Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-17
Laatst bijgewerkt 2026-08-24
State In force
Source BWB
artikelen 1509
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • a. een verwarmingstoestel dat is geïnstalleerd voor 1 januari 2025 en is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, bij een thermisch vermogen ten behoeve van ruimteverwarming bij bivalente temperatuur:
  • 1°. tot 1 kW lucht-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500;
  • 2°. vanaf 1 kW tot en met 70 kW ontwerpvermogen en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 2.100, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur vanaf 1 kW;
  • 3°. van 71 kW ontwerpvermogen of meer: € 1.650, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur hoger dan 1 kW;
  • b. een verwarmingstoestel dat is geïnstalleerd op of na 1 januari 2025 en voor 1 januari 2026 en is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, bij een thermisch vermogen ten behoeve van ruimteverwarming bij bivalente temperatuur:
  • 1°. tot 1 kW lucht-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500;
  • 2°. vanaf 1 kW tot en met 70 kW ontwerpvermogen en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 1.250, vermeerderd met € 225 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur vanaf 1 kW;
  • 3°. van 71 kW ontwerpvermogen of meer: € 1.650, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur hoger dan 1 kW;
  • c. een verwarmingstoestel dat is geïnstalleerd op of na 1 januari 2026 en is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, bij een thermisch vermogen ten behoeve van ruimteverwarming bij bivalente temperatuur:
  • 1°. tot 1 kW lucht-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500;
  • 2°. vanaf 1 kW tot en met 70 kW ontwerpvermogen en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 1.025 vermeerderd met € 225 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur vanaf 0 kW;
  • 3°. van 71 kW ontwerpvermogen of meer: € 1.500, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur hoger dan 0 kW;
  • d. een verwarmingstoestel dat is geïnstalleerd op of na 1 januari 2025 en waarvoor kan worden aangetoond dat deze is aangeschaft tussen 1 januari en 31 december 2024 de in onderdeel a genoemde bedragen;
  • e. een verwarmingstoestel dat is geïnstalleerd op of na 1 januari 2024 en is uitgerust met een grond-waterwarmtepomp of met een water-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, bij een thermisch vermogen bij referentieontwerptemperatuur:
  • 1°. tot 1 kW grond-waterwarmtepomp of water-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500;
  • 2°. van 1 kW tot en met 10 kW en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 4.200;
  • 3°. van meer dan 10 kW tot en met 70 kW en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 4.200, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen hoger dan 10 kW;
  • 4°. van 71 kW of meer: € 3.750, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen hoger dan 10 kW;
  • 1°. € 1,02 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van de zonneboiler bij een apertuuroppervlakte van ten hoogste 5 vierkante meter;
  • 2°. € 0,55 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van een zonneboiler bij een apertuuroppervlakte van meer dan 5 tot ten hoogste 10 vierkante meter;
  • 3°. € 0,28 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van een zonneboiler met een apertuuroppervlakte van meer dan 10 vierkante meter;
2.

De subsidie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, onderdeel b, subonderdeel 1°, onderdeel c, subonderdeel 1° en onderdeel e, subonderdeel 1°, wordt verhoogd met:

  • a. € 225, indien de warmtepomp tot 1 kW ten behoeve van (tap)waterverwarming blijkens het etiket behoort tot de energie-efficiëntieklasse A+;
  • b. € 450, indien de warmtepomp tot 1 kW ten behoeve van (tap)waterverwarming blijkens het etiket behoort tot de energie-efficiëntieklasse A++.
3.

Indien de warmtepomp tot en met 70 kW blijkens het etiket behoort tot de energie-efficiëntieklasse A+++ of hoger, wordt de subsidie:

  • a. bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, en onderdeel e, subonderdelen 2° en 3°, verhoogd met € 225;
  • b. bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2 o en onderdeel c, subonderdeel 2°, verhoogd met € 200.
4.

De jaarlijkse zonne-energiebijdrage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt voor zonneboilers vastgesteld op:

  • a. 2.799 kWh, minus het jaarlijks aandeel van niet uit zonne-energie verkregen warmte volgens de productkaart conform het capaciteitsprofiel L, en minus het supplementair elektriciteitsgebruik volgens de productkaart, indien er sprake is van een apertuuroppervlakte van ten hoogste 5 vierkante meter;
  • b. 4.427 kWh, minus het jaarlijks aandeel van niet uit zonne-energie verkregen warmte volgens de productkaart conform het capaciteitsprofiel XL, en minus het supplementair elektriciteitsgebruik volgens de productkaart, indien er sprake is van een apertuuroppervlakte van meer dan 5 en ten hoogste 10 vierkante meter;
  • c. het product van 1.293 kWh, het totale collectoroppervlak van alle collectoren volgens de productkaart, het collectorrendement volgens de productkaart, de instralingshoekmodifier volgens de productkaart en de verliesfactor van de warmwatertank, bedoeld in het vierde of vijfde lid, indien er sprake is van een apertuuroppervlakte van meer dan 10 vierkante meter.
5.

Afhankelijk van de energie-efficiëntieklasse vermeld op het etiket of de energie-efficiëntieklasse vastgesteld volgens de methode, bedoeld in bijlage II, onderdeel 2, van verordening (EU) nr. 812/2013, bedraagt de verliesfactor van de warmwatertank, bedoeld in het derde lid, onderdeel c:

  • a. 0,95 bij energie-efficiëntieklasse A+;
  • b. 0,91 bij energie-efficiëntieklasse A;
  • c. 0,86 bij energie-efficiëntieklasse B;
  • d. 0,83 bij energie-efficiëntieklasse C;
  • e. 0,81 bij energie-efficiëntieklasse D tot en met G.
6.

In afwijking van het zesde lid bedraagt de verliesfactor voor een warmwatertank met een volume van 2000 liter en meer 0,81.

7.

Voor zover de aanvraag voor subsidie betrekking of mede betrekking heeft op een tweede of volgende investering in een lucht-waterwarmtepomp met een vermogen > 1 kW als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, met een installatiedatum op of na 1 januari 2026 wordt per aanvrager als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef, per locatie als bedoeld in artikel 4.5.12, eerste lid, onderdeel b, het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en d en de verhoging, bedoeld in het tweede en derde lid, slechts éénmaal verstrekt of niet nogmaals verstrekt indien dit reeds op eerdere aanvraag is verstrekt.

Artikel 4.5.4. Hoogte subsidie investeringen voor energiebesparende isolatiemaatregelen en ventilatiemaatregelen
1.

Indien een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, is aangebracht na 31 december 2023 en voor 1 januari 2025 bedraagt de subsidie voor:

  • a. dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie:
  • 1°. voor het isoleren van het bestaande dak, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a, € 15 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 200 vierkante meter te isoleren oppervlakte;
  • 2°. voor het isoleren van de bestaande zolder- of vlieringvloer, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a, € 4 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte;
  • b. gevelisolatie als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel b, € 19 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 170 vierkante meter te isoleren oppervlakte;
  • c. glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie in de bestaande thermische schil, voor zover de totale subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 45 vierkante meter te isoleren raamoppervlakte, door het vervangen van, of in geval van monumenten toevoegen, van:
  • 2°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door HR++ glas, bedoeld in subonderdeel 1°;
  • 3°. glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 3°, € 65,50 per vierkante meter van de te isoleren raamoppervlakte;
  • 4°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas, bedoeld in subonderdeel 3°;
  • 5°. glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 5°, € 23 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte;
  • 6°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, bedoeld in subonderdeel 5°;
  • 7°. glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een U-waarde van ten hoogste 1,5W/m2K als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 6°, € 42,50 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte;
  • 8°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 20 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in subonderdeel 7°;
  • 10°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas als bedoeld in subonderdeel 9°;
  • d. spouwmuurisolatie als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel d, € 4 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 170 vierkante meter te isoleren oppervlakte;
  • e. vloer- dan wel bodemisolatie via:
  • 1°. het isoleren van de bestaande vloer, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e, € 5,50 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte;
  • 2°. het isoleren van de bestaande bodem, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e, € 3 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte.
2.

Indien een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdelen a tot en met e, eventueel in combinatie met één ventilatiemaatregel als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel f, is aangebracht op of na 1 januari 2025 bedraagt de subsidie voor:

  • a. dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie:
  • 1°. voor het isoleren van het bestaande dak, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a, € 16,25 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 200 vierkante meter te isoleren oppervlakte;
  • 2°. voor het isoleren van de bestaande zolder- of vlieringvloer, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a, € 4 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte;
  • 3°. voor het isoleren van het bestaande dak in combinatie met het isoleren van bestaande zolder- of vlieringvloer binnen de bestaande thermische schil een subsidie voor ten hoogste 200 vierkante meter te isoleren oppervlakte;
  • b. gevelisolatie als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel b, € 20,25 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 170 vierkante meter te isoleren oppervlakte;
  • c. glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie in de bestaande thermische schil, voor zover de totale subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 45 vierkante meter te isoleren raamoppervlakte, door het vervangen van, of in geval van monumenten toevoegen, van:
  • 2°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door HR++ glas, bedoeld in subonderdeel 1°;
  • 3°. glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, € 111 per vierkante meter van de te isoleren raamoppervlakte;
  • 4°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas, bedoeld in subonderdeel 3°;
  • 5°. glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 5°, € 25 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte;
  • 6°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, bedoeld in subonderdeel 5°;
  • 7°. glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een U-waarde van ten hoogste 1,5W/m2K als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 6°, € 46 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte;
  • 8°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 20 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in subonderdeel 7°;
  • 10°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas als bedoeld in subonderdeel 9°;
  • 11°. glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 5,8 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 7°, € 25 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte;
  • 12°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 5,8 W/m2K, bedoeld in subonderdeel 11°;
  • d. spouwmuurisolatie als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel d, € 5,25 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 170 vierkante meter te isoleren oppervlakte;
  • e. vloer- dan wel bodemisolatie via:
  • 1°. het isoleren van de bestaande vloer, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e, € 5,50 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte;
  • 2°. het isoleren van de bestaande bodem, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e, € 3 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte;
  • 3°. het isoleren van de bestaande vloer in combinatie met het isoleren van de bestaande bodem binnen de bestaande thermische schil een subsidie voor ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte.
3.

De in het eerste en tweede lid genoemde subsidiebedragen worden verdubbeld indien:

  • a. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op investeringen in ten minste twee typen energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid;
  • b. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op investeringen in tenminste één type energiebesparende isolatiemaatregel als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, in combinatie met een investering in ten minste één installatie voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdelen a en b, dan wel in combinatie met een investering voor de aansluiting op een warmtenet als bedoeld in het vierde lid van dat artikel;
  • c. aan de subsidieaanvrager reeds subsidie is verstrekt waarbij de bedragen zijn betrokken, bedoeld in het eerste en tweede lid, en hij daaropvolgend een subsidieaanvraag indient waardoor de combinatie van investeringen ontstaat als bedoeld in onderdelen a of b. De verdubbeling van de reeds vastgestelde subsidiebedragen maken in dit geval onderdeel uit van de vaststelling van laatstbedoelde aanvraag voor subsidie.
4.

Het derde lid is niet van toepassing indien er meer dan 24 maanden zijn verstreken tussen de installatie of het aanbrengen van de voorgaande investering waarvoor subsidie is verstrekt en de installatie of het aanbrengen van de daaropvolgende investering of investeringen waarop de aanvraag voor subsidie betrekking heeft.

5.

Indien is geïnvesteerd in biobased milieuvriendelijk isolatiemateriaal wordt de op basis van het eerste en tweede lid berekende subsidie voor maatregelen die zijn aangebracht op of na 1 januari 2024 per vierkante meter vermeerderd met:

  • a. € 5,– in geval van een investering in dakisolatie;
  • b. € 1,50 in geval van een investering in zolder- of vlieringvloerisolatie;
  • c. € 6,– in geval van een investering in gevelisolatie;
  • d. € 1,50 in geval van een investering in spouwmuurisolatie;
  • e. € 2,– in geval van een investering in vloerisolatie;
  • f. € 1,– in geval van een investering in bodemisolatie.
6.

De in het vijfde lid genoemde bedragen worden niet meegenomen bij de in het derde lid genoemde verdubbeling van de subsidiebedragen.

7.

De subsidie voor een ventilatiemaatregel als bedoeld in artikel 4.5.2. derde lid, onderdeel f, bedraagt € 400.

Artikel 4.5.5. Hoogte subsidie investeringen voor de aansluiting op een warmtenet

De subsidie voor een investering voor de aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, bedraagt voor een individuele aansluiting als bedoeld in dat artikellid € 3.775.

Artikel 4.5.5a. Hoogte subsidie investering bestemd voor de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken

De subsidie, bedoeld in artikel 4.5.2, vijfde lid, bedraagt € 400.

Artikel 4.5.6. Subsidiabele kosten
1.

Voor een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, die niet bestemd is voor een koopwoning van een eigenaar-bewoner, komen voor subsidie in aanmerking de bijkomende investeringskosten, bedoeld in artikel 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2.

Voor een investering voor de productie van duurzame energie, energiebesparende isolatiemaatregelen, de individuele aansluiting op een warmtenet of de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdelen a en b, derde lid, vierde lid of vijfde lid, die bestemd is voor een koopwoning van een eigenaar-bewoner, komen, in afwijking van artikel 10, tweede lid, van het besluit, voor subsidie in aanmerking de kosten in verband met investeringen die vóór indiening van de aanvraag zijn gemaakt.

Artikel 4.5.7. Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 4.5.8. Realisatietermijn
1.

Indien de aanvraag voor subsidie is ingediend door een rechtspersoon of door een natuurlijke persoon, niet zijnde eigenaar-bewoner, is de termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, 24 maanden indien het een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, betreft.

2.

Geen subsidie wordt verstrekt voor een investering van een eigenaar-bewoner, indien de investering nog niet is geïnstalleerd, aangebracht of aangesloten op het moment van indiening van de subsidieaanvraag.

Artikel 4.5.9. Afwijzingsgronden
1.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor een investering voor de productie van duurzame energie, energiebesparende isolatiemaatregelen, de aansluiting op een warmtenet of de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede, derde, vierde of vijfde lid, indien:

  • a. ten aanzien van dezelfde investering dan wel een investering in een zelfde type energiebesparende isolatiemaatregel dan wel een ventilatiemaatregel eerder subsidie is verstrekt;
  • b. het een aanvraag voor subsidie betreft voor een bouwwerk met een bouwjaar na 1 januari 2019, tenzij een omgevingsvergunning voor dit bouwwerk kan worden overlegd die voor 1 juli 2018 is aangevraagd;
  • c. een aanvraag voor subsidie van een eigenaar-bewoner later is ingediend dan 24 maanden na het installeren van een installatie voor de productie van duurzame energie, het aanbrengen van isolatiemateriaal, de aansluiting op een warmtenet of de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken, bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdelen a en b, derde, vierde en vijfde lid;
  • e. het een aanvraag voor subsidie betreft voor een koopwoning met een blokaansluiting voor warmte.
2.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, indien:

  • b. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op een gebruikte installatie;
  • e. het een aanvraag van een ondernemer betreft voor een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, en het totale netto energieverbruik via de aansluiting waarop de installatie wordt aangesloten, zoals dat blijkt uit de meest recente jaarafrekening van de energieleverancier, 50.000 KWh of 25.000 m3 aardgasequivalent of hoger bedraagt en de locatie waarin de lucht-waterwarmtepomp is geïnstalleerd, aangesloten blijft op het gastransportnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Gaswet;
  • f. het een aanvraag voor subsidie betreft voor een lucht-waterwarmtepomp, grondwaterwarmtepomp of water-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2., tweede lid, onderdeel a, met een thermisch vermogen tussen 1 kW en 70 kW behorend tot een energie-efficiëntieklasse lager dan A++ en is aangebracht op of na 1 januari 2024.
3.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen, of energiebesparende isolatiemaatregelen in combinatie met één ventilatiemaatregel als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, indien:

  • b. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op een investering ten behoeve van het realiseren van een vergroting van het woonoppervlakte of wooninhoud, waaronder in ieder geval wordt verstaan:
  • 1°. het realiseren van een nieuwe aanbouw;
  • 2°. het realiseren van een nieuwe dakkapel;
  • 3°. het betrekken van een aan- of inpandige garage bij de woning; of
  • 4°. het vergroten van het bestaande dak, gevel, vloer of glasoppervlakte;
  • d. het een aanvraag betreft voor UF-schuim dat is aangebracht op of na 1 april 2026, tenzij aangetoond kan worden dat het UF-schuim voor 1 april 2026 is aangeschaft.
4.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor een investering voor de aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, indien:

  • a. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op een investering voor:
  • 1°. een individuele aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, en niet kan worden aangetoond dat de gasaansluiting van de bestaande koopwoning waarvoor subsidie wordt aangevraagd is of wordt afgekoppeld;
  • 2°. een individuele aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, van een appartement van een eigenaar-bewoner in een appartementencomplex en er voor dit appartementencomplex eerder subsidie is aangevraagd door een vereniging van eigenaars voor een investering voor een centrale aansluiting op een warmtenet;
  • 1°. de subsidieaanvrager;
  • 2°. indien de subsidieaanvrager een lid van een vereniging van eigenaars is, de vereniging van eigenaars; of
  • 3°. indien de subsidieaanvrager een lid van een wooncoöperatie of een woonvereniging is, de wooncoöperatie of woonvereniging;
  • d. het niet aannemelijk is dat de bestaande koopwoning, waarop de investering betrekking heeft, geen aansluiting op een warmtenet had voordat deze investering plaatsvond.
5.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken, bedoeld in artikel 4.5.2, vijfde lid, indien:

  • a. niet kan worden aangetoond dat de woning op het moment van de aanvraag op een warmtenet aangesloten is;
  • b. niet kan worden aangetoond dat de gasaansluiting van de bestaande koopwoning waarvoor subsidie wordt aangevraagd is verwijderd of er geen bevestiging van de netbeheerder kan worden verstrekt waaruit blijkt dat voor de bestaande koopwoning waarin de voorziening voor elektrisch koken wordt geïnstalleerd een aanvraag is gedaan tot verwijdering van de gasaansluiting;
  • c. het niet gaat om de eenmalige aanschaf van een nieuwe volledig elektrische kookvoorziening;
  • 1°. de subsidieaanvrager;
  • 2°. indien de subsidieaanvrager een lid van een vereniging van eigenaars is, de vereniging van eigenaars; of
  • 3°. indien de subsidieaanvrager een lid van een wooncoöperatie of een woonvereniging is, de wooncoöperatie of woonvereniging;
  • e. er reeds subsidie is verkregen op grond van deze titel voor de aansluiting op een warmtenet.
6.

Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op:

  • b. een tweede aanvraag voor de aanschaf en het door een bouwbedrijf in een koopwoning laten aanbrengen van glasisolatie die door de eigenaar-bewoner is ingediend binnen 24 maanden nadat een bouwbedrijf de eerste glasisolatie in een koopwoning heeft aangebracht waarvoor subsidie op grond van deze titel is toegekend.
7.

Indien een aanvraag voor subsidie, die is ingediend binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, is afgewezen in verband met de uitputting van het subsidieplafond, is de afwijzingsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing op een hernieuwde aanvraag voor subsidie voor dezelfde investering die binnen twaalf maanden na afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag wordt ingediend.

8.

De afwijzingsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op een aanvraag die betrekking heeft op een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel c.

9.

Het netto elektriciteitsverbruik, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt berekend door de hoeveelheid elektriciteit die volgens de in dat onderdeel genoemde jaarafrekening aan het net wordt onttrokken, indien van toepassing te verminderen met de hoeveelheid elektriciteit die volgens de in dat onderdeel genoemde jaarafrekening op het net wordt ingevoed.

Artikel 4.5.9a. Cumulatie

Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen of openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, aan eigenaar-bewoners worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximumbedrag dat krachtens deze titel per investering kan worden verstrekt.

Artikel 4.5.10. Subsidieverlening onder opschortende voorwaarde

Voor een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, wordt de subsidie aan een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, verleend onder de opschortende voorwaarde dat:

  • a. een overeenkomst wordt gesloten met een bouwinstallatiebedrijf of warmteleverancier in verband met de aanschaf van de installatie of installaties;
  • b. de installatie of installaties waarop de overeenkomst, bedoeld in onderdeel a, betrekking heeft, zijn geïnstalleerd.
Artikel 4.5.11. Verplichtingen van de subsidieontvanger
1.

Een installatie, waarop de investering voor de productie van duurzame energie, bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, betrekking heeft, en waarvoor op grond van deze titel een subsidie is verleend, wordt niet binnen een jaar na de datum van de subsidievaststelling vervreemd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de vervreemding van een installatie tezamen met de woning, het bedrijf of de grond waarin respectievelijk waarop de investering voor de productie van duurzame energie is geïnstalleerd.

Artikel 4.5.12. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam, het post- en bezoekadres, het e-mailadres, het telefoonnummer, het rekeningnummer, en voor zover van toepassing het Burgerservicenummer en de geboortedatum of het nummer waaronder de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager;
  • b. een vermelding van het adres van de locatie of locaties waarvoor een investering bestemd is en het soort locatie of locaties;
  • c. de meldcode van de investering, en indien er geen meldcode beschikbaar is gesteld, een omschrijving van de investering;
  • d. indien het een investering voor een ruimteverwarmingstoestel of een waterverwarmingstoestel als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, betreft, het thermische vermogen bij bivalente of referentieontwerptemperatuur van deze installatie;
  • e. indien het een investering voor een zonneboiler als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel b, betreft, de gegevens ten aanzien van de energetische opbrengst van deze installatie;
  • f. indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op een investering voor dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie in een koopwoning via het isoleren van de bestaande zolder- of vlieringvloer als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a, een verklaring van de eigenaar-bewoner dat de zolder of vliering onverwarmd is;
  • g. indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op een individuele aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, voor zover van toepassing, een verklaring van de eigenaar-bewoner of van de vereniging van eigenaars dat de bestaande koopwoning of het bestaande appartementencomplex, waarop de desbetreffende investering betrekking heeft, geen aansluiting op een warmtenet had voordat deze investering plaatsvond.
2.

De aanvraag voor subsidie die betrekking heeft op een investering door een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, bevat, onverminderd het eerste lid, de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

3.

De aanvraag voor subsidie die betrekking heeft op een investering door een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, gaat:

  • b. indien het een investering van een ondernemer in een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, betreft, en de aansluiting waarop de lucht-waterwarmtepomp is aangesloten een lager netto energieverbruik heeft dan 50.000 KWh en 25.000 m3 aardgasequivalent, vergezeld van de meest recente jaarafrekening van de energieleverancier;
  • c. indien het een investering voor een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit via één of meer windturbines als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel c, betreft, vergezeld van:
  • 1°. een aanvraag van een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
  • 2°. een document waarin aannemelijk wordt gemaakt dat het verwachte rotoroppervlak per windturbine ten minste 50 m2 zal bedragen;
  • 3°. een document waaruit blijkt dat de installatie zal worden aangesloten op het openbare Nederlandse elektriciteitsnet via een aansluiting met ten hoogste een totale doorlaatwaarde van 3*80 A die op naam staat van de aanvrager.
4.

De aanvraag voor subsidie die betrekking heeft op een koopwoning van een eigenaar-bewoner, gaat vergezeld van de volgende documenten of gegevens:

  • a. een factuur en betaalbewijs van de aanschaf en de installatie of het aanbrengen van de investering voor een ruimteverwarmingstoestel, een waterverwarmingstoestel of een zonneboiler, als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdelen a of b, waaronder begrepen de door het bouwinstallatiebedrijf of bouwbedrijf getekende factuur in geval van contante betaling van de investeringen, waarop ten minste het betaalde bedrag, de begunstigde en betaaldatum vermeld wordt;
  • b. indien het een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdelen a tot en met e, eventueel in combinatie met één ventilatiemaatregel als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel f, betreft:
  • 1°. een factuur en betaalbewijs als bedoeld in onderdeel a, met daarin ten minste de naam en het adres van de eigenaar-bewoner en het bouwbedrijf dat werkzaamheden betreffende de investering of investeringen heeft uitgevoerd, een omschrijving van het soort energiebesparende isolatiemaatregel en aanverwante werkzaamheden die door het bouwbedrijf uitgevoerd zijn, de naam, het type, het merk, de dikte en indien beschikbaar de meldcode, van het isolatiemateriaal dat gebruikt is en de plaats en bijhorende oppervlakte die in de desbetreffende koopwoning geïsoleerd is;
  • 2°. ten minste één foto per energiebesparende isolatiemaatregel, genomen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden door het bouwbedrijf, met daarop zichtbaar de koopwoning;
  • 3°. een factuur en betaalbewijs als bedoeld in onderdeel a, met daarin ten minste de naam en het adres van de eigenaar-bewoner en het bouwbedrijf dat werkzaamheden betreffende de ventilatiemaatregel heeft uitgevoerd, waaruit blijkt dat er is geïnvesteerd in een ventilatiemaatregel als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel f;
  • c. indien het een investering voor glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, betreft een kozijnstaat met daarin merk en type van het kozijn en het daarbij behorende frame, glas en binnenwerkse maten van het glas of de kozijnpanelen per kozijn;
  • d. indien het een investering in een individuele aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, betreft:
  • 1°. een overeenkomst met een warmteleverancier waaruit blijkt dat de koopwoning is aangesloten op een warmtenet;
  • 2°. een bevestiging van de netbeheerder dat voor de woning een aanvraag is gedaan tot verwijdering van de gasaansluiting;
  • e. indien het gaat om een subsidie voor een investering die is bestemd voor de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken als bedoeld in artikel 4.5.2, vijfde lid:
  • 1°. een overeenkomst met een warmteleverancier waaruit blijkt dat de koopwoning is aangesloten op een warmtenet;
  • 2°. een document waarmee kan worden aangetoond dat de gasmeter van de bestaande koopwoning waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet voor 2 april 2022 is verwijderd;
  • 3°. een factuur en betaalbewijs van de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken.
Artikel 4.5.13. Aanvraag tot subsidievaststelling
1.

Een aanvraag tot subsidievaststelling van een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, bevat ten minste:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager, het post- en bezoekadres, het e-mailadres, het telefoonnummer, het rekeningnummer, gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager en voor zover van toepassing het Burgerservicenummer of het nummer waaronder de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en en het door de minister verstrekte referentienummer;
  • b. de omvang van de vast te stellen subsidie;
  • c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling, waaronder de locatie of locaties waar het project is uitgevoerd, en voor zover de investering betrekking heeft op de productie van duurzame energie, bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, de omschrijving van de aard van de installaties die zijn geïnstalleerd.
2.

Onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit gaat de aanvraag tot subsidievaststelling van een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, vergezeld van:

  • a. een factuur en betaalbewijs van de aanschaf en installatie van de investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, waaronder begrepen de door het bouwinstallatiebedrijf getekende factuur in geval van contante betaling van deze investeringen, waarop ten minste het betaalde bedrag, de begunstigde en betaaldatum vermeld wordt;
  • b. indien het een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, betreft, een document waaruit blijkt dat een investering:
  • 1°. in gebruik is genomen;
  • 2°. voldoet aan de technische eisen; en
  • 3°. is geïnstalleerd of aangebracht door een bouwinstallatiebedrijf;
  • c. indien het een investering van een ondernemer in een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, betreft en de aansluiting waarop de lucht-waterwarmtepomp is aangesloten een netto energieverbruik heeft van 50.000 KWh of 25.000 m3 aardgasequivalent of hoger en de in artikel 4.5.12, derde lid, onderdeel c, bedoelde meest recente jaarafrekening niet bij de aanvraag tot subsidieverlening verstrekt is, een bevestiging van de netbeheerder dat voor de locatie waarin de luchtwaterwarmtepomp wordt geïnstalleerd een aanvraag is gedaan tot verwijdering van de gasaansluiting;
  • d. indien het een investering voor een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met één of meer windturbines als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel c, betreft:
  • 2°. een document waaruit blijkt dat het rotoroppervlak per windturbine ten minste 50 m2 bedraagt;
  • 3°. een document waaruit blijkt dat de installatie is aangesloten op het openbare Nederlandse elektriciteitsnet via een aansluiting met ten hoogste een totale doorlaatwaarde van 3*80 A die op naam staat van de aanvrager.
3.

In het geval de subsidieontvanger een eigenaar-bewoner is, wordt op grond van de aanvraag voor subsidie en de documenten waardoor deze vergezeld gaat, bedoeld in artikel 4.5.12, eerste en vierde lid, de subsidie vastgesteld zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening.

4.

In het geval de subsidieontvanger geen eigenaar-bewoner is, wordt de subsidie niet ambtshalve vastgesteld.

Artikel 4.5.14. Staatssteun
1.

De subsidie voor een investering voor de productie van duurzame energie, bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, bevat:

  • a. mogelijk staatssteun die wordt gerechtvaardigd door artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, indien de subsidie wordt verstrekt aan een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet zijnde eigenaar-bewoner;
  • b. geen staatsteun, indien deze subsidie verstrekt wordt aan een eigenaar-bewoner.
2.

De subsidie voor een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen, aansluiting op een warmtenet en aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken als bedoeld in artikel 4.5.2, derde, vierde en vijfde lid, bevat geen staatssteun.

Artikel 4.5.15. Horizonbepaling

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Titel 4.6. Versnelde klimaatinvesteringen in de industrie

Artikel 4.6.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • CO2: CO2 of CO2-equivalent;
  • CO2-equivalent: de hoeveelheid CH4, N2O, HFK’s, PFK’s en SF6, die overeenkomstig de factoren in bijlage 4.6.1 eenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa-eenheid CO2;
  • Referentie-investering: investering ten behoeve van een in Nederland gangbaar systeem, apparaat of techniek die in technisch opzicht vergelijkbaar is met een in Nederland uit te voeren project, maar waarmee niet hetzelfde niveau van milieubescherming kan worden bereikt als met het uit te voeren project.
Artikel 4.6.2. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderneming voor investeringen in een project dat past binnen één of meer thema’s in bijlage 4.6.2 en dat betrekking heeft op:

  • a. milieubescherming in overeenstemming met artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • b. energie-efficiëntiemaatregelen anders dan voor gebouwen in overeenstemming met artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • c. de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen of uit hernieuwbare waterstof, met uitzondering van uit hernieuwbare waterstof geproduceerde elektriciteit, in overeenstemming met artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • d. energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling in overeenstemming met artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • e. circulaire economie in overeenstemming met artikel 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • f. lokale infrastructuur in overeenstemming met artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
2.

De onderneming, bedoeld in het eerste lid, is een onderneming die:

  • a. materiële goederen produceert waarbij grondstoffen worden verwerkt en waarbij sprake is van een hoge graad van mechanisering en automatisering, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2008, versie 2022, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep C;
  • b. energie distribueert, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2008, versie 2022, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep D; of
  • c. afval en afvalwater verwerkt, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2008, versie 2022, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep E.
Artikel 4.6.3. Steunintensiteit
1.

De subsidie bedraagt:

  • a. ten aanzien van een investering voor milieubescherming:
  • 1°. 40% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en maximaal € 25.000.000 voor zover het specifieke infrastructuur en opslag als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft;
  • 2°. 20% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, elfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • b. ten aanzien van een investering in energie-efficiëntiemaatregelen anders dan voor gebouwen:
  • 1°. 30% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • 2°. 15% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • c. 30% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen of uit hernieuwbare waterstof, met uitzondering van uit hernieuwbare waterstof geproduceerde elektriciteit, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • d. 30% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 46, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • e. 40% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering ten behoeve van een circulaire economie, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • f. 50% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in lokale infrastructuurvoorziening, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 56, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, maar niet meer dan het verschil tussen de subsidiabele kosten en de exploitatiewinst van de investering of maximaal € 11.000.000 indien dat lager is dan het verschil.
2.

Indien de aanvrager een middelgrote onderneming is, worden:

  • a. de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, subonderdeel 1°, b, subonderdeel 1°, c, d, e en f, verhoogd met 10 procentpunten;
  • b. de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, subonderdeel 2°, b, subonderdeel 2°, verhoogd met 5 procentpunten.
3.

Indien de aanvrager een kleine onderneming is, worden:

  • a. de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, subonderdeel 1°, b, subonderdeel 1°, c, d, e en f, verhoogd met 20 procentpunten;
  • b. worden de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, subonderdeel 2°, b, subonderdeel 2°, verhoogd met 10 procentpunten.
4.

Op de subsidiabele kosten is artikel 10, derde lid, van het besluit niet van toepassing.

5.

In aanvulling op artikel 10, eerste lid, van het besluit komen niet in aanmerking de kosten die niet geactiveerd worden en rechtstreeks in de winst- en verliesrekening worden verantwoord.

6.

De subsidie bedraagt ten hoogste € 30.000.000 per project.

Artikel 4.6.4. Subsidiabele kosten

Vervallen

Artikel 4.6.5. Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 4.6.6. Realisatietermijn
1.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar.

2.

Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening, overeenkomstig artikel 2, onder 23, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 4.6.7. Afwijzingsgronden
1.

De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien:

  • b. de te verlenen subsidie meer dan € 80 per ton CO2-reductie van de totale hoeveelheid CO2-reductie die het project in Nederland realiseert ten opzichte van de referentie-investering, zou bedragen gedurende vijftien jaar vanaf ingebruikname van de installatie of gedurende de levensduur van de installatie, indien deze korter is dan vijftien jaar;
  • c. de kwaliteit van het project onvoldoende is, gelet op:
  • 1°. de uitwerking van:
  • –. het projectplan;
  • –. de (mijlpalen)begroting; of
  • –. de exploitatieberekening;
  • 2°. de mate waarin projectrisico’s worden geadresseerd;
  • 3°. de uitvoerbaarheid;
  • 4°. de onderbouwing dat alle benodigde partijen die een essentiële rol spelen in de keten en stakeholders die in het project vertegenwoordigd zijn;
  • 5°. de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet;
  • d. de te verlenen subsidie minder dan € 125.000 voor een grote onderneming of minder dan € 30.000 voor een kleine of middelgrote onderneming zou bedragen;
  • e. de aanvrager onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het een project betreft ten behoeve van een investering in technologie die zich in soortgelijke projecten in de industrie bewezen heeft;
  • f. voor het project op grond van artikel 4.2.65 een aanvraag om subsidie ingediend kan worden;
  • g. de aanvraag een project betreft met betrekking tot lokale infrastructuur als bedoeld in artikel 4.6.2, eerste lid, onderdeel f, en de subsidiabele kosten daarvoor meer dan € 22.000.000 bedragen.
2.

Bij de berekening van de terugverdientijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt gebruikgemaakt van de methode die is opgenomen in bijlage XV van de Omgevingsregeling.

3.

In afwijking van het tweede lid kunnen bij de berekening van de terugverdientijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bedrijfsspecifieke energieprijzen gehanteerd worden die afwijken van de standaardwaarden in bijlage XV van de Omgevingsregeling, indien de aanvrager aantoont dat hij deze bedrijfsspecifieke energieprijzen betaalt.

Artikel 4.6.8. Cumulatie
1.

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit worden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel buiten beschouwing gelaten:

  • b. bijdragen van de Europese Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014–2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PbEU 2013, L 347).
2.

Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximumbedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt.

Artikel 4.6.9. Informatieverplichtingen

Een aanvraag om subsidie bevat tenminste:

  • a. de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • b. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
  • c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • d. een projectomschrijving die in ieder geval bevat:
  • 1°. de CO2-reductie in kilogrammen die het project in Nederland realiseert ten opzichte van de referentie-investering;
  • 2°. een beschrijving van de referentie-investering;
  • 3°. een onderbouwing van de voor het project benodigde investeringen, inclusief een toelichting op het model exploitatieberekening, indien de aanvraag is gebaseerd op lokale infrastructuur als bedoeld in artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • e. een financieringsplan, inclusief onderbouwing voor het investeringsproject, daaronder begrepen informatie over de wijze waarop de onderneming het eigen aandeel, uitgesplitst in vreemd vermogen en eigen vermogen, in de totale projectkosten financiert;
  • f. een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van het project, zoals de terugverdientijd;
  • g. een door de aanvrager in een door de minister beschikbaar gesteld model ingevulde begroting, bestaande uit:
  • 1°. het overzicht van de werkelijke investeringskosten;
  • 2°. een mijlpalenbegroting, indien het aangevraagde subsidiebedrag € 2.000.000 of meer is;
  • h. een verklaring dat de aanvrager niet op grond van bijlage VII of XIV van de Omgevingsregeling verplicht is de investering of onderdelen van de investering waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, uit te voeren;
  • i. een beschrijving van de betekenis van de verwachte CO2-reductie voor de uitstoot van stikstof in Nederland;
  • j. een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema, een organogram van de verbonden groep waaruit de aandelenverhoudingen blijken en enkelvoudige of geconsolideerde jaarcijfers van de groep die is gebruikt voor de invulling van het beslisschema.
Artikel 4.6.10. Voorlichting en administratie
1.

Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten.

2.

De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag.

Artikel 4.6.11. Aanvraag tot subsidievaststelling

De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend bevat in ieder geval:

  • 1°. een algemene en technische omschrijving van de investeringen en aangeschafte en gebruikte installaties of infrastructuur;
  • 2°. een berekening van de daadwerkelijk gerealiseerde CO2-reductie in Nederland ten opzichte van de referentie-investering;
  • 3°. een ingevuld, gewaarmerkt en gedateerd kostenoverzicht opgesteld door een accountant, inclusief dezelfde kostencomponenten als de (mijlpalen)begroting;
  • 4°. indien het een investering voor energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling als bedoeld in artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft, een document waarin de broeikasgasuitstoot van de geleverde warmte in GJ is aangetoond;
  • 5°. indien het een investering in lokale infrastructuur als bedoeld in artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft, een exploitatieberekening;
  • b. de omvang van de vast te stellen subsidie;
  • c. indien de omvang van de vast te stellen subsidie € 30.000 tot € 125.000 bedraagt, een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten, die bevat:
  • 1°. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting,
  • 2°. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;
  • 3°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is;
  • 4°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is.
Artikel 4.6.12. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 4.6.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 36, 38, 41, 46, 47 en 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 4.6.13. Horizonbepaling

Deze titel en bijlagen 4.6.1 en 4.6.2 vervallen met ingang van 1 augustus 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Titel 4.7. Investeringssubsidie maakindustrie klimaatneutrale economie (IMKE)

Artikel 4.7.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • BIPV-zonnepaneel: zonnepaneel dat is geïntegreerd in een gebouw;
  • elektrolyse-installatie: een installatie voor de productie van waterstof door middel van elektrolyse van water;
  • essentiële onderdelen: onderdelen die zijn ontworpen en voornamelijk worden gebruikt als directe input voor de productie van batterijen, elektrolyse-installaties of zonnepanelen;
  • investeringsbesluit: een door een daartoe bevoegd persoon ondertekend document waaruit blijkt dat de subsidieontvanger het besluit tot het doen van de investering in de productielijn definitief heeft genomen;
  • productielijn: een samenhangend geheel van installaties die bestemd zijn voor de productie van een specifiek product of specifieke producten of voor de terugwinning van grondstoffen;
  • VIPV-zonnepaneel: zonnepaneel dat is geïntegreerd in een voertuig.
Artikel 4.7.2. Doelstelling

Het doel van deze module is het stimuleren van investeringen in sectoren die van strategisch belang zijn voor de transitie naar een klimaatneutrale economie, voor de opschaling van de productie van relevante uitrusting daarvoor naar productie op commerciële schaal, en om te voorkomen dat nieuwe investeringen in deze sectoren worden verlegd naar derde landen buiten de Economische Europese Ruimte.

Artikel 4.7.3. Subsidieverstrekking
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderneming voor een project voor de realisatie van productielijnen voor batterijen, elektrolyse-installaties of zonnepanelen, bestaande uit een investering in:

  • a. een nieuwe productielijn;
  • b. de uitbreiding van de productiecapaciteit van een bestaande productielijn;
  • c. de ombouw van een bestaande productielijn.
2.

Een productielijn voor batterijen als bedoeld in het eerste lid betreft:

  • a. de productie van:
  • 1°. bulkbatterijen, lithium-ion batterijen, natrium-ion batterijen, redox-flow batterijen of solid-state batterijen;
  • 2°. essentiële onderdelen voor de batterijen, genoemd in subonderdeel 1°, namelijk anodes, cellen, coatingmaterialen, elektrolytmaterialen, kathodes, packs of stacks;
  • b. de productie of terugwinning van gerelateerde kritieke grondstoffen als bedoeld in Bijlage IV van de algemene groepsvrijstellingsverordening en die nodig zijn voor de productie van de batterijen, genoemd in onderdeel a, subonderdeel 1°, of voor de productie van de essentiële onderdelen, genoemd in onderdeel a, subonderdeel 2°.
3.

Een productielijn voor elektrolyse-installaties als bedoeld in het eerste lid betreft de productie van:

  • a. elektrolyse-installaties;
  • b. essentiële onderdelen voor elektrolyse-installaties, namelijk anodes, bipolaire platen, diafragma’s, drukregulatoren, kathodes, kleinschalige waterstofopslag, membranen, temperatuurregulatoren, vermogenelektronica, warmtewisselaars, waterpompsystemen, waterstofcompressoren, waterstofdetectiesystemen, waterstofzuiveringssystemen of waterzuiveringssystemen.
4.

Een productielijn voor zonnepanelen als bedoeld in het eerste lid betreft de productie van:

  • a. BIPV-zonnepanelen of VIPV-zonnepanelen op basis van heterojunctionzonnecellen of perovskietzonnecellen;
  • b. zonnepanelen die circulair, lichtgewicht of flexibel, en PFAS-vrij zijn;
  • c. essentiële onderdelen voor de zonnepanelen, genoemd in onderdeel a of b, namelijk heterojunctionzonnecellen, perovskietfolies, perovskietzonnecellen of tandemzonnecellen.
Artikel 4.7.4. Hoogte subsidie
1.

De subsidie bedraagt 15 procent van de subsidiabele kosten. Indien het project een investering in een productielijn betreft in een steungebied dat overeenkomstig artikel 107, derde lid, onderdeel c, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de regionale steunkaart van Nederland is aangewezen, bedraagt de subsidie 20 procent van de subsidiabele kosten.

2.

Het in het eerste lid genoemde percentage wordt verhoogd met:

  • a. 20 procentpunten, indien de investering wordt gedaan door een kleine onderneming;
  • b. 10 procentpunten, indien de investering wordt gedaan door een middelgrote onderneming.
3.

De subsidie bedraagt ten hoogste:

  • a. voor een project met betrekking tot de investering in een productielijn voor batterijen € 20.000.000 per onderneming;
  • b. voor een project met betrekking tot de investering in een productielijn voor elektrolyse-installaties € 50.000.000 per onderneming;
  • c. voor een project met betrekking tot de investering in een productielijn voor zonnepanelen € 25.000.000 per onderneming.
4.

De totale maximale subsidie op grond van deze titel voor één onderneming bedraagt € 150.000.000. Indien het investeringen in een steungebied als bedoeld in het eerste lid betreft, bedraagt de totale maximale subsidie op grond van deze titel voor één onderneming € 200.000.000.

Artikel 4.7.5. Subsidiabele kosten
1.

Voor subsidie komen in aanmerking alle investeringskosten in materiële en immateriële activa die strikt noodzakelijk zijn voor de realisatie van de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

2.

Investeringskosten in immateriële activa zijn subsidiabel, indien die activa:

  • a. verbonden blijven met het betrokken gebied waar het project wordt uitgevoerd, en niet naar andere gebieden worden overgebracht;
  • b. voornamelijk worden gebruikt in de vestiging van de subsidieontvanger waar de realisatie van de productielijn plaatsvindt;
  • c. afschrijfbaar zijn;
  • d. op marktvoorwaarden worden aangekocht van derden zonder banden met de koper;
  • e. worden opgenomen in de activa van de subsidieontvanger; en
  • f. gedurende ten minste vijf jaar voor grote ondernemingen en drie jaar voor kleine of middelgrote ondernemingen na de voltooiing van het project verbonden blijven met het project waarvoor de subsidie wordt verleend.
3.

Voor subsidie komen niet in aanmerking kosten voor:

  • a. het vervangen van installaties van de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, tijdens de periode vanaf de start van het project tot:
  • 1°. vijf jaar na de voltooiing van het project in het geval het een grote onderneming betreft; of
  • 2°. drie jaar na de voltooiing van het project in het geval het een kleine of middelgrote onderneming betreft;
  • b. de vergemakkelijking van de verplaatsing van de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, tussen lidstaten binnen de Europese Economische Ruimte.
4.

Artikel 10, derde lid, van het besluit is niet van toepassing op de subsidiabele kosten.

Artikel 4.7.6. Verdeling van het subsidieplafond

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)