omvat alle procedés die direct of indirect verband houden met de elektrolyse-eenheid, met inbegrip van secundaire installaties 20.13.21.11 Chloor
20.13 Silicium 11,87 MWh/t product Ton silicium 1,09 Silicium. Andere dan die 99,99 of meer gewichtspercenten silicium bevat Dit omvat alle procedés die direct of indirect verband houden met de productie van silicium 20.13.21.70 Silicium. Andere dan die 99,99 of meer gewichtspercenten silicium bevat
20.13 Silicium 60 MWh/t product Ton silicium 1,09 Silicium. bevattende 99,99 of meer gewichtspercenten silicium Dit omvat alle procedés die direct of indirect verband houden met de oven met inbegrip van secundaire installaties 20.13.21.60 Silicium. bevattende 99,99 of meer gewichtspercenten silicium
20.13 Siliciumcarbide 6,2 MWh/t product Ton siliciumcarbide 1,09 Silicium. siliciumcarbide, ook indien chemisch welbepaald Dit omvat alle procedés die direct of indirect verband houden met de productie van siliciumcarbide 20.13.64.10 Silicium. siliciumcarbide, ook indien chemisch welbepaald
24.10 Oxystaal 0,03385 MWh/t product Ton (gegoten) ruwstaal 0,60 Ruwstaal: niet-gelegeerd staal, niet geproduceerd in elektro-ovens Secundaire metallurgie, voorverwarming van vuurvaste stoffen, nevenprocedés en gietinstallaties tot en met het snijden van ruwstaalproducten 24.10.T1.22 Ruwstaal: niet-gelegeerd staal, niet geproduceerd in elektro-ovens
24.10 Oxystaal 0,03385 MWh/t product Ton (gegoten) ruwstaal 0,60 Ruwstaal: ander gelegeerd staal dan roestvrij staal, niet geproduceerd in elektro-ovens Secundaire metallurgie, voorverwarming van vuurvaste stoffen, nevenprocedés en gietinstallaties tot en met het snijden van ruwstaalproducten 24.10.T1.32 Ruwstaal: ander gelegeerd staal dan roestvrij staal, niet geproduceerd in elektro-ovens
24.10 Oxystaal 0,03385 MWh/t product Ton (gegoten) ruwstaal 0,60 Ruwstaal: roestvrij en hittebestendig staal, niet geproduceerd in elektro-ovens Secundaire metallurgie, voorverwarming van vuurvaste stoffen, nevenprocedés en gietinstallaties tot en met het snijden van ruwstaalproducten 24.12.T1.42 Ruwstaal: roestvrij en hittebestendig staal, niet geproduceerd in elektro-ovens
24.10 ferromangaan 2,2 MWh/t product Ferromangaan bevattende > 2 gewichtspercenten koolstof 2,03 Ferromangaan, bevattende > 2 gewichtspercenten koolstof, met een korrel van ≤ 5 mm en een mangaangehalte van > 65 gewichtspercenten 24.10.12.10 Ferromangaan, bevattende > 2 gewichtspercenten koolstof, met een korrel van ≤ 5 mm en een mangaangehalte van > 65 gewichtspercenten
24.10 ferromangaan 2,2 MWh/t product Ferromangaan bevattende > 2 gewichtspercenten koolstof 2,03 Overig ferromangaan, bevattende > 2 gewichtspercenten koolstof (m.u.v. die met een korrel van ≤ 5 mm en een mangaangehalte van > 65 gewichtspercenten) 24.10.12.20 Overig ferromangaan, bevattende > 2 gewichtspercenten koolstof (m.u.v. die met een korrel van ≤ 5 mm en een mangaangehalte van > 65 gewichtspercenten)
24.10 ferromangaan 1,4 MWh/t product Ferromangaan bevattende <= 2 gewichtspercenten koolstof 1,09 Overig ferromangaan, bevattende ≤ 2 gewichtspercenten koolstof 24.10.12.25 Overig ferromangaan, bevattende ≤ 2 gewichtspercenten koolstof
24.10 Ferrosilicium 8,54 MWh/t product ferrosilicium bevattende > 55 gewichtspercenten silicium 1,09 ferrosilicium bevattende > 55 gewichtspercenten silicium 24.10.12.35 ferrosilicium bevattende > 55 gewichtspercenten silicium
24.10 Ferrosilicium Fallbackbenadering Fallbackbenadering Fallbackbenadering 1,09 24.10.12.36 Ferrosilicium bevattende ≤ 55 gewichtspercenten silicium en ≥ 4 doch ≤ 10 gewichtspercenten magnesium
24.10 ferronikkel 9,28 MWh/t product ferronikkel 1,09 ferronikkel 24.10.12.40 ferronikkel
24.10 ferrosilicomangaan 3,419 MWh/t product ferrosilicomangaan 1,12 ferrosilicomangaan 24.10.12.45 ferrosilicomangaan
24.42 Primair aluminium 13,90 MWh/t product Ruw niet-gelegeerd aluminium 0,25 Ruw niet-gelegeerd aluminium uit elektrolyse Ruw niet-gelegeerd aluminium uit elektrolyse, met inbegrip van eenheden voor productiecontrole, secundaire procedés en het ovenhuis. Omvat ook anodefabriek (pre-bake). Wanneer de anoden door een op zichzelf staande fabriek in de EU worden geleverd, mag deze fabriek niet worden gecompenseerd. Voor anoden die buiten de EU worden geproduceerd, mag een correctie worden aangebracht 24.42.11.30 Ruw aluminium, niet-gelegeerd (excl. poeder en schilfers)
24.42 Primair aluminium 13,90 MWh/t product Ruw niet-gelegeerd aluminium 0,25 Ruw niet-gelegeerd aluminium uit elektrolyse Ruw niet-gelegeerd aluminium uit elektrolyse, met inbegrip van eenheden voor productiecontrole, secundaire procedés en het ovenhuis. Omvat ook anodefabriek (pre-bake). Wanneer de anoden door een op zichzelf staande fabriek in de EU worden geleverd, mag deze fabriek niet worden gecompenseerd. Voor anoden die buiten de EU worden geproduceerd, mag een correctie worden aangebracht 24.42.11.53 Legeringen van ruw aluminium, primair (excl. poeder en schilfers)
24.42 Primair aluminium 13,90 MWh/t product Ruw niet-gelegeerd aluminium 0,25 Ruw niet-gelegeerd aluminium uit elektrolyse Ruw niet-gelegeerd aluminium uit elektrolyse, met inbegrip van eenheden voor productiecontrole, secundaire procedés en het ovenhuis. Omvat ook anodefabriek (pre-bake). Wanneer de anoden door een op zichzelf staande fabriek in de EU worden geleverd, mag deze fabriek niet worden gecompenseerd. Voor anoden die buiten de EU worden geproduceerd, mag een correctie worden aangebracht 24.42.11.54 Legeringen van ruw aluminium, in primaire vorm (excl. poeder en schilfers)
24.42 Aluminiumoxide (raffinage) 0,20 MWh/t product aluminiumoxide 1,11 Dit omvat alle procedés die direct of indirect verband houden met de productie van aluminiumoxide 24.42.12.00 Aluminiumoxide (uitgezonderd kunstmatig korund)
24.43 Zink-elektrolyse 3,994 MWh/t product zink 0,01 Primair zink Dit omvat alle procedés die direct of indirect verband houden met de zinkelektrolyse-eenheid met inbegrip van secundaire installaties 24.43.12.30 Ruw zink, niet-gelegeerd (excl. zinkstof, zinkpoeder en schilfers van zink)
24.43 Zink-elektrolyse 3,994 MWh/t product zink 0,01 Primair zink Dit omvat alle procedés die direct of indirect verband houden met de zinkelektrolyse-eenheid met inbegrip van secundaire installaties 24.43.12.50 Ruw zink, gelegeerd (excl. zinkstof, zinkpoeder en schilfers van zink)
24.44 Onbewerkt geraffineerd koper 0,31 MWh/t product Koperkathoden 1,09 Koperkathoden Alle processen die direct of indirect verband houden met het elektrolytische raffinageproces, in voorkomend geval met inbegrip van het gieten van anoden ter plaatse 24.44.13.30 Ruw, niet gelegeerd geraffineerd koper (excl. gewalste, getrokken of gesmede gesinterde producten)

Bijlage 4.4.3. behorende bij artikel 4.4.1 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

Naam Chemische formule Global Warming Potential (CO2-eq)
Koolstofdioxide CO2 1
Methaan CH4 28
Distikstofmonoxide N2O 265
HFK-23 CHF3 12.400
HFK-32 CH2F2 677
HFK-41 CH3F2 116
HFK-125 CHF2CF3 3.170
HFK-134 CHF2CHF2 1.120
HFK-134a CH2FCF3 1.300
HFK-143 CH2FCHF2 328
HFK-143a CH3CF3 4.800
HFK-152 CH2FCH2F 16
HFK-152a CH3CHF2 138
HFK-161 CH3CH2F 4
HFK-227ea CF3CHFCF3 3.350
HFK-236cb CH2FCF2CF3 1.210
HFK-236ea CHF2CHFCF3 1.330
HFK-236fa CF3CH2CF3 8.060
HFK-245ca CH2FCF2CHF2 716
HFK-245fa CHF2CH2CF3 858
HFK-365mfc CH3CF2CH2CF3 804
HFK-43-10mee CF3CHFCHFCF2CF3 1.650
PFK-14 CF4 6.630
PFK-116 C2F6 11.100
PFK-218 C3F8 8.900
PFK-318 c-C4F8 9.540
PFK-31-10 C4F10 9.200
PFK-41-12 C5F12 8.550
PFK-51-14 C6F14 7.910
PFK-91-18 C10F18 7.190
Zwavelhexafluoride SF6 23.500

Bijlage 4.5.1. , behorend bij titel 4.5 en 4.6 van de Regeling nationale EZ-subsidies

Vervallen

Bijlage 4.6.1. behorende bij artikel 4.6.1 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

Naam Chemische formule Global Warming Potential (CO2-eq)
Koolstofdioxide CO2 1
Methaan CH4 28
Distikstofmonoxide N2O 265
HFK-23 CHF3 12.400
HFK-32 CH2F2 677
HFK-41 CH3F2 116
HFK-125 CHF2CF3 3.170
HFK-134 CHF2CHF2 1.120
HFK-134a CH2FCF3 1.300
HFK-143 CH2FCHF2 328
HFK-143a CH3CF3 4.800
HFK-152 CH2FCH2F 16
HFK-152a CH3CHF2 138
HFK-161 CH3CH2F 4
HFK-227ea CF3CHFCF3 3.350
HFK-236cb CH2FCF2CF3 1.210
HFK-236ea CHF2CHFCF3 1.330
HFK-236fa CF3CH2CF3 8.060
HFK-245ca CH2FCF2CHF2 716
HFK-245fa CHF2CH2CF3 858
HFK-365mfc CH3CF2CH2CF3 804
HFK-43-10mee CF3CHFCHFCF2CF3 1.650
PFK-14 CF4 6.630
PFK-116 C2F6 11.100
PFK-218 C3F8 8.900
PFK-318 c-C4F8 9.540
PFK-31-10 C4F10 9.200
PFK-41-12 C5F12 8.550
PFK-51-14 C6F14 7.910
PFK-91-18 C10F18 7.190
Zwavelhexafluoride SF6 23.500

Bijlage 4.6.2. behorende bij artikel 4.6.2 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

1. Doelstelling

Het doel van de subsidiemodule Versnelde klimaatinvesteringen in de industrie is het ondersteunen van het op korte termijn versnellen van investeringen in materiële en immateriële activa door ondernemingen uit de industrie die bijdragen aan het kosteneffectief reduceren van de CO2-emissies in de industrie in Nederland in 2030. Projecten moeten leiden tot een absolute afname van de CO2-emissies in Nederland ten opzichte van de huidige CO2-emissies van de industrie.

De CO2-reductie wordt berekend aan de hand van de referentieparkmethode. Voor elektriciteit houdt dit in dat in een vermindering of vermeerdering van het elektriciteitsverbruik wordt voorzien door het centrale elektriciteitsproductiepark dat gebruik maakt van fossiele energiebronnen. Als er meer of minder elektriciteit wordt gebruikt, kan dat alleen direct worden opgevangen door meer of minder elektriciteit te produceren uit fossiele bronnen. Dit productiepark wordt gezien als het referentiepark. Voor de berekening wordt een CO2-emissiefactor voor elektriciteit van 0,14 kg CO2/kWh gehanteerd.2Dit is de verwachte CO2-emissiefactor van het referentiepark in 2030. Kamerstuk 32 813, nr. 1112, en zie https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2022-klimaat-en-energieverkenning-4838.pdf, pag. 236.

2. Thema’s

2.1. Energie-efficiëntie anders dan in gebouwen (artikel 38 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit thema betreft projecten voor energie-efficiëntiemaatregelen die ervoor zorgen dat de onderneming die subsidie aanvraagt, minder energie gaat verbruiken binnen het productieproces van zijn onderneming dan voorafgaand aan de beoogde investering. Dit thema betreft dus geen energie-efficiëntiemaatregelen voor gebouwen. De projecten binnen dit thema betreffen daarnaast niet de installatie van energie-uitrusting op fossiele brandstoffen, met inbegrip van aardgas.

Bij maatregelen in een bestaand productieproces moet het project leiden tot een lager energieverbruik van het bedrijf. Bij uitbreiding van de productiecapaciteit moet het energieverbruik lager zijn dan bij een vergelijkbaar gangbaar productieproces in de markt. Bij een nieuw productieproces wordt het energieverbruik eveneens vergeleken met een gangbaar productieproces. Bij de vergelijking gaat het om het energieverbruik per eenheid geproduceerde goederen. Ook voor uitbreiding of nieuwbouw geldt dat het project uiteindelijk moet leiden tot een absolute reductie van CO2-emissies in Nederland uiterlijk in 2030, bijvoorbeeld doordat elders productie- of verwerkingscapaciteit wordt afgebouwd.

2.2. Circulaire economie (artikel 47 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit thema betreft investeringen ten behoeve van een circulaire economie gericht op één of meer van de volgende onderwerpen:

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen projecten gericht op de vervanging van primaire brandstoffen door secundaire (hergebruikte of teruggewonnen of gerecyclede) brandstoffen.

2.3. Infrastructuurvoorzieningen voor afvalwarmte en waterstof (artikel 36, 41, 46 en 56 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit thema betreft projecten gericht op infrastructuur voor afvalwarmte (ook wel restwarmte genoemd) en voor waterstof. Het kan gaan om specifieke infrastructuur en niet-specifieke infrastructuur. Specifieke infrastructuur is infrastructuur die is aangelegd voor één vooraf geïdentificeerde gebruiker of voor een kleine groep vooraf geïdentificeerde gebruikers en op hun behoeften is toegesneden. Bij infrastructuurprojecten kan de toename van het niveau van milieubescherming ook het gevolg zijn van de activiteiten van een andere entiteit in de infrastructuurketen.

Voor afvalwarmte geldt dat het onder andere kan gaan om distributienetwerken, stoomnetwerken, industriële infrastructuur of warmtenetten gebaseerd op afvalwarmte.

Voor waterstof geldt dat de infrastructuur moet passen binnen de definitie van energie-infrastructuur voor waterstof, opgenomen in artikel 2, onderdeel 130, onder c, subonderdelen i tot en met vi, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. De infrastructuur moet bestemd zijn voor hernieuwbare waterstof of een combinatie van hernieuwbare en niet-hernieuwbare waterstof.

De volgende tabel vat de mogelijkheden samen die deze subsidiemodule biedt voor infrastructuurvoorzieningen en onder welk artikel van de algemene groepsvrijstellingsverordening die vallen.

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen projecten die zijn gericht op:

2.4. Overige maatregelen die CO2-uitstoot reduceren (artikel 36 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit thema betreft projecten gericht op andere CO2-reducerende investeringen dan maatregelen die vallen onder de andere thema’s.

Binnen dit thema moet de investering leiden tot een reductie van de CO2-uitstoot binnen het productieproces van de onderneming die subsidie aanvraagt. Projecten die leiden tot reductie van broeikasgasemissies elders in de productieketen vallen derhalve niet binnen dit thema.

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen projecten die zijn gericht op:

Projecten voor de installatie van uitbreidingen die het niveau van milieubescherming van bestaande uitrusting, machines en industriële productie-installaties verbeteren, vallen wel binnen dit thema, als die niet leiden tot een uitbreiding van de productiecapaciteit of tot een hoger verbruik van fossiele brandstoffen.

3. Uitgangspunten mijlpalenbegroting

De totale subsidiabele investeringskosten moeten in de (mijlpalen)begroting worden uitgesplitst. Deze kosten moeten op grond van artikel 4.6.9, aanhef en onderdeel g, worden opgenomen in de mijlpalenbegroting. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:

De mijlpalenbegroting bevat indien van toepassing in ieder geval maximaal vier verplichte mijlpalen, namelijk:

Indien het investerings- en het financieringsbesluit op hetzelfde moment worden genomen, mogen mijlpaal 1 en 2 worden samengevoegd. Na de verplichte mijlpalen worden de mijlpalen door de aanvrager bepaald overeenkomstig de fasering van het project, zoals opgenomen in het projectplan.

Een mijlpaal vangt aan op het moment dat de aanvrager kosten begint te maken voor het behalen van een bepaald resultaat. Met het behalen van het resultaat, wordt ook de mijlpaal behaald. Een mijlpaal moet daarbij altijd aansluiten of overlappen met een volgende mijlpaal, zodat er geen fasen zijn waarin geen kosten worden opgevoerd. De concreet definieerbare startpunten en resultaten worden opgenomen in de mijlpalenbegroting en verder onderbouwd in het projectplan. Op de einddatum van een mijlpaal wordt het resultaat overgelegd aan RVO. De eerste mijlpaal start op de startdatum van het project. Dit moment is van belang omdat het eerste voorschot ambtshalve binnen twee weken na aanvang van de activiteiten wordt verstrekt. De einddatum van het project is ook de einddatum van de laatste mijlpaal.

Iedere mijlpaal vertegenwoordigt een concreet definieerbaar resultaat. Dit kan naast de resultaten zoals genoemd in de eerste vier mijlpalen bijvoorbeeld ook zijn dat een deel van het project wordt opgeleverd. In de mijlpaal worden alle subsidiabele kosten opgenomen die gemaakt worden in aanloop naar het te behalen resultaat. Op de einddatum van een mijlpaal kan de aanvrager het resultaat van de betreffende mijlpaal overleggen.

Bijlage 4.7.1. behorende bij artikel 4.7.9 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

    1. Informatie met betrekking tot de subsidieaanvrager:
  • a. de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, belangrijkste activiteitensector inclusief vermelding van de NACE-code, het post- en bezoekadres, de statutaire zetel en het rekeningnummer;
  • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • c. inzicht in het eigen vermogen van de aanvrager;
  • d. verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in het tijdelijk crisiskader;
  • e. een bevestiging dat de subsidieaanvrager in de twee jaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, of een daarmee vergelijkbare productielijn, niet heeft verplaatst tussen lidstaten binnen de Europese Economische Ruimte naar de vestiging waar de investering in de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, moet plaatsvinden;
  • f. een verklaring dat de subsidieaanvrager de productielijn voor batterijen, elektrolyse-installaties of zonnepanelen waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, of een vergelijkbare productielijn niet zal verplaatsen tussen lidstaten binnen de Europese Economische Ruimte binnen twee jaar na de voltooiing van het project.
    1. Informatie met betrekking tot het project:
  • a. projectplan, waaruit in elk geval blijkt welk type investering als bedoeld in artikel 4.7.3, eerste lid, het betreft, en waarin de planning van het project is opgenomen, waaruit in elk geval blijkt wanneer het project zal starten en wanneer het project zal zijn voltooid waarna de productielijn in gebruik kan worden genomen;
  • b. locatie of locaties van het project;
  • c. investeringskosten en andere gerelateerde kosten;
  • d. totale subsidiabele kosten;
  • e. subsidiebedrag en subsidie-intensiteit die nodig zijn om het project in het betrokken gebied uit te voeren;
  • f. mijlpalenbegroting;
  • g. financieringsplan;
  • h. exploitatieberekening met de verwachte kosten en opbrengsten van het project die omvat:
  • 1°. een specificatie van de investeringskosten per component van het project;
  • 2°. een overzicht van alle kosten en baten van het project; en
  • 3°. een berekening van het projectrendement over de looptijd van het project;
  • i. beschrijving van de resultaten van het onderzoek naar de technische en economische haalbaarheid zowel van het project voor de realisatie van de productielijn als van de producten die door die productielijn zullen worden geproduceerd;
  • j. indien het een productielijn voor essentiële onderdelen betreft, een onderbouwing waaruit blijkt dat die onderdelen zijn ontworpen en voornamelijk worden gebruikt als directe input voor de productie van batterijen, elektrolyse-installaties of zonnepanelen;
  • k. korte beschrijving van de voor het betrokken gebied verwachte positieve effecten;
  • l. plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt;
  • m. een toelichting op de behoefte aan subsidie, de verwachte impact daarvan op het investeringsbesluit en het besluit over een alternatieve investering als de subsidie niet wordt verleend.

Bijlage 4.8.1. , behorende bij artikel 4.8.6 van de Regeling nationale EZ-subsidies

Vervallen

Bijlage 4.9.1. behorende bij artikel 4.9.12

Vervallen

Bijlage 4.10.1. behorende bij artikel 4.10.9 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

Onderdeel 1

Een exploitatieberekening, bedoeld in artikel 4.10.9, tweede lid, onderdeel b, omvat de berekening van de netto contante waarde (NCW).

De netto contante waarde (NCW) wordt berekend met gebruikmaking van de hieronder opgenomen formule en uitgangspunten.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)